• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • De Criminele Inlichtingendienst – Werkwijze en methodieken CID

    2.5. Werkwijze en methodieken CID

    Bij de eerder omschreven klassieke CID-functie lag de nadruk op het vergaren, bewerken, analyseren, registreren en verstrekken van criminele inlichtingen ingewonnen via de methodieken ‘runnen van informanten en observatie’. In deze paragraaf wordt ingegaan op de ontwikkeling van het runnen van informanten, de groei naar infiltratie, observatie, de toepassing van de methodiek gecontroleerde aflevering, de open-en gesloten CID-fase en de U-bocht constructie’.

    2.5.1. Informanten

    Door de Nederlandse politie wordt al vele decennia gewerkt met informanten, meestal afkomstig uit het criminele milieu.

    Met name bij de opsporing van de ernstige criminaliteit is de politie sterk afhankelijk van informatie aangeleverd door informanten.

    Algemeen kan gesteld worden dat een informant iemand is, die tegen een tegenprestatie, onder waarborging van diens anonimiteit, anders dan als getuige, aan een opsporingsambtenaar, al dan niet gevraagd, inlichtingen verstrekt over een gepleegd of nog te plegen strafbaar feit.

    In de praktijk worden personen door politie (CID) benaderd of nemen personen met de politie contact op om informatie te verstrekken. In een vroeg stadium, meestal bij één van de eerste contacten, worden de spelregels doorgenomen. Hierbij wordt duidelijk afgesproken dat de politie voor de afscherming van de informant zorgt en de informant zich houdt aan de sturing van de politie. Indien tijdens de zaak blijkt, dat de informant, zonder voorkennis en goedkeuringvan politie en justitie, zelf betrokken is geweest bij het strafbare feit, dan dient hij als verdachte behandeld te worden. Om te voorkomen dat informanten hun runners compromitteren dienen ontmoetingen met informanten in openbare gelegenheden (dus bijvoorbeeld niet in de woning van de informant) plaats te vinden en altijd te geschieden door twee runners. Informanten dienen gecontroleerd te worden; de runners dienen altijd overwicht op de informant te houden en de nodige distantie te bewaren.

    Binnen het runnen heeft een verschuiving plaatsgevonden. Voorheen werden informanten gebruikt voor het verkrijgen van concrete informatie over bijvoorbeeld vermogensdelicten, opslagplaatsen enz. Door de veranderende criminaliteit, – het gaat niet meer om die ene pleger van een strafbaar feit maar om een netwerk van personen die zich met een aaneenschakeling van criminele activiteiten bezighouden – is informatie uit de kern, de beslotenheid van de organisatie van essentieel belang. Informanten spelen hierbij een grote rol.

    Mede hierdoor is het vaak noodzakelijk afspraken te maken met de informant over de mate waarin deze kan blijven participeren binnen een criminele groepering. Hierbij komt men op het grensgebied tussen informant en infiltrant. Dit is zeker het geval wanneer de informant/ infiltrant in overleg en met toestemming van het OM strafbare feiten pleegt en/ of probeert dieper een organisatie binnen te dringen. Een complete en zorgvuldige verslaglegging van alle afspraken en handelingen van informant is bij deze ontwikkeling van levensbelang.

    2.5.2. Infiltrant/ infiltratie

    Onder druk van de toenemende criminaliteit (met name de verdovende middelen handel) werd midden jaren zeventig steeds vaker gebruik gemaakt van de methodiek pseudokoop. Met kortstondige acties, meestal op één transactie gericht, vervulde een infiltrant de rol van pseudokoper. Men probeerde een hoeveelheid contrabande aan te kopen om zodoende te kunnen optreden tegen de verkopers.

    Onder invloed van de steeds complexer wordende criminaliteit (de criminele samenwerkingsverbanden werden steeds ondoorzichtiger) en doordat de methodiek pseudokoop steeds meer bekend werd binnen het criminele milieu, vond er een verschuiving plaats van pseudokoop naar een vorm van projectmatige infiltratie. Deze vorm van infiltratie ontstond uit de noodzaak om een betere informatiepositie te verwerven binnen criminele organisaties.

    In 1983 werd, op verzoek van de minister van Justitie, door de Recherche Advies Commissie de werkgroep ‘Pseudokoop’ ingesteld. Deze werkgroep kreeg onder meer tot taak een typering te geven van de opsporingsmethoden welke vielen onder termen als infiltratie, pseudokoop e.d. Naar aanleiding van de uitgebrachte rapportages werd over infiltratie als opsporingstechniek in februari 1986 mondeling overleg gevoerd met de toenmalige minister van Justitie en de vaste commissies voor justitie en voor de politie.

