• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Kritiek

    Hoe verdedig je een rechtsstaat tegen de dreiging van het terrorisme? Wat is de dreiging van het terrorisme? Welke organisaties heb je erbij nodig? Wat is de kwaliteit van die organisaties? Welke wettelijke maatregelen zijn er nodig? Hoe ver mag de overheid gaan in haar optreden? Wat zijn de gevolgen op langere termijn? En wie dragen de lasten? Het zijn vragen die beantwoord moeten worden in een tijd waarin aan de ene kant veel geëist wordt van de weerbaarheid van de samenleving en aan de andere kant verworvenheden van de rechtsstaat op de tocht staan.

    Politici en bestuurders zitten in een moeilijk parket. Kennis over de aard van het terrorisme en hoe deze te bestrijden is ook vier jaar na 11 september nauwelijks aanwezig. Bovendien betrof de kennis die er was een heel ander soort terrorisme dan waar we nu mee geconfronteerd worden. Slechts de AIVD had als enige dienst binnen Nederland actuele kennis over het radicale islamitisch terrorisme.

    Daarnaast is het buitengewoon moeilijk de ‘werkelijke’ dreiging die uitgaat van het terrorisme in te schatten. Aan de ene kant bestaat de neiging deze te overdrijven, aan de andere kant worden er verkeerde inschattingen gemaakt.

    In de hoofdstukken van dit boek zijn we uitgebreid ingegaan op de risico’s die gekoppeld zijn aan de bestrijding van terrorisme. In de bijdragen over de AIVD, de nieuwe wetgeving, het vreemdelingenbeleid, de noodtoestand en de zwarte lijsten hebben we aangegeven welke risico’s er kleven aan de verschillende onderdelen. Hier willen we een meer algemene bijdrage leveren in de discussie over de verhouding tussen terrorismebestrijding en burgerrechten. Hoe ver mag een overheid gaan ter bescherming van haar onderdanen?

    DE DREIGING

    Hoe je het ook wendt of keert, de dreiging van het terrorisme is essentieel veranderd de afgelopen jaren. De analyses over hoe we de dreiging moeten bekijken verschillen echter immens. Waar de een, zoals bijvoorbeeld de Belgische professor Rik Coolsaet, wijst op statistieken die aantonen dat het aantal aanslagen in vergelijking met andere periodes helemaal niet zo groot is, wijst de ander, zoals Uri Rosenthal van het Instituut voor Veiligheidsen Crisismanagement BV, op de kwaadaardige vormen van het huidige terrorisme.

    De dreiging is constant in ontwikkeling, heeft verschillende verschijningsvormen, is voor verschillende plekken op de wereld heel divers en kent een groot onderscheid in mate van gevolgen voor de betrokken maatschappij. Bovendien kan de weergave van de dreiging door media en politiek van een andere orde zijn dan in werkelijkheid sprake is. De weerbaarheid van de samenleving is essentieel bij het kunnen opvangen van de gevolgen van een aanslag of een moord.

    Vaak wordt met het weergeven van de dreiging onnauwkeurig omgegaan. Het is natuurlijk not done om het over ‘oorlog’ te hebben, zoals minister Zalm deed na de moord op Theo van Gogh. De dreiging die uitgaat van het terrorisme benadert de situatie van een oorlog totaal niet. Alleen al door dat te erkennen ontstaat er een andere sfeer, een weerbare samenleving ligt niet snel op z’n gat, kijk naar Groot-Brittannië en Spanje na de aanslagen aldaar.

    Onnauwkeurig zijn veel media. Terrorisme scoort en is een hot item, terrorisme vraagt om drama. Krantenkoppen die suggereren dat er ‘honderden miljoenen euro’s in Nederland doorgesluisd worden naar terroristen’ blijken op los zand gebaseerd te zijn.

    Een overzicht van het aantal aanslagen van de laatste decennia in het NRC van 17 april 2004 laat sinds 2003 een gigantische stijging van het aantal aanslagen zien. Niet vermeld wordt dat een derde van de aanslagen plaatsvindt in Irak.

