• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Brief van Minister De Vries d.d.6 april 2000

    Brief van Minister De Vries d.d.6 april 2000

    Ministerie van Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties

    De voorzitter van de Tweede Kamer

    der Staten-Generaal

    Postbus 20018

    2500 EA Den Haag

    Onderwerp
    Informatie ten behoeve van algemeen overleg op 12 april 2000  Datum 6 april 2000

    Ons kenmerk
    EA2000/U63409

    Onderdeel
    directie Politie
    In deze brief stel ik u, mede namens mijn ambtgenoot van Justitie, vooruitlopend op het algemeen overleg dat de vaste kamercommissies voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en voor Justitie hebben gepland voor 12 april a.s., op de hoogte van een aantal zaken dat van belang is voor een adequate behandeling van de geagendeerde onderwerpen.

    Het gaat om de invoering van het nieuwe geweldmiddel pepperspray, de versterking en uitbreiding van de politie, het Project Personeelsvoorziening Politie (PPP), en ontwikkelingen ten aanzien van het MDbeleid.

    Pepperspray

    Bij brief van 19 januari 2000 (kamerstukken II 19992000, 26 345, nr. 30) heeft mijn ambtsvoorganger aan uw Kamer aangegeven op welke wijze de invoering van het geweldmiddel pepperspray bij de Nederlandse politie versneld kan worden. In deze brief  die aan de orde komt in genoemd algemeen overleg  is tevens medegedeeld dat ter voorkoming van het optreden van mogelijke medische noodsituaties na toepassing van pepperspray aandacht zal worden besteed aan de vereiste nazorg.

    Ik wil u in dit verband deelgenoot maken van de laatste ontwikkelingen de zich ten aanzien van het voorgenomen TNO onderzoek hebben voorgedaan. Onderstaand worden de stand van zaken en de voornaamste genomen maatregelen met betrekking tot de vereiste nazorg weergegeven.

    Geen toestemming onderzoek Mijn ambtsvoorganger heeft bij brief van 30 juni 1999 (kamerstukken II 1998/99, 26 345, nr. 16) aan u medegedeeld dat hij het noodzakelijk acht om voorafgaand aan de pilot in de korpsen een onderzoek op vrijwilligers te verrichten om daarmee te kunnen vaststellen welke nazorg is vereist bij het optreden van medische noodsituaties. Daarbij werd met name gedacht aan mensen met astmatische longaandoeningen. De opdracht voor dit onderzoek is aan TNO verstrekt. Aanleiding voor dit onderzoek vormde het eerder verrichte experimentele onderzoek naar de effecten van pepperspray op cavia’s. In dit onderzoek heeft TNO gesteld dat de resultaten van het dieronderzoek weliswaar positief zijn, maar dat indien men de ‘grootst mogelijke zekerheid’ omtrent de veiligheid van het middel wil verkrijgen het noodzakelijk is aanvullend onderzoek op vrijwilligers te verrichten. De wens tot nader onderzoek word unaniem ondersteund door de drie politieberaden. Een vereiste voor uitvoering van dit nazorgonderzoek is evenwel dat daarvoor toestemming zou worden verleend door de Commissie Medische Ethiek van het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC), aangezien het een onderzoek op vrijwilligers betreft.