    De mini ster achtte infiltratie een noodzakelijke aanvulling op conventioneel recherchewerk en antwoordde de Tweede Kamer dat op enigerlei wijze geformaliseerd vast moest liggen dat het OM aan het begin van een actie toestemming had verleend. Die toestemming mocht echter geen deel uitmaken van een proces-verbaal of van een openbaar stuk.

    De minister vond dus kennelijk dat dat deel afgeschermd moest worden. Feitelijk is nooit geregeld hoe dat dan moest.

    De mini ster stelde dat de inzet van een opgeleide politie-infiltrant de voorkeur heeft boven het gebruik van een burgerinfiltrant. De kans dat een informant als burgerinfiltrant zou worden ingezet achtte de minister niet groot.

    Met andere woorden: de inzet van burgerinfiltranten had niet de voorkeur maar was niet verboden.

    In 1988 verscheen de regeling ‘Pseudokoop en Infiltratie’ die, met enige wijzigingen, in 1991 door de vergadering van PG’s tot richtlijn werd verheven. Dit is de enige officiële regeling ophet gebied van infiltratie.

    Volgens deze regeling is infiltratie als opsporingsmethode onder bepaalde voorwaarden toelaatbaar. Globaal houdt deze richtlijn het volgende in:

    – De infiltrant mag door zijn optreden de verdachte niet brengen tot ander handelen dan waarop zijn opzet te voren reeds gericht was;

    Het optreden van de infiltrant dient plaats te vinden na goedkeuring door het OM, onder regie van de recherchechef en in nauw overleg met de betrokken OVJ;.

    De toepassing van infiltratie moet voldoen aan de eisen van proportionaliteit, subsidiariteit en zorgvuldigheid en

    Als infiltrant dient bij voorkeur alleen een speciaal daarvoor opgeleide politiefunctionaris te worden ingezet. (Het gebruik maken van burger-infiltranten is dan ook minder gewenst en zal als regel beperkt dienen te blijven tot bijzondere gevallen, waarin vervanging door een politiefunctionaris niet mogelijk is.)

    In de ‘Richtlijnen infiltratie’ van 1991 worden ook voorwaarden gesteld met betrekking tot de gecontroleerde aflevering. Deze voorwaarden zullen worden behandeld in de paragraaf ‘gecontroleerde aflevering’ (2.5.5).

    Naar aanleiding van de geconstateerde verschuiving van pseudokoop naar politie-infiltratie, verzocht de vergadering van PG’s met het oog op nieuw te ontwikkelen beleid, de RAC in 1991 om nader advies. Door de RAC werd de werkgroep ‘Infiltratie’ onder voorzitterschap van Mr. L.A.J.M. de Wit ingesteld.

    Met betrekking tot een definiëring van projectmatige infiltratie was de werkgroep ‘Infiltratie’ van mening, dat in dat verband gedacht moest worden aan het aanbieden van facilitaire ondersteuning in de vorm van transportfaciliteiten, bijvoorbeeld om een lading verdovende middelen te vervoeren of het aanbieden vanbedrijfsfaciliteiten ten behoeve van het opzetten van een witwasconstructie.

    Volgens de werkgroep ‘Infiltratie’ diende bij de projectmatige infiltratie altijd sprake te zijn van een zo duidelijk mogelijk definieerbaar start- en eindpunt van de infiltratie-operatie en moest er duidelijkheid bestaan over doelstellingen van het project en de wijze van besluitvorming.

    Tevens meende de werkgroep dat het gebruik van politie-infiltranten de voorkeur heeft boven het gebruik van burger-infiltranten met de kanttekening dat het gebruik van burger-infiltranten in sommige gevallen niet alleen onvermijdelijk is, maar dat de inzet van burger-infiltranten weleens van doorslaggevende betekenis zou kunnen zijn in de strijd tegen de georganiseerde criminaliteit.

    Volgens de werkgroep was een scherpe scheiding tussen criminele informatie-inwinning en infiltratie niet in alle opzichten te maken. De werkgroep constateerde dat er een tussengebied overblijft.

    De werkgroep was van mening dat de ‘gecontroleerde aflevering’, waarbij door (burger)infiltranten onder regie van politie en OM wordt opgetreden, een vorm van infiltratie is.