    En detaillering is noodzakelijk, terrorisme roept immers associaties van angst op en waarom zouden mensen banger gemaakt worden dan nodig is?

    Bij een discussie in de Tweede Kamer over het pakket maatregelen van december 2004 noemden meerdere Tweede-Kamerleden Beslan als angstwekkend voorbeeld van terrorisme, en dat in een debat over maatregelen in Nederland.

    Na 11 september was het logisch dat de aandacht uitging naar de dreiging van Al Qaida. Tot de aanval op Afghanistan was Al Qaida wel die strakke organisatie, maar mede door de val van Taliban, het vernietigen van de trainingskampen en het arresteren of doden van twee derde van de Al Qaidaleiding is er nu sprake van een gefragmenteerde organisatie. Het aanpakken van een sponsorstaat leek in deze zin behoorlijk effectief. Hoewel er weer genoeg berichten zijn over hergroepering.

    Rik Coolsaet noemt Al Qaida na de val van de Taliban helemaal hersendood. Volgens Coolsaet verhult de voortdurend gehanteerde formule na aanslagen ‘met Al Qaida verbonden’ dan ook meer dan ze verduidelijkt. ‘Hoewel sinds 11 september bij elke aanslag automatisch naar Al Qaida wordt verwezen, lijkt het er eerder op dat deze aanslagen tegenwoordig grotendeels, of zelfs uitsluitend, het werk zijn van lokale militante terreurgroepen. Tussen deze groepen bestaat er geen reële operationele coördinatie, maar enkel sporadische en vluchtige contacten.

    Van nauwe banden tussen terreurgroepen als de islamitische Jihad in het MiddenOosten, militante groeperingen in Kashmir en Zuid-Azië, Abu Sayyaf op de Filippijnen, de Tamil Tijgers op Sri Lanka, de Jemaah islamiyah in Zuidoost-Azië, Abu Hafs Al-Masri Brigade en ibda-c in Turkije, is nauwelijks sprake.’

    De AIVD constateerde in het jaarverslag van 2002 dat de radicaal islamitische terroristische organisaties steeds autonomer worden. ‘Door zich toe te leggen op een eigen gebied zijn goeddeels zelfvoorzienende eenheden in staat betrekkelijk los van het grotere geheel aanslagen te plannen en te plegen.’ (AIVD jaarverslag 2002, blz. 20)

    In 2004 constateert de dienst dat ‘de ontwikkelingen van het afgelopen jaar laten zien dat het gedachtegoed en de aanslagen van het internationale netwerk van Al Qaida een belangrijke inspiratiebron zijn gaan vormen voor regionale en lokale netwerken van radicale moslims.

    De rol van Al Qaida is er inmiddels een van inspirator, van aanjager van een tegenstelling tussen het Westen en de islam, van uitdager en wellicht nog steeds als financier. Autonome radicale islamitische terroristische organisaties lijken wel tot grote aanslagen in staat te zijn. De aanslagen van 11 maart 2004 in Madrid en die van 7 juli 2005 in Londen zijn hier een voorbeeld van.

    Geheel los van deze ontwikkeling stond de oorlog van de VS tegen Irak. Een deel van de rechtvaardiging kwam met de verwijzing van de VS naar het feit dat Saddam Hoessein optrad als sponsor van terrorisme. Colin Powell, oud-minister van Buitenlandse Zaken van de VS, noemt de speech waarin hij voor de Veiligheidsraad van de VN de oorlog tegen Saddam Hoessein rechtvaardigde inmiddels een schandvlek op zijn carrière.

    Volgens deskundigen heeft de oorlog in Irak ook niet tot minder, maar eerder tot meer terrorisme geleid. In een analyse over de inzet van militaire middelen bij de aanpak van Al Qaida schreef Marianne van Leeuwen, voormalig medewerkster van Clingendael, in de Internationale Spectator van november 2002 dat ‘het Al Qaida-netwerk hier in elk geval niet wakker van hoeft te liggen. Sterker nog, als de aanvallen een nieuwe vloedgolf van anti-amerikanisme in islamitische landen zouden oproepen en de mogelijk op de aanvallen volgende chaos ongekende kansen zou bieden tot het verwerven van niet-conventionele middelen, dan heeft juist dat net reden tot vreugde.’

