• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Gewapende strijd in de 21ste eeuw

    Terrorisme en terrorismebestrijding zijn nauw verbonden met het proces dat ertoe leidt dat iemand besluit zich op te blazen in een overvolle trein. Analisten bij de AIVD doen naarstige pogingen om te duiden wie de stap tot gewapend verzet neemt en wie er over filosofeert, denkt en praat. In de wetenschap en in de media komen ook regelmatig publicisten, columnisten en andere zelf benoemde deskundigen aan het woord die pogen het proces tot radicalisering, zoals dat vaak genoemd wordt, te duiden en te verklaren. Uitgangspunt is eigenlijk altijd dat radicaal denken fout of problematisch is en automatisch leidt tot gewelddadige actie. In deze gedachte zou het niet passen de gewapende strijd van de Tsjetsjeense rebellen onder leiding van guerrillaleider Basajev te ondersteunen, video’s ervan te bekijken en daarover in het hele land lezingen te geven in achterafzaaltjes. Ook de uitspraak van Abdul-Jabbar van der Ven dat hij niet rouwig zou zijn om de dood van Tweede-Kamerlid Geert Wilders, wordt in dit perspectief als radicaal beschouwd. Terwijl anderzijds het volstrekt niet problematisch is dat minister van Financiën Zalm de Pakistaanse president Musharaff publiekelijk feliciteert met de buitenrechtelijk executie van een van terrorisme verdachte persoon, met de nadruk op verdachte, want van enige normale rechtsgang is in Pakistan geen sprake. In alle gevallen gaat het om de verheerlijking van geweld, hoewel de bewoordingen van Abdul-Jabbar van der Ven eigenlijk zedig zijn in vergelijking met de twee andere voorbeelden.

    Radicaal-links, zoals dat in de jaren tachtig werd genoemd, deed niets anders. Guerrillabewegingen in met name Latijns-Amerika werden gesteund, zelfs met campagnes als ‘Wapens voor El Salvador’. Regelmatig reisde er een commandant, betrokkene of sympathisant door Europa om steun te vragen voor de beweging in Guatemala, El Salvador, Nicaragua, Mexico. Benefietfeesten en campagnes werden op touw gezet om de betreffende bewegingen financieel en moreel te steunen. ‘Informatie’-brigades vertrokken naar de gebieden, lesmateriaal werd vervaardigd en op 5 mei stonden bij de kraampjes van de diverse comités mensen folders uit te delen aan het Nederlandse publiek over de mensenrechtenschendingen in de landen waar die guerrillagroepen vandaan kwamen. Deze comités zouden vandaag de dag al snel als radicaal worden bestempeld; de rondreizende commandanten en sympathisanten als rekruteurs en de activisten die de landen gingen bezoeken als rekruten of mogelijk terroristen.

    De tijd gaat misschien snel, maar van enig historisch gevoel lijkt er in het terrorismedebat geen sprake te zijn. Niet dat processen van radicalisering niet serieus genomen moeten worden. Het bestempelen van deze processen als problematisch of ze zien als opmaat voor gewelddadige acties neemt ze echter niet serieus, maar bekijkt ze vanuit een strafrechtelijk perspectief. Radicale visies over onrecht in de wereld zijn belangrijk en verdienen meer aandacht dan justitiële alleen.

    Aan de processen van radicalisering hangen persoonlijke en gemeenschapsgerelateerde elementen. Daarnaast spelen bij de discussie over terrorisme vanuit islamitische hoek ook religieuze aspecten een rol. Het hoofdstuk wordt besloten met het politieke aspect. Wij pretenderen niet de wijsheid in pacht te hebben de processen op alle niveaus te kunnen duiden en ook met elkaar nog eens in verband te brengen. Radicale visies, gedachten en soms daden zijn geen terrorisme, maar politieke realiteiten die een antwoord vormen of proberen te geven op de voortschrijdende uniformisering en vervlakking van de samenleving. Nederland kenmerkt zich door het buiten de deur houden van vluchtelingen, uitkeringsgerechtigden als criminelen te behandelen, daken thuislozen voor twee jaar achter de tralies te stoppen, religieuze minderheden met minachting te benaderen en iedereen die van de norm afwijkt te marginaliseren en te criminaliseren. In de wereld om ons heen zijn de conflicten, oorlogen en droogten vergeten of hitsig gebracht in programma’s als Netwerk en Twee Vandaag. Plotseling realiseert iedereen zich dat Oezbekistan eigenlijk een dictatuur is, terwijl president Karimov drie jaar lang door kon martelen in de schaduw van de medialuwte. Als een Oezbeek, islamitisch of niet, met een auto vol explosieven het kantoor van de Volkskrant zou binnenrijden, is de pavlovreactie van de Nederlandse politiek en media eenvoudig voor te stellen. Enige zelfreflectie op de rol van de westerse politiek en media in deze geglobaliseerde wereld lijkt ver weg, terwijl dezelfde Oezbeek bijna lijkt te schreeuwen: dit wilden jullie toch. Tegelijk met de terugkeer naar de moederschoot en een herbeleving van de Nederlandse geschiedenis, waar nog steeds de rotte delen netjes zijn uitgesneden, per slot van rekening was Jan Pieterszoon Coen een held en geen massamoordenaar, wordt niet gerealiseerd dat de leuke visie van de wereld als global village waarheid is geworden en niet meer is terug te draaien. In wezen rijdt de betreffende Oezbeek het gebouw van het ministerie van Defensie in Tasjkent in bij zijn gang naar het gebouw van de Volkskrant.

     

    WIL DE ECHTE TERRORIST OPSTAAN?

    De samenleving is veranderd sinds de jaren tachtig. De uniformiteit is groter geworden. Dezelfde supermarkten, kledingwinkels en winkelcentra rijzen op in de gehele Europese Unie. De uniformiteit is ook zichtbaar binnen de politiek. Tijdens de campagne rond de Europese grondwet streden PvdA en GroenLinks zij aan zij met CDA en VVD in het ja-kamp. Schaalvergroting zou volgens hen zowel een waarborg zijn voor vrede en veiligheid en een tegenwicht tegen andere grootmachten. Het tegengeluid kwam vooral van de zijde van Geert Wilders en de SP. Hun antwoord was kort gezegd: ‘Nederland verdwijnt.’ Benjamin Barber had niet kunnen vermoeden dat de tegenstelling tussen jihad en McWorld zich zo scherp zou ontwikkelen. ‘Een dreigende balkanisering van nationale staten waarin culturen tegen culturen, mensen tegen mensen en stammen tegen stammen worden uitgespeeld. Een jihad in naam van honderd letterlijk geïnterpreteerde religieuze systemen tegen alles wat zweemt naar onderlinge afhankelijkheid, vrijwillige georganiseerde sociale samenwerking en gemeenschappelijkheid, tegen de populaire cultuur, tegen de geïntegreerde markten, tegen het moderne leven zelf en tegen de toekomst waarin het zich zal ontwikkelen’, schrijft Barber in 1995. De tekst moet niet al te letterlijk worden genomen, maar in wezen verwijst Barber naar diversiteit en eigenheid als hij het over jihad heeft en bedoelt hij eenvormigheid en ontworteldheid als hij het over McWorld heeft. ‘Het tweede scenario schildert die toekomst, in oplichtende pastelkleuren, als een dynamisch portret van voortsnellende economische, technologische en ecologische krachten die integratie en uniformiteit vereisen, die volkeren overal ter wereld hypnotiseren met snelle muziek, snelle computers en een snelle hap en die naties aansporen tot een enkel homogeen en mondiaal themapark, tot een McWorld, verenigd door communicatie, informatie, entertainment en commercie.’

    Wat Barber poogt is in de huidige tijd ondenkbaar. Hij verbreedt het woord ‘jihad’ tot een soort alles omvattend begrip. Bij het terrorisme debat lijkt elke notie tot duiding in rook te zijn opgegaan. Wie probeert een genuanceerde definitie van terrorisme en radicalisering te formuleren, kan beter deze begrippen overboord zetten. Ze zijn ontdaan van elke lading of betekenis die ze hebben. Als basisschoolleerlingen al radicaliseren en als rondhangende jongeren al terreur bedrijven, dan is wild plassen een terroristische aanslag op het milieu. Dit is niet een absurdistische benadering, want als we in vogelvlucht de teksten in de media scannen, dan valt op dat politici en journalisten vrolijk goochelen met combinaties van bijvoeglijke naamwoorden en terreurwoorden. Wat te denken van de ‘vrijgesproken terrorist’ of de ‘terroristen die vrijuit gaan’. Geen verdachten, maar terroristen van beroep. Of, zoals NOVA het in 2003 uitlegde: potentiële illegale terroristen. Terreur en de islamitische cultuur zijn diep met elkaar verbonden, ‘islamitische (terreur)organisaties’, ‘een nest van extremistische islamitische terreur’, en ‘islamitische terroristische netwerken’ zijn enkele van de benamingen die aan zogenaamd fundamentalistische moskeeën worden gegeven. Of zoals NRC Handelsblad zo pakkend weet te verwoorden: de terroristische islam. Alle denkbare combinaties lijken geoorloofd en uitgeprobeerd. ‘Militante Arabische moslimextremisten’, ‘radicaal Arabisch (moslim)extremisme’, ‘extreme moslims’, ‘fundamentalistisch barbaarse interpretaties’ en ‘geïmporteerd islamitisch radicalisme’.

    Misschien is het een zwaktebod dat hier geen poging wordt gedaan radicalisering en terrorisme te definiëren, maar zoals Martijn de Koning, antropoloog aan de Universiteit van Leiden, placht te zeggen: als kleuters al radicaliseren, dan is het begrip onbruikbaar geworden. Wel kan er een poging gedaan worden radicalisering te duiden, dat levert dan ook enig inzicht op in het woord ‘terrorisme’. Is radicalisme terrorisme? Of leidt het altijd tot terrorisme? Of is radicalisering een proces en fundamentalisme de uitkomst? Is daarmee fundamentalisme gelijk aan terrorisme? En hoe verhoudt radicalisme zich tot extremisme? Zijn extremisten terroristen of zijn radicalen extremisten? Of is het woord fanatisme handzamer? Ahmed Rashid maakt in zijn boek Jihad gehakt van de woorden. De scheiding is niet zo zuiver te trekken. Fanatici, extremisten en fundamentalisten zijn niet per definitie terroristen of vrijheidsstrijders. Neem het voorbeeld van de Hizb utTahrir. In Nederland ontstond er ophef over de organisatie van een bijeenkomst van deze beweging op 6 maart 2004. De organisatie zou fundamentalistisch zijn, volgens de AIVD een internationale radicaal-islamitische beweging en Duitsland heeft de beweging al tot staatsgevaarlijk bestempeld. Hier wordt er van uitgegaan dat de beschuldigingen dat de organisatie antisemitisch zou zijn, gebaseerd zijn op aanwijzingen en feiten en dat de organisatie daarvoor vervolgd gaat worden. Is de organisatie fundamentalistisch, omdat zij antisemitisch is? Is zij extremistisch, omdat zij antisemitisch is of, zoals De Telegraaf schrijft, de vernietiging van Israël voorstaat? Zij is zonder meer strafbaar als zij zoals in Denemarken is gebeurd oproept om joodse mensen om te brengen. Daar is de voorzitter van de beweging ook voor veroordeeld. Is zij echter daarom terroristisch? Laten we er van uitgaan dat de leden van Hizb ut-Tahrir antidemocratisch zijn. Zijn zij daarom fundamentalistisch, extremistisch, radicaal of terroristisch? Elsevier schreef een jaar eerder nog dat Hizb ut-Tahrir fundamentalistisch was en een ‘naar het schijnt vreedzame beweging’ waarvan ‘zesduizend vermeende leden waren gedetineerd, doodgemarteld of geëxecuteerd’ door het regime van de democratisch gekozen dictator Karimov van Oezbekistan. Aangenomen dat zij streng gelovig zijn, zijn zij dan ook fundamentalistisch of extremistisch? Het blijven moeilijke begrippen. Ahmed Rashid vergelijkt de Hizb ut-Tahrir met de Islamitische Beweging van Oezbekistan, die wel een gewapende strijd voert tegen het regime van Karimov. Vergeleken met die laatste groepering is Hizb ut-Tahrir iets minder terroristisch, maar religieus misschien wel meer fundamentalistisch.

    Het labelen van radicaal en terroristisch lijkt in een handomdraai te gebeuren, vandaar dat de Tsjetsjeen Shamil Basajev in zijn interview met ABC Nightline alvast aangeeft dat hij een terrorist is, want over de inhoud van zijn boodschap gaat het allang niet meer.

     

    A KILLER IS BORN?

    Op de trap bij de Centrale Bibliotheek in Amsterdam kwam ik een verwilderde kennis tegen die mij aanklampte. Weet je wie er net vermoord is? Ik keek hem meewarig aan en schudde mijn hoofd, ik zou het niet weten. ‘Theo van Gogh’, zei hij hijgerig alsof hij het laatste nieuws nog aan de redactie moest doorbellen. ‘En weet je door wie?’ volgde direct op zijn antwoord. Alweer moest ik me verontschuldigen, ik was niet continu online. ‘Een Marokkaan’, fluisterde hij. En nadat hij mij nog eens doordringend had aangekeken, rende hij verder. Hetzelfde verhaal had kunnen gelden voor de moord op Pim Fortuyn, want iedereen had dat verwacht. Het leek bijna of de moord op Fortuyn minder erg was want het was geen Marokkaan.

    Na de moord op Van Gogh werd al snel duidelijk dat de dader, Mohammed B., een erg religieuze man was. Zijn kleding en de teksten die hij op het lichaam had achtergelaten wezen daarop. ‘Nu zijn die kut-Marokkanen echt te ver gegaan’ en ‘geef racisme geen kans’ leken de twee hoofdstromingen van de reactie. Er leek zich een kleine burgeroorlog te ontwikkelen. Moskeeën, islamitische scholen, kerken en andere religieuze symbolen moesten het ontgelden. De ‘kut-Marokkaan’ werd moslim en stond plots symbool voor een volledige bevolkingsgroep. Stadsgesprekken, kringgesprekken, burenontmoetingen en andere activiteiten moesten de plots herontdekte kloof overbruggen. Eén individu werd symbool van een mislukte integratie, een ontspoorde bevolkingsgroep en excuusmoslim voor harde woorden en maatregelen. Eigenlijk is het dan ook niet vreemd dat Mohammed B. plotseling een soort cultstatus krijgt onder basisschoolleerlingen in Amsterdam.

    Die mislukte integratie zorgde echter ook voor verwarring, want zo mislukt was die integratie van Mohammed B. nou ook weer niet. Hij had zijn havo afgemaakt en was doorgestroomd naar de Hogeschool Holland in Diemen, en al had hij geen papiertje gehaald, hij was niet in het criminele circuit beland en hij vond werk in het wijkopbouwwerk. Duidelijk iemand die betrokkenheid toonde bij de samenleving en opkwam voor de positie van Marokkaanse jongeren in de buurt. Aan de andere kant was hij ook weer geen model Marokkaan geweest en wordt er gezegd dat hij onderdeel uitmaakte van de Marokkaanse jongeren in Nieuw West die Rob Oudkerk de bijnaam ‘kut-Marokkanen’ gaf. Hij schijnt betrokken te zijn geweest bij een vechtpartij in café de Kooi in Diemen na de overwinning van Nederland op Frankrijk tijdens het wereldkampioenschap voetbal in Nederland en België. In 2001 is hij veroordeeld tot twaalf weken gevangenisstraf wegens het met een mes bedreigen van een politieagent. Tegen de uitspraak van de rechter is hij in hoger beroep gegaan. Hoewel sommige media het beeld schetsen van een zwaar criminele Marokkaan, is het algemene beeld eerder ‘een voorbeeldige jongeman’ (W. Knol, voormalig voorzitter van buurtorganisatie Eigen Wijks in Netwerk). In de Volkskrant zegt een oud-buurman dat Mohammed hulp bood aan probleemjongeren. ‘Dan zei hij tegen jongens die bijeen op een hoekje stonden: “Je kunt beter uit elkaar gaan, want je trekt te veel aandacht.” Hij vond het ook heel leuk dat het goed met mij ging. Dat ik niet met de politie in aanraking was gekomen en dat ik mijn diploma’s voor rij-instructeur had gehaald.’

    Was Mohammed B. in de war? Leed hij aan een psychische ziekte? Het zou zo eenvoudig zijn als dat het geval was. Met de verwijzing naar zijn ‘gewelddadig verleden’ doen psychiaters volgens het DSM IV-model uitspraken over de mate en de soort van de psychiatrische stoornis die hij zou hebben gehad, zonder een woord met hem gewisseld te hebben. Het gekke is dat Mohammed B. gewoon Nederlander is. Een individualist, daar zou zijn daad zelfs op wijzen al verdenkt het Openbaar Ministerie hem ervan deel te hebben genomen aan een terroristische organisatie. Een individualist, assertief, bekend met de Nederlandse overlegen poldersamenleving, maar ook Marokkaan en later moslim.

    Frank Buijs, sociaal-wetenschappelijk onderzoeker bij het Instituut voor Migratie en Etnische Studies (Imes) van de Universiteit van Amsterdam, doet onderzoek naar radicalisme in brede zin en zoekt de verklaring meer in het individualisme en religie. ‘In zekere zin is Mohammed B. een prototype. Hij was helemaal niet opgesloten in een parallelle etnisch-religieuze gemeenschap, maar had er juist afstand van genomen. Hij had individuele keuzes gemaakt, was goed geïntegreerd, schreef in een wijkkrant en probeerde geld te werven voor projecten voor allochtone jongeren. En paradoxaal genoeg was juist het individualisme dat hem in staat stelde om actief te zijn in het maatschappelijke veld, ook de grondslag van zijn latere radicalisering’, schrijft Buijs in Socialisme & Democratie van februari 2005. Het individualisme dat in het Westen zo sterk wordt gepropageerd en wordt uitgedragen lijkt naadloos aan te sluiten op de ideologie van de radicale islam.

    ‘Eerst vindt er een verschuiving plaats van nationale identiteit naar religieuze identiteit. De jongeren voelen zich niet meer primair Marokkaan maar moslim. Die verschuiving loopt parallel met processen van individualisering die ze doormaken. Dat is heel essentieel, want het islamitisch radicalisme verschilt van de hoofdstroom van de islam juist op het punt van de nadruk op individuele besluitvorming. Als je alle islamitisch radicale klassiekers leest dan zeggen ze dat de jihad een individuele plicht oftewel je beslissing moet je nemen los van je ouders los van de oelema, in die zin is het radicalisme zoiets als het protestantisme’, verduidelijkt Buijs zijn standpunt. Martijn de Koning preciseert dit standpunt naar aanleiding van zijn onderzoek onder Marokkaanse jongeren in Gouda in een interview in De Gelderlander: ‘Het geloof beschouwen de moslimjongeren als iets “tussen mij en Allah”. Individualistischer kun je het niet hebben. Er is niet één essentie in de islam. Het is een repertoire aan keuzemogelijkheden dat door de jongeren telkens anders wordt samengesteld. Maar dat wil niet zeggen dat het vrijblijvend is. Het is aan de ene kant een knip-en-plak-islam, maar wel gebaseerd op bronnen.’

    Mohammed B. was volstrekt geen gemiddelde Nederlander of Nederlandse Marokkaan voor 2 november 2004. Hij was betrokken bij de buurt en hoewel iedere misstap in iemands verleden opgeblazen kan worden tot een waar strafblad, poogde hij wel jongeren op het rechte pad te houden. Zijn sterke hang naar het geloof kan daar ook mee in verband gebracht worden en levert een positiever beeld. Die terugkeer naar het geloof is iets dat Martijn de Koning in zijn onderzoek onder Marokkaanse jongeren in Gouda ook veelvuldig heeft gezien. ‘In de puberteit zijn de meisjes belangrijk. Uitgaan, rondhangen, soms een beetje over de streep, misschien door de samenleving gezien als ‘kut-Marokkanen’, maar dat is de puberteit. Op het moment dat ze een diploma hebben van middelbare school betreden ze een nieuwe fase in hun leven. Studeren, werken. Veel jongens worden dan serieuzer. We hebben het over de leeftijd tussen de 16 en de 18 jaar. Dat is ook het moment dat men zich gaat verdiepen in de islam. Dat ze moslim zijn is vanzelfsprekend, maar hoe je dat invult is een ander verhaal. Hoe de ouders het doen is op zijn Marokkaans, dat kan niet, dat is niet op zijn islamitisch. Met deze afwijzing van het Marokkaanse kun je niet in de moskee terecht. Daarnaast weet de imam vaak niet waar een jongere mee bezig is. Het opeisen van hun rechten doen deze jongeren op zijn Nederlands. De reactie van de leden van de moskee is ook typisch Nederlands: “Hoezo wil je iets te zeggen hebben? Je betaalt geen contributie, dus heb je niets te zeggen.”’

    In je puberteit botsen met je ouders en de samenleving is niet zo verrassend. Dat de jongeren zich richten tot de islam is eigenlijk ook niet vreemd. Het maakt onderdeel uit van hun jeugd en de traditie waarin zij zijn opgegroeid. Daarnaast is Nederland Turkije, Algerije of Marokko niet en is de meerderheid van de jongeren van de tweede en derde generatie hier geboren. Soms Nederlandser in hun assertiviteit en de aanspraak op rechten dan autochtonen. Frank Buijs interpreteert dit in Moslims in Nederland uit december 2004 als een bijna onvermijdelijk proces dat slechts lijkt te kunnen uitmonden in een geïsoleerde groep. ‘Ze [jongeren] gaan neerkijken op hun ouders, omdat die een maatschappelijk ondergeschikte positie innemen en daarin berusten, en omdat ze hen zien als routinemoslims en niet als echt vrome, volledig aan het geloof toegewijde, mensen. Deze jonge moslims verwerpen de conservatieve hoofdstroom van de islam als nietconsequent, en ver verwijderd van het oorspronkelijke ideaal van zuiverheid. De cultuur van het land van hun ouders zien ze niet als een bron van trots en identificatie. De Nederlandse samenleving ervaren ze als decadent, arrogant en discriminerend… Uiteindelijk dient een geglobaliseerde islam, losgemaakt van het land van herkomst en verwijzend naar de Umma, zich aan als brandpunt van een nieuwe identiteit.’ (Roy, 2003) Oliver Roy is in Justitiële Verkenningen (jrg. 31 nr. 2 2005) nog explicieter: ‘Feitelijk zijn de meeste terroristische acties in het Westen gepleegd door westerse moslims, of althans door in Westen wonende moslims, waar we ook nog vele bekeerlingen bij moeten tellen. De meeste acties vonden plaats in naam van de “verdediging” van de islam of om het westerse imperialisme te bestrijden, slechts enkele vertoonden een direct verband met een specifiek conflict in het MiddenOosten (in het verleden door Palestijnen gepleegde terroristische acties). De situatie in het Midden-Oosten is geen verklaring voor de radicalisering van jonge moslims in Europa: het is een sui generis-verschijnsel, een gevolg van zowel de globalisering als de verwesterlijking en houdt tevens verband met een generatiekloof.’

    Einde exercitie. De Mohammed B.’s en Samir A.’s en andere verdachten van terroristische handelingen zijn gewoon geïntegreerde Nederlanders die in het menselijk proces van identiteitsontwikkeling verstrikt raken tussen twee culturen. Zij komen in een soort vacuüm, waar zich dan de ‘radicale islam’ of ‘euro-islam’ volgens Roy aandient die hen een passende identiteit aanbiedt. De lokalisering van het probleem kon niet eenvoudiger. De rekruten van de ‘radicale islam’ zijn gelokaliseerd en kunnen in de gaten worden gehouden door inlichtingenen veiligheidsdiensten. Misschien dat ze niet allemaal de stap naar het gewelddadige verzet maken, maar de potentie is wel degelijk aanwezig. Het bizarre van deze analyse is dat deze jongeren bijna worden gediagnostiseerd als psychiatrische gevallen. Ze hebben een identiteitsprobleem en komen daarom uit bij de ‘radicale islam’, die dan slechts gezien kan worden als kwaal, als gezwel waarvan ze genezen dienen te worden. Martijn de Koning is het niet met Roy eens, want: ‘Roy zegt dat er een soort deculturalisering plaatsvindt. Religie wordt uit de traditie gehaald. Ik ben het niet met hem eens. Ten eerste zitten ze niet in een cultureel vacuüm, dat is antropologisch gezien onzin. Je maakt altijd deel uit van een cultuur, of je nu wilt of niet. Hij geeft als voorbeeld halal fastfood. Dat is gewoon een teken van iets nieuws maar wel op basis van oude dingen. Ook die claim van een zuivere islam is deels om zich af te zetten tegen de ouders en als een soort cultuurkritiek naar de Nederlandse samenleving, maar dat is niet hetzelfde als breken met de ouders of breken met de Nederlandse cultuur.’

    Na 11 september 2001 is het aantal aanslagen in Europa op één hand te tellen. Nu is dat geen maat voor de dreiging en kan het ook liggen aan de effectiviteit van de inlichtingenen opsporingsdiensten, maar als de identiteitsontwikkeling van tweede en derde generatie moslims spaak loopt en we ervan uitgaan dat de rekruten ruwweg een leeftijd tussen de 15 en 35 jaar hebben, dan staat een onzichtbaar leger van ‘radicale moslimstrijders’ klaar om Europa te veroveren. Minister Zalm heeft dan zeker gelijk met zijn opmerking na de moord op Theo van Gogh dat wij in oorlog zijn. Toch een vreemde gedachte dat er tienduizenden jongeren klaar staan om hun ongelovige buren, collegae, vrienden en kennissen de keel door te snijden. Het lijkt slechts een kwestie van tijd, maar het moment nadert. Misschien is het een overdrijving en een cynisch commentaar op Roy en Buijs, maar de pathologisering/psychiatrisering van deze jongeren en het diagnostiseren van de ‘radicale islam’ als een probleem an sich roept eerder de vraag op of men niet zelf bang is dan dat deze jongeren serieus worden genomen. Die angst wordt nog pertinenter als de conclusie van het proces van die identiteitsontwikkeling wordt gedefinieerd in termen van radicalisering.
    Mocht je überhaupt hun identiteitsworsteling willen zien als probleem, dan liggen de oorzaken en genezing in de diagnose dat deze jongeren geen thuis vinden in de Nederlandse samenleving en ook niet in hun migrantengemeenschap. Deze benadering is echter te pervers om vol te houden. Jongeren, migrant of niet, komen in hun puberteit en adolescentie in meer of mindere mate de gevestigde orde tegen. Daar is niets mis mee, dat is niet ziekelijk. Ook niet het besluit om moslim te worden. In wezen zijn deze jongeren de nieuwe global citizens. Ze hebben geen nationale identiteit, zowel niet van het land van aankomst als van het land van herkomst. Dat deze zogenaamde ‘euro-islam’ die mondiale identiteit wel verschaft en niet het begrip ‘global citizen’ zegt meer over de zwakte van het niet-religieuze concept dan over het gevaar van de religieuze identiteit.

     

    DE GEMEENSCHAP

    In zijn bijdrage aan de Justitiële Verkenningen-special ‘radicalisering en jihad’ zegt Rob de Wijk, directeur van het Clingendael Centrum voor Strategische Studies: ‘Het debat over terrorisme is sinds de moord op Theo van Gogh verengd tot de sociaal-economische achterstand van minderheden, het mislukken van de integratie en de aard van de islam… In het debat wordt te weinig onderscheid gemaakt tussen oorzaken en katalysatoren… De oorzaken zijn van buitenlandse oorsprong; de katalysatoren zowel van buitenals binnenlandse oorsprong. Dat betekent dat Nederland nauwelijks greep op het terrorisme kan krijgen.’ Aan de oorzaken wijdt hij één pagina, waarover volgens hem in de wetenschappelijke kringen consensus bestaat. Bij de oorzaken speelt het Westen een inferieure rol. De maatschappelijke ontwikkeling in de Arabische wereld wordt gekenmerkt door ‘onervaren en onbekwame leiders’. Het resultaat is een ontwrichtte samenleving waarin jongeren, vooral hoogopgeleide, houvast zoeken. Volgens De Wijk kan dat op twee manieren: teruggrijpen op vertrouwde uitgangspunten of een alternatieve ideologie ontwikkelen. Het eerste is gebeurd in de Arabische wereld en het tweede in het Westen. De conclusie lijkt evident. Moslims overal ter wereld zoeken houvast en die vinden ze in de ‘zuivere islam’. Alleen beïnvloeding van de katalysatoren kan het inferno afwenden, en daar dient de Nederlandse overheid zich op te richten.

    Als in wetenschappelijke kringen daadwerkelijk consensus over deze analyse bestaat, dan wordt eigenlijk een totale bevolkingsgroep afgeschreven. De hearts and minds van de gematigde moslims moeten nog wel gewonnen worden, schrijft De Wijk poëtisch, maar de anderen zijn reeds afgeschreven. De Wijk trekt in wezen een parallel met de identiteitsontwikkeling bij jonge moslims op dit moment in Nederland. De traditionele levenshouding van hun ouders, de eerste generatie migranten, is te vergelijken met het teruggrijpen op vertrouwde uitgangspunten in de Arabische wereld die eerder op de traditionele stamverhoudingen zijn terug te voeren dan op de ‘zuivere islam’. Een alternatieve ideologie ontwikkelen staat dan gelijk aan het neoliberale beleid dat Nederland in zijn wurggreep heeft. In beide gevallen zijn hoogopgeleide jongeren de weg kwijt en zoeken houvast. Dat houvast hadden jongeren in de Arabische wereld ook kunnen vinden in mensen als Mohammed Mossadegh, democraat in hart en nieren, die de twijfelachtige eer heeft de eerste democratisch gekozen regering te hebben aangevoerd die door de Amerikanen omver is geworden in 1953 ten behoeve van de ‘moderne’ dictatuur van de sjah. Het cynische aan Mossadegh is dat hij ook nog eens de democratisch gekozen premier van Iran was, een land dat nu wordt afgeschilderd als in de greep van het religieuze fanatisme.

    De Wijks analyse van de oorzaken laat direct een leemte zien die in het islamdebat regelmatig terugkeert. De jongeren worden bezien vanuit een visie van daar (Arabische wereld) en zij, en niet hier (de Nederlandse samenleving) en wij. Er heerst een superioriteitsdenken, een arrogantie die ervan uitgaat dat wat wij hebben beter is dan wat zij hebben, willen of nastreven. Zij zoeken houvast, voelen zich onmachtig en die onmacht wordt omgezet in geweld. Geen politiek geweld, maar onredelijk religieus geweld. Door overal ‘radicaal’ voor te zetten, lijkt een werkelijk gesprek met deze mensen niet mogelijk. De enige weg die ons open staat is een strafrechtelijke.