    Naar aanleiding van de aanbieding van het rapport van de werkgroep ‘infiltratie’ werd besloten een werkgroep samen te stellen, wederom onder voorzitterschap van De Wit, die tot taak kreeg om op strategisch niveau te bekijken hoe het middel infiltratie ingezet diende te worden.

    Door deze werkgroep werden, in verband met een geconstateerde verschuiving van pseudokoop naar infiltratie, de relevante begrippen opnieuw gedefinieerd.

    Hierdoor werden veel informanten als infiltrant aangeduid.

    Mede naar aanleiding van een door de commissie ‘De Wit’ uitgebracht advies en naar aanleiding van één van de aanbevelingen van de commissie ‘Wierenga’ werd op 26 oktober

    1994 door de vergadering van de PG’s besloten tot de instelling van de Centrale Toetsingscommissie. De CTC startte op 1 januari 1995 met haar werkzaamheden.

    De CTC kreeg o.a. tot taak het, eventueel onder voorwaarden, verlenen van toestemming voor bepaalde opsporingsmethodieken en het registreren van andere opsporingsmethodieken.

    Door Mr. H. Holthuis werd tijdens de RCID-themadagen op 16 maart 1995 een inleiding gehouden over de werkzaamheden van de CTC. Hieruit bleek dat de CTC als leidraad aanhoudt dat het onaanvaardbaar is, dat informanten of infiltranten die werken onder regie van politie en het OM zich verrijken met middelen afkomstig van criminele organisaties. Er mogen geen structurele financiële relaties bestaan of ontstaan tussen de informant/ infiltrant en de (criminele) werk- of opdrachtgever. De commissie dacht aan een verplichte afdracht van die verdiensten en een beloning op basis van de ‘Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden’

    Door de CTC werd naar de stand van zaken op 1 november 1995 een ‘algemeen begrippenkader bijzondere opsporingsmethoden’ ontwikkeld. De CTC-definitie van ‘infiltratie’ wijkt af van de definitie gehanteerd in de rapportage van de commissie ‘De Wit’

    Door de vergadering van PG’s is vastgesteld dat het begrippenkader van de CTC landelijk dient te worden gehanteerd.

    Dit besluit is bij brief van 21 december 1995 kenbaar gemaakt aan o.a. de HOVJ’s.

    Kaders voor infiltratie kunnen verder worden gevonden in de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, zorgvuldigheid, controleerbaarheid en het Tallon-criterium. In de loop der jaren is veel jurisprudentie op dit terrein ontwikkeld.

    2.5.3. Observatieteams

     

    Een niet meer weg te denken middel om zicht te krijgen op criminele gedragingen is de toepassing van de methodiek ‘observatie’. Rond 1970 werden de eerste specialistische observatieteams ingericht. Het aantal OT’s is de laatste jaren stormachtig gegroeid. Aan de basisopzet is evenwel niet veel veranderd. Wel aan de omstandigheden, de gebruikte technieken/ materialen en aard van de onderzoeken.

    OT’s observeren het gedrag van subjecten met het doel het verzamelen van informatie en strafrechtelijk bewijs. zij beschikken daartoe over een aantal technieken en over een speciale uitrusting die de laatste jaren uitgebreid is met veel technische apparatuur. Peilapparatuur is daar een voorbeeld van.

    Momenteel heeft iedere regio de beschikking over één of meerdere teams. Daarnaast beschikken de Kernteams over OT’s, het LRT, de CRI, de BVD, en sommige BOD’en. Vijf regio’s hebben extra OT’s gekregen voor de grensoverschrijdende observatie vanuit het buitenland naar Nederland (de zogenaamde ‘Schengen-OT’s’).

    De omstandigheden zijn voor de OT’s enorm veranderd. In de jaren 1970-1985 reed men veelal op kortstondige onderzoeken die gericht waren op een betrekkelijk kleine dadergroep of individuen die veelal de traditionele delicten pleegden. Het OT verzamelde informatie, maar was veelal gericht op het zicht krijgen op de heterdaad-situatie; de overdracht van verdovende middelen, de ramkraak of de overval. Het middel observatie was bij de criminelen nauwelijks bekend. De telefoontap was ‘open’ waardoor veelal informatie beschikbaar was die de observatie kon ondersteunen. In het proces verbaal werd zo min mogelijk gewag gemaakt van het gebruik van de teams om bekendheid te voorkomen.