    Ook Peter van Ham van het instituut Clingendael ziet na de oorlog van de VS in Irak het extremisme in het Midden-Oosten toenemen. De dreiging van het terrorisme zal daardoor alleen maar toenemen, betoogt Van Ham. Ten gevolge van de oorlog in Irak heeft de VS zijn agenda omgegooid. Zo worden Pakistan en India niet langer onder druk gezet om hun nucleaire-wapenprogramma te stoppen. Ook zijn de besprekingen met Rusland op een laag pitje gezet zodat de geplande vernietiging van de grote voorraden nucleair materiaal die nu nog her en der in Rusland zijn opgeslagen, verder wordt vertraagd.

    De AIVD constateerde in het jaarverslag over 2004 dat ‘de strijd in Irak in de hoofden van radicale moslimjongeren een belangrijke rol speelt’. Volgens de dienst kan de situatie in Irak op twee manieren een dreiging voor ons land vormen. Om te beginnen voedt het de haatgevoelens tegen het Westen. Alarmerender noemt de AIVD de mogelijkheid van Irak als een nieuw Afghanistan. ‘Naarmate het conflict langer duurt en er meer geradicaliseerde moslims op jihad naar Irak gaan, en zij na verloop van tijd terugkeren als getrainde en ervaren strijders, zoals dat in de jaren negentig het geval was met veteranen uit Afghanistan kunnen zij zich in Europa ontwikkelen tot actieve rekruteurs van nieuwe jihadisten.’

    Maar laten we wel wezen, dé dreiging bestaat niet. Er is groot onderscheid tussen bijvoorbeeld de dreiging in Nederland en Saoedie Arabië, waar toch met enige regelmaat aanvallen van aan Al Qaida gelieerde terroristen plaatsvinden. Bovendien, zo blijkt uit ons hoofdstuk over de AIVD, spelen inlichtingenen politiediensten soms een heel bijzondere rol bij de bestrijding van terrorisme. Het voorbeeld van de Algerijnse GIA, die halverwege de jaren negentig aanslagen pleegde in Parijs, onder regie van de Algerijnse inlichtingendienst, spreekt boekdelen. Maar ook de achtergrond van de aanslagen in Madrid roept vragen op over de rol van inlichtingenen politiediensten.

    Edwin Bakker van het instituut Clingendael beschrijft het gevoel dat we onder een flinke dreiging van terrorisme leven te maken heeft met de relatieve onbekendheid van het fenomeen in Nederland. In Duitsland, Frankrijk en Engeland, landen die veel meer te maken hebben gehad met terrorisme, lijkt de ontwrichtende werking van terroristische acties minder groot dan in Nederland. Ook het feit dat in november 2004 is gebleken dat Nederlandse politici, beleidsmakers en opiniemakers niet in staat waren het hoofd koel te houden, laat staan de impact van terrorisme en gewelddadig activisme te beperken draagt bij aan een algeheel gevoel van onbehagen, denkt Bakker. ‘Mogelijkheden op dit terrein zijn het ontwikkelen van een open, actieve en goed doordachte communicatiestrategie ten aanzien van burgers en van beleidsstructuren die een sterk en eenduidig leiderschap van politici en beleidsmakers mogelijk maken.’

    Eenzelfde advies geven Erwin Muller en Uri Rosenthal. In de Volkskrant van 12 februari 2005 schreven ze dat ‘in terrorismedebatten steeds weer wordt gezegd dat het allemaal wel meevalt en dat we ons niet moeten laten meeslepen: “Laten we toch vooral realistisch zijn.” Maar een realistisch beeld van de dreiging van het terrorisme komt er bij deze terrorisme-experts juist op neer dat het om een zeer reële dreiging gaat. En dat verplicht. De regering dient ervoor te zorgen dat de bevolking een goed beeld krijgt van die dreiging. Dan is duidelijk waarover we het hebben. Burgers worden niet bang als ze een adequate dreigingsanalyse van het terrorisme krijgen.’

