• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Container-trajecten – Containers IRT

    5.3.3. CONTAINERS IRT

    5.3.3.1. Beschrijving

    In deze paragraaf worden de zogenoemde IRT-containers besproken. Hier is sprake geweest van 19 zendingen die te relateren zijn aan IRT-onderzoeken. Bij twee zendingen werden twee containers gelijktijdig in de haven aangevoerd.

    Totaal was hier sprake van invoer van 70.316 kg soft drugs, verdeeld over 16 containers/kranen. In de overige drie containers/kranen werden geen soft drugs aangetroffen. Tot deze selectie werd gekomen op grond van gegevens in CID-informatierapporten van Kennemerland en de administratie van het IRT, vermelding op een door Langendoen vervaardigde lijst met 32 containers en verklaringen van o.a. Langendoen, Lith, Wortel en Teeven.

    Met betrekking tot het aantal containers/kranen is lange tijd onduidelijkheid blijven bestaan. In een ten behoeve van de commissie Wierenga vervaardigde IRT-matrix staan tien zendingen/twaalf containers vermeld. Van deze containers zijn CID-informatierapporten van de RCID-Kennemerland bij het KTR aangetroffen.

    Een verklaring voor het verschil in aantallen zou kunnen zijn dat men bij de telling ten behoeve van de rapportage van Wierenga slechts de containers waarbij een bepaalde infiltrant betrokken was heeft opgegeven. Onderzoek heeft uitgewezen dat bij de I RT-containers meerdere infiltranten betrokken zijn geweest en dat er meer zendingen hebben plaatsgevonden. Het verschil van zeven containers/zendingen kan worden verklaard doordat:

    – voor één container werd toestemming gegeven maar daarin werden geen drugs aan-getroffen;

    – één container was bestemd voor een andere IRT-doelgroep dan Delta; één container bleek voor een niet-IRT doelgroep bestemd;

    – van twee containers werd verondersteld dat ze voor een andere IRT-doelgroep bestemd waren dan Delta en

    – bij twee containers was uitsluitend sprake van andere infiltranten.

    Opgemerkt wordt dat de laatste aan het IRT toegerekende zending een container betrof waarvan aanvankelijk werd verondersteld dat deze bestemd was voor de criminele organisatie waarop het IRT-onderzoek gericht was. Eerst later bleek dat deze container bestemd was voor een andere criminele organisatie, niet zijnde een IRT-doelgroep. De drugs uit deze zending zijn op de markt terecht gekomen.

    Van de ingevoerde drugs werd 8.000 kg inbeslaggenomen en 62.316 kg doorgeleverd. Eén infiltrant was zeker betrokken bij de invoer van twaalf van de 19 zendingen. In het totaal was hiermee 52.036 kg soft drugs gemoeid. Daarvan werd 8.000 kg inbeslaggenomen. Voor wat deze infiltrant betreft is dus 44.036 kg soft drugs doorgelaten.

    De overige infiltranten waren betrokken bij containers met daarin totaal 18.280 kg soft drugs. Daarvan werd niets inbeslaggenomen.

    In de samenwerking van de RCID Kennemerland met het IRT waren de trajecten gericht op het middels de informant zicht krijgen op en bewijs te verzamelen tegen de Delta-organisatie hetgeen zou moeten leiden tot het met vrucht vervolgen van de top van die organisatie met als gevolg de ontmanteling van die organisatie.

    Volgens Lith leverde de methode als resultaat op dat in incidentele gevallen diverse opslagplaatsen werden vastgesteld, er personen uit het criminele milieu werden geïdentificeerd en het inzicht in de criminele organisaties aanmerkelijk is vergroot. Het uiteindelijke doel was volgens Lith bewijs te vergaren tegen de zogenaamde Delta-organisatie.

    Volgens Langendoen heeft het opheffen van het IRT, eind 1993, de ontmanteling van de criminele Delta-organisatie onmogelijk gemaakt. Volgens hem lagen op dat moment diverse zaken bewijstechnisch klaar. Ook Van der Veen – hoewel reeds per 1 juli 1993 als IRT-OVJ vertrokken – liet zich in deze geest uit.

    In verband met de IRT-containers zijn, voor zover bekend, in één zaak drie arrestaties verricht door de politie van Haarlemmermeer.

    Bevindingen

    Naast eerder genoemde bevindingen over de toepassing van de methode om containers gecontroleerd af- of door te leveren, kan nog specifiek genoemd worden:

    * De bij het IRT gebruikte methode was op hoofdlijnen dezelfde als die in Dordrecht, Rotterdam en Gooi en Vechtstreek werd gebruikt;

    * Ten behoeve van het IRT werden in totaal 19 containers/kratten in 17 trajecten met medeweten van de politie ingevoerd;

    * In de relatief korte periode dat de methode werd toegepast waren er tenminste zes OVJ’s betrokken;

    * De beslissing om de methode in het IRT toe te passen werd tot 1 juli

    1993 steeds per zending door politiechef en IRT-OVJ afgewogen, waarbij overigens in het onderzoek gebleken is dat zij niet alle uitvoerings – ‘details’ kenden;

    * Lith en Van der Veen droegen relatief veel kennis van de uitvoering van de methode; hun opvolgers Van Kastel en Van Capelle waren daarvan slechts marginaal op de hoogte;

    * Het aantal containers ten behoeve van het IRT is groter dan hetgeen aan de commissie Wierenga werd gemeld. Dit verschil heeft te maken met één container waarvoor toestemming werd gegeven maar waarin geen drugs werden aangetroffen, é 33;n container bestemd voor een andere IRT-doelgroep dan Delta, één container die voor een niet IRT-doelgroep bestemd bleek en twee containers waarvan verondersteld werd dat dit voor een andere IRT-doelgroep was dan Delta. Bovendien waren bij de ‘extra’ containers – op één container na- steeds andere infiltranten betrokken dan de zgn. ‘groei-informant’;

    * Bij de 19 zendingen t.b.v. het IRT werd 17 maal een toestemmende OVJ genoemd. Dit werd elf maal bevestigd en drie maal niet. In vijf gevallen is het onduidelijk of er toestemming door het OM werd gegeven;

    * In de periode dat het IRT onder leiding stond van Lith kwamen er acht containers via de methode binnen. In het daarop volgende half jaar kwamen er elf containers via de methode binnen;

    * De RCID Kennemerland had kennelijk meerdere infiltranten/informanten die goed ingeschoten waren in de criminele organisaties die voor het IRT van belang waren;

    * De infiltranten/informanten mochten hun criminele verdiensten behouden en betaalden onkosten van de politie;

    * De afzendadressen waren divers en uit verschillende landen en werelddelen;

    * Er werden zowel niet bestaande bedrijven als bestaande bedrijven als bestemmingsadres gebruikt;

    * Op de Bill of Lading vermelde, bestaande bestemmingsadressen zijn mogelijk gebruikt zonder dat de eigenaar daarvan wist;

    * De legale lading was gevarieerd. Hieruit kunnen geen conclusies worden getrokken;

    * De containers in dit traject hadden een gewicht aan verdovende middelen variërend van 5

    00 kg tot 8.000 kg;

    * Dat de hoeveelheid verdovende middelen per container in de loop van tijd is opgevoerd kan niet gesteldworden en

    * Van de totale hoeveelheid drugs waar in deze paragraaf sprake is, werd minder dan 12 % in beslaggenomen.