• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • De Criminele Inlichtingendienst – Regelgevend kader CID’en

    2.2. Regelgevend kader CID’en

    In de voorgaande paragrafen is de ontwikkeling van de CID, de functie en de cultuur besproken. In deze paragraaf wordt ingegaan op de regelgeving die mede naar aanleiding van deze ontwikkeling ontstaan is.

    Gezien de taak van CID’en: ‘de opsporing en het voorkomen van misdrijven, die gezien hun ernst of frequentie dan wel het georganiseerd verband waarin ze worden gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde maken’, kan gesteld worden, dat de werkzaamheden van CID’en vallen onder de noemer ‘opsporingsactiviteiten’. Dit kan het toepassen van dwang-middelen betekenen die een inbreuk maken op iemands privacy. De eerste regelgeving die betrekking had op het CID-werk verscheen in augustus 1985, gevolgd door de CID-regeling in 1986. Deze regelingen gingen nauwelijks in op de toepassing van opsporingsmethodieken.

    Duidelijk is geworden dat op onderdelen van het werkgebied van CID’en een aantal zaken niet geregeld is. Crombag, van Koppen en Wagenaar beschreven in het boek ‘Criminele Inlichtingen’ dat mede door het ontbreken van wetgeving en door het opereren in een zekere beslotenheid, de werkzaamheden van de CID uitgevoerd worden in een ‘procesrechtelijk niemandsland’.

    De algemene rechtsbeginselen en de ontwikkeling van een kader door jurisprudentie is in dit verband van belang. Op de rechtspraak wordt in paragraaf 2.2.9. kort ingegaan.

    2.2.1. Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden

    Eind 1985 verscheen de eerste regelgeving die betrekking had op het CID-werk. Deze regeling, de ‘Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden’, geeft onder andere aanwijzingen op het gebied van de omgang met informanten en uitbetalingen van tipgeld.

    Deze regeling stelt:

    ‘De omgang met informanten houdt zowel voor de politie als voorde informant risico ‘S in. Om die reden en om uniformiteit te verkrijgen in de omgang met en de registratie van informanten, het verwerken van de verkregen inlichtingen, het uitwisselen van inlichtingen en het uitbetalen van geldelijke beloningen, is het noodzakelijk dat naast de bestaande voorschriften, gedragsregels worden vastgesteld. De Criminele Inlichtingen Dienst neemt bij de uitvoering van de gedragsregels een centrale en coö ;rdinerende plaats in.

    Het betreft hier een door de vergadering van Procureurs-Generaal vastgestelde regeling (een interne vertrouwelijke justitiële richtlijn).

    De regeling wordt nog steeds gehanteerd.

    2.2.1.1. Betalingsregime

    De ‘Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden’ werd onder andere met het oog op het belonen van informanten vastgesteld. In de inleiding van deze regeling wordt vermeld dat het kopen van inlichtingen om de opsporingstaak op een zo goed mogelijke wijze te vervullen, een werkwijze is die moeilijk kan worden gemist. De rol van een betaalde informant is dikwijls zelfs van doorslaggevende betekenis bij de opsporing van de daders van een misdrijf of ter voorkoming van een misdrijf. De informant betrekt daarbij zijn inlichtingen meestal uit een crimineel milieu, waarvan hijzelf deel uitmaakt of waarin hij zich beweegt.

    Uitgangspunt is dat slechts tot uitbetaling kan worden overgegaan indien de verstrekte inlichtingen (mede) hebben geleid tot de aanhouding van de daders, althans tot de vaststelling van hun identiteit (geen dader, geen beloning). Slechts in uitzonderingsgevallen kan hiervan afgeweken worden.

    In de ‘Regeling tip-, toon-, en voorkoopgelden’ worden richtlijnen gegeven die betrekking hebben op het betalingsregime. Zo wordt gesteld dat het uitbetalen van gelden en het onderhouden van contacten met informanten zodanig dient te geschieden dat van alle activiteiten een goede verantwoording mogelijk is; dat aan deinformant geen geldelijke beloning wordt uitbetaald indien blijkt dat hij bij het desbetreffende opsporingsonderzoek als verdachte kan worden aangemerkt; dat de uitbetaling dient te geschieden door de politiemensen die de informant begeleiden, met goedkeuring en onder verantwoordelijkheid van de afdelingschef, in aanwezigheid van de directe chef en tegen ontvangst van een door de informant ondertekende kwitantie.

    Aanvraag van justitieel tipgeld geschiedt door de CID, na goedkeuring van de OVJ en fiattering van de HOVJ, bij de directie Politie van het ministerie van justitie. Voor de aanvraag vindt over het algemeen eerst overleg plaats met de NCID, die op haar beurt overleg pleegt met de directie Politie over de hoogte van het bedrag.

    Bij het bepalen van de hoogte van het tipgeld worden door de NCID in ogenschouw genomen:

    – de risico’s voor de informant;

    – de schade door de aanhouding van de verdachten voor de criminele organisatie;

    – het kaliber en/of de organisatiegraad van de verdachten;

    – het maatschappelijk belang van de zaak;

    – het verleden en de betrouwbaarheid van de informant;

    – de lokale omstandigheden ten aanzien van de criminaliteit;

    – de kostenbesparing voor de politie en

    – het aantal verdachten.

    Bij tipgelden van derden, bijvoorbeeld verzekeringsmaatschappijen, vindt alleen overleg met de OVJ plaats. Volgens de ‘Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden’ dient de OVJ een eventuele tipgeld uitbetaling door derden te overleggen met de HOVJ.

    De onkostenvergoedingen of werkgelden voor de informant dient de politie volgens deze regeling uit de eigen politiële begroting te betalen.