    Het belang van het geven van zo’n analyse wordt nu ook door de regering ingezien. Minister Johan Remkes sprak op 17 juli 2005 erg open over de dreiging zoals die bekend is bij de AIVD in het programma Spraakmakende Zaken. Hij ging daar vooral in op netwerken zoals het Hofstadnetwerk en sprak over tien tot twintig vergelijkbare netwerken in Nederland. Enkele honderden personen zouden tot de categorie behoren die geweld kan gaan gebruiken.

    Wat weer bijzonder opvalt aan de feiten die bekend worden over de dreiging die uitgaat vanuit het Hofstadnetwerk is dat er vanuit het netwerk vooral gerichte acties tegen personen werden voorbereid. De moord op Theo van Gogh, de bedreigingen richting Ayaan Hirsi Ali, Job Cohen, Jozias van Aartsen en Ahmed Aboutaleb, werden gevolgd door bedreigingen richting Johan Remkes en Piet Hein Donner. Bijzonder omdat anders dan in andere landen de dreiging zich richt op personen.

    De dreigingsanalyses zouden wel verder moeten gaan dan een sensationeel tv-gesprek met een oud-politicus. Dreigingsanalyses moeten geen spektakel of onthulling zijn. Dreigingsanalyses moeten een beeld geven van ontwikkelingen op het gebied van terrorisme. Vanuit wetenschappelijke hoek zou hier bijvoorbeeld het initiatief in genomen kunnen worden. Achtergronden van terrorisme kunnen immers beschreven worden vanuit verschillende disciplines waardoor er een breder beeld ontstaat dan nu. Aandacht zou daarbij ook uit moeten gaan naar ontwikkelingen in het buitenland. Wat weten we nu eigenlijk werkelijk over dreigingen in Afrika, het nieuwe Afghanistan en zelf onze buur Duitsland?

    Met het wegnemen van angst, hysterie en sensatie door middel van serieuze en doorwrochte dreigingsanalyses ontstaat er politiek speelveld en waarschijnlijk ook meer ruimte om de diepte in te gaan, iets wat hard nodig is in Nederland.

    POLITIEK

    Dat brengt ons op de houding van politici in het terrorismedebat. Er is een groot gebrek aan kennis over de achtergronden, de oorzaken en de bestrijding van terrorisme. Achtergronden en oorzaken zijn wat een aantal politici betreft taboe en daarmee blokkeren ze elk debat wat ook maar die kant op dreigt te gaan. En waarom? Is zoeken naar oorzaken nu echt hetzelfde als het vergoelijken? Is het benoemen van processen (de manier waarop columnisten schrijven, de oorlog in Irak) hetzelfde als begrip kweken?

    Door niet te discussiëren, polemiseren, of zelfs te ageren ontneemt de politiek zichzelf de mogelijkheid om het proces van terrorisme te onderzoeken. En onderzoek is nodig om in te kunnen grijpen.

    Onderzoek op meerdere fronten, ook naar effectiviteit van bepaalde maatregelen, die blijft immers moeilijk in te schatten. Maar ook onderzoek naar de werkwijze en het functioneren van inlichtingendiensten en politie. Veel energie stopt de Tweede Kamer in wetgevende activiteiten terwijl de controlerende taak blijft liggen. Toen er na de processen in Rotterdam voldoende aanleiding was eens flink te kijken naar het functioneren van de politie en het Openbaar Ministerie werd er gegrepen naar nieuwe wetgeving.

    Waarom wordt in Duitsland controle wel uitgebreid en laat de Tweede Kamer de constatering dat de parlementaire controle op de inlichtingendiensten hier marginaal geregeld is liggen?

    Te vaak reageren politici vanuit eenmaal ingenomen posities. Er wordt weinig tijd genomen voor analyse en, ook in tijden van crisis, gereageerd vanuit het eigen opgebouwde beeld. Zelden of nooit wordt dit beeld bijgesteld, meestal benadrukt men in de media het eigen gelijk.