    POLARISATIE
    Dat de Nederlandse samenleving de afgelopen jaren gepolariseerd is, is te merken aan de scherpte van het debat. Die polarisering is echter niet dezelfde polarisering die er voor veel moslim jongeren is. Hoewel zij ongetwijfeld meer binding hebben met hun eigen gemeenschap, zetten zij zich ook tegen hen af. Martijn de Koning: ‘Je ziet dat de generatie van twintigers en dertigers zich aan het slachtoffer gevoel van hun ouders proberen te ontworstelen. Zij verwijten de eerste generatie allochtonen dat slachtoffer gevoel te cultiveren en schelden ze uit voor beroepsallochtoon, subsidiehoer, of erger nog, NSB’ers. De nieuwe generaties zitten nu op een leeftijd waarin ze een eigen stem kunnen laten horen die zoden aan de dijk zet omdat ze met een behoorlijk aantal mensen zijn. Voorbeelden zijn koerswijziging.nl en benjebangvoormij.nl.’

    Dit verhaal sluit naadloos aan bij zijn eerdere opmerking dat veel jongeren niet meer bij hun eigen moskee terechtkunnen. ‘Wat die jongeren (16-18 jaar) over de koran weten is minimaal… Ze zijn op zoek naar handzame boekjes over wat er wel en niet in de koran staat. Internetsites die de fatwa’s uitspugen zijn een stuk eenvoudiger dan dat je een imam in Saoedie-Arabië moet bellen. Vaak willen ze de meest gangbare dingen weten, zoals: mag ik omgaan met Nederlandse jongens of meisjes? Mag ik ze als vrienden hebben? Een gemiddelde imam weet daar geen raad mee. Omdat die geen Nederlands spreken en weet hoe de Nederlandse samenleving in elkaar zit. De jongeren vinden dan ook snel geen aansluiting bij hun eigen moskee.’

    Aan de andere kant van eigenlijk hetzelfde spectrum zitten het establishment, de onderbuikgevoelens en de bestaande en ontluikende intolerantie. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Remkes schrijft in de nota Bestrijding internationaal terrorisme op 9 maart 2004: ‘Te constateren valt dat een groeiend aantal moslims zich door opiniemakers en opinieleiders in het maatschappelijk verkeer onheus bejegend voelt. Hierbij komt dat in hun ogen de overheid zich niet – of onvoldoende – als onpartijdige arbiter opstelt. Deze gedachte leeft onder de kleine groep van politiek radicale moslims maar ook binnen een groot deel van moslims dat zich wel verbonden voelt met – en gebonden acht aan – de principes van de democratische rechtsstaat.’

    Verhoudingen hebben zich erg verhard na 11 september 2001. Martijn de Koning signaleert dat de trend eerder al was ingezet. ‘We hebben het natuurlijk altijd over 11 september, maar als ik met moslim jongeren spreek die tussen de twintig en de dertig zijn, die hebben het ook over 11 september, maar die beginnen bijna allemaal eerst bij de El-Moumni-affaire van mei 2001. NOVA lijkt bewust de uitspraak van de imam, dat hij persoonlijk geweld afkeurt en geweld ook niet volgens de islam toestaat, uit de uitzending te hebben geknipt. Dat voelt men als dolksteek in de rug. Eerdere dingen als het multiculturele drama van Paul Scheffer en de uitlatingen van Bolkestein speelden niet echt. Maar goed, in die periode waren ze een stuk jonger. Zo’n El-Moumni-affaire komt op een moment dat het politieke bewustzijn begint te groeien in zo’n groep. Na 11 september was er iedere drie maanden wel iets. Dan had je de islamitische basisscholen, El Tawheed, de imams bij NOVA die allerlei domme uitspraken deden. Of het allemaal terecht was of niet, op een gegeven moment hebben ze wel een soort lawine over zich heen gekregen.’

    De polarisatie waarin moslimjongeren geraken is niet eenvoudig te definiëren als tweepolig. Na 11 september 2001 werden moslims in het algemeen aangesproken om hun afschuw of afkeuring uit te spreken over de aanslagen op het World Trade Center en het Pentagon. Daders en medeplichtigen waren al vastgesteld voordat de rook was opgetrokken. Eigenlijk herhaalt zich deze stoelendans keer op keer na een aanslag. De polarisering lijkt daardoor te verscherpen, want het goede antwoord is niet te geven. Dit zit namelijk niet in de woorden ‘het is heel erg’ of ‘wij keuren het af ’, maar in de constellatie van hoe de samenleving is ingericht. De eerste generatie migranten die zich in het maatschappelijk middenveld heeft gevestigd doet verwoede pogingen bij de Nederlandse samenleving te behoren door steunbetuigingen aan het adres van het Westen te sturen. Daarmee ondergraven zij hun positie ten opzicht van moslimjongeren die zich toch al niet thuis voelen in eigen kringen. Zij analyseren 11 september 2001 vanuit een geheel ander perspectief, het ‘eigen schuld dikke bult’-perspectief. ‘Veel mensen vonden dat Amerika een koekje van eigen deeg kreeg. Los van die onschuldige burgerslachtoffers van 11 september. Dat het Pentagon was aangevallen, daar hadden heel veel mensen helemaal geen problemen mee. Dat is een militair doel’, licht Martijn de Koning toe.
    De zogenaamde Nederlandse pool wordt gekenmerkt door een overheid die steeds strenger optreedt, diverse politici en opiniemakers die vinden dat zij hun nek uitsteken en dat de overheid niets aan het probleem doet. De polarisatie is compleet met een groep jongeren die juicht bij elke moskee of islamitische school die in de brand staat. De maatregelen die de ministers Remkes en Donner naar de Kamer sturen zijn niet meer bij te houden, maar als de AIVD een bespiegelende brief over de achterliggende oorzaken van radicalisering naar de Kamer stuurt, lijkt het landje te klein. Als door een wesp gestoken reageren diverse publicisten en politici. ‘De AIVD, die het woord “onderbouwen” nog moet uitvinden, geeft geen cijfers en geen details. Wel wijst deze dienst de hoofdverantwoordelijken aan van deze door mist omgeven gewelddadige bekering tot de jihad. De schuldigen zijn opiniemakers en -leiders, lees: publicisten en politici. De politiek correcte gemeente, zowel binnen als buiten de Kamer, kan zijn geluk niet op en omarmt plots de door hen doorgaans zo verfoeide lange jassen’, schrijft Sylvain Ephimenco in zijn column in Trouw. VVD-fractieleider Van Aartsen geeft de inlichtingendienst nog even een veeg uit de pan op een partijraad in Den Haag. ‘De AIVD moet zich niet bemoeien met de meningsvorming in ons land.’ Ondertussen worden de jongeren die veroordeeld zijn voor de brandstichting in de islamitische basisschool Bedir in Uden geëerd als verzetsstrijders en verdienen zij een lintje volgens de bezoekers van websites als Holland hardcore.

    Dat het debat verscherpt is dan nogal wiedes. ‘Nee, anti-westers, anti-Amerikaans, maar dat anti-Nederlands is specifiek voor het laatste jaar. Voorheen was men anti-Amerikaans, antiwesters, dat was allemaal hetzelfde, daar hoorde antiNederlands ook bij, maar dat was niet echt specifiek gericht op Nederland’, zegt Martijn de Koning. ‘Maar met figuren als Ayaan Hirsi Ali, Geert Wilders en ook Van Gogh, werd het anti-Nederlands wel steeds sterker en ook het idee dat men in de hoek zit waar de klappen vallen en dat veel jongeren met een bepaalde gekleurde bril naar de werkelijkheid kijken, dat gebeurd altijd wel, maar dat Theo van Gogh ook een film kan maken met Marokkaanse rotjochies wordt niet opgepikt. Dat Hirsi Ali af en toe nuanceringen aanbrengt in haar uitspraken wordt helemaal niet opgepikt. En als iemand als Naema Tahir een opmerking maakt over hoe moslims omgaan met seksualiteit en met name mannen met seksualiteit van vrouwen, dan wordt ze meteen in de hoek van Hirsi Ali gedrukt, dan is meteen ieder gevoel voor nuance weg.’

    De nuance is zoek. Iedere moslim is een terrorist en dient zich te verantwoorden voor een zelfmoordaanslag waar ook ter wereld en iedere Nederlander die kritiek heeft op de islam is eigenlijk ook een terrorist, maar dan vanuit het tegenovergestelde perspectief bekeken. De columnisten die zich nu verontwaardigd uitlaten over moslimjongeren die iedereen en alles met de dood bedreigen, krijgen een antwoord van de straat op hun scherpe taal en literaire beledigingen. Dat is geen verontschuldiging voor het gedrag van deze jongeren en ook geen aanklacht tegen de harde taal van opiniemakers, het toont alleen aan dat zij die geen toegang hebben tot de massamedia zich vooral op internet zijn gaan bedienen van de taal van de confrontatie. Het is nu hard tegen hard

     

    SUPERIORITEIT

    Zowel bij moslims die streven naar een samenleving die gebaseerd is op de zuivere islam, als bij verwoede predikers van het democratische bestel zit een vorm van superioriteit met betrekking tot de heilstaat. Bij de zuivere islam wordt deze gedefinieerd door de koran en bij de democratie door verkiezingen en een neoliberaal economisch systeem. Bij de koran lijkt het evident. Als je leeft volgens de letter van de geschriften, dan ben je een beter mens, en aangezien dit aardse bestaan eigenlijk van generlei waarde is, lijkt het logisch de wetten van de profeet te eerbiedigen om zo de ideale samenleving te creëren. De ware vrijheid zit hem in de wet van de profeet.
    Dat liberale denken is ook het uitgangspunt voor vele democratische fundamentalisten, zoals de fanatieke aanhangers van de Verlichting soms worden genoemd. Volg de Verlichting en het komt allemaal wel goed lijken mensen als Paul Cliteur te zeggen. In het NRC zet hij deze heilstaat af tegen de islam met de woorden ‘de reëel bestaande islam is niet liberaal maar fundamentalistisch’. Cliteur gaat zeker niet zo ver dat hij voorstander is om overal te vuur en te zwaard de democratie te brengen, zoals de Amerikaanse president Bush op dit moment wel voor staat. Deze lijkt er zelfs deels in te slagen, gezien de ontwikkelingen in Afghanistan, Georgië, Oekraïne, Kirgizië, Libanon en misschien volgt zelfs Irak. Ook Iran en China lijken langzaam ‘onze’ kant te kiezen.

    Centraal staat niet zozeer het gelijk van een van beide kampen, maar meer het superioriteitsgevoel dat ervan uitstraalt. De ‘radicale moslims’ blazen zonder blikken of blozen treinstations en forensentreinen op in Spanje en de Amerikanen bombarderen een trouwfeest in Afghanistan. De Amerikanen noemen het collateral damage in een oorlog tegen het terrorisme. De aanslagen in Madrid werden opgeëist door de Abu Hafs Al-Masri Brigades of Al Qaida met de woorden: ‘Now we say it clearly, hoping that you [Aznar] will understand it this time. We at the Abu Hafs Al-Masri Brigades are not sorry for the deaths of so-called civilians. Are they permitted to kill our children, our women, our elderly, and our youth in Afghanistan, Iraq, Palestine, and Kashmir, and we are forbidden from killing them? Allah, may He be praised, said: “Whoever attacks you, attack him in the same way that he attacked you” [Qur’an 2:194].’ (De authenticiteit van de verklaring van deze groep die in de krant Al-Quds Al-Arabi werd gepubliceerd, wordt wel in twijfel getrokken.) Geen collateral damage als deel van een precisiebombardement, maar een ongerichte aanslag op alles wat geraakt kan worden, soldaten of niet.

    Beide partijen tonen een grote minachting voor het leven. De zogenaamde jihadstrijders willen de oorlog tegen het terrorisme en de geweldsescalatie in het Midden-Oosten en andere delen van de wereld vooral exporteren naar het Westen. Wie ze raken interesseert ze in wezen niet. De geallieerden idem dito. De slag om Fallujah toont die arrogantie ten volle aan. Hoeveel weten wij wat daar heeft plaatsgevonden? Slechts de dappere stap van een cameraman van CBS die zijn ruwe beelden aan de wereld toonde over de standrechtelijke executie van een gewonde man van wie wordt gezegd dat het een strijder is, licht een tipje van de sluier op van wat daar heeft plaatsgevonden. Stierven daar ook honderden slachtoffers, omdat ‘zij’ ons hebben aangevallen? Staan ‘wij’ in ons recht om daar ‘democratie’ en ‘vrijheid’ te brengen en moet dan alles maar wijken zoals de zogenaamde ‘terroristen’ ook menen te kunnen doen?

    Het superioriteitsgevoel van beide partijen is verscherpt. De een graaft zich in met de koran en de ander met Socrates of Voltaire. De stelligheid waarmee moslimjongeren hun gelijk uitdragen wordt als radicaliserend omschreven en maakt hen in de ogen van de AIVD en vele wetenschappers potentiële rekruten. ‘Men vindt het spannend en fascinerend en velen bewonderen Bin Laden zeker omdat hij zich tegen de VS verzet, maar onschuldige burgerslachtoffers, dat vindt men wel een stap te ver gaan. Dat is iets waar men op zijn minst heel veel moeite mee heeft, in de zin dat men zegt die kant moeten we niet op. Ook Mohammed B. is voor een deel een held, maar aan de andere kant vraagt men zich af wie er met de gebakken peren zit? De andere moslims. Een soort fascinatie, spanning. Het is te vergelijken met de Che Guevara-verheerlijking. Een vergelijkbaar mechanisme zie je bij de zelfmoordaanslagen in Israël waar men sowieso gemengde gevoelens bij had. Is dat nu de manier? Het is wel gerechtvaardigd om een Israëlische soldaat naar de hemel of de hel te helpen, maar kinderen? Deze onderwerpen komen keer op keer ter sprake als Nederland mee gaat doen in Irak of commando’s stuurt naar Afghanistan. Men snapt dat Nederland meedoet, maar men is er wel heel cynisch over. Nederland wordt gezien als de loopjongen van de Amerikanen’, zegt Martijn de Koning.

    Thijl Sunier, antropoloog aan de Universiteit van Amsterdam, ziet aan de andere kant dat ‘het Westen meer dan ooit overtuigd is van het grote gelijk. Wat je ziet gebeuren is dat na 11 september maar ook Madrid en Van Gogh in heel veel landen in het Westen de muren omhoog zijn opgetrokken. Poorten dicht en binnen zoeken of er nog ergens ratten zitten en die flikker je er dan uit. Dan heb je het probleem opgelost. Het is een beetje simpel voorgesteld. Een nog strenger immigratiebeleid als antwoord zal ik maar zeggen. In Nederland komt er ook een andere dimensie bij van een soort beschavingsoffensief. Je zegt je kunt niet iedereen er meer uitgooien op grond van wat voor kenmerken dan ook dus wij moeten werken aan een soort beschaving, de waarden en normen discussie, meedoen, participatie. Op het moment dat ze onze geschiedenis kennen, zullen ze ons ook begrijpen en krijgen ze meer waardering voor ons.’

     

    ONMACHT

    De Wijk refereert in zijn artikel aan de wetenschappelijke consensus ten aanzien van de ontwrichtte samenleving en het houvast dat jongeren, vooral hoogopgeleide, zoeken. Hij bedoelt hier vooral jongeren in de Arabische wereld, maar sinds 11 september 2001 kijkt de Nederlandse overheid ook met enige argwaan naar migrantenjongeren in het binnenland en dit is na de dood van Theo van Gogh toegenomen. De houvast lijkt de islam en dan vooral de ‘zuivere’ islam te zijn. Hoewel daar blijkens Martijn de Koning veel op af te dingen is, gaat het niet alleen om de vraag waar zij houvast vinden, maar ook waarom zij zich ontredderd voelen. Want eigenlijk is het vreemd dat jongeren met een opleidingsniveau van hbo en w.o. zich wenden tot een godsdienst die hun leven dusdanig structureert dat het weinig ruimte overlaat voor eigen invulling. De spirituele verrijking die de koran en ander geschriften biedt kan dit niet afdoende verklaren. Khaled Al-Berry schrijft in zijn boek De aarde is mooier dan het paradijs over zijn tijd in de Egyptische moslimorganisatie Al-Jama’a al-islamiyya, waar ook Mohammed Atta toe behoorde. Het is een van de weinige boeken van een ex-lid van een strenge moslimorganisatie. Het boek is erg oppervlakkig en geeft niet echt een inkijk in de organisatie. De indruk die je van Al-Berry krijgt is dat van een gelovige fanatieke jongen die in een soort scoutingclub probeert op te klimmen. Al-Jama’a al-islamiyya lijkt veel invloed en ook weer niet op hem te hebben. Hij beschrijft de perversiteit van hoe de moslimjongeren naar meisjes kijken, maar dat verschilt niet veel van jongeren van die leeftijd die niet gelovig zijn. Eén aspect, hoewel ook niet echt uitgewerkt, geeft misschien inzicht in waarom hoogopgeleide moslimjongeren zich aangetrokken voelen tot dit soort organisaties. Het groepsgevoel, het behoren bij. Deze jongeren vinden binnen de zogenaamde ‘zuivere’ islam hun vrienden. Vervreemd van de Nederlandse samenleving en de eigen migranten gemeenschap, onmachtig om aan het maatschappelijk leven deel te nemen, drijven zij verder af. Dat wordt dan bestempeld als isoleren en daar kan dan meteen weer een link gemaakt worden met de radicale islam. Frank Buijs verklaarde eerder al: ‘Als je alle islamitisch radicale klassiekers leest, dan zeggen ze dat de jihad een individuele plicht is, oftewel: je beslissing moet je nemen los van je ouders, los van de oelema, in die zin is het radicalisme zoiets als het protestantisme.’ Uiteindelijk hoeft binnen deze redenering niets meer geduid te worden. Het gaat er alleen nog maar om de laatste stap de directe stap naar gewelddadige handelingen om die in kaart te brengen. Daarin spelen rekruteurs een rol, internet of het groepsproces. Wederom lijkt het erop dat deze jongeren afgeschreven zijn en eigenlijk niet serieus worden genomen.

    Joeri van den Steenhoven en Farid Tabarki doen dat in een artikel op scienceguide wel. ‘Uit onderzoek door onderzoeksbureau Signs of the Times naar in Nederland woonachtige jongeren met ouders afkomstig uit onder andere Marokko blijkt ook de boosheid die er heerst onder deze groep jongeren. Niet alleen voelen ze zich geschoffeerd omdat respectloos met hun ouders wordt omgegaan. Talentvolle jongeren willen nu vooral eens op hun eigen kracht aangesproken worden. Want na een razendsnelle emancipatie van deze groep, zoals die blijkt uit hun forse aanwezigheid op hbo en w.o., willen ze nu aan de slag op de Nederlandse arbeidsmarkt. Een baan op hun niveau vinden ze echter zelden. Ook afgelopen voorjaar bij de echo Award, een wedstrijd voor talentvolle allochtone studenten, was dit soort verhalen zeker geen uitzondering. Studenten met hoge cijfers, vol ambitie en plannen om het in de Nederlandse samenleving te gaan maken. Maar zij konden geen stageplek krijgen, of nog erger, geen baan.’

    Thijl Sunier gaat nog een stap verder: ‘Tijdens de Rushdie-affaire waren mensen heel kwaad. Net zoals ze nu na 11 september zijn. Zo van, zijn ze nu helemaal gek geworden. Maar om nu Khomeiny af te zetten als een soort wereldvreemde islamitische geleerde is volgens mij een verkeerde inschatting van wat er aan de hand is. Hij wist donders goed dat hij met de fatwa die hij tegen Salman Rushdie uitvaardigde het hart raakte van wat wij vinden dat niet aangetast mag worden, namelijk de vrijheid van meningsuiting. Met Theo van Gogh speelt dat nu ook. Met Mohammed B. was het ook niet zo dat hij er niets van snapte, nee, hij wist het donders goed. Daarmee plaats je hem meer in de samenleving dan dat je hem weergeeft als een soort wereldvreemde kracht die er van buitenaf op inwerkt. Wil je het begrijpen, dan moet je veel meer een analyse maken van de omstandigheden hier ter plaatse dan dat je zegt dat het te maken heeft met het feit dat moslims geen aansluiting bij de samenleving vinden.
    Ik bedoel dat je de vraag stelt hoe het komt dat bepaalde groepen worden uitgesloten in de samenleving en dat je in ieder geval de samenleving ziet door de bril van een soort ongelijkheidsvertoog. Dat betekent dat je het meer van binnenuit moet begrijpen dan als iets dat van buitenaf komt. Dat laatste is een beetje de tendens op dit moment hier. Trek die muren op.’
    Van den Steenhoven en Tabarki besluiten met: ‘Als goed opgeleide allochtone jongeren zich gemarginaliseerd en gediscrimineerd blijven voelen, blijft dat een voedingsbodem voor radicalisering. Zelfs als dit maar met een zeer beperkte groep daadwerkelijk gebeurt, kunnen de gevolgen daarvan verwoestend zijn. De geschiedenis leert dat ons ook. De studentenrevoltes in de jaren zestig, de Rote Armee Fraktion, Brigate Rosse, Black Panther Movement, het waren allemaal bewegingen van radicaliserende, meestal hoger opgeleide jongeren die in verzet kwamen tegen de samenleving, waarin ze woonden maar niet konden of wilden participeren. Samir A. en Mohamed B. zijn daar een wrang, hedendaags voorbeeld van. Dit is een enorm destabiliserend gevaar dat niet enkel valt op te lossen met het uitbreiden van de AIVD of het aan veroordeelde terroristen ontnemen van de Nederlandse nationaliteit. Dit is symboolpolitiek die het gevoel van vervreemding en marginalisering bij deze jongeren alleen maar zal versterken.’

    De laatste woorden klinken onheilspellend, even onheilspellend als de definiëring dat de gevolgen van de identiteitsontwikkeling van deze moslimjongeren gelegen ligt in hun breuk met hun eigen gemeenschap en de Nederlandse samenleving. Van den Steenhoven en Tabarki zien in de moord op Theo van Gogh ‘hoe diep het integratieprobleem echt zit’. Is er echter sprake van een integratieprobleem? Veel van de jongeren zijn super-Nederlands, constateert ook Martijn de Koning. Deze hoogopgeleide moslim jongeren hebben in de puberteit zich de Nederlandse taal en gewoonten op straat, op school en in buurtcentra eigen gemaakt. ‘Het opeisen van hun rechten doen deze jongeren op zijn Nederlands’, zegt De Koning, dus dat zit wel goed. Zit het dan in ‘onze geschiedenis’, zoals Thijl Sunier placht te zeggen, dat als ze die ‘kennen dan zullen ze ons ook begrijpen en krijgen ze meer waardering voor ons’. Dat dit niet aannemelijk is mag duidelijk zijn, want ondanks dat veel moslimjongeren goed zijn geïntegreerd en evenveel geschiedeniskennis als de gemiddelde Nederlandse jongere hebben, blijft de radicale islam aantrekkelijk.

     

    JIHAD IS COOL

    Die hang naar de geschiedenis laat iets absurds zien. De jongeren willen terugkeren naar de ‘zuivere islam’ zoals dat genoemd wordt. Via moderne technologische middelen communiceren zij over de terugkeer naar diverse eeuwen geleden, om de oude glorietijden van de islam in ere te herstellen. Op basis van een boek, een verhaal dat eeuwen lijkt te hebben stilgestaan. In die geschiedenis vinden zij een rechtvaardiging voor het geweld dat zij anderen mogen aandoen. De anderen zijn dan de ‘ongelovigen’ of worden als zodanig geïnterpreteerd. Mohammed Benzakour trekt in De Groene Amsterdammer een analogie met de verering van Lotte door haar vriend Werther in het boek Die Leiden des Jungen Werthers van Goethe. Daar waar de jonge Werther zich het leven benam voor de onbereikbare Lotte en symbool werd voor de Romantiek, staan de radicale moslimjongeren symbool voor een hernieuwde opleving van de Romantiek nu. ‘Nu, twee eeuwen later, beschouwen we de Romantiek als een mooi maar afgesloten tijdperk… Tenminste, dat dachten we. De vraag is gerechtvaardigd of er niet te midden van alle modernismen en postmodernismen een stille maar onmiskenbare heropleving van de Romantiek gaande is.’ Benzakour schrijft dat ‘in de tijd het hemelse licht zich nog niet aan hen had openbaard, zwierven velen doelloos rond (…), tot op zeker ogenblik iets hun donkere pad kruiste. Dat iets bleek schoon en zuiver te zijn, paradijselijk.’ En ‘…de ware moslim-Werther, met al zijn Sturm und Drang, is een offeraar, en zijn Lotte heet voor eens en altijd Allah’. Hier eindigt Benzakours vergelijking, want die ‘radicale’ moslim die ‘onschuldigen doodt uit naam van een religie is een terrorist, een monster’. Maar is de moslim jongere die zich aangetrokken voelt tot de ‘zuivere islam’ een romanticus eersteklas en zou hij zich van het leven beroven als hij daar de kans voor had? Volgens de islam, beweren islamologen, mag dat niet en wilde Mohammed B. daarom een heroïsche dood sterven in een vuurgevecht met de politie. Maar wilde hij wel dood? De verdachten van de aanslagen van Madrid hebben zichzelf ook niet opgeblazen, ook al was Lotte misschien Allah voor hen. Het aardse leven bezat toch meer aantrekkingskracht dan de onzekerheid van het paradijselijk bestaan.

    Benzakour heeft wel gelijk dat er één ding is dat binnen het islamdebat regelmatig gebeurt, namelijk de romantisering van de radicale islam. Niet romantisering in positieve zin, maar de historische duiding alsof de ‘radicale islam’ de terugkeer naar de ‘zuiver islam’ predikt. Of de ‘radicale islam’ streeft naar een terugkeer van de hoogtijdagen van de islam, waarin het imperium tot in Spanje reikte.

    Frank Buijs zegt bij de presentatie van het boek Democratie en terreur. De uitdaging van het islamitisch extremisme: ‘Het fundamentalisme is een religieuze stroming die streeft naar herleving van de geïdealiseerde ontstaansperiode van de islam, toepassing van de klassieke islamitische wetten en onderschikking van het individu aan hun specifieke interpretatie van de wil van het opperwezen. Het fundamentalisme meent dat vrijwel alle machthebbers van moslimlanden in gebreke blijven bij de toepassing van islamitische wetten en dat veranderingen in de samenleving noodzakelijk zijn.’ En Hans Jansen in zijn oratie aan de universiteit van Utrecht ‘De radicaal-islamitische ideologie: van Ibn Taymiyya tot Osama ben Laden’ zegt: ‘Hoewel de hedendaagse radicale activisten in hun pamfletten regelmatig uitgebreid Ibn Taymiyya citeren, is er natuurlijk geen sprake van een organisatorische continuïteit tussen Ibn Taymiyya en hedendaagse radicale moslimse bewegingen. Er is pas iets van organisatorische continuïteit ontstaan in de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Een zekere Gamal al-Din al-Afghani weet in die jaren in Caïro een groep discipelen om zich heen te verzamelen die hij weet te overtuigen van de noodzaak de oude glorie van de islam te doen herleven.’ Jansen beschrijft dat Al-Afghani drie wegen zag waarvan: ‘de derde weg de duidelijkste was, en die heeft dan ook de meeste aanhang weten te verkrijgen: zoals bekend, zeker binnen de islamitische wereld, zijn de moslims van de zevende tot de zeventiende eeuw wereldwijd superieur geweest. Waardoor zijn de moslims die traditionele superioriteit kwijt geraakt? Dat kon maar één reden voor zijn: doordat ze hun traditionele wetten en voorschriften, neergelegd in hun sharia, veronachtzaamd hebben. Herinvoering en toepassing van deze voorschriften, die uit tientallen handboeken goed bekend zijn, zou de islam en de moslims als het ware vanzelf de hen toekomende plaats in deze wereld teruggeven. Het is deze stroming die, bij gebrek aan een beter woord, als het islamitische “fundamentalisme” bekend is komen te staan.’
    Goed geïntegreerde, hoogopgeleide moslimjongeren die zich bevinden in een periode van hun leven waarin ze ‘houvast’ zoeken, bekeren zich tot een religie die zijn wortels, zijn fantasie en zijn oorsprong vindt ergens in de vroege Middeleeuwen. Zonder twijfel is dit romantisch en toont het gelijkenis met de vergoelijking van geweld tijdens de oorlog in voormalig Joegoslavië door de verschillende bevolkingsgroepen. De Serven, Kroaten en andere bevolkingsgroepen waren sterren in historische lessen over slachtingen, glorieuze overwinningen, verraad en andere gebeurtenissen uit het verleden die hedendaagse wreedheden moesten verklaren, goedpraten of uitleggen. Sommige moslimjongeren die nu aangemerkt worden als ‘radicaal’ en op internet actief zijn, zijn ook erg bedreven in hun kennis van islamitische bronnen en gebruiken die om bepaald gedrag te prijzen of te veroordelen. Martijn de Koning komt dat op internet ook tegen, maar dan in positieve zin: ‘Op die MSN-groepen waar ik op zit, zitten mensen die zeggen dat ze 16 zijn en die behoorlijke radicale taal uitkramen, helaas nog zinnig ook. Er wordt geprobeerd om het goed te onderbouwen. Ze maken er werk van zonder achter de kudde aan te lopen.’ Dit laatste werpt een ander licht op de achtergronden van de ‘radicale islam’ waar die jongeren zich toe keren. Deze jongeren lijken niet zomaar te roepen wat ene Sayyid Qutb vijftig of zestig jaar geleden heeft geschreven of gezegd. Er is een religieuze component bij zogenaamde ‘radicale moslimjongeren’, maar deze is wel gerelateerd aan het heden, hun eigen situatie en de wereldpolitiek. In die zin is ‘radicalisme’ misschien wel cool, omdat het op dit moment ergens bijhoren betekent. ‘Een jongen zei: “Jihad is cool”, en de manier waarop hij begon over mensen als Bin Laden en Al-Zarqawi is bijna een soort heldenverering. En wat in Amsterdam op de basisscholen zou leven is analoog daaraan. Het probleem is dat wat er op de basisscholen gebeurt meteen als radicalisme wordt gelabeld en op de basisschool zitten ook kleuters. Hebben we het hier nu over radicale kleuters? De vraag is of het gewoon stoer puberaal gedrag is of dat het echt radicalisering is. Wat is radicalisering? Radicalisering in de zin van een sterke anti-Nederlandse houding, dat is er zeker’, licht Martijn de Koning het minder historische perspectief toe.