    De laatste 10 tot 15 jaar zijn er diverse veranderingen opgetreden.

    -Het middel observatie werd bekend bij de doelgroep.

    In eerste instantie werd het middel in zijn algemeenheid bekendwaardoor criminelen rekening gingen houden met de aanwezigheid van observatie en hun rijgedrag daaraan gingen aanpassen. ‘Men werd scherp, zat achterstevoren in de wagen’, was jargon dat veel te horen was.

    Later ‘lag het gehele OT op straat’ (Jargon voor de vaststelling dat niet alleen het fenomeen bekend was, maar ook de werkwijze, de safehouses(shops), de voertuigen, de technieken en in een aantal gevallen zelfs de mensen). Met name een groep die bij de OT’s bekend stond als de ‘scannerfreaks’ was en is vaak een blok aan het been van de observatieteams. Door het gebruik van technische middelen wist men OT’s te lokaliseren en in kaart te brengen.

    Er waren lijsten waarop de voertuigen van OT’s vermeld stonden;

    -De aard van de onderzoeken is veranderd. De kortstondige onderzoeken met een heterdaad situatie maakten plaats voor langdurige onderzoeken waarin door langdurige observatie en waarnemingen van contacten tussen criminelen, het patroon ontdekt moest worden en de ‘140-constructie’ (bewijzen dat er sprake is van een organisatie die het doel heeft strafbare feiten te plegen) moest worden opgebouwd. OT’s werkten soms meer dan een jaar zeer intensief op één dadergroep.

    Dit had tevens te maken met het feit dat er een verschuiving zichtbaar was ten aanzien van de doelstellingen van onderzoeken. Niet alleen de uitvoerders, maar de ontmanteling van de organisatie en de hoofdpersonen daarvan werd het motto;

    Door enerzijds de voortschrijdende techniek en anderzijds de verschraling van de informatie uit de telefoontap, nam de behoefte om meer te zien toe. De informatie moest op straat gehaald worden in plaats van in de tapkamer. Hierdoor nam de druk op observatieteams toe. Ook de druk om bij een ontmoeting niet alleen te kijken, maar ook te luisteren en een toenemende verkeersintensiteit. Op het eerste oog mogelijk een ondergeschikte ontwikkeling. In de praktijk lopen echter dagelijks observaties mis doordat verkeerssituaties het volgenverhinderen.

    Resumerend kan gesteld worden dat door de ontwikkelingen de druk op en het belang van observatie toenam, terwijl de omstandigheden gecompliceerder werden waardoor het rendement onder druk stond. In het verlengde daarvan ligt de constatering dat, als het gaat om de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, door de rendementsverlaging van het traditionele CID-werk, de observatie en de telefoontap, de roep om en druk op andere middelen en methoden toenam.

    Desondanks is de werkwijze van het observatieteam ten principale niet veel veranderd. Onder druk van de omstandigheden is er binnen OT-Nederland een beweging op gang gekomen om met behoud van het basisprincipe het rendement te verhogen. Het gebruik van geavanceerde techniek, een meer gedifferentieerde benadering van het object en een creatief gebruik van relatief eenvoudige hulpmiddelen en methoden, moeten het rendement verhogen.

    Een ontwikkeling die de laatste jaren zichtbaar werd is ‘het CID-matig’ rijden. Omdat informanten/ infiltranten een meer actieve rol gingen vervullen in de organisaties en de trajecten en delen van deze trajecten gevolgd dienden te worden, ontstond de term CID-matig rijden. Het traject dat niet in de openbaarheid van de rechtszitting gebracht kon worden omdat daarmee de identiteit van de informant bekend zou kunnen worden, werd geobserveerd door een ‘CID-matig OT’. (OT’ers die later niet op de zitting komen) Dit ‘CID-matig’ rijden kan ook gebruikt worden ter controle van de informant/ infiltrant. Wanneer de informant uit beeld was, werd de zaak overgenomen door een tactisch OT. Een OT dat reed voor het verzamelen van bewijs en waarvan de leden, weliswaar vermomd, een verklaring af konden leggen op de terechtzitting.

    De schakel tussen beide trajecten was vaak een CID-informatierapport. Met andere woorden: de waarnemingen van het CID-matig rijdende OT werden omgezet in een CID-informatie op grond waarvan de tactische chef besloot om een observatie in te zetten.