    Verwachtingen van politici sluiten ook niet altijd aan bij de praktijk. Soms worden er daardoor oplossingen bedacht die moeilijk of niet uitvoerbaar zijn.

    Bij een analyse hoort ook het zonder angst benaderen van radicalisering, het zonder strafrecht, repressie en allerlei stoere middelen benaderen van een groeiende groep jonge migranten die een plaats opeisen in het maatschappelijke debat. Degene die overgaan tot of willen overgaan tot vergrijpen moeten daar volgens de normale wegen van de rechtsstaat toe worden vervolgd. Anderen die misschien zware kritiek hebben op de Verenigde Staten, Israël of zelfs Nederland moeten niet achterna gezeten worden als vrij wild, maar met hen moet het debat aangegaan worden, hoe moeilijk dat soms ook is.

    HET NUT EN DE NOODZAAK

    Terrorismebestrijding is noodzakelijk, een noodzakelijk kwaad, en om te spreken in termen van Michael Ignatieff (Het minste kwaad. Politiek en moraal in het tijdperk van het terrorisme): welk kleiner kwaad mag een samenleving begaan als ze naar haar overtuiging wordt geconfronteerd met een groter kwaad?

    Veel strafrechtdeskundigen, advocaten en rechters zijn al aan het woord geweest in het hoofdstuk over de justitiemaatregelen. Veel van hun kritiek richt zich op het gebrek aan een duidelijke uitleg van de noodzaak van veel maatregelen. Of het nu gaat om de invoering van het Kaderbesluit Terrorisme, om de Wet Afgeschermde Getuigen, het wetsvoorstel dat de meldplicht mogelijk moet maken of het wetsvoorstel over het uitbreiden van de bevoegdheden van de politie, bijna nergens weet de regering duidelijk te maken waarom bestaande wetgeving niet voldoet en nieuwe dus noodzakelijk is.

    Ernstig is het feit dat falend optreden van politie en Openbaar Ministerie in de eerste twee terrorismezaken in Rotterdam leidt tot nieuwe wetgeving, terwijl die rechterlijke uitspraken eigenlijk roepen om een grote schoonmaak bij politie en justitie. Ook het rappe tempo van de wetgeving is overdreven. Belangrijke wijzingen (samenspanning en werven voor de gewapende strijd) werden halverwege het wetgevingsproces ingevoegd. De druk die er stond op het wetsvoorstel Afgeschermde Getuigen leidde achteraf zelfs bij meerdere fracties tot twijfel.

    Bijna nergens legt de regering verbanden tussen wetgeving. Zo kan het gebeuren dat nu zowel de AIVD als de politie op hetzelfde moment in dezelfde vijver zitten te vissen. En ook hier weer terecht de vraag: is die wet nodig? Het College Bescherming Persoonsgegevens stelt in haar advies van december 2004 dat ‘in de onderbouwing van de keuze voor de voorgestelde uitbreiding van bevoegdheden het conceptwetsvoorstel tekortschiet. Het geeft politie en justitie bevoegdheden die vergelijkbaar zijn aan die van de AIVD. Waarom dat nodig is en waaruit die noodzaak zou kunnen blijken wordt niet geëxpliciteerd. Bovendien wordt voorbijgegaan aan de omstandigheid dat zeer recent relevante uitbreiding van bevoegdheden van de politie heeft plaatsgevonden, zonder dat gebleken is of kan zijn dat deze tekortschieten.’

    Een ander voorstel waarvan de noodzaak en effectiviteit meer dan twijfelachtig is, is de zogenaamde meldingsplicht. De meldingsplicht c.q. het plaatsof persoonsverbod zou moeten gaan gelden voor mensen die niet strafrechtelijk te vervolgen te zijn, maar waarover informatie bekend is (op grond van contacten, activiteiten of andere aanwijzingen) dat ze betrokken zijn bij terrorisme.