    Jihad is cool, de verering van Bin laden, de bewondering uitspreken over 11 september en de reactie daarop, die lijkt op een soort gedachtepolitie, zeggen meer over de maatschappelijke verhoudingen dan de hang van deze moslimjongeren naar de geschiedenis. Thijl Sunier probeert aan te geven dat je de islam ook als lifestyle kunt zien. Misschien vindt dat niet op hele grote schaal plaats, maar het plaats radicalisering in een andere context, evenals Martijn de Koning doet met de vraag ‘is die verering gewoon stoer puberaal gedrag’. ‘Op het moment dat het Surinaamse of Nederlandse vriendinnetje van een moslima een hoofddoek gaat dragen wordt het wel heel postmodern. Ik zag een student van mij in het blad Contrast die had een hoofddoek op tijdens een antiracisme demonstratie en dan zie je dat de “lifestyle” zich niet beperkt tot de grenzen van het moslim-zijn. Daar waar traditioneel de hoofddoek werd gedragen uit gewoonte of omdat het binnen de gemeenschap zo hoorde, is het dragen als “lifestyle”-element wel een breuk met het verleden. Het probleem is niet zozeer de hoofddoek, maar wel dat die hoofddoek een symbool is en een symbool voor beide partijen.’ Sunier gaat zelfs een stap verder door de historische banden van de religie van deze jongeren door te knippen en te wijzen op de plaats die zij middels de islam willen verovering in de openbare ruimte. ‘Er vindt een fragmentering, een diversificatie van opvattingen plaats. Dat gaat van heel radicaal tot heel triviaal. Het kan veel verschillende kanten opgaan en het verwarrende van de huidige discussie is dat veel mensen het totalitaire wereldbeeld (lees fundamentalistische) als het “ware” beschouwen. Dat is het meest islamitische, het meest traditionele, het meest radicale en op een bepaalde manier is dat wel zo, maar het is ook een wereldbeeld. Het is niet een uiting van diepe religiositeit, maar het is een uiting van de inzet van religie in de publieke ruimte.’ De geschiedenis als ijkpunt voor radicalisering. Hoe meer je afdaalt in het historische verleden van de islam, hoe radicaler je bent, lijkt het devies. Opnieuw dringt zich de gedachte op dat deze jongeren niet serieus worden genomen en zijn afgeschreven.
    Vreemd eigenlijk, want de Paul Cliteurs kunnen in kranten en tijdschriften lange verhandelingen houden over de Verlichting en zelfs dieper afzakken in de geschiedenis tot aan Socrates toe. Deze mensen worden niet afgeserveerd, maar lijken in het publieke debat meer ruimte te verkrijgen, omdat zij ‘onze waarden en normen’ zouden verdedigen. Carel Peeters schrijft in Vrij Nederland het artikel ‘Voltaire, verlichtingsrelativist’. Hij doet een voorzichtige poging om aan te geven dat Voltaire volstrekt geen gesloten wereldbeeld had wat betreft religieuze uitingen. ‘Hoe ver ging Voltaire in het bestrijden van bigotterie en fanatisme? Heel ver, maar tot de aanvechting om iets te verbieden, kwam het nooit. In Ga- limatias dramatique laat hij een jansenist, een moslim, lutheraan, een jood en een jezuïet met elkaar discussiëren terwijl een Chinees gebiologeerd naar hen luistert. Wanneer ze allemaal aan het woord zijn geweest, concludeert de Chinees dat ze stuk voor stuk in het gekkenhuis thuishoren. Toch wilde dat niet zeggen dat Voltaire al deze religieuze denominaties onzin vond. Hij bestreed ze wel en schreef er satirisch over, maar aan het recht op hun al dan niet fanatieke bestaan kwam hij niet.’ Voltaire wijst op een nuance die het fanatisme in een ander licht plaats. ‘… maar voor een samenleving was een christelijke cultuur een functionele leidraad voor het leven. “Als God niet bestond, zou men hem moeten uitvinden”, zei hij (Voltaire)’, schrijft Peeters. Is het een vergoelijking van het geloof of doet hij een poging het te begrijpen. Natuurlijk zegt dit niets over zijn denkbeelden ten aanzien van radicale stromingen binnen welke godsdienst dan ook, maar het zegt wel iets over een openheid die er bij hem aanwezig is. In tegenstelling tot die nuance binnen de Verlichting wordt vaak gezegd dat binnen de islam een dergelijke tweeslachtigheid niet aanwezig is. Kritische en/of liberale denkers hebben geen voet aan de grond gekregen binnen de islam.
    Kan die duik in de geschiedenis de radicalisering verklaren? Het geeft in ieder geval aan dat deze jongeren hun heil hebben gezocht in een geloof of ideologie dat honderden jaren oud is. De terugkeer naar de begintijd van de islam is in die zin te interpreteren als een stap terug of een stap vooruit, een utopisch idee. Het is oorlog en beide zijden van het slagveld zoeken hun gelijk in het verleden. Is ‘ons’ standpunt meer waard dan hun standpunt. Of herleeft de oude rivaliteit van eeuwen geleden op een nieuw slagveld? Het lijkt er wel op als je de ingezonden artikelen in de kranten volgt. Ewald Vervaet, natuurkundige en ontwikkelingspsycholoog werkzaam bij de Stichting Histos, schrijft in de Volkskrant: ‘De fundamentalistische islam is dus geen ontspoorde, principieel andere islam dan de meer gezonde orthodoxe islam – fundamentalisten zijn slechts heviger orthodox. Dat verklaart waarom niet-fundamentalisten (hanifieten, malikieten en sjafiieten) over de door niet-moslims afgekeurde daden van fundamentalisten (hanbalieten) bij voorkeur zwijgen. Ze zijn namelijk allemaal tegen een niet-islamitische staatsinrichting, maar de eersten dulden haar vooralsnog lijdzaam, terwijl de laatsten haar in woord (dawa) of in daad (jihad) bestrijden. Daarin erkennen ze elkaar als goed moslim omdat ieder op zijn manier Gods wil uitvoert – “islam” betekent “overgave”, aan Gods wil: niet-fundamentalisten ondergaan de niet-islamitische staat als een beproeving door God, precies zoals fundamentalisten zich daartegen verzetten omdat God hen daartoe roept. Ook kan een moslim op elk ogenblik naar een andere rechtsschool overstappen. Een gematigde moslim (hanifiet, malikiet of sjafiiet) kan dus ineens fundamentalist (hanbaliet) zijn. Iets dergelijks moet bij de “goed geïntegreerde” Mohammed B. zijn gebeurd.’ De conclusie luidt dat in iedere moslim een fundamentalist schuilt, maar hij of zij weet het zelf nog niet.

     

    BEGRIP VOOR ‘TERRORISTEN’

    Blijkbaar spitst de geschiedenis zich toe op de religie en het geloof is het verleden. Het heden komt er niet meer aan te pas. In hun verklaringen doen de verdachten van aanslagen in Europa daar ook driftig aan mee. Geen doorwrochte maatschappijanalyses, maar citaten uit de koran als statement. Pogingen om deze teksten te duiden leveren steevast verklaringen in de richting van religieus terrorisme op. ‘When you punish, punish them in the way they have punished you.’ (Qur’an 16:126) ‘Kill them wherever you find them, and drive them out from where they have driven you out; for internal strife [Fitna] is worse than killing.’ (Qur’an 2:191) ‘Whoever attacks you, attack him in the same way that he attacked you, and trust Allah and know that Allah is with those who put their trust [in Him].’ (Qur’an 2:194) Dat zijn de drie koranteksten waarmee de Abu Hafs Al-Masri Brigades hun verklaring over de bomaanslagen in Madrid openden (het is onduidelijk of deze verklaring waarheidsgetrouw is). Mohammed B. begint zijn open brief aan Ayaan Hirsi Ali met ‘In Naam van Allah de Barmhartige, de Genadevolle’, en ‘Vrede en zegeningen op de Emir van de moedjahedien, de lachende doder Mohammed Rasoeloe Allah (Sala Allaho alaihie wa Sallam), zijn familie en metgezellen en degenen die hen oprecht volgen tot aan de Dag des Oordeels.’

    Bij de moord op Theo van Gogh, maar eigenlijk sinds 11 september 2001 staat binnen de discussie over terrorisme de islam centraal. Zonder te generaliseren is te teneur van het debat religieus getint.

    Lees de analyses van de AIVD, artikelen over de achtergronden van de verdachten en de ‘radicale islam’ komt ter sprake.

    Zonder enige twijfel zijn de jonge mannen en ook vrouwen erg religieus, pogen te leven naar de letter van de koran en doen studies naar de bronnen en geschriften die hen dieper in het geloof doen afdalen. Is dat dan ook de reden waarom ‘zij’ zich tegen ‘ons’ keren? Zij zijn moslims, maar zijn het ook moslimterroristen, oftewel strijders uit naam van Allah. Een Tsjetsjeense vrouw die zich opblaast in een Russisch theater is misschien wel moslim, maar ook Tsjetsjeen. Zij wordt echter direct bestempeld als jihadstrijdster.

    Jessica Durlacher reageert in de Volkskrant naar aanleiding van een artikel over de Egyptische schrijfster Nawal el-Sadawi: ‘Ook koestert ze [Nawal el-Sadawi] sympathie voor vrouwelijke zelfmoordenaars. In een andere krant zei ze kort geleden: “Israël en het Westen noemen verzetsoperaties ‘terrorisme’. Het Iraakse verzet is in terrorisme veranderd, net als het Palestijnse verzet. Moeten wij degenen veroordelen die vochten met hun blote handen en zo ten onder gingen? Moeten wij een vrouw bekritiseren die zichzelf met explosieven behangt, zichzelf opblaast en sterft? Moeten wij haar veroordelen omdat ze zichzelf heeft opgeblazen, nadat ze haar vader en broers heeft zien vermoorden? Als ik in haar plaats was, zou ik mezelf volhangen met dynamiet, zou ik mezelf opblazen… Hoe kan ik het slachtoffer veroordelen? Er zijn mensen die vragen waarom martelaren zichzelf niet opblazen op legerbases – in plaats van tussen onschuldige burgers. Maar veel van hen bliezen zichzelf inderdaad op bij checkpoints en deden zo hun uiterste best om iets waardevols bij te dragen. Ik bekritiseer het slachtoffer niet, ik heb kritiek op de echte misdadiger…”’

    Voor Durlacher is de conclusie duidelijk. Eigenlijk roept el-Sadawi op tot jihad. ‘Ook wordt de indruk gewekt dat het De Balie’ (Nawal el-Sadawi sprak in De Balie) ‘niet zoveel uitmaakt dat deze politiek geëngageerde gast in haar vrije tijd haar volk oproept militair ten strijde te trekken tegen Israël en de VS’, besluit ze haar artikel. Als Sadawi al wordt veroordeeld voor haar medeleven met het slachtoffer van geweld dat geweld pleegt, dan blijft er van de vrouw die daadwerkelijk het dynamiet omhangt weinig over. Die is jihadstrijdster pur sang. Einde discussie.

     

    BUSH BLAIR BIN LADEN

    Het interessante aan Durlachers standpunt is dat ze het woord ‘religieus’ niet uitdrukkelijk gebruikt, maar dat ze eigenlijk absurd vindt dat De Balie iemand het woord geeft die de strijd tegen Israël en de Verenigde Staten goedpraat. In haar ogen zijn deze strijders niet alleen terroristen, maar religieuze fanatici waar geen woord mee gewisseld moet worden. Uri Rosenthal van het Instituut voor Veiligheidsen Crisismanagement BV (COT) in Den Haag hangt een vergelijkbaar gedachtegoed aan. Het zoeken naar het waarom achter de aanslagen is per definitie een goedkeuring ervan. Hij lijkt bijna te zeggen dat religieuze fanatici standrechtelijk moeten worden geëxecuteerd, iets dat door mensen als minister Zalm van Financiën wordt gedeeld.

    De centrale rol die het geloof speelt klinkt in elk betoog door. NRC Handelsblad heeft het bij monde van Carolien Roelants al over de terroristische islam. Beweren dat die islam een ondergeschikte rol speelt, lijkt volstrekt onzinnig. Zelfs tegenstanders van de harde lijn proberen met de koran in de hand het ongelijk van de ander aan te tonen. Nee, het geloof staat centraal.

    Thijl Sunier ziet veeleer de herboren moslims als een nieuwe generatie assertieve migranten en de koran dient veeleer als een legitimatie van geweld of juist van vrede. ‘Je kunt geweld altijd legitimeren met een beroep op wat voor bronnen dan ook, maar je kunt het omgekeerde ook. Als je alleen maar kijkt naar de directe relatie tussen die bronnen en het gedrag en dus de vertaalslag helemaal weglaat, dan begrijp je er naar mijn mening weinig van.’ Martijn de Koning gaat nog een stap verder: ‘Je hebt bij NOVA ook die uitzending gehad met die chatlogs van Abdul Jabbar van der Ven met Jason W. Mijn indruk was dat als Abdul Jabbar met een liedje uit Sesamstraat was gekomen, dan had onze Jason daar nog steeds een fatwa uit gehaald waarin hij de ongelovige mocht bestelen. Die wilde dat gewoon doen, dat was gewoon overduidelijk uit die chat. Terwijl de moordopdracht of de goedkeuring van de moord mij nog niet helemaal duidelijk is.’ Directe relaties tussen de islam en geweld of tussen een preek van een imam en geweld zijn niet alleen moeilijk te leggen, vaak zijn ze ook niet aanwezig. De zaak van El-Moumni laat dit onomstotelijk zien. Hoewel El-Moumni beweert dat de koran en hijzelf homoseksualiteit afwijzen, stelt hij ook dat geweld tegen homo’s niet geoorloofd is volgens de koran en hemzelf. Dat Osama bin Laden of een ander lid van Al Qaida of aanverwante islamitische actiegroep een fatwa, geschrift of oproep uit doet gaan om ongelovigen te doden wil nog niet zeggen dat die oproep zijn basis in de koran vindt. Als president Bush besluit Fallujah te zuiveren van ‘terroristen’, dan wordt dat niet geanalyseerd langs de meetlat van de Verlichting of de bijbel, terwijl de woordkeus wel degelijk in die richting wijst. Nee, president Bush lijkt boven elke twijfel verheven. In de documentaire The Thesis of The Power And The Glory stelt Michael Buerk dat er een huwelijk heeft plaatsgevonden tussen geloof en politiek in zowel de Verenigde Staten als het Verenigd Koninkrijk. Al ziet Buerk daar geen gevaren in, de documentaire laat haarfijn zien hoe Blair zijn partij bespeelt met het toverwoord believe. In de aanloop naar de Irak oorlog en rond het conflict over het wel of niet bestaan van massavernietigingswapens presenteerde hij zich als de leider van het volk en men diende hem te geloven dat hij het allemaal goed bedoelde. Bin Laden is explicieter in het gebruik van koranteksten, maar gebruikt het geloof ook als bindend element. ‘When asked to whom he would answer for the deaths of British soldiers in Iraq, Blair replied that it would be not to parliament or history or even the people, but to “my Maker”. This reference to a higher authority is disturbing, particularly in our political system, where there is an inherent danger of elective dictatorship. It doesn’t do to let the hand of God get too close to the levers of power.’ (Iain Macwhirter, ‘Backward Christian Soldiers’ in Sunday Herald)

     

    GOOGLE-ISLAM

    Het geloof verbindt. Daar is niets mis mee. Christenen zoeken elkaar ook op in kerken of op happenings als de EO-jongerendag. Bin Laden maakt gewoon simpel gebruik van dat fenomeen, zoals Blair zijn toehoorders aan zich bindt door te zeggen dat ze oneindig geloof in hem moeten hebben, zelfs als hij bijna liegt. Door in te zoomen op het geloof krijg je analyses zoals Frank Buijs in zijn onderzoeksvoorstel ‘Moslims in Nederland’ van december 2004 aanhaalt. ‘Fundamentalistische moslims hebben het in theologisch opzicht een stuk eenvoudiger, omdat ze kunnen teruggrijpen op een eeuwenoude traditie. De aantrekkingskracht van het fundamentalisme schuilt in verschillende factoren. Voor moslims die geconfronteerd worden met de chaos in de wereld draagt het fundamentalisme een ordening aan die verwoord wordt in een vertrouwde terminologie (Kepel, 1997). Het combineert trots op een roemrijk verleden met de belofte van een stralende toekomst. Het formuleert een scherpe kritiek op westerse verschijnselen van decadentie, individualisme en gebrek aan zingeving, die ten dele ook buiten de kring van fundamentalistische moslims wordt onderschreven.’ Klaar. We kunnen wel naar huis gaan. Die ‘radicale’ jongeren die in deze wereld de weg kwijt zijn, gaan terug naar het verleden en gebruiken de religie als vehikel voor het verklaren en becommentariëren van de wereld. Sluiten die moskeeën en elke moslimjongere óf in de gaten houden óf preventief oppakken, en het gevaar is geweken.

    De band met andere geloofsgenoten lijkt voor deze religieuze fanatici niet noodzakelijk. ‘Een voorbeeld hiervan is het eerste vastgestelde en door aanhouding van betrokkene verijdelde geval van “zelfontbranding”. Zelfontbranding houdt in dat een individu zonder betrokkenheid bij netwerken of directe persoonlijke contacten met rekruteurs zodanig zelfstandig radicaliseert, bijvoorbeeld onder invloed van internetsites, dat hij uit eigen beweging op jihad gaat of een terroristische aanslag gaat voorbereiden en uitvoeren’, zegt minister Donner naar aanleiding van de Tweede Voortgangsrapportage Terrorismebestrijding. Zelfontbranding? Alsof deze jongeren met bommengordel om geboren worden en na hun bekering tot de islam spontaan ergens exploderen. Wordt er überhaupt een serieuze poging gedaan inzicht te krijgen in potentiële daders? Op één aspect wijst de voortgangsrapportage wel, namelijk de toegenomen rol van internet bij de zoektocht van deze jongeren naar hun geloof en de rol van de islam. ‘Van oudsher was een islamitische identiteit redelijk eenduidig. Die identiteit heeft te maken met bepaalde voorschriften, met een bepaalde traditie, het leven volgens die traditie en je kon dat spiegelen aan religieuze voorgangers, dat meestal tot stand kwam via een directe face to face-relaties in moskeeën en koranscholen. Een van de kenmerken van het moderniseringsproces is dat die overdracht niet meer een van de bronnen is van kennis. Mensen halen hun kennis uit verschillende bronnen. We noemen dat de Google-islam en Mohammed B. lijkt daar een exponent van.’ De Google-islam, of zoals Martijn de Koning het eerder noemde, de knip-en-plakislam.

    Bij een Google-islam hoort internet en dat is nu juist de plek waar zogenaamde ‘radicale’ delen van de islam zich meer manifesteren. ‘Daar zie je dat die salafi groepjes waar zo vaak over gesproken wordt in dat gat springen. Die doen dat met mooie websites want die weten hoe internet werkt. Die weten dat jongeren als ze een vraag stelen op internet geen twee weken gaan wachten op hun antwoord. De vraag kan gesteld worden aan een database. En er is een pagina Frequently Asked Questions.’ Martijn de Koning duidt op de websites van Al-Yaqeen en Selefie Publikaties. Al-Yaqeen lijkt verbonden aan de As Soennah-moskee in Den Haag en Selefie Publikaties lijkt meer geënt op Saoedi-Arabië en gesloten ten opzichte van de Nederlandse samenleving. Naast deze websites specifiek gericht op het geloof, waarvan er nog veel meer zijn, zijn er ook de meer algemene websites als Maroc.nl of Marokko.nl. Op al deze websites is ruimte voor discussie via fora. ‘Young people take positions, which they base on the Koran, Hadith and the statements of scholars. In this way they actually create their own fatwa’s. The advantage of the Internet, of course, is that they can participate in these discussions under a pseudonym, which gives them the freedom to ask all kinds of questions’, zegt De Koning in de lezing Young muslims: search for a true islam. Al speelt de religie bij deze jongeren een belangrijke rol, de relatie met het Westen is overal prominent aanwezig. ‘The MSN groups usually have fewer permanent members than the websites, but that is not to say they reach a smaller audience.

    Regularly, messages from the MSN groups can be found on sites such as Marokko.nl. The larger groups (such as islamenMeer), which sometimes have a couple of thousand members, are more moderate than the smaller groups and show a more varied picture of opinions concerning islam. The smaller groups are seldom granted a long life. Soon after messages are received that inflammatory texts and threats are being exchanged, the groups are closed down. The discussions and messages within the groups vary widely. The subjects range from the devil to sex and from demonstrations to jihad, but they all talk about dealing with the Western world. “The West” stands primarily for the US, Israël and the Jews, and the Netherlands. There are Salafi MSN groups that strongly reject Dutch society. But there are also those that seek a rapprochement and reject violence.’

     

    VERNEDERING

    Welke rol speelt religie nu werkelijk? Zijn de Mohammed B.’s religieuze fanatici die hun geloof gebruiken om kritiek op de Nederlandse samenleving te funderen? Worden zij in het geloof gedrukt door een samenleving die hen niet als volwaardig lid accepteert? Ontbranden zij zelf, zoals minister Donner beweert, middels nieuwsgroepen en internetfora? Jessica Stern gaat in haar boek Terreur in naam van God uit van de premisse dat terroristen in hun jeugd of later vernederd zijn als persoon of als groep. Zij sprak met zogenaamde terroristen van diverse signatuur. Mensen die streden in naam van Allah, maar ook christenen, sikhs, hindoes en andere gelovigen. In de gesprekken die zij voerde met deze mensen kwam steeds het woord ‘vernedering’ terug; volgens Stern is dat de diepere wortel waaruit terrorisme ontstaat.

    Martijn de Koning legt een koppeling tussen het verhaal van Jessica Stern en de wijze waarop veel Nederlandse moslimjongeren zich tot de islam keren. ‘Wat je ziet bij onderzoeken naar radicalen onder sikhs, hindoes en christelijk fundamentalisme, dat is het gevoel van onmacht en ook frustraties. Frustratie, onmacht en vernedering, maatschappelijke vernedering. In de persoonlijke situatie of als groep. Daar komen een aantal dingen samen. Als je religie iets vanzelfsprekends is, dan denk je er niet over na, dan zijn mensen flexibeler. Voor deze jongeren is het niet vanzelfsprekend, omdat ze wordt aangeleerd niets vanzelfsprekends te aanvaarden. Je moet je constant verantwoorden als je moslim bent. Men gaat dan over religie nadenken alsof het een ding is. Dat zelf iets is of zelf iets kan. Dat erbij hoort, dat bij je authentieke zelf hoort. Op een gegeven moment zie je dat je eigen religieuze identiteit steeds heiliger wordt en dat iedere kritiek op de islam of die nu gerechtvaardigd is of niet een aanval is op jezelf. Dan zie je dat er een soort van persoonlijke vernedering ervaren wordt.’

    De Koning probeert aan te geven dat niet de vernedering centraal staat, maar de wijze waarop deze jongeren hun geloof beleven, als ‘een ding’, dat bij ‘je authentieke zelf hoort’. De vernedering heeft dan niets meer met een vernedering van het geloof te maken, maar met een vernedering van de persoon zelf.

    Jessica Stern lijkt de potentiële moslimstrijders een hart onder de riem te steken. Het ligt niet aan jezelf, je bent vernederd, neem psychotherapie en het komt allemaal weer goed. Logisch dat ijzervreters als Afshin Ellian, Leon de Winter en anderen dit argument aan mootjes hakken. Stel dat iedereen die zich in zijn jeugd vernederd heeft gevoeld dusdanig zou radicaliseren als Mohammed B., dan zouden we in Amsterdam in een soort Wilde Westen leven. Vernedering als argument voor radicaliseren klinkt positief en begrijpend, maar neemt wederom deze jongeren niet serieus. Deze moslim jongeren lijken te worden gedefinieerd in termen van een identiteitsconflict, niet geïntegreerd (lees nog niet aangepast), niet geaccepteerd, religieus ontspoort of fanatiek of vernederd.

     

    MODERNE WESTERSE RADICALE ISLAM

    Is religie wel zo belangrijk voor deze zogenaamde beweging van de ‘radicale’ islam en als die al belangrijk is, is die dan misschien niet eerder moderniserend in plaats van terugkerend naar eeuwen geleden. Daniel Pipes is niet de meest linkse schrijver, en als vader van Richard Pipes (fervent antisovjet) verkeert hij veelvuldig onder neoconservatieve vrienden als Paul Wolfowitz en Richard Perle. Toch schreef Pipes een artikel ‘The Western Mind of Radical Islam’ in december 1995, dus lang voor de aanslagen van 11 september 2001. De conclusies van het artikel laten zich raden, maar de argumentatie is erg interessant. Pipes beweert en staaft dat met veel voorbeelden dat de ‘radicale’ islam in wezen een modernisering is van de traditionele islam. Pipes: ‘Islamists are individuals educated in modern ways who seek solutions to modern problems. The Prophet may inspire them, but they approach him through the filter of the late twentieth century. In the process, they unintentionally substitute Western ways for those of traditional islam.’ ‘Islamists’ zijn de hedendaagse ‘fundamentalistische’ moslims volgens Pipes. ‘The islamists’ goal turns out to be not a genuinely islamic order but an islamic-flavored version of Western reality. This is particularly apparent in four areas: religion, daily life, politics, and the law. It’s certainly not their intent, but militant Muslims have introduced some distinctly Christian notions into their islam. Traditional islam was characterized by informal organizations. (…) islam-ists, ignorant of this legacy, have set up church-like structures.’ Pipes laat in zijn verhaal diverse religieuze leiders en theoretici aan het woord, onder wie Hasan Al Turabi. Al Turabi wordt in het Appendix van het 9/11-commissierapport een hardliner genoemd die poogt in geheel Soedan de sharia in te voeren. ‘Traditional Muslim men took pride in their women staying home; in well-to-do house-holds, they almost never left its confines. Hasan Al Turabi has something quite different in mind: “Today in Sudan, women are in the army, in the police, in the ministries, everywhere, on the same footing as men. I am for equality between the sexes”, Turabi explains. “A woman who is not veiled is not the equal of men. She is not looked on as one would look on a man. She is looked at to see if she is beautiful, if she is desirable. When she is veiled, she is considered a human being, not an object of pleasure, not an erotic image.”’ Tevens gaat Daniel Pipes in op de situatie in het land dat wordt gezien als een islamitisch bolwerk bij uitstek, gesloten en ondemocratisch. ‘For centuries, a woman’s veil served primarily to help her retain her virtue; today, it serves the feminist goal of facilitating a career. The establishment of an islamic order in Iran has, ironically perhaps, opened many opportunities outside the house for pious women. They work in the labor force and famously serve in the military. A parliamentary leader boasts, not without reason, about Iran having the best feminist record in the Middle East, and points to the numbers of women in higher education.’ Hier gaan wij niet voorbij aan de mensenrechtenschendingen in Soedan en Iran, maar de redeneringen en de praktijk die spreekt uit de bovenstaande voorbeelden en vele andere die Pipes noemt, geven wel degelijk een andere kijk op de zogenaamde ‘radicale’ islam. Het plaatst de islam namelijk in een ander perspectief, een ideologisch perspectief. Daarom schreef ayatollah Khomeiny in januari 1989 een brief aan Gorbatsjov waarin hij de universaliteit van de islam uit de doeken deed. Daniel Pipes refereert aan de brief in zijn artikel: ‘As interpreted by a leading Iranian official, this letter “intended to put an end to (…) views that we are only speaking about the world of islam. We are speaking for the world.” It may even be the case-Khomeiny only hints at this-that islam for him had become so disembodied from faith that he foresaw a non-Muslim like Gorbachev adopting islamic ways without becoming a Muslim.’ De neoconservatief Pipes sluit zijn verhaal af met een bijna progressieve interpretatie van de ‘radicale’ islam. ‘The islamist leaders are not peasants living in the unchanging countryside but modern, thoroughly urbanized individuals, many of them university graduates. Notwithstanding all their talk about recreat-ing the society of the Prophet Muhammad, islamists are modern individuals at the forefront of coping with modern life.’

     

    RELIGIES ZIJN NET ALS IDEOLOGIEËN

    De islam als ideologie. Frank Buijs refereerde daar al aan als hij verduidelijkt dat het individualiseringsproces dat die jongeren doormaken naadloos aansluit bij het individuele karakter van de islam. De ‘radicale’ islam vormt een soort handleiding voor het dagelijks leven. Dat komt al snel dogmatisch en fundamentalistisch over. Martijn de Koning laat in een open brief aan Ewald Vervaet zien dat die allesomvattende druk niet vanuit de koran komt, maar eerder vanuit de moslimgemeenschap, en dat die druk weer samenhangt met het grotere geheel van de Nederlandse samenleving. ‘…Het lijkt daardoor alsof duidelijk is dat die islam in het alledaagse leven is en of moslims hun leven laten bepalen door wat er in die koran staat. Je stelt dat die druk die er vanuit de orthodoxe islam uitgaat er is, dat die moeilijk te ontkennen valt. Dat klopt, maar hoe groot die druk is wordt niet door de geleerden bepaald (die zijn te ver weg) en ook niet door de inhoud van de koran (die veel gelovigen niet eens kunnen lezen; wat overigens zowel voorals nadelen heeft), maar door de onderlinge sociale controle en de druk die door niet-moslims wordt opgelegd.’

    De Konings betoog is in wezen heel simpel. Met de islam is niet veel mis, hoewel je daar natuurlijk altijd kanttekeningen bij kunt plaatsen, maar de wijze waarop wij met de islam omgaan wordt bepaald in de interactie tussen moslims en nietmoslims. ‘Dat wil niet zeggen dat ik je bezorgdheid op enkele punten zoals de man-vrouw verhouding, niet deel maar dat het geen zin heeft om de islamitische theologie sec als basis voor al die problemen op te voeren. “De islam” doet namelijk niks. Het zijn de moslims en niet-moslims die bepalen welk gezicht de islam krijgt. Identiteit en cultuur zijn altijd het product van interacties (en kunnen natuurlijk wel die interacties beïnvloeden: men kan het handelen legitimeren op basis van de islam) en interpretaties. Welke interacties en interpretaties de boventoon voeren wordt grotendeels bepaald door machtsstructuren die zijn neerslag vinden in de economische, politieke, sociale en juridische context.’

    Uit de bronnen, geschriften, redevoeringen en discussies kan je zowel een legitimering van geweld als een legitimering van vrede halen, afhankelijk wat je eigen agenda en wensen zijn. De geschiedenis laat dat keer op keer zien niet alleen met betrekking tot religies, maar ook tot ideologieën. ‘Maar roept de islam dan niet op tot haat en geweld? Zeker wel. Allah is een opperwezen met een tweeslachtig karakter, net als God en Jahweh. Zij alle belichamen liefde, maar evenzeer toorn en wraakzucht jegens ongelovigen. (…) Die tweeslachtigheid zit overigens niet alleen in religies, maar evenzeer in de grote ideologieën. De Verlichting is tegelijkertijd een vehikel van de vooruitgang én de basis van dictatoriale planmatig-

    heid à la Stalin. Het liberalisme is zowel heraut van de vrijheid als legitimatie van uitbuiting en buitensluiting van de zwakkeren van de samenleving. Het christendom diende als vergoelijking van de apartheid, maar haar belangrijkste bestrijders waren christelijke geestelijken’, schrijft Frank Buijs in Socialisme & Democratie. Religie of ideologie, in wezen maakt het niets uit. De Mohammed B.’s en Jason W.’s in Nederland zullen als zij dat willen in de koran altijd wel een legitimatie vinden voor geweld. Een discussie over het al dan niet gewelddadig zijn van de islam is in wezen zinloos. Als de islam gewelddadig zou zijn, dan zijn de tienduizenden jongeren die zich de afgelopen jaren hebben bekeerd al aan het vechten, wat vooralsnog niet opvalt, en als het een vredelievende religie of ideologie is, dan zal iemand die een legitimering zoekt om een ander dood te schieten, neer te steken of ritueel te slachten daar wel een tekst bij vinden.