     

    2.2.2. CID-regeling en CID-privacyreglement

    De CID-regeling en het bijbehorende privacyreglement dateren beide uit 1986. De CID-regeling regelde o.a. de samenwerkingsstructuur en taakstelling van de CID’en, alsmede de

    observatieteams. Het privacyreglement voorzag in nadere regelgeving met betrekking tot de opslag, verwerking en verstrekking van de ingewonnen informatie (criminele inlichtingen).

    De juridische basis van zowel de CID-regeling als het CID-privacyreglement werd gevormd door de artikelen 5, 15, 30 en 50 van de op dat moment vigerende Politiewet, alsmede op de Basisregeling regionale samenwerking politie. Daarnaast werden de uit 197 5 daterende Aanwijzingen van de Minister-President op het gebied van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in acht genomen.

    Een belangrijk element in de regeling is de definitie van CID-subject: ‘Natuurlijke en rechtspersonen, ten aanzien van welke op grond van feiten en omstandigheden kan worden aangenomen dat zij als dader of medeplichtige betrokken zijn, of naar redelijkerwijs kan worden vermoed, betrokken zullen worden bij misdrijven die-gezien hun ernst of frequentie dan wel het georganiseerd verband waarin zij worden gepleegd- een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren.’ Met deze begripsbepaling werd het CID-werk benoemd en begrensd.

    Door inwerkingtreding van de Wet en het Besluit politieregisters per 17 februari 1991 (verplichting voor de beheerder om voor een politieregister vóór 17 augustus 1991 een reglement vast te stellen) verviel op 17 augustus 1991 het CID-privacyreglement 1986.

    2.2.3. Wet politieregisters

    Op 17 februari 1991 is de Wet politieregisters (wet van 21 juni 1990) volledig in werking getreden.

    Met deze wet wordt uitvoering gegeven aan het in de Grondwet geformuleerde vereiste, dat er regels gesteld dienen te worden ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met het vastleggen en verstrekken van persoonsgegevens.

    Met betrekking tot de op te nemen informatie is artikel 4 van belang. Dit artikel stelt dat een politieregister slechts persoonsgegevens mag bevatten die ‘rechtmatig’ zijn verkregen en die noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor het register is aangelegd.

    2.2.4. Besluit politieregisters

    Besluit van 17 februari 1991, houdende bepalingen ter uitvoering van de Wet politieregisters. Een belangrijk element in dit besluit is de instelling bij CID’en van een ‘grijze veld’-register. Hierdoor kon informatie binnen CID’en worden opgeslagen van personen waarvan nog niet vaststaat dat zij vallen binnen de definitie van CID-subject.

    2.2.5. Richtlijnen infiltratie

    Richtlijnen van 20 februari 1991

    Dit zijn interne vertrouwelijke richtlijnen vastgesteld door de vergadering van procureursgeneraal. Deze richtlijnen geven regels en stellen voorwaarden waarbinnen infiltratie als opsporingsmethode toelaatbaar is en toegepast dient te worden. Voorwaarden worden ook gesteld m.b.t. de methodiek ‘gecontroleerde aflevering’ De betreffende richtlijnen gelden nog steeds.

    2.2.6. Herziene CID-regeling 1991

    Deze concept-regeling is na een consultatieronde in het land op 23 juni 1991 voor advies aangeboden aan de Registratiekamer. De betreffende regeling is door het uitblijven van advies en door de reorganisatie van de Nederlandse politie, nooit in werking getreden. Hoewel een nieuwe CID-regeling nog enige tijd uitbleef is door de meeste regio’s vanaf 1991 conform de voorstellen in de concept ‘Herziene CID-regeling’ gehandeld. Zo werd door de LCID een registratie van informantencoderingen en door een aantal CID’en een ‘grijze-veld’-registratie opgezet.

    2.2.7. Model-reglementen voor een CID-register en ‘grijze veld’-register

    Met het oog op de reglementsplicht voor politieregisters op grond van de artikelen 9 en 10 van de Wet politieregisters, hebben de ministers van Binnenlandse zaken en Justitie model-reglementen voor een CID-register en een ‘grijze veld’-register opgesteld. De betreffende model-reglementen zijn ingevolge artikel 12 van de Wet politieregisters, getoetst en op 9 september 1993 in overeenstemming geoordeeld met het bepaalde bij en krachtens de Wet politieregisters. Deze modelreglementen zijn gepubliceerd in de Staatscourant.

    2.2.8. CID-regeling 1994.

    Vastgesteld op 31 maart 1995. Het betreft een regeling van de ministers van Justitie, Binnenlandse zaken en van Defensie, houdende de vaststelling van regels met betrekking tot de samenwerking, werkzaamheden en inrichting van CID’en.

    Deze regeling is gebaseerd op de artikelen 46 en 48 van de Politiewet 1993 en op de artikelen 2 en 4 van het Besluit beheer regionale politiekorpsen.

    De betreffende regeling is terugwerkende kracht verleend tot en met 1 april 1994.

     

    2.2.9. Rechtspraak en CID

    Voor de vorming van kaders en de ontwikkeling van het CID-werk is jurisprudentie van groot belang gebleken. Zij gaf de grenzen aan waarbinnen infiltratie, gecontroleerde aflevering en andere opsporingsmethodieken konden plaatsvinden. Ook gaf zij de mogelijkheden aan hoe een informant, afgeschermd kon worden. Door OVJ F.C.V. de Groot werd een jurisprudentiebundel samengesteld met daarin voor CID’en de meest relevante jurisprudentie. Begin 1995 is deze bundel breed verspreid binnen CID-Nederland.

    Hier wordt volstaan met daarnaar te verwijzen.