    Als mogelijke aanwijzingen noemt de regering bijvoorbeeld ‘een patroon of samenstel van gedragingen en activiteiten, zoals bezoeken van een buitenlands trainingskamp voor terroristen en het zich op verdachte wijze ophouden op bepaalde locaties’.

    Wat er nu precies gebeurt met mensen die zich moeten melden is nog steeds onduidelijk. Zal een één of twee keer in de week verplicht bezoekje aan het politiebureau iemand weerhouden van geweld? Zoekt iemand met een persoonsverbod die echt een moord wil plegen, niet gewoon een ander slachtoffer?

    Veel van de maatregelen zijn ingegeven door een juridisch denkkader, zonder een echte visie op de maatschappelijke ontwikkeling. Van een eenmaal ingeslagen pad is het moeilijk terug te keren, maar die noodzaak is er wel. Nu lijkt elk wetsvoorstel een nieuwe op te roepen, omdat juristen bedacht hebben welk juridisch gat het ene voorstel achterlaat. Als een perpetuum mobile timmert het wetgevend apparaat zo steeds verder aan een huis waarin geen tochtgaatje meer zit.

    AIVD-INFORMATIE

    De informatie van de AIVD speelt in bijna alle maatregelen een belangrijke rol. Bij de strafrechtelijke vervolging van verdachten, bij maatregelen in het vreemdelingenbeleid, bij de meldplicht en natuurlijk in het algemene dreigingsbeeld.

    De AIVD is natuurlijk ook bij uitstek dé dienst die de expertise en bevoegdheden bezit om de basisinformatie te verzamelen. In het hoofdstuk over de AIVD hebben we al uitgebreid betoogd dat de AIVD en de politie informatie heel anders verzamelen en verwerken. Dreigingsanalyses maken is iets anders dan bewijs vergaren. Dit onderscheid dreigt uit het zicht te raken door de vermengen van taken. Bestuurders verwachten van de AIVD harde informatie op grond waarvan maatregelen genomen kunnen worden, maar zo hard is die informatie niet altijd.

    De toenemende stroom ambtsberichten tast bovendien de positie van de betrokkenen aan. In alle rechterlijke procedures is de toegang tot achterliggende informatie afgeschermd, soms door een rechter-commissaris, maar in het bestuursrecht bijna volledig. Een eerlijke verdediging is hiermee natuurlijk niet meer mogelijk.

    BURGERRECHTEN VERSUS VEILIGHEID

    De belangrijkste vraag is natuurlijk of de regering te ver gaat in de maatregelen om terrorisme te bestrijden. Wordt de rechtsstaat zodanig aangetast dat onze vrijheid nu van twee kanten wordt beperkt?

    Belangrijk is het maken van onderscheid. Waarom wordt een maatregel genomen, wat is het beoogde effect, levert het dat ook op en welke negatieve consequenties zitten eraan vast? Bij sommige maatregelen worden rechten van verdachten ingeperkt, bij andere worden juist rechten van niet-verdachten ingeperkt. Detaillering is van belang; te veel zaken worden op één hoop gegooid. Dat onderscheid is des te essentiëler omdat steeds vaker betoogd wordt dat bestaande rechten moeten wijken voor het alomvattende recht op veiligheid, privacy moet wijken voor de opsporing en anonimiteit moet wijken voor gegevensverstrekking.

    We hebben in de verschillende hoofdstukken al een aantal zaken kunnen constateren.

    In het algemeen dreigt er een gevaar van aantasting van burgerrechten doordat het sleepnet van politie en justitie bijna onbeperkt wordt uitgebreid. In feite krijgen de diensten als alle wetsvoorstellen worden aangenomen dezelfde bevoegdheden als de inlichtingendienst. Opsporing breidt zich uit, feiten en aanwijzingen kunnen zich mengen met hele zachte informatie en met de druk om te scoren dreigt ontsporing. Eenzelfde druk en ongelimiteerde bevoegdheden leidde nog niet zo lang gelden tot het onderzoek van de commissie-Van Traa.