     

    OPENER DEBAT

    Door de ‘radicale’ islam als ideologie te zien en niet als religie wordt deze ook interessant voor niet-moslims, zoals Khomeiny ook al bedoelde in 1989. Ook al behoort Khomeiny niet tot de Bin Laden-stroming binnen de islam, hij creëert wel een opening voor niet-moslims om de islam niet alleen te zien als een religieuze sekte maar als een ideologische basis voor maatschappij vorming. Utopisch denken. Het is bijna niet voor te stellen door de wreedheid van de wijze waarop aanslagen in Madrid, Bagdad, Londen, Kabul, Amsterdam en elders worden gepleegd. Het is ook geen garantie voor het voorkomen van aanslagen, maar inzicht kan leiden tot visionair handelen dat mensen bindt en in dialoog brengt. Het schept ook hoop en openheid om te zoeken naar wat willen we met deze wereld en passeert het fatalisme dat de diehards uitstralen met hun woorden ‘zij willen haat zaaien, wij niet’ en ‘we weten dat er een aanslag op komst is, maar alleen nog niet wanneer.’

    Een ideologie lijkt neutraler, minder beladen. In de jaren tachtig vochten de guerrillabewegingen in Midden-Amerika, Zuid-Amerika, Afrika en Azië onder de vlag van het socialisme, communisme, maoïsme en het stalinisme tegen dictaturen die veelal gesteund werden door de Verenigde Staten. Al waren de wreedheden die door de dictators werden begaan vele malen erger, ook de guerrilla hield geen schone handen. Welke oorlog dan ook, burgers zijn de eerste slachtoffers. In Oezbekistan, Afghanistan, Irak en andere landen waar nu de war on terror wordt uitgevochten zijn burgers ook het slachtoffer. Hoe hard de geallieerden ook pogen te roepen dat het niet zo is, mensenrechtenorganisaties rapporteren de laatste jaren veelvuldig over mensenrechtenschendingen in naam van de war on terror. Hoe graag mensen als Blair en Bush de wereld willen indelen in Goed en Kwaad, de werkelijkheid is weerbarstiger. Geen gesloten front van de geallieerden in Irak, maar ook al rond de strijd om Afghanistan was er geen complete eensgezindheid.

    Net zomin als de geallieerden een gesloten front vormen, is dit bij de ‘radicale’ islam het geval. In augustus 2002 schreef Paul Eedle een artikel in Jane’s Intelligence Review met de titel ‘Al Qaida takes fight for “hearts and minds” to the web’. In het artikel citeert Muntasser al-Zayyat, een bekende Egyptische activist: ‘We know that our brothers who carried out this action [11 September] were, in their view, supporting the Palestinian cause. But we are also interested in communicating well with others. By ‘others’ I mean those whom we want to side with us in this struggle.” Al-Zayyat went further. He said resistance to the USA was a religious duty, but added: “I do not go so far down this path as to target civilians indiscriminately in the way that happened.”’ Eedle noemt een tweede moment van discussie binnen de zogenaamde radicale beweging. In maart 2002 schreven 150 Saoedi-Arabische prominenten een open brief in reactie op de steun die 60 Amerikaanse intellectuelen aan president Bush betuigden. ‘In March, Saudi scholar Sheikh Salman al-Oadah published a response, signed by 150 Saudi academics and professionals, called “How we can co-exist”. While it was clear in its condemnation of US policies, the letter caused a storm in Muslim circles by offering a dialogue with the West and conceding that the West and islam did, indeed, share certain universal values. Sheikh Salman al-Oadah was one of the two main religious leaders of the opposition movement in Saudi Arabia in the early 1990s, the other being signatory Safar al-Hawali.’ Eedle gaat vooral in op de wijze waarop Al Qaida internet gebruikt om haar standpunt aan anderen over te brengen of op te leggen. Jammer, want door in te zoomen op het probleem-Al Qaida en haar macht gaat iets verloren. Ideologische strijd ook binnen de radicale islam.

     

    GEEN COMMUNICATIE

    Door de radicale islam als ideologie te zien en niet als fanatieke leer, fundamentalistisch en terroristisch denken wordt er ook een ruimte gecreëerd om er anders tegen aan te kijken. Deze zienswijze wil helemaal niet ophemelen of goedpraten wat er gebeurt, maar neemt jongeren serieus die zich aangetrokken voelen tot die radicale islam. Net als in de jaren tachtig de strijd in Latijns-Amerika van diverse guerrillabewegingen hopeloos leek ten opzichte van de grootmacht Amerika en daardoor een grote aantrekkingskracht had op mensen in de kraakbeweging, zo

    heeft Al Qaida met haar radicale islam grote aantrekkingskracht op jonge moslims. Dat is niet verwonderlijk. Al Qaida heeft haar sporen verdiend in de strijd tegen de Sovjet-Unie. Toen stond het Westen juichend aan de zijlijn om de jihad strijders de dood in te sturen voor het goede doel, het tegengaan van de sovjetheerschappij. Al heeft de beweging vervolgens meer burgerslachtoffers in het Midden-Oosten of liever buiten het Westen gemaakt dan onder Amerikanen, het heeft wel de ideologische strijd continu aangewakkerd en levendig gehouden. Paul Eedle schreef in juli 2002 al ‘How does Al Qaida stay organised when its members are in hiding and scattered across the world?’ Hij gaf zelf ook maar meteen het antwoord: ‘Easy – it runs a website.’ En dat dit sinds 2002 niet veel is veranderd laat de Middle East Media Research Institute in 2004 zien met een uitgebreid rapport over ‘radicaal’ islamitische websites. Opvallend is dat het merendeel van deze websites worden gehost in de Verenigde Staten. In wezen is internet het enige communicatiemiddel dat de ‘radicale’ islam ter beschikking staat. Een van de weinige netwerken die ook nog regelmatig verklaringen uitzendt is Al Jazeera, maar daarvan wordt in Nederland al gezegd dat het bijna haatzaaiende propaganda is.

    De site waar Eedle het in zijn artikel in The Guardian over heeft, ‘is entirely in Arabic, which means that tens of millions of people who hate American policies on the Middle East can read it, but almost nobody in either the governments or the media of the west can understand a word’. Voor een deel is dit op te vatten als strategie, maar journalisten van Le Monde wijzen op een ander aspect. Door de definiëring van het verzet als radicaal, terroristisch en fanatiek, hoeven we niet meer te luisteren naar de boodschap. De aanhangers van de ‘radicale islam nemen niet eens meer de moeite om de boodschap over te brengen en laten alleen de angstaanjagende onthoofdingen en bomaanslagen zien. In de praktijk blijkt dat Iraaks conflict in toenemende mate wordt gedomineerd door het Amerikaans en Irakees “discours”. Het gewapend verzet daarentegen is bijna onhoorbaar, met uitzondering van het geluid van explosies en kidnappings. Haar boodschap wordt op verschillende manieren gedwarsboomd. Om te beginnen door de productiemodus zelf; mond-tot-mondberichten, ouderwetse pamfletten, verklaringen en video’s op wisselende internet sites, dit alles bijna uitsluitend in Arabisch. Hierdoor is het ook voor buitenlandse waarnemers moeilijk om de boodschap te ontvangen. Daarbij is er sprake van min of meer bewuste censuur; de video’s worden ontdaan van onderbouwing, slechts enkele “cruciale beelden” worden behouden. Tot slot het voornaamste element; de boodschap wordt bij voorbaat gediskrediteerd aangezien het komt van een “fanatieke” en “bloeddorstige” vijand. De

    communicatie is slechts de rationalisatie van ongeleid geweld en niet de moeite van het luisteren of analyseren waard. Aangezien de vijand van geweld gebruikt maakt wordt aandacht voor de boodschap als een knieval gezien.’ Daar waar in de jaren tachtig er vanuit verschillende politieke stromingen solidariteitsgroepen waren met de guerrilla waar dan ook in de wereld, zijn die nu in Nederland en het Westen niet te vinden. De enige die bereid zijn zich voor het verzet in Tsjetsjenië, en Irak in te zetten zijn radicale imams die hard worden aangepakt.

    Uitspraken van Zalm, Van Aartsen, Wilders, Ellian en anderen worden niet gezien als haatzaaiend, en als daar enige verwijzing naar komt, dan wordt ons grootste goed – de vrijheid van meningsuiting – aangepakt. Enig geluid van het verzet in Tsjetsjenië en Irak is in geen velden of wegen te horen. Niemand durft daar hardop over te praten uit angst om als haatzaaiende imam of anderszins te worden neergezet. Tijdens het proces van Mohammed B. werd gehoopt dat hij zijn daad politiek zou toelichten. Door zijn stilzwijgen en zijn devotie aan de koran wordt hij door velen gezien als een stakker. Zou het echter uitmaken of hij iets zou zeggen dat politiek ingevuld zou kunnen worden? Zou het uitmaken als hij een maatschappij analyse zou geven, over het gemeenschapsdenken binnen de islam zou beginnen? Zou het uitmaken als hij in plaats van ‘Ik wil Allah bedanken. Ik vraag Allah om hulp bij de woorden die ik ga spreken. Ik getuig dat er geen God is dan Allah’, een pleidooi zou houden voor solidariteit met de armen in het Midden-Oosten? Nee, Mohammed B. was al afgeserveerd als fanatiek fundamentalistische moslimterrorist. Misschien is hij dat wel, maar de beweging waartoe hij behoort stelt aan de westerse samenleving een vraag, houdt het een spiegel voor.

    Dezelfde spiegel die ook jihadstrijders in Bosnië en Kosovo ons de afgelopen tien aar hebben voorgehouden. Moslims werden en worden in Bosnië en Albanië gezien als de laagste klasse, waar iedereen op neerkeek. Dat moedjahedien-strijders uit Afghanistan van de verguisde Al Qaida hun mouwen daar kwamen opstropen om tegen de Serven te vechten, zegt misschien meer over hun beschaving dan over onze beschaving. Zeker als we het betoog van Guido Snel, docent Slavisch talen en culturen, werkte als tolk-vertaler voor Dutchbat, in Vrij Nederland van 29 juni 2005 moeten geloven is de vraag of ‘onze jongens’ zich wel hebben ingezet voor de moslims ter plaatse of dat het hen in wezen niets kon schelen. De moedjahedien strijders waren in wezen verzetsstrijders die het opnamen voor de meest verdrukten. NRC Handelsblad schrijft over deze strijders in augustus 2001: ‘In hoge mate dankzij de steun van de moedjahedien en militaire steun van islamitische landen hielden de Bosnische moslims in 1992 stand, zo constateert de

    Amerikaanse bemiddelaar Richard Holbrooke in zijn boek To End A War. De CIA was al die tijd op de hoogte van de activiteiten van de moedjahedien. De Amerikanen hadden geen bezwaar tegen hun aanwezigheid omdat ze de “geïsoleerde Bosniërs” hielpen te overleven. Maar in het Dayton-akkoord, dat eind 1995 een einde maakte aan de oorlog, werd bepaald dat de heilige strijders binnen dertig dagen na de aankomst van SFOR het land moesten hebben verlaten. Holbrooke was bang dat de moedjahedien de wapens zouden opnemen tegen Amerikaanse soldaten. Mochten ze het land niet verlaten, zo dreigde Holbrooke, dan kreeg Bosnië geen steun. Alija Izetbegovic, leider van de Bosnische moslims, koos voor het geld, al duurde het nog jaren voor de (meeste) buitenlanders vertrokken.’ Uiteindelijk mochten de strijders ons vuile werk wel opknappen, maar moesten ze oprotten was de teneur. Cynisch genoeg zijn dit de strijders die zich nu tegen ‘ons’ keren en een inspiratiebron voor moslimjongeren in het Westen.

     

    TERRORISME VERSUS ARMOEDE

    De arrogantie en het superioriteitsdenken dat wij de ‘radicale’ islam met haar totale waarheid verwijten geldt evenzeer voor ons of misschien nog veel meer. Het is een uiting van het gebrek aan historische notie en aan de plaats die het Westen in de internationale arena nog steeds inneemt. R. Coolsaet, directeur van het departement Veiligheid & Global Governance op het Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen in Brussel en hoogleraar internationale politiek aan de Universiteit Gent, doet regelmatig gewaagde uitspraken. Zo publiceerde hij een overzicht van het aantal doden door terroristische aanslagen op basis van cijfers van het Amerikaanse State Department en de Rand Corporation (zonder Irak) waarbij hij de conclusie trok dat het aantal aanslagen op een historisch dieptepunt verkeerde. Probleem is dat enkele tientallen doden nu in Londen niet te vergelijken zijn met enkele honderden tien, twintig jaar geleden. Dat zou een cijfermatige analyse tot gevolg hebben die vergelijkbaar is met de hardliners die roepen dat we een aanslag niet kunnen voorkomen, maar dat we deze wel kunnen beperken. Coolsaet blijft echter niet steken in een cijfermatige analyse, zoals zijn bijdrage aan de Justitiële Verkenningen-special ‘radicalisering en jihad’ laat zien. ‘Op de lokale wortels van het islamistische terrorisme buiten Europa heeft de internationale gemeenschap dikwijls slechts indirecte invloed. Dat geldt met name voor de Maghreb en het Midden-Oosten. In tegenstelling tot het gevoel dat in het Westen leeft, hebben islamistische terreurgroepen vooral in deze regio grote aantallen slachtoffers gemaakt, lang voor 11 september.

    Vele Arabische samenlevingen verkeren sinds twintig jaar in crisis: groeiende werkloosheid, emigratie van de hoger opgeleiden, dictatoriale regimes, geweld in allerlei vormen, repressie en verpaupering. De bevolking verwacht niets meer van haar leiders en eist oplossingen zonder echter precies te weten welke. Sommigen van hen vinden steun en zingeving bij een conservatieve islam en anderen gaan op zoek naar een jihad’, schrijft Coolsaet alvorens hij overgaat op een bespreking van het Arab Human Development Report 2002. ‘De hoofdauteur van het rapport, de Egyptische academicus Nader Fergany, is van oordeel dat de Arabische en moslimregimes een zware verantwoordelijkheid dragen voor de huidige malaise – maar dat geldt ook voor het Westen dat niet geaarzeld heeft onder het mom van vrijheid en democratie regimes te steunen die dezelfde begrippen met voeten treden. De auteurs van het rapport smeken als het ware om westerse steun. Niet in de vorm van een interventie om de democratie bij hen te komen vestigen, maar veeleer een politieke inspanning om een meer inclusieve wereld in het vooruitzicht te stellen.’ Een inclusieve wereld. Mooier had Coolsaet het niet kunnen benoemen, helemaal omdat hij de schrijvers van het rapport High level panel on threats, challenges and change aan het woord laat. Hun analyse gaat in op een nadere omschrijving van die inclusieve wereld. Geen eurocentrische, arrogante wereld, maar een open blik. ‘Maar zij [de schrijvers van het rapport] vrezen ook de voortzetting van de huidige toestand waarin de westerse bronnen van onveiligheid – terrorisme en proliferatie – de meeste aandacht en energie opslorpen. Indien niet evenveel aandacht gaat naar de strijd tegen armoede, leefmilieu, aids, georganiseerde misdaad en burgeroorlogen – die voor het grootste deel van de mensheid een veel directere bedreiging vormen dan het terrorisme – dan riskeert men dat de VN en daarmee heel het multilaterale bouwwerk enkel zal worden gezien als een instrument “of the rich and powerful”.’

    Wij laten ons bang maken door een stel Mohammed B.’s die in hun achtertuin of slaapkamer een stel bommen produceren terwijl in de rest van de wereld oorlogen, ziektes en honger het dagelijks bestaan bepalen. Dit moet niet gelezen worden als een ontkenning van de angst, maar als een eye-opener. Get real, lijken ook de opstellers van het rapport te zeggen, kom uit jullie ivoren toren.

     

    JIHAD VERSUS MCWORLD

    Ivoren toren? Misschien eerder marmeren kantoren. Benjamin Barber plaatst die tegenstelling tussen het superioriteitsdenken van het Westen en van de zogenaamde jihadstrijders in een ander perspectief. In de nieuwe inleiding van het boek Jihad versus McWorld schrijft Barber: ‘De botsing tussen de krachten van een veelvormige stammencultuur en een reactionair fundamentalisme, die ik jihad heb genoemd, en de krachten van de uniforme modernisering en agressieve economische en culturele globalisering, die ik McWorld heb genoemd, wordt meedogenloos aangescherpt door de dialectische onderlinge afhankelijkheid van deze twee schijnbaar aan elkaar tegengestelde stromingen.’ Het mooie aan het verhaal van Barber is dat hij het woord ‘jihad’ gebruikt in een brede context. Toen hij het boek in 1995 schreef zal hij niet hebben kunnen weten dat de term zes jaar later een bijna apocalyptische lading zou hebben. In deel twee van het boek wandelt hij door de wereld van de jihad en begint niet bij de islam, maar in Europa. Daarna passeren voorbeelden uit de hele wereld de revue, waarbij vooral nationalisme centraal komt te staan. Dat uiteindelijk de islam ter sprake komt is niet meer dan logisch in de lijn van het betoog. Als Barber het boek nu zou schrijven, zou een omgekeerde volgorde meer voor de hand liggen. Van islamitische jihad naar Lonsdale-jongeren en het rechts-nationalisme van mensen als Geert Wilders en Jozias van Aartsen.

    Jihad als ontaarding, ontworteling en het besef geen grip meer te hebben op je eigen situatie. Jihad als het Nee tegen de Europese grondwet. Hoe futiel de grondwet in zijn betekenis ook is, want zonder draait de Europese Unie gewoon door, het Nee is vooral een Nee tegen het onzichtbare. Geen eigenheid meer. Je zou de grondwet als ultiem positief gebaar kunnen zien naar een gelijkwaardige wereld, maar dat gebaar, die illusie is niet meer dan een liberaal traktaat, een pleidooi voor een ongebreidelde McWorld. Dat ontlokte een ware jihad in Frankrijk en Nederland. Het onbeteugelde kapitalisme, door Barber ‘McWorld’ genoemd, is eigenlijk het grootkapitaal, dat volledig geglobaliseerd buiten elke redelijke democratische controle, zich monetair te goed kan doen.

    De verbazing was bij de gevestigde politiek groot over het verlies van het referendum over de Europese grondwet. In wezen toonde het aan dat de boekhouders in Den Haag elke feeling met de samenleving vreemd is. In de hedendaagse politiek lijkt er nog slechts één woord centraal te staan: beheersing. Slavo Z˘ iz˘ek schrijft in Pleidooi voor intolerantie: ‘In post-politiek wordt het conflict tussen wereldomvattende ideologische visies, belichaamd door de verschillende partijen die een concurrentiestrijd om de macht voeren, vervangen door de samenwerking van verlichte technocraten (economen, opiniepeilers) en liberale multiculturalisten; langs de weg van de onderhandeling en belangenbehartiging wordt een compromis bereikt dat wordt gepresenteerd als een min of meer universele consensus. Zo benadrukt de post-politiek de noodzaak om oude ideologische tegenstellingen te verlaten en nieuwe kwesties aan te pakken, met gebruikmaking van de noodzakelijke specialistische kennis en vrij overleg, en daarbij rekening te houden met de concrete wensen en verlangens van de mensen.’ Z˘ iz˘eks betoog geeft niet alleen de onmacht aan waarmee de huidige politiek worstelt in haar poging grip te krijgen op het transnationale bedrijfsleven, maar is ook een uitleg van de uniformisering van het hedendaagse debat met betrekking tot terrorisme. Van links tot rechts marcheert men achter de strafrechtelijke methode aan. ‘Op eenzelfde manier benadrukken de voorstanders van New Labour met graagte dat je zonder vooringenomenheid goede ideeën moet gebruiken en toepassen, ongeacht hun (ideologische) oorsprong. Wat zijn goede ideeën dan wel? Ideeën die “werken”, natuurlijk. (…) De politieke daad (interventie) is niet gewoon iets dat goed functioneert binnen het kader van de bestaande relaties, maar iets dat het kader van de manier waarop de dingen werken zelf verandert. Zeggen dat effectieve ideeën hetzelfde zijn als goede ideeën, betekent een acceptatie op voorhand van de constellatie die bepaalt wat werkt.’ Het ontbreekt de politiek aan lef en visie om uit het discours van de War on Terror te stappen. Daarmee wordt de samenleving verder dichtgetimmerd. Als Abdul Jabbar van der Ven in een televisie interview zegt dat hij het niet erg zou vinden als Geert Wilders binnen twee jaar dood zou zijn, zijn de fractieleiders van links tot rechts er als de kippen bij om de minister van Justitie een brief te sturen over de mogelijkheid om van der Ven strafrechtelijk te vervolgen. Maar een felicitatie van minister van Financiën Zalm van een standrechtelijke executie van een verdachte in Pakistan, een land met een niet al te grote staat van dienst op het terrein van mensenrechten, is geen woord in de Kamer waard. Eigenlijk zou de conclusie simpel zijn, vind je het gek dat die moslimjongeren zich allemaal verbinden aan de islamitische strijd, het is toch per definitie oorlog. De boekhouders hebben de macht in de politiek, op het terrein van sociale zekerheid, maar ook op het terrein van het strafrecht.

     

    WELCOME TO THE DESERT OF THE REAL

    Zalms felicitatie aan generaal Musharraf ligt in de lijn van een opmerking van de Amerikaanse minister van Defensie Rumsfeld die door Z˘ iz˘ek wordt aangehaald om aan te geven dat wij terroristen niet meer als deelnemers van deze samenleving zien. ‘Asked by journalsits about the goals of the American bombardment of Afghanistan, Donald Rumsfeld once simply answered: “Well, to kill as many Taliban soldiers and Al Qaida members as possible.” This statement is not as selfevident as it may appear: the normal goal of a military operation is to win the war, to compel the enemy to capitulate, and even the mass destruction is ultimately a means to this end… The problem with Rumsfeld’s blunt statement, as with other similar phenomena like the uncertain status of the Afghan prisoners at Guantanamo Bay, is that they seem to point directly to Agamben’s distinction between full citizen and Homo Sacer who, although he or she is alive as a human being, is not part of the political community.’ De terrorist is daarbij ontdaan van elke mogelijkheid tot communicatie en elke daad die hij of zij pleegt is een bevestiging van die definitie. ‘This paradox is inscribed into the very notion of the “war on terrorism” – a strange war in which the enemy is criminalized if he simply defends himself and returns fire.’

    Z˘ iz˘ek onderzoekt in zijn essay Welcome to the Desert of the Real de grenzen van wat betamelijk is om over aanslagen te zeggen. Zichzelf verdedigen kan nog wel over een strijder in Irak worden gezegd, maar ook over Mohammed B.? Het interessante aan Z˘ iz˘ek is dat hij poogt door een eindeloze associatie op 11 september 2001 te doorgronden of er nog licht aan het eind van de metrobuis is.

    Als antwoord op de bovenstaande vraag over Mohammed B. is een van de antwoorden: ‘…we should be careful not to attribute to the Other the naive belief we are unable to sustain, transforming him or her into a “subject supposed to believe”. Even a case of the greatest certainty – the notorious case of the “Muslim fundamentalist” on a suicide mission – is not as conclusive as it may appear: is it really so clear that these people, at least, must “really believe” that, after their death, they will wake up in heaven with seventy virgins at their disposal? What if, however, they are terribly unsure about their belief, and they use their suicidal act as a means of resolving this deadlock of doubt by asserting this belief; “I don’t know if I really believe – but, by killing myTerrorisme en terrorismebestrijding zijn nauw verbonden met het proces dat ertoe leidt dat iemand besluit zich op te blazen in een overvolle trein. Analisten bij de AIVD doen naarstige pogingen om te duiden wie de stap tot gewapend verzet neemt en wie er over filosofeert, denkt en praat. In de wetenschap en in de media komen ook regelmatig publicisten, columnisten en andere zelf benoemde deskundigen aan het woord die pogen het proces tot radicalisering, zoals dat vaak genoemd wordt, te duiden en te verklaren. Uitgangspunt is eigenlijk altijd dat radicaal denken fout of problematisch is en automatisch leidt tot gewelddadige actie. In deze gedachte zou het niet passen de gewapende strijd van de Tsjetsjeense rebellen onder leiding van guerrillaleider Basajev te ondersteunen, video’s ervan te bekijken en daarover in het hele land lezingen te geven in achterafzaaltjes. Ook de uitspraak van Abdul-Jabbar van der Ven dat hij niet rouwig zou zijn om de dood van Tweede-Kamerlid Geert Wilders, wordt in dit perspectief als radicaal beschouwd. Terwijl anderzijds het volstrekt niet problematisch is dat minister van Financiën Zalm de Pakistaanse president Musharaff publiekelijk feliciteert met de buitenrechtelijk executie van een van terrorisme verdachte persoon, met de nadruk op verdachte, want van enige normale rechtsgang is in Pakistan geen sprake. In alle gevallen gaat het om de verheerlijking van geweld, hoewel de bewoordingen van Abdul-Jabbar van der Ven eigenlijk zedig zijn in vergelijking met de twee andere voorbeelden.

    Radicaal-links, zoals dat in de jaren tachtig werd genoemd, deed niets anders. Guerrillabewegingen in met name Latijns-Amerika werden gesteund, zelfs met campagnes als ‘Wapens voor El Salvador’. Regelmatig reisde er een commandant, betrokkene of sympathisant door Europa om steun te vragen voor de beweging in Guatemala, El Salvador, Nicaragua, Mexico. Benefietfeesten en campagnes werden op touw gezet om de betreffende bewegingen financieel en moreel te steunen. ‘Informatie’-brigades vertrokken naar de gebieden, lesmateriaal werd vervaardigd en op 5 mei stonden bij de kraampjes van de diverse comités mensen folders uit te delen aan het Nederlandse publiek over de mensenrechtenschendingen in de landen waar die guerrillagroepen vandaan kwamen. Deze comités zouden vandaag de dag al snel als radicaal worden bestempeld; de rondreizende commandanten en sympathisanten als rekruteurs en de activisten die de landen gingen bezoeken als rekruten of mogelijk terroristen.

    De tijd gaat misschien snel, maar van enig historisch gevoel lijkt er in het terrorismedebat geen sprake te zijn. Niet dat processen van radicalisering niet serieus genomen moeten worden. Het bestempelen van deze processen als problematisch of ze zien als opmaat voor gewelddadige acties neemt ze echter niet serieus, maar bekijkt ze vanuit een strafrechtelijk perspectief. Radicale visies over onrecht in de wereld zijn belangrijk en verdienen meer aandacht dan justitiële alleen.

    Aan de processen van radicalisering hangen persoonlijke en gemeenschapsgerelateerde elementen. Daarnaast spelen bij de discussie over terrorisme vanuit islamitische hoek ook religieuze aspecten een rol. Het hoofdstuk wordt besloten met het politieke aspect. Wij pretenderen niet de wijsheid in pacht te hebben de processen op alle niveaus te kunnen duiden en ook met elkaar nog eens in verband te brengen. Radicale visies, gedachten en soms daden zijn geen terrorisme, maar politieke realiteiten die een antwoord vormen of proberen te geven op de voortschrijdende uniformisering en vervlakking van de samenleving. Nederland kenmerkt zich door het buiten de deur houden van vluchtelingen, uitkeringsgerechtigden als criminelen te behandelen, daken thuislozen voor twee jaar achter de tralies te stoppen, religieuze minderheden met minachting te benaderen en iedereen die van de norm afwijkt te marginaliseren en te criminaliseren. In de wereld om ons heen zijn de conflicten, oorlogen en droogten vergeten of hitsig gebracht in programma’s als Netwerk en Twee Vandaag. Plotseling realiseert iedereen zich dat Oezbekistan eigenlijk een dictatuur is, terwijl president Karimov drie jaar lang door kon martelen in de schaduw van de medialuwte. Als een Oezbeek, islamitisch of niet, met een auto vol explosieven het kantoor van de Volkskrant zou binnenrijden, is de pavlovreactie van de Nederlandse politiek en media eenvoudig voor te stellen. Enige zelfreflectie op de rol van de westerse politiek en media in deze geglobaliseerde wereld lijkt ver weg, terwijl dezelfde Oezbeek bijna lijkt te schreeuwen: dit wilden jullie toch. Tegelijk met de terugkeer naar de moederschoot en een herbeleving van de Nederlandse geschiedenis, waar nog steeds de rotte delen netjes zijn uitgesneden, per slot van rekening was Jan Pieterszoon Coen een held en geen massamoordenaar, wordt niet gerealiseerd dat de leuke visie van de wereld als global village waarheid is geworden en niet meer is terug te draaien. In wezen rijdt de betreffende Oezbeek het gebouw van het ministerie van Defensie in Tasjkent in bij zijn gang naar het gebouw van de Volkskrant.

     

    WIL DE ECHTE TERRORIST OPSTAAN?

    De samenleving is veranderd sinds de jaren tachtig. De uniformiteit is groter geworden. Dezelfde supermarkten, kledingwinkels en winkelcentra rijzen op in de gehele Europese Unie. De uniformiteit is ook zichtbaar binnen de politiek. Tijdens de campagne rond de Europese grondwet streden PvdA en GroenLinks zij aan zij met CDA en VVD in het ja-kamp. Schaalvergroting zou volgens hen zowel een waarborg zijn voor vrede en veiligheid en een tegenwicht tegen andere grootmachten. Het tegengeluid kwam vooral van de zijde van Geert Wilders en de SP. Hun antwoord was kort gezegd: ‘Nederland verdwijnt.’ Benjamin Barber had niet kunnen vermoeden dat de tegenstelling tussen jihad en McWorld zich zo scherp zou ontwikkelen. ‘Een dreigende balkanisering van nationale staten waarin culturen tegen culturen, mensen tegen mensen en stammen tegen stammen worden uitgespeeld. Een jihad in naam van honderd letterlijk geïnterpreteerde religieuze systemen tegen alles wat zweemt naar onderlinge afhankelijkheid, vrijwillige georganiseerde sociale samenwerking en gemeenschappelijkheid, tegen de populaire cultuur, tegen de geïntegreerde markten, tegen het moderne leven zelf en tegen de toekomst waarin het zich zal ontwikkelen’, schrijft Barber in 1995. De tekst moet niet al te letterlijk worden genomen, maar in wezen verwijst Barber naar diversiteit en eigenheid als hij het over jihad heeft en bedoelt hij eenvormigheid en ontworteldheid als hij het over McWorld heeft. ‘Het tweede scenario schildert die toekomst, in oplichtende pastelkleuren, als een dynamisch portret van voortsnellende economische, technologische en ecologische krachten die integratie en uniformiteit vereisen, die volkeren overal ter wereld hypnotiseren met snelle muziek, snelle computers en een snelle hap en die naties aansporen tot een enkel homogeen en mondiaal themapark, tot een McWorld, verenigd door communicatie, informatie, entertainment en commercie.’