    In de eerder genoemde brief van 19 januari 2000 is aangegeven dat de Commissie Medische Ethiek heeft geweigerd in te stemmen met het voorgelegde onderzoeksprotocol. De afwijzing van de commissie was onder meer gebaseerd op de overtuiging dat de belasting van de vrijwilligers door het onderzoek niet opweegt tegen het mogelijke kleine risico dat toepassing van pepperspray op personen met astma zal leiden tot een astmaaanval met een zodanig onverwachte loop dat daartegen niet adequaat kan worden opgetreden met de gangbare luchtwegverwijdende middelen. Om tegemoet te komen aan de bezwaren van de commissie en tegelijkertijd de vereiste kwaliteit van de nazorg bij het optreden van mogelijke medische noodsituaties bij astmapatiënten te kunnen waarborgen, is vervolgens door een aantal medisch deskundigen van het LUMC, die niet bij het voorgenomen onderzoek zijn betrokken, bezien of het op basis van de huidige kennis mogelijk is om  zonder een experimenteel onderzoek op vrijwilligers uit te voeren  een standaard protocol voor de behandeling van peppersprayslachtoffers met een astmatische aanval op te stellen. Of, indien het niet mogelijk mocht blijken een dergelijk protocol op te stellen, te bezien of alsnog een aangepast onderzoek mogelijk en noodzakelijk zou zijn.

    Deze deskundigen hebben inmiddels gerapporteerd. Zij geven aan geen ervaring te hebben met luchtwegvernauwing als gevolg van inhalatie van pepperspray. Door hen wordt vervolgens echter opgemerkt dat uit experimenteel onderzoek is gebleken dat een mogelijks luchtwegvernauwing bij een beperkte inhalatie van pepperspray “mild en kortdurend” is. Deze deskundigen voegen daaraan evenwel toe dat wanneer het middel in hoge concentratie wordt toegediend, dit wellicht tot ernstigere symptomen kan leiden, waarbij vooral gedacht wordt aan een zwelling van het slijmvlies in de keelholte. het zogenaamde glottisoedeem. Het risico van dit verschijnsel wordt hoger ingeschat dan de luchtwegvernauwing bij astmapatiënten. De geraadpleegde deskundigen zijn van mening, dat bij het optreden van een luchtwegvernauwing, de gangbare luchtwegverwijdende middelen geschikt geacht kunnen worden voor behandeling. Dergelijke middelen zijn evenwel niet geschikt bij het optreden van glottisoedeem. In dat geval zijn meer ingrijpende middelen  zoals het inbrengen van een canule via de mondholte  noodzakelijk. De vraag of de voorgestelde behandelingswijzen bij luchtvernauwingen en glottisoedeem afhankelijk zijn van de resultaten van een experimenteel onderzoek waarbij vrijwilligers worden bloot gesteld aan pepperspray. wordt door hem evenwel ontkennend beantwoord. Naar aanleiding van dit oordeel van de deskundigen heeft de Commissie Medische Ethiek van het LUMC kenbaar gemaakt bij haar eerder genomen besluit tot afwijzing van het vrijwilligersonderzoek te blijven. De commissie voelt zich met name in haar opvatting tot afwijzing gesteund doordat de bovenbedoelde deskundigen hebben aangegeven dat nader onderzoek niet zal leiden tot een andere behandelingswijze.

    Protocol opstellen Naar aanleiding van het oordeel van de Commissie Medische Ethiek is bezien op welke wijze de nazorg bij het optreden van medische noodsituatie zodanig kan worden vormgegeven dat het verantwoord is om het middel  met behoud van de vereiste zorgvuldigheid naar potentiële slachtoffers van pepperspray toe  in te voeren. Ter beantwoording van deze vraag heb ik nader overleg gevoerd met (medisch) deskundigen, vertegenwoordigers uit het politieveld en de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Daaruit is naar voren gekomen dat het mogelijk is een protocol op te stellen waarin duidelijk wordt aangegeven hoe bij het optreden van mogelijke noodsituaties na toepassing van pepperspray het beste kan worden gehandeld.