    Ook in het zogenoemde Delta-onderzoek is op deze wijze te werk gegaan.

     

    2.5.4. Open en gesloten CID-traject

    De ontwikkeling van methodieken en technieken en het uitwisselen en delen van informatie is bij de bestrijding van de zware georganiseerde criminaliteit van essentieel belang. Belemmerend hierbij is het spanningsveld tussen aan de ene kant de behoefte tot uitwisseling van informatie en aan de andere kant het belang van afscherming van de methodiek of de bron. Deze afscherming werd soms ‘al dan niet op valide gronden’ zo ver doorgevoerd dat enkele grote teams onder strikte geheimhouding gingen werken (embargo-teams). Het voor-deel van deze teams was, dat op geconcentreerde wijze veel tijd, energie en deskundigheid kon worden gestopt in de informatieve voorfase.

    Door enkele van deze teams werd gewerkt in een soort ‘fase-model’. Een gesloten methode, half open methode en open methode.

    Informatie ingewonnen in de ‘gesloten methode’ of technieken toegepast in die methode, werden afgeschermd. De informatie werd gebruikt als sturingsinformatie.

    Door de werkgroep ‘Infiltratie’ werden in maart 1994 in een interimadvies de volgende definities gegeven voor ‘open methode’ en ‘gesloten methode’:

    Open methode:

    Methode van inwinnen van criminele inlichtingen met behulp van inzet van middelen, zoals observanten, informanten en infiltranten, waarvan de resultaten in directe zin gebruikt kunnen worden in het tactische opsporingsonderzoek en in het proces-verbaal worden opgenomen.

    Gesloten methode:

    Methode van inwinnen van criminele inlichtingen – voorafgaand aan de open CID-methode -met behulp van de inzet van middelen, zoals observanten, informanten en infiltranten, ter verbetering van de informatiepositie, met als doel het geheel of gedeeltelijk beëindigen van criminele activiteiten en/of het ontnemen vanwederrechtelijk verkregen voordeel waarvan de resultaten zowel in het rechercheproces als in de afstemming met het OM volledig worden afgescheiden en dus in beginsel niet in het proces-verbaal worden opgenomen.

    2.5.5. Ontwikkeling methode gecontroleerde afleveringen

    2.5.5.1. Ontstaan

    Aan het eind van de jaren zeventig ontstond het fenomeen ‘gecontroleerde aflevering’. Bij de stationering van Nederlandse drugsliaisons in de verschillende bronlanden werden deze al vrij snel geconfronteerd met personen die benaderd waren voor een koeriersdienst of die zicht hadden op een transport verdovende middelen richting Nederland. Ten behoeve van de opsporing en aanhouding van de organisatoren en/of ontvangers en ter inbeslagneming van de verdovende middelen ging men diverse malen met succes met deze informanten/ koeriers in zee. Ontegenzeggelijk volgden de Nederlandse DLO’s daarbij door het buitenland, met name Amerika, beïnvloedde voorbeelden.

    Begin jaren ’80 werd door een buitenlandse opsporingsdienst een aanvang gemaakt met de aanpak van de internationale verdovende middelen handel door toepassing van de methode gecontroleerde aflevering’ van partijen hashish, bestemd voor internationaal opererende criminele groeperingen. Op aangeven van informanten/infiltranten werden partijen verdovende middelen getransporteerd en gebracht op het grondgebied van een ander land. Met hulp van informanten/ infiltranten werd, in overleg met autoriteiten van< /P>

    het ontvangende land, de partij in het criminele milieu afgeleverd. Na aflevering en op het moment dat de informant uit zicht was, werd tot inbeslagneming en aanhoudingen overgegaan.

    In de tachtiger jaren werd door de buitenlandse dienst de CRI (LCID/ NCID) bij deze zaken betrokken. Voor deze tijd werd in enkele gevallen dit soort zaken door die buitenlandseopsporingsdienst rechtstreeks bij het betreffende korps ingestoken.

    Bij voorbereidende besprekingen tussen de buitenlandse dienst en de NCID kwamen aspecten aan bod als:

    – hoe concreet is de informatie; voor wie is de partij bestemd;

    – op welke wijze is men aan de informatie gekomen (Tallon-criterium); hoe zit het met de afscherming van de informant en

    – wat zijn de gevaren.

    Ook vonden er gesprekken plaats met de informant waarbij één en ander werd afgecheckt en gecontroleerd met als doel te kijken of de aanvang van de zaak naar Nederlandse begrippen rechtmatig was.