    Wat Barber poogt is in de huidige tijd ondenkbaar. Hij verbreedt het woord ‘jihad’ tot een soort alles omvattend begrip. Bij het terrorisme debat lijkt elke notie tot duiding in rook te zijn opgegaan. Wie probeert een genuanceerde definitie van terrorisme en radicalisering te formuleren, kan beter deze begrippen overboord zetten. Ze zijn ontdaan van elke lading of betekenis die ze hebben. Als basisschoolleerlingen al radicaliseren en als rondhangende jongeren al terreur bedrijven, dan is wild plassen een terroristische aanslag op het milieu. Dit is niet een absurdistische benadering, want als we in vogelvlucht de teksten in de media scannen, dan valt op dat politici en journalisten vrolijk goochelen met combinaties van bijvoeglijke naamwoorden en terreurwoorden. Wat te denken van de ‘vrijgesproken terrorist’ of de ‘terroristen die vrijuit gaan’. Geen verdachten, maar terroristen van beroep. Of, zoals NOVA het in 2003 uitlegde: potentiële illegale terroristen. Terreur en de islamitische cultuur zijn diep met elkaar verbonden, ‘islamitische (terreur)organisaties’, ‘een nest van extremistische islamitische terreur’, en ‘islamitische terroristische netwerken’ zijn enkele van de benamingen die aan zogenaamd fundamentalistische moskeeën worden gegeven. Of zoals NRC Handelsblad zo pakkend weet te verwoorden: de terroristische islam. Alle denkbare combinaties lijken geoorloofd en uitgeprobeerd. ‘Militante Arabische moslimextremisten’, ‘radicaal Arabisch (moslim)extremisme’, ‘extreme moslims’, ‘fundamentalistisch barbaarse interpretaties’ en ‘geïmporteerd islamitisch radicalisme’.

    Misschien is het een zwaktebod dat hier geen poging wordt gedaan radicalisering en terrorisme te definiëren, maar zoals Martijn de Koning, antropoloog aan de Universiteit van Leiden, placht te zeggen: als kleuters al radicaliseren, dan is het begrip onbruikbaar geworden. Wel kan er een poging gedaan worden radicalisering te duiden, dat levert dan ook enig inzicht op in het woord ‘terrorisme’. Is radicalisme terrorisme? Of leidt het altijd tot terrorisme? Of is radicalisering een proces en fundamentalisme de uitkomst? Is daarmee fundamentalisme gelijk aan terrorisme? En hoe verhoudt radicalisme zich tot extremisme? Zijn extremisten terroristen of zijn radicalen extremisten? Of is het woord fanatisme handzamer? Ahmed Rashid maakt in zijn boek Jihad gehakt van de woorden. De scheiding is niet zo zuiver te trekken. Fanatici, extremisten en fundamentalisten zijn niet per definitie terroristen of vrijheidsstrijders. Neem het voorbeeld van de Hizb utTahrir. In Nederland ontstond er ophef over de organisatie van een bijeenkomst van deze beweging op 6 maart 2004. De organisatie zou fundamentalistisch zijn, volgens de AIVD een internationale radicaal-islamitische beweging en Duitsland heeft de beweging al tot staatsgevaarlijk bestempeld. Hier wordt er van uitgegaan dat de beschuldigingen dat de organisatie antisemitisch zou zijn, gebaseerd zijn op aanwijzingen en feiten en dat de organisatie daarvoor vervolgd gaat worden. Is de organisatie fundamentalistisch, omdat zij antisemitisch is? Is zij extremistisch, omdat zij antisemitisch is of, zoals De Telegraaf schrijft, de vernietiging van Israël voorstaat? Zij is zonder meer strafbaar als zij zoals in Denemarken is gebeurd oproept om joodse mensen om te brengen. Daar is de voorzitter van de beweging ook voor veroordeeld. Is zij echter daarom terroristisch? Laten we er van uitgaan dat de leden van Hizb ut-Tahrir antidemocratisch zijn. Zijn zij daarom fundamentalistisch, extremistisch, radicaal of terroristisch? Elsevier schreef een jaar eerder nog dat Hizb ut-Tahrir fundamentalistisch was en een ‘naar het schijnt vreedzame beweging’ waarvan ‘zesduizend vermeende leden waren gedetineerd, doodgemarteld of geëxecuteerd’ door het regime van de democratisch gekozen dictator Karimov van Oezbekistan. Aangenomen dat zij streng gelovig zijn, zijn zij dan ook fundamentalistisch of extremistisch? Het blijven moeilijke begrippen. Ahmed Rashid vergelijkt de Hizb ut-Tahrir met de Islamitische Beweging van Oezbekistan, die wel een gewapende strijd voert tegen het regime van Karimov. Vergeleken met die laatste groepering is Hizb ut-Tahrir iets minder terroristisch, maar religieus misschien wel meer fundamentalistisch.

    Het labelen van radicaal en terroristisch lijkt in een handomdraai te gebeuren, vandaar dat de Tsjetsjeen Shamil Basajev in zijn interview met ABC Nightline alvast aangeeft dat hij een terrorist is, want over de inhoud van zijn boodschap gaat het allang niet meer.

     

    A KILLER IS BORN?

    Op de trap bij de Centrale Bibliotheek in Amsterdam kwam ik een verwilderde kennis tegen die mij aanklampte. Weet je wie er net vermoord is? Ik keek hem meewarig aan en schudde mijn hoofd, ik zou het niet weten. ‘Theo van Gogh’, zei hij hijgerig alsof hij het laatste nieuws nog aan de redactie moest doorbellen. ‘En weet je door wie?’ volgde direct op zijn antwoord. Alweer moest ik me verontschuldigen, ik was niet continu online. ‘Een Marokkaan’, fluisterde hij. En nadat hij mij nog eens doordringend had aangekeken, rende hij verder. Hetzelfde verhaal had kunnen gelden voor de moord op Pim Fortuyn, want iedereen had dat verwacht. Het leek bijna of de moord op Fortuyn minder erg was want het was geen Marokkaan.

    Na de moord op Van Gogh werd al snel duidelijk dat de dader, Mohammed B., een erg religieuze man was. Zijn kleding en de teksten die hij op het lichaam had achtergelaten wezen daarop. ‘Nu zijn die kut-Marokkanen echt te ver gegaan’ en ‘geef racisme geen kans’ leken de twee hoofdstromingen van de reactie. Er leek zich een kleine burgeroorlog te ontwikkelen. Moskeeën, islamitische scholen, kerken en andere religieuze symbolen moesten het ontgelden. De ‘kut-Marokkaan’ werd moslim en stond plots symbool voor een volledige bevolkingsgroep. Stadsgesprekken, kringgesprekken, burenontmoetingen en andere activiteiten moesten de plots herontdekte kloof overbruggen. Eén individu werd symbool van een mislukte integratie, een ontspoorde bevolkingsgroep en excuusmoslim voor harde woorden en maatregelen. Eigenlijk is het dan ook niet vreemd dat Mohammed B. plotseling een soort cultstatus krijgt onder basisschoolleerlingen in Amsterdam.

    Die mislukte integratie zorgde echter ook voor verwarring, want zo mislukt was die integratie van Mohammed B. nou ook weer niet. Hij had zijn havo afgemaakt en was doorgestroomd naar de Hogeschool Holland in Diemen, en al had hij geen papiertje gehaald, hij was niet in het criminele circuit beland en hij vond werk in het wijkopbouwwerk. Duidelijk iemand die betrokkenheid toonde bij de samenleving en opkwam voor de positie van Marokkaanse jongeren in de buurt. Aan de andere kant was hij ook weer geen model Marokkaan geweest en wordt er gezegd dat hij onderdeel uitmaakte van de Marokkaanse jongeren in Nieuw West die Rob Oudkerk de bijnaam ‘kut-Marokkanen’ gaf. Hij schijnt betrokken te zijn geweest bij een vechtpartij in café de Kooi in Diemen na de overwinning van Nederland op Frankrijk tijdens het wereldkampioenschap voetbal in Nederland en België. In 2001 is hij veroordeeld tot twaalf weken gevangenisstraf wegens het met een mes bedreigen van een politieagent. Tegen de uitspraak van de rechter is hij in hoger beroep gegaan. Hoewel sommige media het beeld schetsen van een zwaar criminele Marokkaan, is het algemene beeld eerder ‘een voorbeeldige jongeman’ (W. Knol, voormalig voorzitter van buurtorganisatie Eigen Wijks in Netwerk). In de Volkskrant zegt een oud-buurman dat Mohammed hulp bood aan probleemjongeren. ‘Dan zei hij tegen jongens die bijeen op een hoekje stonden: “Je kunt beter uit elkaar gaan, want je trekt te veel aandacht.” Hij vond het ook heel leuk dat het goed met mij ging. Dat ik niet met de politie in aanraking was gekomen en dat ik mijn diploma’s voor rij-instructeur had gehaald.’

    Was Mohammed B. in de war? Leed hij aan een psychische ziekte? Het zou zo eenvoudig zijn als dat het geval was. Met de verwijzing naar zijn ‘gewelddadig verleden’ doen psychiaters volgens het DSM IV-model uitspraken over de mate en de soort van de psychiatrische stoornis die hij zou hebben gehad, zonder een woord met hem gewisseld te hebben. Het gekke is dat Mohammed B. gewoon Nederlander is. Een individualist, daar zou zijn daad zelfs op wijzen al verdenkt het Openbaar Ministerie hem ervan deel te hebben genomen aan een terroristische organisatie. Een individualist, assertief, bekend met de Nederlandse overlegen poldersamenleving, maar ook Marokkaan en later moslim.

    Frank Buijs, sociaal-wetenschappelijk onderzoeker bij het Instituut voor Migratie en Etnische Studies (Imes) van de Universiteit van Amsterdam, doet onderzoek naar radicalisme in brede zin en zoekt de verklaring meer in het individualisme en religie. ‘In zekere zin is Mohammed B. een prototype. Hij was helemaal niet opgesloten in een parallelle etnisch-religieuze gemeenschap, maar had er juist afstand van genomen. Hij had individuele keuzes gemaakt, was goed geïntegreerd, schreef in een wijkkrant en probeerde geld te werven voor projecten voor allochtone jongeren. En paradoxaal genoeg was juist het individualisme dat hem in staat stelde om actief te zijn in het maatschappelijke veld, ook de grondslag van zijn latere radicalisering’, schrijft Buijs in Socialisme & Democratie van februari 2005. Het individualisme dat in het Westen zo sterk wordt gepropageerd en wordt uitgedragen lijkt naadloos aan te sluiten op de ideologie van de radicale islam.

    ‘Eerst vindt er een verschuiving plaats van nationale identiteit naar religieuze identiteit. De jongeren voelen zich niet meer primair Marokkaan maar moslim. Die verschuiving loopt parallel met processen van individualisering die ze doormaken. Dat is heel essentieel, want het islamitisch radicalisme verschilt van de hoofdstroom van de islam juist op het punt van de nadruk op individuele besluitvorming. Als je alle islamitisch radicale klassiekers leest dan zeggen ze dat de jihad een individuele plicht oftewel je beslissing moet je nemen los van je ouders los van de oelema, in die zin is het radicalisme zoiets als het protestantisme’, verduidelijkt Buijs zijn standpunt. Martijn de Koning preciseert dit standpunt naar aanleiding van zijn onderzoek onder Marokkaanse jongeren in Gouda in een interview in De Gelderlander: ‘Het geloof beschouwen de moslimjongeren als iets “tussen mij en Allah”. Individualistischer kun je het niet hebben. Er is niet één essentie in de islam. Het is een repertoire aan keuzemogelijkheden dat door de jongeren telkens anders wordt samengesteld. Maar dat wil niet zeggen dat het vrijblijvend is. Het is aan de ene kant een knip-en-plak-islam, maar wel gebaseerd op bronnen.’

    Mohammed B. was volstrekt geen gemiddelde Nederlander of Nederlandse Marokkaan voor 2 november 2004. Hij was betrokken bij de buurt en hoewel iedere misstap in iemands verleden opgeblazen kan worden tot een waar strafblad, poogde hij wel jongeren op het rechte pad te houden. Zijn sterke hang naar het geloof kan daar ook mee in verband gebracht worden en levert een positiever beeld. Die terugkeer naar het geloof is iets dat Martijn de Koning in zijn onderzoek onder Marokkaanse jongeren in Gouda ook veelvuldig heeft gezien. ‘In de puberteit zijn de meisjes belangrijk. Uitgaan, rondhangen, soms een beetje over de streep, misschien door de samenleving gezien als ‘kut-Marokkanen’, maar dat is de puberteit. Op het moment dat ze een diploma hebben van middelbare school betreden ze een nieuwe fase in hun leven. Studeren, werken. Veel jongens worden dan serieuzer. We hebben het over de leeftijd tussen de 16 en de 18 jaar. Dat is ook het moment dat men zich gaat verdiepen in de islam. Dat ze moslim zijn is vanzelfsprekend, maar hoe je dat invult is een ander verhaal. Hoe de ouders het doen is op zijn Marokkaans, dat kan niet, dat is niet op zijn islamitisch. Met deze afwijzing van het Marokkaanse kun je niet in de moskee terecht. Daarnaast weet de imam vaak niet waar een jongere mee bezig is. Het opeisen van hun rechten doen deze jongeren op zijn Nederlands. De reactie van de leden van de moskee is ook typisch Nederlands: “Hoezo wil je iets te zeggen hebben? Je betaalt geen contributie, dus heb je niets te zeggen.”’

    In je puberteit botsen met je ouders en de samenleving is niet zo verrassend. Dat de jongeren zich richten tot de islam is eigenlijk ook niet vreemd. Het maakt onderdeel uit van hun jeugd en de traditie waarin zij zijn opgegroeid. Daarnaast is Nederland Turkije, Algerije of Marokko niet en is de meerderheid van de jongeren van de tweede en derde generatie hier geboren. Soms Nederlandser in hun assertiviteit en de aanspraak op rechten dan autochtonen. Frank Buijs interpreteert dit in Moslims in Nederland uit december 2004 als een bijna onvermijdelijk proces dat slechts lijkt te kunnen uitmonden in een geïsoleerde groep. ‘Ze [jongeren] gaan neerkijken op hun ouders, omdat die een maatschappelijk ondergeschikte positie innemen en daarin berusten, en omdat ze hen zien als routinemoslims en niet als echt vrome, volledig aan het geloof toegewijde, mensen. Deze jonge moslims verwerpen de conservatieve hoofdstroom van de islam als nietconsequent, en ver verwijderd van het oorspronkelijke ideaal van zuiverheid. De cultuur van het land van hun ouders zien ze niet als een bron van trots en identificatie. De Nederlandse samenleving ervaren ze als decadent, arrogant en discriminerend… Uiteindelijk dient een geglobaliseerde islam, losgemaakt van het land van herkomst en verwijzend naar de Umma, zich aan als brandpunt van een nieuwe identiteit.’ (Roy, 2003) Oliver Roy is in Justitiële Verkenningen (jrg. 31 nr. 2 2005) nog explicieter: ‘Feitelijk zijn de meeste terroristische acties in het Westen gepleegd door westerse moslims, of althans door in Westen wonende moslims, waar we ook nog vele bekeerlingen bij moeten tellen. De meeste acties vonden plaats in naam van de “verdediging” van de islam of om het westerse imperialisme te bestrijden, slechts enkele vertoonden een direct verband met een specifiek conflict in het MiddenOosten (in het verleden door Palestijnen gepleegde terroristische acties). De situatie in het Midden-Oosten is geen verklaring voor de radicalisering van jonge moslims in Europa: het is een sui generis-verschijnsel, een gevolg van zowel de globalisering als de verwesterlijking en houdt tevens verband met een generatiekloof.’

    Einde exercitie. De Mohammed B.’s en Samir A.’s en andere verdachten van terroristische handelingen zijn gewoon geïntegreerde Nederlanders die in het menselijk proces van identiteitsontwikkeling verstrikt raken tussen twee culturen. Zij komen in een soort vacuüm, waar zich dan de ‘radicale islam’ of ‘euro-islam’ volgens Roy aandient die hen een passende identiteit aanbiedt. De lokalisering van het probleem kon niet eenvoudiger. De rekruten van de ‘radicale islam’ zijn gelokaliseerd en kunnen in de gaten worden gehouden door inlichtingenen veiligheidsdiensten. Misschien dat ze niet allemaal de stap naar het gewelddadige verzet maken, maar de potentie is wel degelijk aanwezig. Het bizarre van deze analyse is dat deze jongeren bijna worden gediagnostiseerd als psychiatrische gevallen. Ze hebben een identiteitsprobleem en komen daarom uit bij de ‘radicale islam’, die dan slechts gezien kan worden als kwaal, als gezwel waarvan ze genezen dienen te worden. Martijn de Koning is het niet met Roy eens, want: ‘Roy zegt dat er een soort deculturalisering plaatsvindt. Religie wordt uit de traditie gehaald. Ik ben het niet met hem eens. Ten eerste zitten ze niet in een cultureel vacuüm, dat is antropologisch gezien onzin. Je maakt altijd deel uit van een cultuur, of je nu wilt of niet. Hij geeft als voorbeeld halal fastfood. Dat is gewoon een teken van iets nieuws maar wel op basis van oude dingen. Ook die claim van een zuivere islam is deels om zich af te zetten tegen de ouders en als een soort cultuurkritiek naar de Nederlandse samenleving, maar dat is niet hetzelfde als breken met de ouders of breken met de Nederlandse cultuur.’

    Na 11 september 2001 is het aantal aanslagen in Europa op één hand te tellen. Nu is dat geen maat voor de dreiging en kan het ook liggen aan de effectiviteit van de inlichtingenen opsporingsdiensten, maar als de identiteitsontwikkeling van tweede en derde generatie moslims spaak loopt en we ervan uitgaan dat de rekruten ruwweg een leeftijd tussen de 15 en 35 jaar hebben, dan staat een onzichtbaar leger van ‘radicale moslimstrijders’ klaar om Europa te veroveren. Minister Zalm heeft dan zeker gelijk met zijn opmerking na de moord op Theo van Gogh dat wij in oorlog zijn. Toch een vreemde gedachte dat er tienduizenden jongeren klaar staan om hun ongelovige buren, collegae, vrienden en kennissen de keel door te snijden. Het lijkt slechts een kwestie van tijd, maar het moment nadert. Misschien is het een overdrijving en een cynisch commentaar op Roy en Buijs, maar de pathologisering/psychiatrisering van deze jongeren en het diagnostiseren van de ‘radicale islam’ als een probleem an sich roept eerder de vraag op of men niet zelf bang is dan dat deze jongeren serieus worden genomen. Die angst wordt nog pertinenter als de conclusie van het proces van die identiteitsontwikkeling wordt gedefinieerd in termen van radicalisering.

    Mocht je überhaupt hun identiteitsworsteling willen zien als probleem, dan liggen de oorzaken en genezing in de diagnose dat deze jongeren geen thuis vinden in de Nederlandse samenleving en ook niet in hun migrantengemeenschap. Deze benadering is echter te pervers om vol te houden. Jongeren, migrant of niet, komen in hun puberteit en adolescentie in meer of mindere mate de gevestigde orde tegen. Daar is niets mis mee, dat is niet ziekelijk. Ook niet het besluit om moslim te worden. In wezen zijn deze jongeren de nieuwe global citizens. Ze hebben geen nationale identiteit, zowel niet van het land van aankomst als van het land van herkomst. Dat deze zogenaamde ‘euro-islam’ die mondiale identiteit wel verschaft en niet het begrip ‘global citizen’ zegt meer over de zwakte van het niet-religieuze concept dan over het gevaar van de religieuze identiteit.

     

    DE GEMEENSCHAP

    In zijn bijdrage aan de Justitiële Verkenningen-special ‘radicalisering en jihad’ zegt Rob de Wijk, directeur van het Clingendael Centrum voor Strategische Studies: ‘Het debat over terrorisme is sinds de moord op Theo van Gogh verengd tot de sociaal-economische achterstand van minderheden, het mislukken van de integratie en de aard van de islam… In het debat wordt te weinig onderscheid gemaakt tussen oorzaken en katalysatoren… De oorzaken zijn van buitenlandse oorsprong; de katalysatoren zowel van buitenals binnenlandse oorsprong. Dat betekent dat Nederland nauwelijks greep op het terrorisme kan krijgen.’ Aan de oorzaken wijdt hij één pagina, waarover volgens hem in de wetenschappelijke kringen consensus bestaat. Bij de oorzaken speelt het Westen een inferieure rol. De maatschappelijke ontwikkeling in de Arabische wereld wordt gekenmerkt door ‘onervaren en onbekwame leiders’. Het resultaat is een ontwrichtte samenleving waarin jongeren, vooral hoogopgeleide, houvast zoeken. Volgens De Wijk kan dat op twee manieren: teruggrijpen op vertrouwde uitgangspunten of een alternatieve ideologie ontwikkelen. Het eerste is gebeurd in de Arabische wereld en het tweede in het Westen. De conclusie lijkt evident. Moslims overal ter wereld zoeken houvast en die vinden ze in de ‘zuivere islam’. Alleen beïnvloeding van de katalysatoren kan het inferno afwenden, en daar dient de Nederlandse overheid zich op te richten.

    Als in wetenschappelijke kringen daadwerkelijk consensus over deze analyse bestaat, dan wordt eigenlijk een totale bevolkingsgroep afgeschreven. De hearts and minds van de gematigde moslims moeten nog wel gewonnen worden, schrijft De Wijk poëtisch, maar de anderen zijn reeds afgeschreven. De Wijk trekt in wezen een parallel met de identiteitsontwikkeling bij jonge moslims op dit moment in Nederland. De traditionele levenshouding van hun ouders, de eerste generatie migranten, is te vergelijken met het teruggrijpen op vertrouwde uitgangspunten in de Arabische wereld die eerder op de traditionele stamverhoudingen zijn terug te voeren dan op de ‘zuivere islam’. Een alternatieve ideologie ontwikkelen staat dan gelijk aan het neoliberale beleid dat Nederland in zijn wurggreep heeft. In beide gevallen zijn hoogopgeleide jongeren de weg kwijt en zoeken houvast. Dat houvast hadden jongeren in de Arabische wereld ook kunnen vinden in mensen als Mohammed Mossadegh, democraat in hart en nieren, die de twijfelachtige eer heeft de eerste democratisch gekozen regering te hebben aangevoerd die door de Amerikanen omver is geworden in 1953 ten behoeve van de ‘moderne’ dictatuur van de sjah. Het cynische aan Mossadegh is dat hij ook nog eens de democratisch gekozen premier van Iran was, een land dat nu wordt afgeschilderd als in de greep van het religieuze fanatisme.

    De Wijks analyse van de oorzaken laat direct een leemte zien die in het islamdebat regelmatig terugkeert. De jongeren worden bezien vanuit een visie van daar (Arabische wereld) en zij, en niet hier (de Nederlandse samenleving) en wij. Er heerst een superioriteitsdenken, een arrogantie die ervan uitgaat dat wat wij hebben beter is dan wat zij hebben, willen of nastreven. Zij zoeken houvast, voelen zich onmachtig en die onmacht wordt omgezet in geweld. Geen politiek geweld, maar onredelijk religieus geweld. Door overal ‘radicaal’ voor te zetten, lijkt een werkelijk gesprek met deze mensen niet mogelijk. De enige weg die ons open staat is een strafrechtelijke.

     

    POLARISATIE

    Dat de Nederlandse samenleving de afgelopen jaren gepolariseerd is, is te merken aan de scherpte van het debat. Die polarisering is echter niet dezelfde polarisering die er voor veel moslim jongeren is. Hoewel zij ongetwijfeld meer binding hebben met hun eigen gemeenschap, zetten zij zich ook tegen hen af. Martijn de Koning: ‘Je ziet dat de generatie van twintigers en dertigers zich aan het slachtoffer gevoel van hun ouders proberen te ontworstelen. Zij verwijten de eerste generatie allochtonen dat slachtoffer gevoel te cultiveren en schelden ze uit voor beroepsallochtoon, subsidiehoer, of erger nog, NSB’ers. De nieuwe generaties zitten nu op een leeftijd waarin ze een eigen stem kunnen laten horen die zoden aan de dijk zet omdat ze met een behoorlijk aantal mensen zijn. Voorbeelden zijn koerswijziging.nl en benjebangvoormij.nl.’

    Dit verhaal sluit naadloos aan bij zijn eerdere opmerking dat veel jongeren niet meer bij hun eigen moskee terechtkunnen. ‘Wat die jongeren (16-18 jaar) over de koran weten is minimaal… Ze zijn op zoek naar handzame boekjes over wat er wel en niet in de koran staat. Internetsites die de fatwa’s uitspugen zijn een stuk eenvoudiger dan dat je een imam in Saoedie-Arabië moet bellen. Vaak willen ze de meest gangbare dingen weten, zoals: mag ik omgaan met Nederlandse jongens of meisjes? Mag ik ze als vrienden hebben? Een gemiddelde imam weet daar geen raad mee. Omdat die geen Nederlands spreken en weet hoe de Nederlandse samenleving in elkaar zit. De jongeren vinden dan ook snel geen aansluiting bij hun eigen moskee.’

    Aan de andere kant van eigenlijk hetzelfde spectrum zitten het establishment, de onderbuikgevoelens en de bestaande en ontluikende intolerantie. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties Remkes schrijft in de nota Bestrijding internationaal terrorisme op 9 maart 2004: ‘Te constateren valt dat een groeiend aantal moslims zich door opiniemakers en opinieleiders in het maatschappelijk verkeer onheus bejegend voelt. Hierbij komt dat in hun ogen de overheid zich niet – of onvoldoende – als onpartijdige arbiter opstelt. Deze gedachte leeft onder de kleine groep van politiek radicale moslims maar ook binnen een groot deel van moslims dat zich wel verbonden voelt met – en gebonden acht aan – de principes van de democratische rechtsstaat.’

    Verhoudingen hebben zich erg verhard na 11 september 2001. Martijn de Koning signaleert dat de trend eerder al was ingezet. ‘We hebben het natuurlijk altijd over 11 september, maar als ik met moslim jongeren spreek die tussen de twintig en de dertig zijn, die hebben het ook over 11 september, maar die beginnen bijna allemaal eerst bij de El-Moumni-affaire van mei 2001. NOVA lijkt bewust de uitspraak van de imam, dat hij persoonlijk geweld afkeurt en geweld ook niet volgens de islam toestaat, uit de uitzending te hebben geknipt. Dat voelt men als dolksteek in de rug. Eerdere dingen als het multiculturele drama van Paul Scheffer en de uitlatingen van Bolkestein speelden niet echt. Maar goed, in die periode waren ze een stuk jonger. Zo’n El-Moumni-affaire komt op een moment dat het politieke bewustzijn begint te groeien in zo’n groep. Na 11 september was er iedere drie maanden wel iets. Dan had je de islamitische basisscholen, El Tawheed, de imams bij NOVA die allerlei domme uitspraken deden. Of het allemaal terecht was of niet, op een gegeven moment hebben ze wel een soort lawine over zich heen gekregen.’

    De polarisatie waarin moslimjongeren geraken is niet eenvoudig te definiëren als tweepolig. Na 11 september 2001 werden moslims in het algemeen aangesproken om hun afschuw of afkeuring uit te spreken over de aanslagen op het World Trade Center en het Pentagon. Daders en medeplichtigen waren al vastgesteld voordat de rook was opgetrokken. Eigenlijk herhaalt zich deze stoelendans keer op keer na een aanslag. De polarisering lijkt daardoor te verscherpen, want het goede antwoord is niet te geven. Dit zit namelijk niet in de woorden ‘het is heel erg’ of ‘wij keuren het af ’, maar in de constellatie van hoe de samenleving is ingericht. De eerste generatie migranten die zich in het maatschappelijk middenveld heeft gevestigd doet verwoede pogingen bij de Nederlandse samenleving te behoren door steunbetuigingen aan het adres van het Westen te sturen. Daarmee ondergraven zij hun positie ten opzicht van moslimjongeren die zich toch al niet thuis voelen in eigen kringen. Zij analyseren 11 september 2001 vanuit een geheel ander perspectief, het ‘eigen schuld dikke bult’-perspectief. ‘Veel mensen vonden dat Amerika een koekje van eigen deeg kreeg. Los van die onschuldige burgerslachtoffers van 11 september. Dat het Pentagon was aangevallen, daar hadden heel veel mensen helemaal geen problemen mee. Dat is een militair doel’, licht Martijn de Koning toe.

    De zogenaamde Nederlandse pool wordt gekenmerkt door een overheid die steeds strenger optreedt, diverse politici en opiniemakers die vinden dat zij hun nek uitsteken en dat de overheid niets aan het probleem doet. De polarisatie is compleet met een groep jongeren die juicht bij elke moskee of islamitische school die in de brand staat. De maatregelen die de ministers Remkes en Donner naar de Kamer sturen zijn niet meer bij te houden, maar als de AIVD een bespiegelende brief over de achterliggende oorzaken van radicalisering naar de Kamer stuurt, lijkt het landje te klein. Als door een wesp gestoken reageren diverse publicisten en politici. ‘De AIVD, die het woord “onderbouwen” nog moet uitvinden, geeft geen cijfers en geen details. Wel wijst deze dienst de hoofdverantwoordelijken aan van deze door mist omgeven gewelddadige bekering tot de jihad. De schuldigen zijn opiniemakers en -leiders, lees: publicisten en politici. De politiek correcte gemeente, zowel binnen als buiten de Kamer, kan zijn geluk niet op en omarmt plots de door hen doorgaans zo verfoeide lange jassen’, schrijft Sylvain Ephimenco in zijn column in Trouw. VVD-fractieleider Van Aartsen geeft de inlichtingendienst nog even een veeg uit de pan op een partijraad in Den Haag. ‘De AIVD moet zich niet bemoeien met de meningsvorming in ons land.’ Ondertussen worden de jongeren die veroordeeld zijn voor de brandstichting in de islamitische basisschool Bedir in Uden geëerd als verzetsstrijders en verdienen zij een lintje volgens de bezoekers van websites als Holland hardcore.

    Dat het debat verscherpt is dan nogal wiedes. ‘Nee, anti-westers, anti-Amerikaans, maar dat anti-Nederlands is specifiek voor het laatste jaar. Voorheen was men anti-Amerikaans, antiwesters, dat was allemaal hetzelfde, daar hoorde antiNederlands ook bij, maar dat was niet echt specifiek gericht op Nederland’, zegt Martijn de Koning. ‘Maar met figuren als Ayaan Hirsi Ali, Geert Wilders en ook Van Gogh, werd het anti-Nederlands wel steeds sterker en ook het idee dat men in de hoek zit waar de klappen vallen en dat veel jongeren met een bepaalde gekleurde bril naar de werkelijkheid kijken, dat gebeurd altijd wel, maar dat Theo van Gogh ook een film kan maken met Marokkaanse rotjochies wordt niet opgepikt. Dat Hirsi Ali af en toe nuanceringen aanbrengt in haar uitspraken wordt helemaal niet opgepikt. En als iemand als Naema Tahir een opmerking maakt over hoe moslims omgaan met seksualiteit en met name mannen met seksualiteit van vrouwen, dan wordt ze meteen in de hoek van Hirsi Ali gedrukt, dan is meteen ieder gevoel voor nuance weg.’