    Bij het opstellen van een dergelijk behandelingsprotocol  waarmee een eerste begin is gemaakt  zal ook het advies van de Inspectie voor de Gezondheidszorg worden gevraagd. Dit protocol, zal zowel betrekking hebben op de politieambtenaren als op medisch geschoold personeel in ambulances en ziekenhuizen. De kern van het protocol zal zijn dat indien een politieambtenaar noodgedwongen gebruik heeft gemaakt van pepperspray, deze nauwlettend de reacties van het bespoten slachtoffer moet gadeslaan om te kunnen beoordelen of deze in een medisch gezien gevaarlijke situatie dreigt terecht te komen. In dat geval dient onmiddellijk een ambulance opgeroepen te worden of indien dit sneller mocht gaan, vervoert de politieambtenaar de betrokkene zelf naar het ziekenhuis. In zo’n situatie zal gekozen moeten worden voor de snelste oplossing. Overwogen is de politieambtenaar die het middel heeft gebruikt te belasten met het verrichten van de vereiste eerste hulp in noodsituaties. Daarbij werd met name gedacht aan het laten toedienen van een luchtwegverwijdend middel zoals wordt gebruikt bij astmapatiënten. Zo’n middel is evenwel alleen geschikt in geval van optreden van een luchtwegvernauwing. Het is volledig ongeschikt bij het optreden van het hiervoor vermelde glottisoedeem. Een politieambtenaar is niet opgeleid om in dit verband een juiste diagnose te stellen en aan de hand daarvan te bepalen of de minder gevaarvolle luchtwegvernauwing dan wel het riskantere glottisoedeem optreedt om op basis daarvan adequaat handelend te kunnen optreden. In zo’n geval kan alleen adequaat worden opgetreden door medisch geschoold personeel dat over de verijsde middelen en vaardigheden beschikt. Overigens wordt opgemerkt dat het risico van het optreden van glottisoedeem door de bovenbedoelde deskundigen als zeer gering wordt beschouwd. Dit verschijnsel kan eigenlijk alleen optreden bij hoge doseringen in de mondholte. De politieambteneren zal worden opgedragen slechts zeer kortdurend met het middel te spuiten en daarbij niet te richten op de mond.

    Voordat de pilot in de politieregio’s van start gaan zal er voor gezorgd worden dat afspraken zijn gemaakt met de aldaar gevestigde ziekenhuizen en ambulances, zodat duidelijk wordt op welke wijze peppersprayslachtoffers behandeld moeten worden. Op advies van de onderzoekers van het LUMC zal daarbij gebruik worden gemaakt van de protocollen voor astmapatiënten, zoals ontwikkeld door de Nederlandse Huisartsen Vereniging. Ten behoeve van een optredende luchtwegvernauwing wordt daarin geadviseerd gebruik te maken van het middel Salbutamol. Blijkens door mijn ministerie mede gefinancierd onderzoek door TNO is dit middel effectief bij luchtwegvernauwingen.

    Het ingezette invoeringstraject van pepperspray is gericht op uiterste zorgvuldigheid. Die doelstelling wordt onder meer bereikt door het gebruik van het middel te binden aan strikte voorwaarden, een gedegen opleiding van alle betrokken politieambtenaren en door de politieambtenaar verantwoordelijk te stellen voor de “gewone” nazorg.

    Benadrukt wordt dat de hiervoor beschreven nazorg betrekking heeft op medische noodsituaties. Zij is niet gericht op de “gewone” nazorg waarvoor de politieambtenaar verantwoordelijk is. Deze bestaat uit het spoelen van de ogen en het gezicht met een vloeistof. Daarna dient de ambtenaar er voor zorg te dragen dat de betrokkene niet wordt belemmerd in zijn ademhaling, de gelegenheid wordt geboden gebruik te maken van een eigen “inhaler”  die veel carapatiënten bij zich dragen  en op de bovenstaand beschreven wijze op te treden bij medische noodsituaties.

    Ondanks het feit dat door het ontbreken van de vereiste toestemming door de Commissie Medische Ethiek het voorgenomen onderzoek niet heeft kunnen doorgaan ben ik van mening dat op de bovenstaand geschetste wijze voldoende waarborgen zijn ingebouwd om er voor te zorgdragen dat pepperspray op de vereiste zorgvuldige wijze wordt ingevoerd.

    (…)