    Door coördinatie en veredeling van de gegevens trachtte de NCID helder te krijgen voor wie de partij bestemd was. Verder onderzocht de NCID in welke regio het zwaartepunt lag voor een eventuele actie.

    Met de buitenlandse dienst werden de mogelijkheden bezien van het organiseren van een transport.

    Afhankelijk van het resultaat van de NCID-werkzaamheden werd er door die dienst een RCID benaderd waarmee de mogelijke zaak werd doorgesproken. Bij gebleken mogelijkheden om tot aanpak te komen, veelal afhankelijk van de betrokkenheid van regionale subjecten, werd er een bespreking belegd tussen de buitenlandse dienst, de RCID en de NCID waarbij alle ‘ins en outs’ werden besproken.

    Door de RCID werd de zaak besproken met het OM, in enkele gevallen in aanwezigheid van de NCID.

    Na verkregen instemming van het OM werd aan de informant/infiltrant toestemming verleend om door te gaan met onderhandelingen met de criminele organisatie.

    In de onderhavige gevallen werd de informant in Nederland door de NCID in samenwerking met de RCID gerund. Dit runnen gebeurde onder leiding en verantwoordelijkheid van de RCID. De NCID bracht hierbij ervaring in en zorgde voor landelijke coördinatie.

    De hiervoor beschreven gekozen werkwijze bevorderde:

    – de mogelijkheid van coördinatie (zoeken van aansluiting bij lopende onderzoeken of

    – actieve CID-subjecten);

    – de kwaliteit van aanpak en opbouw van expertise;

    – de eenduidigheid in de internationale samenwerking en

    – de mogelijkheid tot toetsing door het OM.

    Ten tijde van deze trajecten werd de methode verfijnd. Zo werd gebruik gemaakt van een tussentijdse opslag om ‘zover mogelijk’ de partij te controleren. Onkosten van de informant en kosten van het transport werden in enkele gevallen door de criminele organisatie betaald. Met verschillende wijzen van overgave werd de partij het criminele milieu ingebracht met als doel inbeslagneming van de verdovende middelen en aanhoudingen van personen uit de organisatie op een zo hoog mogelijk niveau. Met andere woorden: met een relatief gezien kortstondige onderzoeksinvestering een criminele organisatie in Nederland ontmantelen.

    De toepassing van de betreffende methodiek vond plaats in de zogenaamde ‘gesloten CIDfase’. Met andere woorden: Het gehele voortraject van onderhandelingen, overname, transport, invoer en aflevering werd buiten de stukken gehouden. Afspraken met de buitenlandse opsporingsdienst speelden hierbij een belangrijke rol (gevaarzetting buitenlandse informant/ infiltrant en afscherming toepassing methodiek).

    Met de verkregen informatie werd gekeken of er een tweede start gemaakt kon worden waarbij de gesloten CID-fase werd afgeschermd. De tweede start was bijvoorbeeld: elders daadwerkelijk binnengekomen informatie of informatie op een loods of vrachtauto.< /P>

    De afgeschermde informatie diende niet tot bewijs en speelde dus ook geen rol bij de behandeling ter zitting.

    Proefzending/ doorlevering

    Al vrij snel in de ontwikkeling van de gecontroleerde aflevering werd de informant (en dus ook de politie en justitie) geconfronteerd met het gegeven dat in een aantal gevallen de organiserende criminele organisatie, voorafgaand aan de grote zending, eerst een hoeveelheid van geringe omvang wilde laten komen. Doel hiervan was de route en de smokkelmethode te testen, de z.g. ‘lijntester’ of ‘proefballon’.

    Ook werd de politie in de tachtiger jaren geconfronteerd met het gegeven dat een criminele organisatie, vooruitlopend op een zending hard drugs, de lijn wilde testen door middel van een zending soft drugs. Het ging bij deze lijntesters om zaken van enkele tientallen of honderden kilo’s en niet om tonnen.

    Bij het met toestemming van het OM laten doorgaan van die ‘lijntesters’ bleek dat daar enkele voordelen aan zaten. Wanneer de afscherming, dus de start van de feitelijke zaak goed was geregeld, groeide het vertrouwen in de informant. Ook kreeg de politie bij het observeren van de aflevering van de lijntester een beter zicht op de werkwijze en de organisatie.