    De nuance is zoek. Iedere moslim is een terrorist en dient zich te verantwoorden voor een zelfmoordaanslag waar ook ter wereld en iedere Nederlander die kritiek heeft op de islam is eigenlijk ook een terrorist, maar dan vanuit het tegenovergestelde perspectief bekeken. De columnisten die zich nu verontwaardigd uitlaten over moslimjongeren die iedereen en alles met de dood bedreigen, krijgen een antwoord van de straat op hun scherpe taal en literaire beledigingen. Dat is geen verontschuldiging voor het gedrag van deze jongeren en ook geen aanklacht tegen de harde taal van opiniemakers, het toont alleen aan dat zij die geen toegang hebben tot de massamedia zich vooral op internet zijn gaan bedienen van de taal van de confrontatie. Het is nu hard tegen hard.

     

    SUPERIORITEIT

    Zowel bij moslims die streven naar een samenleving die gebaseerd is op de zuivere islam, als bij verwoede predikers van het democratische bestel zit een vorm van superioriteit met betrekking tot de heilstaat. Bij de zuivere islam wordt deze gedefinieerd door de koran en bij de democratie door verkiezingen en een neoliberaal economisch systeem. Bij de koran lijkt het evident. Als je leeft volgens de letter van de geschriften, dan ben je een beter mens, en aangezien dit aardse bestaan eigenlijk van generlei waarde is, lijkt het logisch de wetten van de profeet te eerbiedigen om zo de ideale samenleving te creëren. De ware vrijheid zit hem in de wet van de profeet.

    Dat liberale denken is ook het uitgangspunt voor vele democratische fundamentalisten, zoals de fanatieke aanhangers van de Verlichting soms worden genoemd. Volg de Verlichting en het komt allemaal wel goed lijken mensen als Paul Cliteur te zeggen. In het NRC zet hij deze heilstaat af tegen de islam met de woorden ‘de reëel bestaande islam is niet liberaal maar fundamentalistisch’. Cliteur gaat zeker niet zo ver dat hij voorstander is om overal te vuur en te zwaard de democratie te brengen, zoals de Amerikaanse president Bush op dit moment wel voor staat. Deze lijkt er zelfs deels in te slagen, gezien de ontwikkelingen in Afghanistan, Georgië, Oekraïne, Kirgizië, Libanon en misschien volgt zelfs Irak. Ook Iran en China lijken langzaam ‘onze’ kant te kiezen.

    Centraal staat niet zozeer het gelijk van een van beide kampen, maar meer het superioriteitsgevoel dat ervan uitstraalt. De ‘radicale moslims’ blazen zonder blikken of blozen treinstations en forensentreinen op in Spanje en de Amerikanen bombarderen een trouwfeest in Afghanistan. De Amerikanen noemen het collateral damage in een oorlog tegen het terrorisme. De aanslagen in Madrid werden opgeëist door de Abu Hafs Al-Masri Brigades of Al Qaida met de woorden: ‘Now we say it clearly, hoping that you [Aznar] will understand it this time. We at the Abu Hafs Al-Masri Brigades are not sorry for the deaths of so-called civilians. Are they permitted to kill our children, our women, our elderly, and our youth in Afghanistan, Iraq, Palestine, and Kashmir, and we are forbidden from killing them? Allah, may He be praised, said: “Whoever attacks you, attack him in the same way that he attacked you” [Qur’an 2:194].’ (De authenticiteit van de verklaring van deze groep die in de krant Al-Quds Al-Arabi werd gepubliceerd, wordt wel in twijfel getrokken.) Geen collateral damage als deel van een precisiebombardement, maar een ongerichte aanslag op alles wat geraakt kan worden, soldaten of niet.

    Beide partijen tonen een grote minachting voor het leven. De zogenaamde jihadstrijders willen de oorlog tegen het terrorisme en de geweldsescalatie in het Midden-Oosten en andere delen van de wereld vooral exporteren naar het Westen. Wie ze raken interesseert ze in wezen niet. De geallieerden idem dito. De slag om Fallujah toont die arrogantie ten volle aan. Hoeveel weten wij wat daar heeft plaatsgevonden? Slechts de dappere stap van een cameraman van CBS die zijn ruwe beelden aan de wereld toonde over de standrechtelijke executie van een gewonde man van wie wordt gezegd dat het een strijder is, licht een tipje van de sluier op van wat daar heeft plaatsgevonden. Stierven daar ook honderden slachtoffers, omdat ‘zij’ ons hebben aangevallen? Staan ‘wij’ in ons recht om daar ‘democratie’ en ‘vrijheid’ te brengen en moet dan alles maar wijken zoals de zogenaamde ‘terroristen’ ook menen te kunnen doen?

    Het superioriteitsgevoel van beide partijen is verscherpt. De een graaft zich in met de koran en de ander met Socrates of Voltaire. De stelligheid waarmee moslimjongeren hun gelijk uitdragen wordt als radicaliserend omschreven en maakt hen in de ogen van de AIVD en vele wetenschappers potentiële rekruten. ‘Men vindt het spannend en fascinerend en velen bewonderen Bin Laden zeker omdat hij zich tegen de VS verzet, maar onschuldige burgerslachtoffers, dat vindt men wel een stap te ver gaan. Dat is iets waar men op zijn minst heel veel moeite mee heeft, in de zin dat men zegt die kant moeten we niet op. Ook Mohammed B. is voor een deel een held, maar aan de andere kant vraagt men zich af wie er met de gebakken peren zit? De andere moslims. Een soort fascinatie, spanning. Het is te vergelijken met de Che Guevara-verheerlijking. Een vergelijkbaar mechanisme zie je bij de zelfmoordaanslagen in Israël waar men sowieso gemengde gevoelens bij had. Is dat nu de manier? Het is wel gerechtvaardigd om een Israëlische soldaat naar de hemel of de hel te helpen, maar kinderen? Deze onderwerpen komen keer op keer ter sprake als Nederland mee gaat doen in Irak of commando’s stuurt naar Afghanistan. Men snapt dat Nederland meedoet, maar men is er wel heel cynisch over. Nederland wordt gezien als de loopjongen van de Amerikanen’, zegt Martijn de Koning.

    Thijl Sunier, antropoloog aan de Universiteit van Amsterdam, ziet aan de andere kant dat ‘het Westen meer dan ooit overtuigd is van het grote gelijk. Wat je ziet gebeuren is dat na 11 september maar ook Madrid en Van Gogh in heel veel landen in het Westen de muren omhoog zijn opgetrokken. Poorten dicht en binnen zoeken of er nog ergens ratten zitten en die flikker je er dan uit. Dan heb je het probleem opgelost. Het is een beetje simpel voorgesteld. Een nog strenger immigratiebeleid als antwoord zal ik maar zeggen. In Nederland komt er ook een andere dimensie bij van een soort beschavingsoffensief. Je zegt je kunt niet iedereen er meer uitgooien op grond van wat voor kenmerken dan ook dus wij moeten werken aan een soort beschaving, de waarden en normen discussie, meedoen, participatie. Op het moment dat ze onze geschiedenis kennen, zullen ze ons ook begrijpen en krijgen ze meer waardering voor ons.’

     

    ONMACHT

    De Wijk refereert in zijn artikel aan de wetenschappelijke consensus ten aanzien van de ontwrichtte samenleving en het houvast dat jongeren, vooral hoogopgeleide, zoeken. Hij bedoelt hier vooral jongeren in de Arabische wereld, maar sinds 11 september 2001 kijkt de Nederlandse overheid ook met enige argwaan naar migrantenjongeren in het binnenland en dit is na de dood van Theo van Gogh toegenomen. De houvast lijkt de islam en dan vooral de ‘zuivere’ islam te zijn. Hoewel daar blijkens Martijn de Koning veel op af te dingen is, gaat het niet alleen om de vraag waar zij houvast vinden, maar ook waarom zij zich ontredderd voelen. Want eigenlijk is het vreemd dat jongeren met een opleidingsniveau van hbo en w.o. zich wenden tot een godsdienst die hun leven dusdanig structureert dat het weinig ruimte overlaat voor eigen invulling. De spirituele verrijking die de koran en ander geschriften biedt kan dit niet afdoende verklaren. Khaled Al-Berry schrijft in zijn boek De aarde is mooier dan het paradijs over zijn tijd in de Egyptische moslimorganisatie Al-Jama’a al-islamiyya, waar ook Mohammed Atta toe behoorde. Het is een van de weinige boeken van een ex-lid van een strenge moslimorganisatie. Het boek is erg oppervlakkig en geeft niet echt een inkijk in de organisatie. De indruk die je van Al-Berry krijgt is dat van een gelovige fanatieke jongen die in een soort scoutingclub probeert op te klimmen. Al-Jama’a al-islamiyya lijkt veel invloed en ook weer niet op hem te hebben. Hij beschrijft de perversiteit van hoe de moslimjongeren naar meisjes kijken, maar dat verschilt niet veel van jongeren van die leeftijd die niet gelovig zijn. Eén aspect, hoewel ook niet echt uitgewerkt, geeft misschien inzicht in waarom hoogopgeleide moslimjongeren zich aangetrokken voelen tot dit soort organisaties. Het groepsgevoel, het behoren bij. Deze jongeren vinden binnen de zogenaamde ‘zuivere’ islam hun vrienden. Vervreemd van de Nederlandse samenleving en de eigen migranten gemeenschap, onmachtig om aan het maatschappelijk leven deel te nemen, drijven zij verder af. Dat wordt dan bestempeld als isoleren en daar kan dan meteen weer een link gemaakt worden met de radicale islam. Frank Buijs verklaarde eerder al: ‘Als je alle islamitisch radicale klassiekers leest, dan zeggen ze dat de jihad een individuele plicht is, oftewel: je beslissing moet je nemen los van je ouders, los van de oelema, in die zin is het radicalisme zoiets als het protestantisme.’ Uiteindelijk hoeft binnen deze redenering niets meer geduid te worden. Het gaat er alleen nog maar om de laatste stap de directe stap naar gewelddadige handelingen om die in kaart te brengen. Daarin spelen rekruteurs een rol, internet of het groepsproces. Wederom lijkt het erop dat deze jongeren afgeschreven zijn en eigenlijk niet serieus worden genomen.

    Joeri van den Steenhoven en Farid Tabarki doen dat in een artikel op scienceguide wel. ‘Uit onderzoek door onderzoeksbureau Signs of the Times naar in Nederland woonachtige jongeren met ouders afkomstig uit onder andere Marokko blijkt ook de boosheid die er heerst onder deze groep jongeren. Niet alleen voelen ze zich geschoffeerd omdat respectloos met hun ouders wordt omgegaan. Talentvolle jongeren willen nu vooral eens op hun eigen kracht aangesproken worden. Want na een razendsnelle emancipatie van deze groep, zoals die blijkt uit hun forse aanwezigheid op hbo en w.o., willen ze nu aan de slag op de Nederlandse arbeidsmarkt. Een baan op hun niveau vinden ze echter zelden. Ook afgelopen voorjaar bij de echo Award, een wedstrijd voor talentvolle allochtone studenten, was dit soort verhalen zeker geen uitzondering. Studenten met hoge cijfers, vol ambitie en plannen om het in de Nederlandse samenleving te gaan maken. Maar zij konden geen stageplek krijgen, of nog erger, geen baan.’

    Thijl Sunier gaat nog een stap verder: ‘Tijdens de Rushdie-affaire waren mensen heel kwaad. Net zoals ze nu na 11 september zijn. Zo van, zijn ze nu helemaal gek geworden. Maar om nu Khomeiny af te zetten als een soort wereldvreemde islamitische geleerde is volgens mij een verkeerde inschatting van wat er aan de hand is. Hij wist donders goed dat hij met de fatwa die hij tegen Salman Rushdie uitvaardigde het hart raakte van wat wij vinden dat niet aangetast mag worden, namelijk de vrijheid van meningsuiting. Met Theo van Gogh speelt dat nu ook. Met Mohammed B. was het ook niet zo dat hij er niets van snapte, nee, hij wist het donders goed. Daarmee plaats je hem meer in de samenleving dan dat je hem weergeeft als een soort wereldvreemde kracht die er van buitenaf op inwerkt. Wil je het begrijpen, dan moet je veel meer een analyse maken van de omstandigheden hier ter plaatse dan dat je zegt dat het te maken heeft met het feit dat moslims geen aansluiting bij de samenleving vinden.

    Ik bedoel dat je de vraag stelt hoe het komt dat bepaalde groepen worden uitgesloten in de samenleving en dat je in ieder geval de samenleving ziet door de bril van een soort ongelijkheidsvertoog. Dat betekent dat je het meer van binnenuit moet begrijpen dan als iets dat van buitenaf komt. Dat laatste is een beetje de tendens op dit moment hier. Trek die muren op.’
    Van den Steenhoven en Tabarki besluiten met: ‘Als goed opgeleide allochtone jongeren zich gemarginaliseerd en gediscrimineerd blijven voelen, blijft dat een voedingsbodem voor radicalisering. Zelfs als dit maar met een zeer beperkte groep daadwerkelijk gebeurt, kunnen de gevolgen daarvan verwoestend zijn. De geschiedenis leert dat ons ook. De studentenrevoltes in de jaren zestig, de Rote Armee Fraktion, Brigate Rosse, Black Panther Movement, het waren allemaal bewegingen van radicaliserende, meestal hoger opgeleide jongeren die in verzet kwamen tegen de samenleving, waarin ze woonden maar niet konden of wilden participeren. Samir A. en Mohamed B. zijn daar een wrang, hedendaags voorbeeld van. Dit is een enorm destabiliserend gevaar dat niet enkel valt op te lossen met het uitbreiden van de AIVD of het aan veroordeelde terroristen ontnemen van de Nederlandse nationaliteit. Dit is symboolpolitiek die het gevoel van vervreemding en marginalisering bij deze jongeren alleen maar zal versterken.’

    De laatste woorden klinken onheilspellend, even onheilspellend als de definiëring dat de gevolgen van de identiteitsontwikkeling van deze moslimjongeren gelegen ligt in hun breuk met hun eigen gemeenschap en de Nederlandse samenleving. Van den Steenhoven en Tabarki zien in de moord op Theo van Gogh ‘hoe diep het integratieprobleem echt zit’. Is er echter sprake van een integratieprobleem? Veel van de jongeren zijn super-Nederlands, constateert ook Martijn de Koning. Deze hoogopgeleide moslim jongeren hebben in de puberteit zich de Nederlandse taal en gewoonten op straat, op school en in buurtcentra eigen gemaakt. ‘Het opeisen van hun rechten doen deze jongeren op zijn Nederlands’, zegt De Koning, dus dat zit wel goed. Zit het dan in ‘onze geschiedenis’, zoals Thijl Sunier placht te zeggen, dat als ze die ‘kennen dan zullen ze ons ook begrijpen en krijgen ze meer waardering voor ons’. Dat dit niet aannemelijk is mag duidelijk zijn, want ondanks dat veel moslimjongeren goed zijn geïntegreerd en evenveel geschiedeniskennis als de gemiddelde Nederlandse jongere hebben, blijft de radicale islam aantrekkelijk.

     

    JIHAD IS COOL

    Die hang naar de geschiedenis laat iets absurds zien. De jongeren willen terugkeren naar de ‘zuivere islam’ zoals dat genoemd wordt. Via moderne technologische middelen communiceren zij over de terugkeer naar diverse eeuwen geleden, om de oude glorietijden van de islam in ere te herstellen. Op basis van een boek, een verhaal dat eeuwen lijkt te hebben stilgestaan. In die geschiedenis vinden zij een rechtvaardiging voor het geweld dat zij anderen mogen aandoen. De anderen zijn dan de ‘ongelovigen’ of worden als zodanig geïnterpreteerd. Mohammed Benzakour trekt in De Groene Amsterdammer een analogie met de verering van Lotte door haar vriend Werther in het boek Die Leiden des Jungen Werthers van Goethe. Daar waar de jonge Werther zich het leven benam voor de onbereikbare Lotte en symbool werd voor de Romantiek, staan de radicale moslimjongeren symbool voor een hernieuwde opleving van de Romantiek nu. ‘Nu, twee eeuwen later, beschouwen we de Romantiek als een mooi maar afgesloten tijdperk… Tenminste, dat dachten we. De vraag is gerechtvaardigd of er niet te midden van alle modernismen en postmodernismen een stille maar onmiskenbare heropleving van de Romantiek gaande is.’ Benzakour schrijft dat ‘in de tijd het hemelse licht zich nog niet aan hen had openbaard, zwierven velen doelloos rond (…), tot op zeker ogenblik iets hun donkere pad kruiste. Dat iets bleek schoon en zuiver te zijn, paradijselijk.’ En ‘…de ware moslim-Werther, met al zijn Sturm und Drang, is een offeraar, en zijn Lotte heet voor eens en altijd Allah’. Hier eindigt Benzakours vergelijking, want die ‘radicale’ moslim die ‘onschuldigen doodt uit naam van een religie is een terrorist, een monster’. Maar is de moslim jongere die zich aangetrokken voelt tot de ‘zuivere islam’ een romanticus eersteklas en zou hij zich van het leven beroven als hij daar de kans voor had? Volgens de islam, beweren islamologen, mag dat niet en wilde Mohammed B. daarom een heroïsche dood sterven in een vuurgevecht met de politie. Maar wilde hij wel dood? De verdachten van de aanslagen van Madrid hebben zichzelf ook niet opgeblazen, ook al was Lotte misschien Allah voor hen. Het aardse leven bezat toch meer aantrekkingskracht dan de onzekerheid van het paradijselijk bestaan.

    Benzakour heeft wel gelijk dat er één ding is dat binnen het islamdebat regelmatig gebeurt, namelijk de romantisering van de radicale islam. Niet romantisering in positieve zin, maar de historische duiding alsof de ‘radicale islam’ de terugkeer naar de ‘zuiver islam’ predikt. Of de ‘radicale islam’ streeft naar een terugkeer van de hoogtijdagen van de islam, waarin het imperium tot in Spanje reikte.

    Frank Buijs zegt bij de presentatie van het boek Democratie en terreur. De uitdaging van het islamitisch extremisme: ‘Het fundamentalisme is een religieuze stroming die streeft naar herleving van de geïdealiseerde ontstaansperiode van de islam, toepassing van de klassieke islamitische wetten en onderschikking van het individu aan hun specifieke interpretatie van de wil van het opperwezen. Het fundamentalisme meent dat vrijwel alle machthebbers van moslimlanden in gebreke blijven bij de toepassing van islamitische wetten en dat veranderingen in de samenleving noodzakelijk zijn.’ En Hans Jansen in zijn oratie aan de universiteit van Utrecht ‘De radicaal-islamitische ideologie: van Ibn Taymiyya tot Osama ben Laden’ zegt: ‘Hoewel de hedendaagse radicale activisten in hun pamfletten regelmatig uitgebreid Ibn Taymiyya citeren, is er natuurlijk geen sprake van een organisatorische continuïteit tussen Ibn Taymiyya en hedendaagse radicale moslimse bewegingen. Er is pas iets van organisatorische continuïteit ontstaan in de jaren tachtig van de negentiende eeuw. Een zekere Gamal al-Din al-Afghani weet in die jaren in Caïro een groep discipelen om zich heen te verzamelen die hij weet te overtuigen van de noodzaak de oude glorie van de islam te doen herleven.’ Jansen beschrijft dat Al-Afghani drie wegen zag waarvan: ‘de derde weg de duidelijkste was, en die heeft dan ook de meeste aanhang weten te verkrijgen: zoals bekend, zeker binnen de islamitische wereld, zijn de moslims van de zevende tot de zeventiende eeuw wereldwijd superieur geweest. Waardoor zijn de moslims die traditionele superioriteit kwijt geraakt? Dat kon maar één reden voor zijn: doordat ze hun traditionele wetten en voorschriften, neergelegd in hun sharia, veronachtzaamd hebben. Herinvoering en toepassing van deze voorschriften, die uit tientallen handboeken goed bekend zijn, zou de islam en de moslims als het ware vanzelf de hen toekomende plaats in deze wereld teruggeven. Het is deze stroming die, bij gebrek aan een beter woord, als het islamitische “fundamentalisme” bekend is komen te staan.’

    Goed geïntegreerde, hoogopgeleide moslimjongeren die zich bevinden in een periode van hun leven waarin ze ‘houvast’ zoeken, bekeren zich tot een religie die zijn wortels, zijn fantasie en zijn oorsprong vindt ergens in de vroege Middeleeuwen. Zonder twijfel is dit romantisch en toont het gelijkenis met de vergoelijking van geweld tijdens de oorlog in voormalig Joegoslavië door de verschillende bevolkingsgroepen. De Serven, Kroaten en andere bevolkingsgroepen waren sterren in historische lessen over slachtingen, glorieuze overwinningen, verraad en andere gebeurtenissen uit het verleden die hedendaagse wreedheden moesten verklaren, goedpraten of uitleggen. Sommige moslimjongeren die nu aangemerkt worden als ‘radicaal’ en op internet actief zijn, zijn ook erg bedreven in hun kennis van islamitische bronnen en gebruiken die om bepaald gedrag te prijzen of te veroordelen. Martijn de Koning komt dat op internet ook tegen, maar dan in positieve zin: ‘Op die MSN-groepen waar ik op zit, zitten mensen die zeggen dat ze 16 zijn en die behoorlijke radicale taal uitkramen, helaas nog zinnig ook. Er wordt geprobeerd om het goed te onderbouwen. Ze maken er werk van zonder achter de kudde aan te lopen.’ Dit laatste werpt een ander licht op de achtergronden van de ‘radicale islam’ waar die jongeren zich toe keren. Deze jongeren lijken niet zomaar te roepen wat ene Sayyid Qutb vijftig of zestig jaar geleden heeft geschreven of gezegd. Er is een religieuze component bij zogenaamde ‘radicale moslimjongeren’, maar deze is wel gerelateerd aan het heden, hun eigen situatie en de wereldpolitiek. In die zin is ‘radicalisme’ misschien wel cool, omdat het op dit moment ergens bijhoren betekent. ‘Een jongen zei: “Jihad is cool”, en de manier waarop hij begon over mensen als Bin Laden en Al-Zarqawi is bijna een soort heldenverering. En wat in Amsterdam op de basisscholen zou leven is analoog daaraan. Het probleem is dat wat er op de basisscholen gebeurt meteen als radicalisme wordt gelabeld en op de basisschool zitten ook kleuters. Hebben we het hier nu over radicale kleuters? De vraag is of het gewoon stoer puberaal gedrag is of dat het echt radicalisering is. Wat is radicalisering? Radicalisering in de zin van een sterke anti-Nederlandse houding, dat is er zeker’, licht Martijn de Koning het minder historische perspectief toe.

    Jihad is cool, de verering van Bin laden, de bewondering uitspreken over 11 september en de reactie daarop, die lijkt op een soort gedachtepolitie, zeggen meer over de maatschappelijke verhoudingen dan de hang van deze moslimjongeren naar de geschiedenis. Thijl Sunier probeert aan te geven dat je de islam ook als lifestyle kunt zien. Misschien vindt dat niet op hele grote schaal plaats, maar het plaats radicalisering in een andere context, evenals Martijn de Koning doet met de vraag ‘is die verering gewoon stoer puberaal gedrag’. ‘Op het moment dat het Surinaamse of Nederlandse vriendinnetje van een moslima een hoofddoek gaat dragen wordt het wel heel postmodern. Ik zag een student van mij in het blad Contrast die had een hoofddoek op tijdens een antiracisme demonstratie en dan zie je dat de “lifestyle” zich niet beperkt tot de grenzen van het moslim-zijn. Daar waar traditioneel de hoofddoek werd gedragen uit gewoonte of omdat het binnen de gemeenschap zo hoorde, is het dragen als “lifestyle”-element wel een breuk met het verleden. Het probleem is niet zozeer de hoofddoek, maar wel dat die hoofddoek een symbool is en een symbool voor beide partijen.’ Sunier gaat zelfs een stap verder door de historische banden van de religie van deze jongeren door te knippen en te wijzen op de plaats die zij middels de islam willen verovering in de openbare ruimte. ‘Er vindt een fragmentering, een diversificatie van opvattingen plaats. Dat gaat van heel radicaal tot heel triviaal. Het kan veel verschillende kanten opgaan en het verwarrende van de huidige discussie is dat veel mensen het totalitaire wereldbeeld (lees fundamentalistische) als het “ware” beschouwen. Dat is het meest islamitische, het meest traditionele, het meest radicale en op een bepaalde manier is dat wel zo, maar het is ook een wereldbeeld. Het is niet een uiting van diepe religiositeit, maar het is een uiting van de inzet van religie in de publieke ruimte.’ De geschiedenis als ijkpunt voor radicalisering. Hoe meer je afdaalt in het historische verleden van de islam, hoe radicaler je bent, lijkt het devies. Opnieuw dringt zich de gedachte op dat deze jongeren niet serieus worden genomen en zijn afgeschreven.
    Vreemd eigenlijk, want de Paul Cliteurs kunnen in kranten en tijdschriften lange verhandelingen houden over de Verlichting en zelfs dieper afzakken in de geschiedenis tot aan Socrates toe. Deze mensen worden niet afgeserveerd, maar lijken in het publieke debat meer ruimte te verkrijgen, omdat zij ‘onze waarden en normen’ zouden verdedigen. Carel Peeters schrijft in Vrij Nederland het artikel ‘Voltaire, verlichtingsrelativist’. Hij doet een voorzichtige poging om aan te geven dat Voltaire volstrekt geen gesloten wereldbeeld had wat betreft religieuze uitingen. ‘Hoe ver ging Voltaire in het bestrijden van bigotterie en fanatisme? Heel ver, maar tot de aanvechting om iets te verbieden, kwam het nooit. In Ga- limatias dramatique laat hij een jansenist, een moslim, lutheraan, een jood en een jezuïet met elkaar discussiëren terwijl een Chinees gebiologeerd naar hen luistert. Wanneer ze allemaal aan het woord zijn geweest, concludeert de Chinees dat ze stuk voor stuk in het gekkenhuis thuishoren. Toch wilde dat niet zeggen dat Voltaire al deze religieuze denominaties onzin vond. Hij bestreed ze wel en schreef er satirisch over, maar aan het recht op hun al dan niet fanatieke bestaan kwam hij niet.’ Voltaire wijst op een nuance die het fanatisme in een ander licht plaats. ‘… maar voor een samenleving was een christelijke cultuur een functionele leidraad voor het leven. “Als God niet bestond, zou men hem moeten uitvinden”, zei hij (Voltaire)’, schrijft Peeters. Is het een vergoelijking van het geloof of doet hij een poging het te begrijpen. Natuurlijk zegt dit niets over zijn denkbeelden ten aanzien van radicale stromingen binnen welke godsdienst dan ook, maar het zegt wel iets over een openheid die er bij hem aanwezig is. In tegenstelling tot die nuance binnen de Verlichting wordt vaak gezegd dat binnen de islam een dergelijke tweeslachtigheid niet aanwezig is. Kritische en/of liberale denkers hebben geen voet aan de grond gekregen binnen de islam.

    Kan die duik in de geschiedenis de radicalisering verklaren? Het geeft in ieder geval aan dat deze jongeren hun heil hebben gezocht in een geloof of ideologie dat honderden jaren oud is. De terugkeer naar de begintijd van de islam is in die zin te interpreteren als een stap terug of een stap vooruit, een utopisch idee. Het is oorlog en beide zijden van het slagveld zoeken hun gelijk in het verleden. Is ‘ons’ standpunt meer waard dan hun standpunt. Of herleeft de oude rivaliteit van eeuwen geleden op een nieuw slagveld? Het lijkt er wel op als je de ingezonden artikelen in de kranten volgt. Ewald Vervaet, natuurkundige en ontwikkelingspsycholoog werkzaam bij de Stichting Histos, schrijft in de Volkskrant: ‘De fundamentalistische islam is dus geen ontspoorde, principieel andere islam dan de meer gezonde orthodoxe islam – fundamentalisten zijn slechts heviger orthodox. Dat verklaart waarom niet-fundamentalisten (hanifieten, malikieten en sjafiieten) over de door niet-moslims afgekeurde daden van fundamentalisten (hanbalieten) bij voorkeur zwijgen. Ze zijn namelijk allemaal tegen een niet-islamitische staatsinrichting, maar de eersten dulden haar vooralsnog lijdzaam, terwijl de laatsten haar in woord (dawa) of in daad (jihad) bestrijden. Daarin erkennen ze elkaar als goed moslim omdat ieder op zijn manier Gods wil uitvoert – “islam” betekent “overgave”, aan Gods wil: niet-fundamentalisten ondergaan de niet-islamitische staat als een beproeving door God, precies zoals fundamentalisten zich daartegen verzetten omdat God hen daartoe roept.

    Ook kan een moslim op elk ogenblik naar een andere rechtsschool overstappen. Een gematigde moslim (hanifiet, malikiet of sjafiiet) kan dus ineens fundamentalist (hanbaliet) zijn. Iets dergelijks moet bij de “goed geïntegreerde” Mohammed B. zijn gebeurd.’ De conclusie luidt dat in iedere moslim een fundamentalist schuilt, maar hij of zij weet het zelf nog niet.
    BEGRIP VOOR ‘TERRORISTEN’

    Blijkbaar spitst de geschiedenis zich toe op de religie en het geloof is het verleden. Het heden komt er niet meer aan te pas. In hun verklaringen doen de verdachten van aanslagen in Europa daar ook driftig aan mee. Geen doorwrochte maatschappijanalyses, maar citaten uit de koran als statement. Pogingen om deze teksten te duiden leveren steevast verklaringen in de richting van religieus terrorisme op. ‘When you punish, punish them in the way they have punished you.’ (Qur’an 16:126) ‘Kill them wherever you find them, and drive them out from where they have driven you out; for internal strife [Fitna] is worse than killing.’ (Qur’an 2:191) ‘Whoever attacks you, attack him in the same way that he attacked you, and trust Allah and know that Allah is with those who put their trust [in Him].’ (Qur’an 2:194) Dat zijn de drie koranteksten waarmee de Abu Hafs Al-Masri Brigades hun verklaring over de bomaanslagen in Madrid openden (het is onduidelijk of deze verklaring waarheidsgetrouw is). Mohammed B. begint zijn open brief aan Ayaan Hirsi Ali met ‘In Naam van Allah de Barmhartige, de Genadevolle’, en ‘Vrede en zegeningen op de Emir van de moedjahedien, de lachende doder Mohammed Rasoeloe Allah (Sala Allaho alaihie wa Sallam), zijn familie en metgezellen en degenen die hen oprecht volgen tot aan de Dag des Oordeels.’