    Het grote gevaar van de uitbreiding van bevoegdheden ligt vooral in de combinatie met andere maatregelen. Zo zijn vage begrippen als ‘samenspanning’ en ‘werven voor de gewapende strijd’ geïntroduceerd in het strafrecht, kunnen organisaties verboden worden verklaard puur en alleen omdat ze op een lijst van de Europese Unie of de Verenigde Naties zijn geplaatst (dus zonder rechterlijke beslissing) en wordt het verheerlijken van terrorisme strafbaar. Het adagium ‘onschuldig tenzij het tegendeel is bewezen’ is bij de zogenaamde afknijplijsten al verlaten. Verdachten worden bestraft door hun financiële middelen te bevriezen. Voor hen is het bijna onmogelijk hun onschuld te bewijzen door gebrek aan inzage in de bewijsvoering en door gebrek aan toegang tot gerechtelijke instanties die de macht hebben ‘straffen’ terug te draaien. Daarbij opent de regering de mogelijkheid om verdachten van terrorisme lange tijd inzage in hun politiedossier te onthouden.

    Meer mensen zullen in een eerder stadium in een politieonderzoek terechtkomen. De grens tussen radicaal en terrorist is vaag. Politieen inlichtingendiensten zullen het zekere voor het onzekere nemen en eerder ingrijpen.

    In het geval van terrorisme kunnen de gevolgen echter rampzaliger zijn. Ook de rol van de inlichtingendienst is immers veel en veel groter. De informatie die kan leiden tot veroordelingen, uitzettingen of bestuurlijke meldingsplicht blijft oncontroleerbaar voor degene die verdacht is, een onacceptabel principe.

    Het principiële onderscheid tussen inlichtingendiensten en politie lijkt in belang van terrorismebestrijding te moeten sneuvelen, maar essentieel blijft het grote verschil in werkwijze tussen deze diensten. Vermenging van taken lijkt zo simpel, maar leidt er misschien alleen maar toe dat de taken op zichzelf niet meer goed kunnen worden uitgevoerd.

    Uitbreiding van de bevoegdheden van de politie levert nog een ander groot risico op: een ‘guerre des flics’, in dit geval tussen politie en AIVD. Informatie geeft macht en wie het eerst bij de informatie is heeft de regie. Aanwijzingen voor zo’n gevecht zijn er al en in het verleden is er ook menig robbertje gevochten tussen de petten en de gleufhoeden. Zo’n situatie is onwenselijk en ook niet nodig. Al eerder zagen we dat nut en noodzaak van uitbreiding van politiebevoegdheden niet is aangetoond. Terecht wordt door een aantal deskundigen gesteld dat maar eerst resultaten van eerdere wetgeving duidelijk gemeten moet zijn voordat nieuwe wetgeving wordt ingevoerd.

    Bovendien wordt de kring van mensen waar een terroristisch luchtje aan hangt groter en groter. In verschillende nota’s wordt met de pen beleden dat radicalen juist weer gewonnen moeten worden voor een gematigde visie, maar alle maatregelen lijken radicalen toch dat stempeltje ‘terrorist’ te geven. Nederland dreigt zo eerder de manier van Duitse repressie uit de zeventiger en tachtiger te kiezen dan trouw te zijn aan de eigen afgewogen aanpak uit die jaren. Repressieve maatregelen werden met mate genomen en er werd geprobeerd geen nieuwe terroristen te ‘kweken’.

    De weg van repressie werkt waarschijnlijk nauwelijks en heeft grote gevolgen voor de burgerlijke vrijheden. Waar het om gaat is processen van radicalisering serieus te nemen en daar politiek en beleid op te voeren, en dan het liefst een insluitend beleid, zoals ook anderen betoogden in het door ons gehouden rondetafelgesprek.

    Niet alles moet op een grote hoop gegooid worden, laten we serieus kijken naar wat er achter de radicalisering schuilt. De jongeren die nu vatbaar zijn voor de radicale islam hebben immers oprechte gevoelens over de beelden die ze zien op internet over Palestijnen, Tsjetsjenië en Irak. De Nederlandse politiek en media zouden het zich moeten aantrekken dat een debat hierover niet in alle openheid wordt gevoerd.