    Bij de moord op Theo van Gogh, maar eigenlijk sinds 11 september 2001 staat binnen de discussie over terrorisme de islam centraal. Zonder te generaliseren is te teneur van het debat religieus getint.

    Lees de analyses van de AIVD, artikelen over de achtergronden van de verdachten en de ‘radicale islam’ komt ter sprake.

    Zonder enige twijfel zijn de jonge mannen en ook vrouwen erg religieus, pogen te leven naar de letter van de koran en doen studies naar de bronnen en geschriften die hen dieper in het geloof doen afdalen. Is dat dan ook de reden waarom ‘zij’ zich tegen ‘ons’ keren? Zij zijn moslims, maar zijn het ook moslimterroristen, oftewel strijders uit naam van Allah. Een Tsjetsjeense vrouw die zich opblaast in een Russisch theater is misschien wel moslim, maar ook Tsjetsjeen. Zij wordt echter direct bestempeld als jihadstrijdster.

    Jessica Durlacher reageert in de Volkskrant naar aanleiding van een artikel over de Egyptische schrijfster Nawal el-Sadawi: ‘Ook koestert ze [Nawal el-Sadawi] sympathie voor vrouwelijke zelfmoordenaars. In een andere krant zei ze kort geleden: “Israël en het Westen noemen verzetsoperaties ‘terrorisme’. Het Iraakse verzet is in terrorisme veranderd, net als het Palestijnse verzet. Moeten wij degenen veroordelen die vochten met hun blote handen en zo ten onder gingen? Moeten wij een vrouw bekritiseren die zichzelf met explosieven behangt, zichzelf opblaast en sterft? Moeten wij haar veroordelen omdat ze zichzelf heeft opgeblazen, nadat ze haar vader en broers heeft zien vermoorden? Als ik in haar plaats was, zou ik mezelf volhangen met dynamiet, zou ik mezelf opblazen… Hoe kan ik het slachtoffer veroordelen? Er zijn mensen die vragen waarom martelaren zichzelf niet opblazen op legerbases – in plaats van tussen onschuldige burgers. Maar veel van hen bliezen zichzelf inderdaad op bij checkpoints en deden zo hun uiterste best om iets waardevols bij te dragen. Ik bekritiseer het slachtoffer niet, ik heb kritiek op de echte misdadiger…”’

    Voor Durlacher is de conclusie duidelijk. Eigenlijk roept el-Sadawi op tot jihad. ‘Ook wordt de indruk gewekt dat het De Balie’ (Nawal el-Sadawi sprak in De Balie) ‘niet zoveel uitmaakt dat deze politiek geëngageerde gast in haar vrije tijd haar volk oproept militair ten strijde te trekken tegen Israël en de VS’, besluit ze haar artikel. Als Sadawi al wordt veroordeeld voor haar medeleven met het slachtoffer van geweld dat geweld pleegt, dan blijft er van de vrouw die daadwerkelijk het dynamiet omhangt weinig over. Die is jihadstrijdster pur sang. Einde discussie.

     

    BUSH BLAIR BIN LADEN

    Het interessante aan Durlachers standpunt is dat ze het woord ‘religieus’ niet uitdrukkelijk gebruikt, maar dat ze eigenlijk absurd vindt dat De Balie iemand het woord geeft die de strijd tegen Israël en de Verenigde Staten goedpraat. In haar ogen zijn deze strijders niet alleen terroristen, maar religieuze fanatici waar geen woord mee gewisseld moet worden. Uri Rosenthal van het Instituut voor Veiligheidsen Crisismanagement BV (COT) in Den Haag hangt een vergelijkbaar gedachtegoed aan. Het zoeken naar het waarom achter de aanslagen is per definitie een goedkeuring ervan. Hij lijkt bijna te zeggen dat religieuze fanatici standrechtelijk moeten worden geëxecuteerd, iets dat door mensen als minister Zalm van Financiën wordt gedeeld.

    De centrale rol die het geloof speelt klinkt in elk betoog door. NRC Handelsblad heeft het bij monde van Carolien Roelants al over de terroristische islam. Beweren dat die islam een ondergeschikte rol speelt, lijkt volstrekt onzinnig. Zelfs tegenstanders van de harde lijn proberen met de koran in de hand het ongelijk van de ander aan te tonen. Nee, het geloof staat centraal.

    Thijl Sunier ziet veeleer de herboren moslims als een nieuwe generatie assertieve migranten en de koran dient veeleer als een legitimatie van geweld of juist van vrede. ‘Je kunt geweld altijd legitimeren met een beroep op wat voor bronnen dan ook, maar je kunt het omgekeerde ook. Als je alleen maar kijkt naar de directe relatie tussen die bronnen en het gedrag en dus de vertaalslag helemaal weglaat, dan begrijp je er naar mijn mening weinig van.’ Martijn de Koning gaat nog een stap verder: ‘Je hebt bij NOVA ook die uitzending gehad met die chatlogs van Abdul Jabbar van der Ven met Jason W. Mijn indruk was dat als Abdul Jabbar met een liedje uit Sesamstraat was gekomen, dan had onze Jason daar nog steeds een fatwa uit gehaald waarin hij de ongelovige mocht bestelen. Die wilde dat gewoon doen, dat was gewoon overduidelijk uit die chat. Terwijl de moordopdracht of de goedkeuring van de moord mij nog niet helemaal duidelijk is.’ Directe relaties tussen de islam en geweld of tussen een preek van een imam en geweld zijn niet alleen moeilijk te leggen, vaak zijn ze ook niet aanwezig. De zaak van El-Moumni laat dit onomstotelijk zien. Hoewel El-Moumni beweert dat de koran en hijzelf homoseksualiteit afwijzen, stelt hij ook dat geweld tegen homo’s niet geoorloofd is volgens de koran en hemzelf. Dat Osama bin Laden of een ander lid van Al Qaida of aanverwante islamitische actiegroep een fatwa, geschrift of oproep uit doet gaan om ongelovigen te doden wil nog niet zeggen dat die oproep zijn basis in de koran vindt. Als president Bush besluit Fallujah te zuiveren van ‘terroristen’, dan wordt dat niet geanalyseerd langs de meetlat van de Verlichting of de bijbel, terwijl de woordkeus wel degelijk in die richting wijst. Nee, president Bush lijkt boven elke twijfel verheven. In de documentaire The Thesis of The Power And The Glory stelt Michael Buerk dat er een huwelijk heeft plaatsgevonden tussen geloof en politiek in zowel de Verenigde Staten als het Verenigd Koninkrijk. Al ziet Buerk daar geen gevaren in, de documentaire laat haarfijn zien hoe Blair zijn partij bespeelt met het toverwoord believe. In de aanloop naar de Irak oorlog en rond het conflict over het wel of niet bestaan van massavernietigingswapens presenteerde hij zich als de leider van het volk en men diende hem te geloven dat hij het allemaal goed bedoelde. Bin Laden is explicieter in het gebruik van koranteksten, maar gebruikt het geloof ook als bindend element. ‘When asked to whom he would answer for the deaths of British soldiers in Iraq, Blair replied that it would be not to parliament or history or even the people, but to “my Maker”. This reference to a higher authority is disturbing, particularly in our political system, where there is an inherent danger of elective dictatorship. It doesn’t do to let the hand of God get too close to the levers of power.’ (Iain Macwhirter, ‘Backward Christian Soldiers’ in Sunday Herald)

     

    GOOGLE-ISLAM

    Het geloof verbindt. Daar is niets mis mee. Christenen zoeken elkaar ook op in kerken of op happenings als de EO-jongerendag. Bin Laden maakt gewoon simpel gebruik van dat fenomeen, zoals Blair zijn toehoorders aan zich bindt door te zeggen dat ze oneindig geloof in hem moeten hebben, zelfs als hij bijna liegt. Door in te zoomen op het geloof krijg je analyses zoals Frank Buijs in zijn onderzoeksvoorstel ‘Moslims in Nederland’ van december 2004 aanhaalt. ‘Fundamentalistische moslims hebben het in theologisch opzicht een stuk eenvoudiger, omdat ze kunnen teruggrijpen op een eeuwenoude traditie. De aantrekkingskracht van het fundamentalisme schuilt in verschillende factoren. Voor moslims die geconfronteerd worden met de chaos in de wereld draagt het fundamentalisme een ordening aan die verwoord wordt in een vertrouwde terminologie (Kepel, 1997). Het combineert trots op een roemrijk verleden met de belofte van een stralende toekomst. Het formuleert een scherpe kritiek op westerse verschijnselen van decadentie, individualisme en gebrek aan zingeving, die ten dele ook buiten de kring van fundamentalistische moslims wordt onderschreven.’ Klaar. We kunnen wel naar huis gaan. Die ‘radicale’ jongeren die in deze wereld de weg kwijt zijn, gaan terug naar het verleden en gebruiken de religie als vehikel voor het verklaren en becommentariëren van de wereld. Sluiten die moskeeën en elke moslimjongere óf in de gaten houden óf preventief oppakken, en het gevaar is geweken.

    De band met andere geloofsgenoten lijkt voor deze religieuze fanatici niet noodzakelijk. ‘Een voorbeeld hiervan is het eerste vastgestelde en door aanhouding van betrokkene verijdelde geval van “zelfontbranding”. Zelfontbranding houdt in dat een individu zonder betrokkenheid bij netwerken of directe persoonlijke contacten met rekruteurs zodanig zelfstandig radicaliseert, bijvoorbeeld onder invloed van internetsites, dat hij uit eigen beweging op jihad gaat of een terroristische aanslag gaat voorbereiden en uitvoeren’, zegt minister Donner naar aanleiding van de Tweede Voortgangsrapportage Terrorismebestrijding. Zelfontbranding? Alsof deze jongeren met bommengordel om geboren worden en na hun bekering tot de islam spontaan ergens exploderen. Wordt er überhaupt een serieuze poging gedaan inzicht te krijgen in potentiële daders? Op één aspect wijst de voortgangsrapportage wel, namelijk de toegenomen rol van internet bij de zoektocht van deze jongeren naar hun geloof en de rol van de islam. ‘Van oudsher was een islamitische identiteit redelijk eenduidig. Die identiteit heeft te maken met bepaalde voorschriften, met een bepaalde traditie, het leven volgens die traditie en je kon dat spiegelen aan religieuze voorgangers, dat meestal tot stand kwam via een directe face to face-relaties in moskeeën en koranscholen. Een van de kenmerken van het moderniseringsproces is dat die overdracht niet meer een van de bronnen is van kennis. Mensen halen hun kennis uit verschillende bronnen. We noemen dat de Google-islam en Mohammed B. lijkt daar een exponent van.’ De Google-islam, of zoals Martijn de Koning het eerder noemde, de knip-en-plakislam.

    Bij een Google-islam hoort internet en dat is nu juist de plek waar zogenaamde ‘radicale’ delen van de islam zich meer manifesteren. ‘Daar zie je dat die salafi groepjes waar zo vaak over gesproken wordt in dat gat springen. Die doen dat met mooie websites want die weten hoe internet werkt. Die weten dat jongeren als ze een vraag stelen op internet geen twee weken gaan wachten op hun antwoord. De vraag kan gesteld worden aan een database. En er is een pagina Frequently Asked Questions.’ Martijn de Koning duidt op de websites van Al-Yaqeen en Selefie Publikaties. Al-Yaqeen lijkt verbonden aan de As Soennah-moskee in Den Haag en Selefie Publikaties lijkt meer geënt op Saoedi-Arabië en gesloten ten opzichte van de Nederlandse samenleving. Naast deze websites specifiek gericht op het geloof, waarvan er nog veel meer zijn, zijn er ook de meer algemene websites als Maroc.nl of Marokko.nl. Op al deze websites is ruimte voor discussie via fora. ‘Young people take positions, which they base on the Koran, Hadith and the statements of scholars. In this way they actually create their own fatwa’s. The advantage of the Internet, of course, is that they can participate in these discussions under a pseudonym, which gives them the freedom to ask all kinds of questions’, zegt De Koning in de lezing Young muslims: search for a true islam. Al speelt de religie bij deze jongeren een belangrijke rol, de relatie met het Westen is overal prominent aanwezig. ‘The MSN groups usually have fewer permanent members than the websites, but that is not to say they reach a smaller audience.

    Regularly, messages from the MSN groups can be found on sites such as Marokko.nl. The larger groups (such as islamenMeer), which sometimes have a couple of thousand members, are more moderate than the smaller groups and show a more varied picture of opinions concerning islam. The smaller groups are seldom granted a long life. Soon after messages are received that inflammatory texts and threats are being exchanged, the groups are closed down. The discussions and messages within the groups vary widely. The subjects range from the devil to sex and from demonstrations to jihad, but they all talk about dealing with the Western world. “The West” stands primarily for the US, Israël and the Jews, and the Netherlands. There are Salafi MSN groups that strongly reject Dutch society. But there are also those that seek a rapprochement and reject violence.’

     

    VERNEDERING

    Welke rol speelt religie nu werkelijk? Zijn de Mohammed B.’s religieuze fanatici die hun geloof gebruiken om kritiek op de Nederlandse samenleving te funderen? Worden zij in het geloof gedrukt door een samenleving die hen niet als volwaardig lid accepteert? Ontbranden zij zelf, zoals minister Donner beweert, middels nieuwsgroepen en internetfora? Jessica Stern gaat in haar boek Terreur in naam van God uit van de premisse dat terroristen in hun jeugd of later vernederd zijn als persoon of als groep. Zij sprak met zogenaamde terroristen van diverse signatuur. Mensen die streden in naam van Allah, maar ook christenen, sikhs, hindoes en andere gelovigen. In de gesprekken die zij voerde met deze mensen kwam steeds het woord ‘vernedering’ terug; volgens Stern is dat de diepere wortel waaruit terrorisme ontstaat.

    Martijn de Koning legt een koppeling tussen het verhaal van Jessica Stern en de wijze waarop veel Nederlandse moslimjongeren zich tot de islam keren. ‘Wat je ziet bij onderzoeken naar radicalen onder sikhs, hindoes en christelijk fundamentalisme, dat is het gevoel van onmacht en ook frustraties. Frustratie, onmacht en vernedering, maatschappelijke vernedering. In de persoonlijke situatie of als groep. Daar komen een aantal dingen samen. Als je religie iets vanzelfsprekends is, dan denk je er niet over na, dan zijn mensen flexibeler. Voor deze jongeren is het niet vanzelfsprekend, omdat ze wordt aangeleerd niets vanzelfsprekends te aanvaarden. Je moet je constant verantwoorden als je moslim bent. Men gaat dan over religie nadenken alsof het een ding is. Dat zelf iets is of zelf iets kan. Dat erbij hoort, dat bij je authentieke zelf hoort. Op een gegeven moment zie je dat je eigen religieuze identiteit steeds heiliger wordt en dat iedere kritiek op de islam of die nu gerechtvaardigd is of niet een aanval is op jezelf. Dan zie je dat er een soort van persoonlijke vernedering ervaren wordt.’

    De Koning probeert aan te geven dat niet de vernedering centraal staat, maar de wijze waarop deze jongeren hun geloof beleven, als ‘een ding’, dat bij ‘je authentieke zelf hoort’. De vernedering heeft dan niets meer met een vernedering van het geloof te maken, maar met een vernedering van de persoon zelf.

    Jessica Stern lijkt de potentiële moslimstrijders een hart onder de riem te steken. Het ligt niet aan jezelf, je bent vernederd, neem psychotherapie en het komt allemaal weer goed. Logisch dat ijzervreters als Afshin Ellian, Leon de Winter en anderen dit argument aan mootjes hakken. Stel dat iedereen die zich in zijn jeugd vernederd heeft gevoeld dusdanig zou radicaliseren als Mohammed B., dan zouden we in Amsterdam in een soort Wilde Westen leven. Vernedering als argument voor radicaliseren klinkt positief en begrijpend, maar neemt wederom deze jongeren niet serieus. Deze moslim jongeren lijken te worden gedefinieerd in termen van een identiteitsconflict, niet geïntegreerd (lees nog niet aangepast), niet geaccepteerd, religieus ontspoort of fanatiek of vernederd.

     

    MODERNE WESTERSE RADICALE ISLAM

    Is religie wel zo belangrijk voor deze zogenaamde beweging van de ‘radicale’ islam en als die al belangrijk is, is die dan misschien niet eerder moderniserend in plaats van terugkerend naar eeuwen geleden. Daniel Pipes is niet de meest linkse schrijver, en als vader van Richard Pipes (fervent antisovjet) verkeert hij veelvuldig onder neoconservatieve vrienden als Paul Wolfowitz en Richard Perle. Toch schreef Pipes een artikel ‘The Western Mind of Radical Islam’ in december 1995, dus lang voor de aanslagen van 11 september 2001. De conclusies van het artikel laten zich raden, maar de argumentatie is erg interessant. Pipes beweert en staaft dat met veel voorbeelden dat de ‘radicale’ islam in wezen een modernisering is van de traditionele islam. Pipes: ‘Islamists are individuals educated in modern ways who seek solutions to modern problems. The Prophet may inspire them, but they approach him through the filter of the late twentieth century. In the process, they unintentionally substitute Western ways for those of traditional islam.’ ‘Islamists’ zijn de hedendaagse ‘fundamentalistische’ moslims volgens Pipes. ‘The islamists’ goal turns out to be not a genuinely islamic order but an islamic-flavored version of Western reality. This is particularly apparent in four areas: religion, daily life, politics, and the law. It’s certainly not their intent, but militant Muslims have introduced some distinctly Christian notions into their islam. Traditional islam was characterized by informal organizations. (…) islam-ists, ignorant of this legacy, have set up church-like structures.’ Pipes laat in zijn verhaal diverse religieuze leiders en theoretici aan het woord, onder wie Hasan Al Turabi. Al Turabi wordt in het Appendix van het 9/11-commissierapport een hardliner genoemd die poogt in geheel Soedan de sharia in te voeren. ‘Traditional Muslim men took pride in their women staying home; in well-to-do house-holds, they almost never left its confines. Hasan Al Turabi has something quite different in mind: “Today in Sudan, women are in the army, in the police, in the ministries, everywhere, on the same footing as men. I am for equality between the sexes”, Turabi explains. “A woman who is not veiled is not the equal of men. She is not looked on as one would look on a man. She is looked at to see if she is beautiful, if she is desirable. When she is veiled, she is considered a human being, not an object of pleasure, not an erotic image.”’ Tevens gaat Daniel Pipes in op de situatie in het land dat wordt gezien als een islamitisch bolwerk bij uitstek, gesloten en ondemocratisch. ‘For centuries, a woman’s veil served primarily to help her retain her virtue; today, it serves the feminist goal of facilitating a career. The establishment of an islamic order in Iran has, ironically perhaps, opened many opportunities outside the house for pious women. They work in the labor force and famously serve in the military. A parliamentary leader boasts, not without reason, about Iran having the best feminist record in the Middle East, and points to the numbers of women in higher education.’ Hier gaan wij niet voorbij aan de mensenrechtenschendingen in Soedan en Iran, maar de redeneringen en de praktijk die spreekt uit de bovenstaande voorbeelden en vele andere die Pipes noemt, geven wel degelijk een andere kijk op de zogenaamde ‘radicale’ islam. Het plaatst de islam namelijk in een ander perspectief, een ideologisch perspectief. Daarom schreef ayatollah Khomeiny in januari 1989 een brief aan Gorbatsjov waarin hij de universaliteit van de islam uit de doeken deed. Daniel Pipes refereert aan de brief in zijn artikel: ‘As interpreted by a leading Iranian official, this letter “intended to put an end to (…) views that we are only speaking about the world of islam. We are speaking for the world.” It may even be the case-Khomeiny only hints at this-that islam for him had become so disembodied from faith that he foresaw a non-Muslim like Gorbachev adopting islamic ways without becoming a Muslim.’ De neoconservatief Pipes sluit zijn verhaal af met een bijna progressieve interpretatie van de ‘radicale’ islam. ‘The islamist leaders are not peasants living in the unchanging countryside but modern, thoroughly urbanized individuals, many of them university graduates. Notwithstanding all their talk about recreat-ing the society of the Prophet Muhammad, islamists are modern individuals at the forefront of coping with modern life.’

     

    RELIGIES ZIJN NET ALS IDEOLOGIEËN

    De islam als ideologie. Frank Buijs refereerde daar al aan als hij verduidelijkt dat het individualiseringsproces dat die jongeren doormaken naadloos aansluit bij het individuele karakter van de islam. De ‘radicale’ islam vormt een soort handleiding voor het dagelijks leven. Dat komt al snel dogmatisch en fundamentalistisch over. Martijn de Koning laat in een open brief aan Ewald Vervaet zien dat die allesomvattende druk niet vanuit de koran komt, maar eerder vanuit de moslimgemeenschap, en dat die druk weer samenhangt met het grotere geheel van de Nederlandse samenleving. ‘…Het lijkt daardoor alsof duidelijk is dat die islam in het alledaagse leven is en of moslims hun leven laten bepalen door wat er in die koran staat. Je stelt dat die druk die er vanuit de orthodoxe islam uitgaat er is, dat die moeilijk te ontkennen valt. Dat klopt, maar hoe groot die druk is wordt niet door de geleerden bepaald (die zijn te ver weg) en ook niet door de inhoud van de koran (die veel gelovigen niet eens kunnen lezen; wat overigens zowel voorals nadelen heeft), maar door de onderlinge sociale controle en de druk die door niet-moslims wordt opgelegd.’

    De Konings betoog is in wezen heel simpel. Met de islam is niet veel mis, hoewel je daar natuurlijk altijd kanttekeningen bij kunt plaatsen, maar de wijze waarop wij met de islam omgaan wordt bepaald in de interactie tussen moslims en nietmoslims. ‘Dat wil niet zeggen dat ik je bezorgdheid op enkele punten zoals de man-vrouw verhouding, niet deel maar dat het geen zin heeft om de islamitische theologie sec als basis voor al die problemen op te voeren. “De islam” doet namelijk niks. Het zijn de moslims en niet-moslims die bepalen welk gezicht de islam krijgt. Identiteit en cultuur zijn altijd het product van interacties (en kunnen natuurlijk wel die interacties beïnvloeden: men kan het handelen legitimeren op basis van de islam) en interpretaties. Welke interacties en interpretaties de boventoon voeren wordt grotendeels bepaald door machtsstructuren die zijn neerslag vinden in de economische, politieke, sociale en juridische context.’

    Uit de bronnen, geschriften, redevoeringen en discussies kan je zowel een legitimering van geweld als een legitimering van vrede halen, afhankelijk wat je eigen agenda en wensen zijn. De geschiedenis laat dat keer op keer zien niet alleen met betrekking tot religies, maar ook tot ideologieën. ‘Maar roept de islam dan niet op tot haat en geweld? Zeker wel. Allah is een opperwezen met een tweeslachtig karakter, net als God en Jahweh. Zij alle belichamen liefde, maar evenzeer toorn en wraakzucht jegens ongelovigen. (…) Die tweeslachtigheid zit overigens niet alleen in religies, maar evenzeer in de grote ideologieën. De Verlichting is tegelijkertijd een vehikel van de vooruitgang én de basis van dictatoriale planmatigheid à la Stalin. Het liberalisme is zowel heraut van de vrijheid als legitimatie van uitbuiting en buitensluiting van de zwakkeren van de samenleving. Het christendom diende als vergoelijking van de apartheid, maar haar belangrijkste bestrijders waren christelijke geestelijken’, schrijft Frank Buijs in Socialisme & Democratie. Religie of ideologie, in wezen maakt het niets uit. De Mohammed B.’s en Jason W.’s in Nederland zullen als zij dat willen in de koran altijd wel een legitimatie vinden voor geweld. Een discussie over het al dan niet gewelddadig zijn van de islam is in wezen zinloos. Als de islam gewelddadig zou zijn, dan zijn de tienduizenden jongeren die zich de afgelopen jaren hebben bekeerd al aan het vechten, wat vooralsnog niet opvalt, en als het een vredelievende religie of ideologie is, dan zal iemand die een legitimering zoekt om een ander dood te schieten, neer te steken of ritueel te slachten daar wel een tekst bij vinden.

     

    OPENER DEBAT

    Door de ‘radicale’ islam als ideologie te zien en niet als religie wordt deze ook interessant voor niet-moslims, zoals Khomeiny ook al bedoelde in 1989. Ook al behoort Khomeiny niet tot de Bin Laden-stroming binnen de islam, hij creëert wel een opening voor niet-moslims om de islam niet alleen te zien als een religieuze sekte maar als een ideologische basis voor maatschappij vorming. Utopisch denken. Het is bijna niet voor te stellen door de wreedheid van de wijze waarop aanslagen in Madrid, Bagdad, Londen, Kabul, Amsterdam en elders worden gepleegd. Het is ook geen garantie voor het voorkomen van aanslagen, maar inzicht kan leiden tot visionair handelen dat mensen bindt en in dialoog brengt. Het schept ook hoop en openheid om te zoeken naar wat willen we met deze wereld en passeert het fatalisme dat de diehards uitstralen met hun woorden ‘zij willen haat zaaien, wij niet’ en ‘we weten dat er een aanslag op komst is, maar alleen nog niet wanneer.’

    Een ideologie lijkt neutraler, minder beladen. In de jaren tachtig vochten de guerrillabewegingen in Midden-Amerika, Zuid-Amerika, Afrika en Azië onder de vlag van het socialisme, communisme, maoïsme en het stalinisme tegen dictaturen die veelal gesteund werden door de Verenigde Staten. Al waren de wreedheden die door de dictators werden begaan vele malen erger, ook de guerrilla hield geen schone handen. Welke oorlog dan ook, burgers zijn de eerste slachtoffers. In Oezbekistan, Afghanistan, Irak en andere landen waar nu de war on terror wordt uitgevochten zijn burgers ook het slachtoffer. Hoe hard de geallieerden ook pogen te roepen dat het niet zo is, mensenrechtenorganisaties rapporteren de laatste jaren veelvuldig over mensenrechtenschendingen in naam van de war on terror. Hoe graag mensen als Blair en Bush de wereld willen indelen in Goed en Kwaad, de werkelijkheid is weerbarstiger. Geen gesloten front van de geallieerden in Irak, maar ook al rond de strijd om Afghanistan was er geen complete eensgezindheid.

    Net zomin als de geallieerden een gesloten front vormen, is dit bij de ‘radicale’ islam het geval. In augustus 2002 schreef Paul Eedle een artikel in Jane’s Intelligence Review met de titel ‘Al Qaida takes fight for “hearts and minds” to the web’. In het artikel citeert Muntasser al-Zayyat, een bekende Egyptische activist: ‘We know that our brothers who carried out this action [11 September] were, in their view, supporting the Palestinian cause. But we are also interested in communicating well with others. By ‘others’ I mean those whom we want to side with us in this struggle.” Al-Zayyat went further. He said resistance to the USA was a religious duty, but added: “I do not go so far down this path as to target civilians indiscriminately in the way that happened.”’ Eedle noemt een tweede moment van discussie binnen de zogenaamde radicale beweging. In maart 2002 schreven 150 Saoedi-Arabische prominenten een open brief in reactie op de steun die 60 Amerikaanse intellectuelen aan president Bush betuigden. ‘In March, Saudi scholar Sheikh Salman al-Oadah published a response, signed by 150 Saudi academics and professionals, called “How we can co-exist”. While it was clear in its condemnation of US policies, the letter caused a storm in Muslim circles by offering a dialogue with the West and conceding that the West and islam did, indeed, share certain universal values. Sheikh Salman al-Oadah was one of the two main religious leaders of the opposition movement in Saudi Arabia in the early 1990s, the other being signatory Safar al-Hawali.’ Eedle gaat vooral in op de wijze waarop Al Qaida internet gebruikt om haar standpunt aan anderen over te brengen of op te leggen. Jammer, want door in te zoomen op het probleem-Al Qaida en haar macht gaat iets verloren. Ideologische strijd ook binnen de radicale islam.

     

    GEEN COMMUNICATIE

    Door de radicale islam als ideologie te zien en niet als fanatieke leer, fundamentalistisch en terroristisch denken wordt er ook een ruimte gecreëerd om er anders tegen aan te kijken. Deze zienswijze wil helemaal niet ophemelen of goedpraten wat er gebeurt, maar neemt jongeren serieus die zich aangetrokken voelen tot die radicale islam. Net als in de jaren tachtig de strijd in Latijns-Amerika van diverse guerrillabewegingen hopeloos leek ten opzichte van de grootmacht Amerika en daardoor een grote aantrekkingskracht had op mensen in de kraakbeweging, zo

    heeft Al Qaida met haar radicale islam grote aantrekkingskracht op jonge moslims. Dat is niet verwonderlijk. Al Qaida heeft haar sporen verdiend in de strijd tegen de Sovjet-Unie. Toen stond het Westen juichend aan de zijlijn om de jihad strijders de dood in te sturen voor het goede doel, het tegengaan van de sovjetheerschappij. Al heeft de beweging vervolgens meer burgerslachtoffers in het Midden-Oosten of liever buiten het Westen gemaakt dan onder Amerikanen, het heeft wel de ideologische strijd continu aangewakkerd en levendig gehouden. Paul Eedle schreef in juli 2002 al ‘How does Al Qaida stay organised when its members are in hiding and scattered across the world?’ Hij gaf zelf ook maar meteen het antwoord: ‘Easy – it runs a website.’ En dat dit sinds 2002 niet veel is veranderd laat de Middle East Media Research Institute in 2004 zien met een uitgebreid rapport over ‘radicaal’ islamitische websites. Opvallend is dat het merendeel van deze websites worden gehost in de Verenigde Staten. In wezen is internet het enige communicatiemiddel dat de ‘radicale’ islam ter beschikking staat. Een van de weinige netwerken die ook nog regelmatig verklaringen uitzendt is Al Jazeera, maar daarvan wordt in Nederland al gezegd dat het bijna haatzaaiende propaganda is.

    De site waar Eedle het in zijn artikel in The Guardian over heeft, ‘is entirely in Arabic, which means that tens of millions of people who hate American policies on the Middle East can read it, but almost nobody in either the governments or the media of the west can understand a word’. Voor een deel is dit op te vatten als strategie, maar journalisten van Le Monde wijzen op een ander aspect. Door de definiëring van het verzet als radicaal, terroristisch en fanatiek, hoeven we niet meer te luisteren naar de boodschap. De aanhangers van de ‘radicale islam nemen niet eens meer de moeite om de boodschap over te brengen en laten alleen de angstaanjagende onthoofdingen en bomaanslagen zien. In de praktijk blijkt dat Iraaks conflict in toenemende mate wordt gedomineerd door het Amerikaans en Irakees “discours”. Het gewapend verzet daarentegen is bijna onhoorbaar, met uitzondering van het geluid van explosies en kidnappings. Haar boodschap wordt op verschillende manieren gedwarsboomd. Om te beginnen door de productiemodus zelf; mond-tot-mondberichten, ouderwetse pamfletten, verklaringen en video’s op wisselende internet sites, dit alles bijna uitsluitend in Arabisch. Hierdoor is het ook voor buitenlandse waarnemers moeilijk om de boodschap te ontvangen. Daarbij is er sprake van min of meer bewuste censuur; de video’s worden ontdaan van onderbouwing, slechts enkele “cruciale beelden” worden behouden. Tot slot het voornaamste element; de boodschap wordt bij voorbaat gediskrediteerd aangezien het komt van een “fanatieke” en “bloeddorstige” vijand. De communicatie is slechts de rationalisatie van ongeleid geweld en niet de moeite van het luisteren of analyseren waard. Aangezien de vijand van geweld gebruikt maakt wordt aandacht voor de boodschap als een knieval gezien.’ Daar waar in de jaren tachtig er vanuit verschillende politieke stromingen solidariteitsgroepen waren met de guerrilla waar dan ook in de wereld, zijn die nu in Nederland en het Westen niet te vinden. De enige die bereid zijn zich voor het verzet in Tsjetsjenië, en Irak in te zetten zijn radicale imams die hard worden aangepakt.

    Uitspraken van Zalm, Van Aartsen, Wilders, Ellian en anderen worden niet gezien als haatzaaiend, en als daar enige verwijzing naar komt, dan wordt ons grootste goed – de vrijheid van meningsuiting – aangepakt. Enig geluid van het verzet in Tsjetsjenië en Irak is in geen velden of wegen te horen. Niemand durft daar hardop over te praten uit angst om als haatzaaiende imam of anderszins te worden neergezet. Tijdens het proces van Mohammed B. werd gehoopt dat hij zijn daad politiek zou toelichten. Door zijn stilzwijgen en zijn devotie aan de koran wordt hij door velen gezien als een stakker. Zou het echter uitmaken of hij iets zou zeggen dat politiek ingevuld zou kunnen worden? Zou het uitmaken als hij een maatschappij analyse zou geven, over het gemeenschapsdenken binnen de islam zou beginnen? Zou het uitmaken als hij in plaats van ‘Ik wil Allah bedanken. Ik vraag Allah om hulp bij de woorden die ik ga spreken. Ik getuig dat er geen God is dan Allah’, een pleidooi zou houden voor solidariteit met de armen in het Midden-Oosten? Nee, Mohammed B. was al afgeserveerd als fanatiek fundamentalistische moslimterrorist. Misschien is hij dat wel, maar de beweging waartoe hij behoort stelt aan de westerse samenleving een vraag, houdt het een spiegel voor.

    Dezelfde spiegel die ook jihadstrijders in Bosnië en Kosovo ons de afgelopen tien aar hebben voorgehouden. Moslims werden en worden in Bosnië en Albanië gezien als de laagste klasse, waar iedereen op neerkeek. Dat moedjahedien-strijders uit Afghanistan van de verguisde Al Qaida hun mouwen daar kwamen opstropen om tegen de Serven te vechten, zegt misschien meer over hun beschaving dan over onze beschaving. Zeker als we het betoog van Guido Snel, docent Slavisch talen en culturen, werkte als tolk-vertaler voor Dutchbat, in Vrij Nederland van 29 juni 2005 moeten geloven is de vraag of ‘onze jongens’ zich wel hebben ingezet voor de moslims ter plaatse of dat het hen in wezen niets kon schelen. De moedjahedien strijders waren in wezen verzetsstrijders die het opnamen voor de meest verdrukten. NRC Handelsblad schrijft over deze strijders in augustus 2001: ‘In hoge mate dankzij de steun van de moedjahedien en militaire steun van islamitische landen hielden de Bosnische moslims in 1992 stand, zo constateert de Amerikaanse bemiddelaar Richard Holbrooke in zijn boek To End A War. De CIA was al die tijd op de hoogte van de activiteiten van de moedjahedien. De Amerikanen hadden geen bezwaar tegen hun aanwezigheid omdat ze de “geïsoleerde Bosniërs” hielpen te overleven. Maar in het Dayton-akkoord, dat eind 1995 een einde maakte aan de oorlog, werd bepaald dat de heilige strijders binnen dertig dagen na de aankomst van SFOR het land moesten hebben verlaten. Holbrooke was bang dat de moedjahedien de wapens zouden opnemen tegen Amerikaanse soldaten. Mochten ze het land niet verlaten, zo dreigde Holbrooke, dan kreeg Bosnië geen steun. Alija Izetbegovic, leider van de Bosnische moslims, koos voor het geld, al duurde het nog jaren voor de (meeste) buitenlanders vertrokken.’ Uiteindelijk mochten de strijders ons vuile werk wel opknappen, maar moesten ze oprotten was de teneur. Cynisch genoeg zijn dit de strijders die zich nu tegen ‘ons’ keren en een inspiratiebron voor moslimjongeren in het Westen.

     

    TERRORISME VERSUS ARMOEDE

    De arrogantie en het superioriteitsdenken dat wij de ‘radicale’ islam met haar totale waarheid verwijten geldt evenzeer voor ons of misschien nog veel meer. Het is een uiting van het gebrek aan historische notie en aan de plaats die het Westen in de internationale arena nog steeds inneemt. R. Coolsaet, directeur van het departement Veiligheid & Global Governance op het Koninklijk Instituut voor Internationale Betrekkingen in Brussel en hoogleraar internationale politiek aan de Universiteit Gent, doet regelmatig gewaagde uitspraken. Zo publiceerde hij een overzicht van het aantal doden door terroristische aanslagen op basis van cijfers van het Amerikaanse State Department en de Rand Corporation (zonder Irak) waarbij hij de conclusie trok dat het aantal aanslagen op een historisch dieptepunt verkeerde. Probleem is dat enkele tientallen doden nu in Londen niet te vergelijken zijn met enkele honderden tien, twintig jaar geleden. Dat zou een cijfermatige analyse tot gevolg hebben die vergelijkbaar is met de hardliners die roepen dat we een aanslag niet kunnen voorkomen, maar dat we deze wel kunnen beperken. Coolsaet blijft echter niet steken in een cijfermatige analyse, zoals zijn bijdrage aan de Justitiële Verkenningen-special ‘radicalisering en jihad’ laat zien. ‘Op de lokale wortels van het islamistische terrorisme buiten Europa heeft de internationale gemeenschap dikwijls slechts indirecte invloed. Dat geldt met name voor de Maghreb en het Midden-Oosten. In tegenstelling tot het gevoel dat in het Westen leeft, hebben islamistische terreurgroepen vooral in deze regio grote aantallen slachtoffers gemaakt, lang voor 11 september.

    Vele Arabische samenlevingen verkeren sinds twintig jaar in crisis: groeiende werkloosheid, emigratie van de hoger opgeleiden, dictatoriale regimes, geweld in allerlei vormen, repressie en verpaupering. De bevolking verwacht niets meer van haar leiders en eist oplossingen zonder echter precies te weten welke. Sommigen van hen vinden steun en zingeving bij een conservatieve islam en anderen gaan op zoek naar een jihad’, schrijft Coolsaet alvorens hij overgaat op een bespreking van het Arab Human Development Report 2002. ‘De hoofdauteur van het rapport, de Egyptische academicus Nader Fergany, is van oordeel dat de Arabische en moslimregimes een zware verantwoordelijkheid dragen voor de huidige malaise – maar dat geldt ook voor het Westen dat niet geaarzeld heeft onder het mom van vrijheid en democratie regimes te steunen die dezelfde begrippen met voeten treden. De auteurs van het rapport smeken als het ware om westerse steun. Niet in de vorm van een interventie om de democratie bij hen te komen vestigen, maar veeleer een politieke inspanning om een meer inclusieve wereld in het vooruitzicht te stellen.’ Een inclusieve wereld. Mooier had Coolsaet het niet kunnen benoemen, helemaal omdat hij de schrijvers van het rapport High level panel on threats, challenges and change aan het woord laat. Hun analyse gaat in op een nadere omschrijving van die inclusieve wereld. Geen eurocentrische, arrogante wereld, maar een open blik. ‘Maar zij [de schrijvers van het rapport] vrezen ook de voortzetting van de huidige toestand waarin de westerse bronnen van onveiligheid – terrorisme en proliferatie – de meeste aandacht en energie opslorpen. Indien niet evenveel aandacht gaat naar de strijd tegen armoede, leefmilieu, aids, georganiseerde misdaad en burgeroorlogen – die voor het grootste deel van de mensheid een veel directere bedreiging vormen dan het terrorisme – dan riskeert men dat de VN en daarmee heel het multilaterale bouwwerk enkel zal worden gezien als een instrument “of the rich and powerful”.’

    Wij laten ons bang maken door een stel Mohammed B.’s die in hun achtertuin of slaapkamer een stel bommen produceren terwijl in de rest van de wereld oorlogen, ziektes en honger het dagelijks bestaan bepalen. Dit moet niet gelezen worden als een ontkenning van de angst, maar als een eye-opener. Get real, lijken ook de opstellers van het rapport te zeggen, kom uit jullie ivoren toren.

     

    JIHAD VERSUS MCWORLD

    Ivoren toren? Misschien eerder marmeren kantoren. Benjamin Barber plaatst die tegenstelling tussen het superioriteitsdenken van het Westen en van de zogenaamde jihadstrijders in een ander perspectief. In de nieuwe inleiding van het boek Jihad versus McWorld schrijft Barber: ‘De botsing tussen de krachten van een veelvormige stammencultuur en een reactionair fundamentalisme, die ik jihad heb genoemd, en de krachten van de uniforme modernisering en agressieve economische en culturele globalisering, die ik McWorld heb genoemd, wordt meedogenloos aangescherpt door de dialectische onderlinge afhankelijkheid van deze twee schijnbaar aan elkaar tegengestelde stromingen.’ Het mooie aan het verhaal van Barber is dat hij het woord ‘jihad’ gebruikt in een brede context. Toen hij het boek in 1995 schreef zal hij niet hebben kunnen weten dat de term zes jaar later een bijna apocalyptische lading zou hebben. In deel twee van het boek wandelt hij door de wereld van de jihad en begint niet bij de islam, maar in Europa. Daarna passeren voorbeelden uit de hele wereld de revue, waarbij vooral nationalisme centraal komt te staan. Dat uiteindelijk de islam ter sprake komt is niet meer dan logisch in de lijn van het betoog. Als Barber het boek nu zou schrijven, zou een omgekeerde volgorde meer voor de hand liggen. Van islamitische jihad naar Lonsdale-jongeren en het rechts-nationalisme van mensen als Geert Wilders en Jozias van Aartsen.

    Jihad als ontaarding, ontworteling en het besef geen grip meer te hebben op je eigen situatie. Jihad als het Nee tegen de Europese grondwet. Hoe futiel de grondwet in zijn betekenis ook is, want zonder draait de Europese Unie gewoon door, het Nee is vooral een Nee tegen het onzichtbare. Geen eigenheid meer. Je zou de grondwet als ultiem positief gebaar kunnen zien naar een gelijkwaardige wereld, maar dat gebaar, die illusie is niet meer dan een liberaal traktaat, een pleidooi voor een ongebreidelde McWorld. Dat ontlokte een ware jihad in Frankrijk en Nederland. Het onbeteugelde kapitalisme, door Barber ‘McWorld’ genoemd, is eigenlijk het grootkapitaal, dat volledig geglobaliseerd buiten elke redelijke democratische controle, zich monetair te goed kan doen.

    De verbazing was bij de gevestigde politiek groot over het verlies van het referendum over de Europese grondwet. In wezen toonde het aan dat de boekhouders in Den Haag elke feeling met de samenleving vreemd is. In de hedendaagse politiek lijkt er nog slechts één woord centraal te staan: beheersing. Slavo Z˘ iz˘ek schrijft in Pleidooi voor intolerantie: ‘In post-politiek wordt het conflict tussen wereldomvattende ideologische visies, belichaamd door de verschillende partijen die een concurrentiestrijd om de macht voeren, vervangen door de samenwerking van verlichte technocraten (economen, opiniepeilers) en liberale multiculturalisten; langs de weg van de onderhandeling en belangenbehartiging wordt een compromis bereikt dat wordt gepresenteerd als een min of meer universele consensus. Zo benadrukt de post-politiek de noodzaak om oude ideologische tegenstellingen te verlaten en nieuwe kwesties aan te pakken, met gebruikmaking van de noodzakelijke specialistische kennis en vrij overleg, en daarbij rekening te houden met de concrete wensen en verlangens van de mensen.’ Z˘ iz˘eks betoog geeft niet alleen de onmacht aan waarmee de huidige politiek worstelt in haar poging grip te krijgen op het transnationale bedrijfsleven, maar is ook een uitleg van de uniformisering van het hedendaagse debat met betrekking tot terrorisme. Van links tot rechts marcheert men achter de strafrechtelijke methode aan. ‘Op eenzelfde manier benadrukken de voorstanders van New Labour met graagte dat je zonder vooringenomenheid goede ideeën moet gebruiken en toepassen, ongeacht hun (ideologische) oorsprong. Wat zijn goede ideeën dan wel? Ideeën die “werken”, natuurlijk. (…) De politieke daad (interventie) is niet gewoon iets dat goed functioneert binnen het kader van de bestaande relaties, maar iets dat het kader van de manier waarop de dingen werken zelf verandert. Zeggen dat effectieve ideeën hetzelfde zijn als goede ideeën, betekent een acceptatie op voorhand van de constellatie die bepaalt wat werkt.’ Het ontbreekt de politiek aan lef en visie om uit het discours van de War on Terror te stappen. Daarmee wordt de samenleving verder dichtgetimmerd. Als Abdul Jabbar van der Ven in een televisie interview zegt dat hij het niet erg zou vinden als Geert Wilders binnen twee jaar dood zou zijn, zijn de fractieleiders van links tot rechts er als de kippen bij om de minister van Justitie een brief te sturen over de mogelijkheid om van der Ven strafrechtelijk te vervolgen. Maar een felicitatie van minister van Financiën Zalm van een standrechtelijke executie van een verdachte in Pakistan, een land met een niet al te grote staat van dienst op het terrein van mensenrechten, is geen woord in de Kamer waard. Eigenlijk zou de conclusie simpel zijn, vind je het gek dat die moslimjongeren zich allemaal verbinden aan de islamitische strijd, het is toch per definitie oorlog. De boekhouders hebben de macht in de politiek, op het terrein van sociale zekerheid, maar ook op het terrein van het strafrecht.

     

    WELCOME TO THE DESERT OF THE REAL

    Zalms felicitatie aan generaal Musharraf ligt in de lijn van een opmerking van de Amerikaanse minister van Defensie Rumsfeld die door Z˘ iz˘ek wordt aangehaald om aan te geven dat wij terroristen niet meer als deelnemers van deze samenleving zien. ‘Asked by journalsits about the goals of the American bombardment of Afghanistan, Donald Rumsfeld once simply answered: “Well, to kill as many Taliban soldiers and Al Qaida members as possible.” This statement is not as selfevident as it may appear: the normal goal of a military operation is to win the war, to compel the enemy to capitulate, and even the mass destruction is ultimately a means to this end… The problem with Rumsfeld’s blunt statement, as with other similar phenomena like the uncertain status of the Afghan prisoners at Guantanamo Bay, is that they seem to point directly to Agamben’s distinction between full citizen and Homo Sacer who, although he or she is alive as a human being, is not part of the political community.’ De terrorist is daarbij ontdaan van elke mogelijkheid tot communicatie en elke daad die hij of zij pleegt is een bevestiging van die definitie. ‘This paradox is inscribed into the very notion of the “war on terrorism” – a strange war in which the enemy is criminalized if he simply defends himself and returns fire.’

    Z˘ iz˘ek onderzoekt in zijn essay Welcome to the Desert of the Real de grenzen van wat betamelijk is om over aanslagen te zeggen. Zichzelf verdedigen kan nog wel over een strijder in Irak worden gezegd, maar ook over Mohammed B.? Het interessante aan Z˘ iz˘ek is dat hij poogt door een eindeloze associatie op 11 september 2001 te doorgronden of er nog licht aan het eind van de metrobuis is.

    Als antwoord op de bovenstaande vraag over Mohammed B. is een van de antwoorden: ‘…we should be careful not to attribute to the Other the naive belief we are unable to sustain, transforming him or her into a “subject supposed to believe”. Even a case of the greatest certainty – the notorious case of the “Muslim fundamentalist” on a suicide mission – is not as conclusive as it may appear: is it really so clear that these people, at least, must “really believe” that, after their death, they will wake up in heaven with seventy virgins at their disposal? What if, however, they are terribly unsure about their belief, and they use their suicidal act as a means of resolving this deadlock of doubt by asserting this belief; “I don’t know if I really believe – but, by killing myself for the Cause, I will proof in actual that I believe…”?’ Misschien draaft Z˘ iz˘ek door in zijn redenering, want hij stelt zelfs de vraag of de Palestijnse zelfmoordenaar meer van het leven houdt dan de Amerikaanse militair die aan een oorlog deelneemt achter zijn computerscherm. ‘What if we are “really alive” only if we commit ourselves with an excessive intensity which puts us beyond “mere life”? What if, when we focus on mere survival, even if it is qualified as “having a good time”, what we ultimately lose is life itself? What if the Palestinian suicide bomber on the point of blowing himor herself (and others) up is, in an emphatic sense, “more alive” that the American soldier engaged in a war in front of a computer screen against an enemy hundreds of miles away, or a New York yuppie jogging along the Hudson river in order to keep his body in shape?’

    Z˘ iz˘eks vragen refereren direct aan de titel van zijn boek Welcome to the Desert of the Real en aan de perverse werkelijkheid van de gameen televisie-/filmindustrie. In beide wordt de toeschouwer steeds meer virtuele of werkelijke deelnemer zonder de werkelijke gevaren van het leven. In spelen als Black Hawk Down en Desert Storm 1 en 2 kun je een oorlog of conflict naspelen alsof je een deelnemer bent. Het beeld wordt steeds echter en het is voor te stellen dat je het over enkele jaren bijna live kan meedoen. Schieten op Somaliërs en Irakezen in het spel. Steden en dorpen bombarderen alsof het een alledaagse bezigheid is. De televisie en film industrie borduren ook verder op dit leed en ellende element. De meest afschuwelijke drama’s spelen zich af, maar gelukkig is er altijd een happy ending. Het leven in het Westen is een game geworden, ontdaan van elke smet. Ook al neemt de kloof tussen rijk en arm in Nederland toe het lijkt niet zichtbaar. De daken thuislozen en vluchtelingen worden uit het dagelijks leven gegumd. Welcome to the Desert of the Real, geschreven als antwoord op 11 september 2001, wil eigenlijk zoveel zeggen als: dit is de werkelijke wereld waarin wij leven.

     

    EMERGENCY DEMOCRACY

    Z˘ iz˘ek noch Barber is fatalistisch. Hun haarscherpe analyse en kritiek op de westerse samenleving en de jihad strijders eindigt niet in een fatale conclusie zoals de Geert Wilders en de Uri Rosenthals doen met hun opmerking dat het wachten is op de volgende aanslag. Die houding is de enige die openstaat als de strafrechtelijk weg wordt gevolgd bij radicalisering. Soms zal de AIVD of de politie geluk hebben, soms helaas niet, dat is een fact of life geworden. Z˘ iz˘ek en Barber zijn niet van die navelstaarders die zich neerleggen bij de huidige politiek constellatie. Zij stellen de vraag wat het bijvoorbeeld betekent dat een minister op instigatie van de media zegt dat wij in oorlog zijn, terwijl het gewone leven niet onderbroken lijkt te zijn. ‘The very distinction between the state of war and the state of peace is thus blurred; we are entering a time in which a state of peace itself can at the same time be a state of emergency’, schrijft Z˘ iz˘ek. Dat zou verontrustend moeten zijn, maar de notie dat ‘wij’ het ooit bij het verkeerde eind kunnen hebben is niet daar. Onze democratie en vrijheid zijn nu eenmaal heilig. Maar zoals Z˘ iz˘ek terecht opwerpt: wanneer is er nog sprake van democratie? ‘A decade ago, in the state of Louisiana’s governor elections, when the only alternative to the exKKK David Duke was a corrupt Democrat, many cars displayed a sticker: “Vote for a crook – it’s important!” In May 2002 French presidential elections, Front National leader Jean-Marie le Pen got through to the final round against the incumbent Jacques Chirac, who is suspected of financial impropriety. Faced with this unenviable choice, demonstrators displayed a banner “Swindling is better than hating”.’ Is er nog sprake van een democratie als de keuze beperkt is tussen twee mensen die beide in wezen geen keuze zijn. Is er nog sprake van democratie als je miljoenen nodig hebt om campagne te voeren zoals in de Verenigde Staten? Na het referendum over de Europese grondwet stelde een Amerikaan dat als de overheid het bedrijfsleven had gevraagd om zich actiever met de campagne te bemoeien het referendum zeker in hun voordeel was beslist. Met geld zijn stemmen te winnen. Dat heeft niets meer met democratie te maken.

    Democratie en vrijheid zijn holle begrippen die vorm gegeven moeten worden keer op keer. Geen statische fenomenen die eenmaal bereikt voor altijd geldig zijn. De absolute staat van vrede die ook een staat van oorlog kan zijn: de emergency democracy. ‘The unexpected precursor of this paralegal “biopolitics” in which administrative measures are gradually replacing the rule of Law, was the Rightist authoritarian regime of Alfredo Stroessner in Paraguay in the 1960s and 1970s, which brought the logic of the state of exception to its unsurpassed absurd extreme. Under Stroessner, Paraguay was a “normal” parliamentary democracy with all freedoms guaranteed; however, since, as Stroessner claimed, we all live in a state of emergency because of the worldwide struggle between freedom and Communism, the full implementation of the Constitution was forever postponed, and a permanent state of emergency was proclaimed. This state of emergency was suspended only for one day every four years, election day, so that free elections could be held…’, schrijft Z˘ iz˘ek.

    De democratie en de rechtsstaat zijn verantwoordelijk voor hun eigen behoud, maar kunnen deze ook ondermijnen. Niet de zogenaamde terroristen zijn daarvoor verantwoordelijk, maar de rechtsstaat zelf. Achter ‘rifo79’, de vermeende nickname van Mohammed B., gaat een andere jongeman schuil. Toch is hij niet ‘gewoon’ behandeld door de rechtsstaat. Zijn spullen zijn in beslag genomen, slechts een proces verbaal is daarvan het bewijs. Geen aanklacht, niets. Een strafrechtelijke benadering van radicalisering zal uiteindelijk een totale staat van beleg opleveren die niet meer alleen de rifo79’s raakt, maar eenieder.

    Het ‘wij-zij-denken’ is misschien eenvoudig, maar simplificeert de zaak dusdanig dat de nuance, het inzicht, de achtergrond en de feiten worden gemaskeerd. Moet Mohammed B. worden bestraft, ja, maar is zijn radicalisering bij voorbaat fout, nee. De BBC-documentaire The Power of Nightmares laat duidelijk zien dat ons beeld van het terrorisme, slapende cellen, zelfontbranding en andere superlatieven uit het terreurdebat ook anders bekeken en benaderd kunnen worden. De kracht van de democratie en vrijheid moet niet gezocht worden in het criminaliseren van radicalisering maar in het aangaan van het debat, hoe moeilijk dat ook zal zijn. De jaren tachtig waren in vergelijking met nu lieftallige jaren. De samenleving is verhard en verzakelijkt en dat vertaalt zich in zowel in het debat, de ‘radicalisering’ aan beide zijden van het spectrum als in de reactie daarop. Niet de strafrechtelijke weg biedt een uitweg uit deze vicieuze cirkel, maar een open samenleving. Natuurlijk moeten mensen die strafbare feiten hebben begaan of gaan doen strafrechtelijk vervolgd moeten worden, maar het strafrecht is een vangnet niet een zaligmakend instrument van een samenleving.

    self for the Cause, I will proof in actual that I believe…”?’ Misschien draaft Z˘ iz˘ek door in zijn redenering, want hij stelt zelfs de vraag of de Palestijnse zelfmoordenaar meer van het leven houdt dan de Amerikaanse militair die aan een oorlog deelneemt achter zijn computerscherm. ‘What if we are “really alive” only if we commit ourselves with an excessive intensity which puts us beyond “mere life”? What if, when we focus on mere survival, even if it is qualified as “having a good time”, what we ultimately lose is life itself? What if the Palestinian suicide bomber on the point of blowing himor herself (and others) up is, in an emphatic sense, “more alive” that the American soldier engaged in a war in front of a computer screen against an enemy hundreds of miles away, or a New York yuppie jogging along the Hudson river in order to keep his body in shape?’

    Z˘ iz˘eks vragen refereren direct aan de titel van zijn boek Welcome to the Desert of the Real en aan de perverse werkelijkheid van de gameen televisie-/filmindustrie. In beide wordt de toeschouwer steeds meer virtuele of werkelijke deelnemer zonder de werkelijke gevaren van het leven. In spelen als Black Hawk Down en Desert Storm 1 en 2 kun je een oorlog of conflict naspelen alsof je een deelnemer bent. Het beeld wordt steeds echter en het is voor te stellen dat je het over enkele jaren bijna live kan meedoen. Schieten op Somaliërs en Irakezen in het spel. Steden en dorpen bombarderen alsof het een alledaagse bezigheid is. De televisie en film industrie borduren ook verder op dit leed en ellende element. De meest afschuwelijke drama’s spelen zich af, maar gelukkig is er altijd een happy ending. Het leven in het Westen is een game geworden, ontdaan van elke smet. Ook al neemt de kloof tussen rijk en arm in Nederland toe het lijkt niet zichtbaar. De daken thuislozen en vluchtelingen worden uit het dagelijks leven gegumd. Welcome to the Desert of the Real, geschreven als antwoord op 11 september 2001, wil eigenlijk zoveel zeggen als: dit is de werkelijke wereld waarin wij leven.

     

    EMERGENCY DEMOCRACY

    Z˘ iz˘ek noch Barber is fatalistisch. Hun haarscherpe analyse en kritiek op de westerse samenleving en de jihad strijders eindigt niet in een fatale conclusie zoals de Geert Wilders en de Uri Rosenthals doen met hun opmerking dat het wachten is op de volgende aanslag. Die houding is de enige die openstaat als de strafrechtelijk weg wordt gevolgd bij radicalisering. Soms zal de AIVD of de politie geluk hebben, soms helaas niet, dat is een fact of life geworden. Z˘ iz˘ek en Barber zijn niet van die navelstaarders die zich neerleggen bij de huidige politiek constellatie. Zij stellen de vraag wat het bijvoorbeeld betekent dat een minister op instigatie van de media zegt dat wij in oorlog zijn, terwijl het gewone leven niet onderbroken lijkt te zijn. ‘The very distinction between the state of war and the state of peace is thus blurred; we are entering a time in which a state of peace itself can at the same time be a state of emergency’, schrijft Z˘ iz˘ek. Dat zou verontrustend moeten zijn, maar de notie dat ‘wij’ het ooit bij het verkeerde eind kunnen hebben is niet daar. Onze democratie en vrijheid zijn nu eenmaal heilig. Maar zoals Z˘ iz˘ek terecht opwerpt: wanneer is er nog sprake van democratie? ‘A decade ago, in the state of Louisiana’s governor elections, when the only alternative to the exKKK David Duke was a corrupt Democrat, many cars displayed a sticker: “Vote for a crook – it’s important!” In May 2002 French presidential elections, Front National leader Jean-Marie le Pen got through to the final round against the incumbent Jacques Chirac, who is suspected of financial impropriety. Faced with this unenviable choice, demonstrators displayed a banner “Swindling is better than hating”.’ Is er nog sprake van een democratie als de keuze beperkt is tussen twee mensen die beide in wezen geen keuze zijn. Is er nog sprake van democratie als je miljoenen nodig hebt om campagne te voeren zoals in de Verenigde Staten? Na het referendum over de Europese grondwet stelde een Amerikaan dat als de overheid het bedrijfsleven had gevraagd om zich actiever met de campagne te bemoeien het referendum zeker in hun voordeel was beslist. Met geld zijn stemmen te winnen. Dat heeft niets meer met democratie te maken.

    Democratie en vrijheid zijn holle begrippen die vorm gegeven moeten worden keer op keer. Geen statische fenomenen die eenmaal bereikt voor altijd geldig zijn. De absolute staat van vrede die ook een staat van oorlog kan zijn: de emergency democracy. ‘The unexpected precursor of this paralegal “biopolitics” in which administrative measures are gradually replacing the rule of Law, was the Rightist authoritarian regime of Alfredo Stroessner in Paraguay in the 1960s and 1970s, which brought the logic of the state of exception to its unsurpassed absurd extreme. Under Stroessner, Paraguay was a “normal” parliamentary democracy with all freedoms guaranteed; however, since, as Stroessner claimed, we all live in a state of emergency because of the worldwide struggle between freedom and Communism, the full implementation of the Constitution was forever postponed, and a permanent state of emergency was proclaimed. This state of emergency was suspended only for one day every four years, election day, so that free elections could be held…’, schrijft Z˘ iz˘ek.

    De democratie en de rechtsstaat zijn verantwoordelijk voor hun eigen behoud, maar kunnen deze ook ondermijnen. Niet de zogenaamde terroristen zijn daarvoor verantwoordelijk, maar de rechtsstaat zelf. Achter ‘rifo79’, de vermeende nickname van Mohammed B., gaat een andere jongeman schuil. Toch is hij niet ‘gewoon’ behandeld door de rechtsstaat. Zijn spullen zijn in beslag genomen, slechts een proces verbaal is daarvan het bewijs. Geen aanklacht, niets. Een strafrechtelijke benadering van radicalisering zal uiteindelijk een totale staat van beleg opleveren die niet meer alleen de rifo79’s raakt, maar eenieder.

    Het ‘wij-zij-denken’ is misschien eenvoudig, maar simplificeert de zaak dusdanig dat de nuance, het inzicht, de achtergrond en de feiten worden gemaskeerd. Moet Mohammed B. worden bestraft, ja, maar is zijn radicalisering bij voorbaat fout, nee. De BBC-documentaire The Power of Nightmares laat duidelijk zien dat ons beeld van het terrorisme, slapende cellen, zelfontbranding en andere superlatieven uit het terreurdebat ook anders bekeken en benaderd kunnen worden. De kracht van de democratie en vrijheid moet niet gezocht worden in het criminaliseren van radicalisering maar in het aangaan van het debat, hoe moeilijk dat ook zal zijn. De jaren tachtig waren in vergelijking met nu lieftallige jaren. De samenleving is verhard en verzakelijkt en dat vertaalt zich in zowel in het debat, de ‘radicalisering’ aan beide zijden van het spectrum als in de reactie daarop. Niet de strafrechtelijke weg biedt een uitweg uit deze vicieuze cirkel, maar een open samenleving. Natuurlijk moeten mensen die strafbare feiten hebben begaan of gaan doen strafrechtelijk vervolgd moeten worden, maar het strafrecht is een vangnet niet een zaligmakend instrument van een samenleving.