    2.5.5.2. Verschijningsvorm

    Gecontroleerde afleveringen kunnen in drie hoofdgroepen onderscheiden worden, namelijk:

    1. ze worden door een criminele organisatie georganiseerd, begeleid en uitgevoerd;

    2. ze worden door een criminele organisatie georganiseerd, terwijl de politie het transport uitvoert;

    3. ze worden door een criminele organisatie georganiseerd, zonder begeleiding of uitvoering door de criminele organisatie.

    ad 1

    ad 2

    ad 3

    Tot de eerste categorie behoren transporten die worden uitgevoerd door een koerier, eventueel in samenwerking met een begeleider of onder supervisie van een controleur van de criminele organisatie.

    Tot de tweede categorie behoren transporten die, bijvoorbeeld door toedoen van de informant/ infiltrant, in de omgeving van hetbronland in handen gespeeld worden van de politie, die er vervolgens voor zorgt dat die op het grondgebied van het andere land in handen gespeeld worden van de criminele organisatie.

    Tot de derde categorie behoren transporten, die als reguliere vracht over zee, weg of door lucht worden verzonden zonder begeleiding van de criminele organisatie. Het voordeel bij deze transporten is dat er maatregelen genomen kunnen worden, bijvoorbeeld ter controle, beveiliging of bewijsvoering. Hierbij kan men denken aan het traceren van de goederen, het gedeeltelijk vervangen van de illegale goederen of tijdelijk opslaan ter controle in een politieloods om de partij op een gepast moment weer terug te brengen op de route naar de bestemming binnen het criminele milieu.

    Formele wetgeving op het gebied van gecontroleerde afleveringen bestaat in Nederland niet. Wel wordt de gecontroleerde aflevering toegestaan en bestaat er vanaf 1981 op dit terrein jurisprudentie. Voorts heeft Nederland zich verdragrechtelijk verplicht de methode te accepteren (Verdrag van Wenen tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen. Geratificeerd 1993).

    De richtlijn infiltratie van 20 februari 1991 zegt met betrekking tot de gecontroleerde afleveringen het volgende:

    ‘Teneinde criminele samenwerkingsverbanden bloot te kunnen leggen, zijn veelal andere opsporingsmethoden dan de gebruikelijke noodzakelijk. Eén van die methoden is de zogenaamde ‘gecontroleerde aflevering’, waarbij de opsporing zich niet beperkt tot de aanhouding van degenen die in het bezit zijn van bijvoorbeeld verdovende middelen of vuurwapens.

    Deze richtlijn onderscheidt twee vormen van gecontroleerde aflevering. Eén waarbij de politie zich beperkt tot observatiewerkzaamheden en één waarbij sprake is van koeriers-diensten verricht door infiltranten, werkzaam onder regie van justitie en politie.’

    Naast de voorwaarden die door de richtlijn gesteld worden m.b.t. infiltratie, moet de gecontroleerde aflevering ook nog voldoen aan de volgende voorwaarden:

    de afspraken m.b.t. de onderhavige materie tussen de OVJ en de politie moeten schriftelijk worden vastgelegd;

    de aard van de op te sporen feiten moet de toepassing rechtvaardigen en andere meer gebruikelijke opsporingsmethoden moeten onvoldoende effectief geacht kunnen worden. In algemene bewoordingen gesteld is gecontroleerde aflevering toelaatbaar te achten in die gevallen waarin concrete aanwijzingen bestaan, dat er sprake is van gepleegde of nog te plegen misdrijven die tot de georganiseerde- of beroepscriminaliteit gerekend kunnen worden en van ernstige misdrijven die om bepaalde redenen niet of zeer bezwaarlijk, verantwoord, door middel van andere opsporingsmethodieken opgespoord kunnen worden en de waarborgen waarmee de gecontroleerde aflevering wordt omkleed dienen de lichamelijke- en morele risico’s voor de infiltrant tot aanvaardbare proporties te beperken.

    2.5.6. ‘U-bocht constructie’

    Met regelmaat wordt door informanten ter zake ernstige vormen van criminaliteit essentiële informatie geleverd. Informatie bijvoorbeeld uit de kern van het criminele samenwerkingsverband of informatie op een concreet ernstig delict. Vaak betreft het informatie die vermoedelijk de informant alléén (of nog met een enkele ander) kan weten. Mogelijk is het gehoord van een directe relatie/ partner, of men is getuige geweest van het delict. Wanneer de betreffende informatie in de regio, waar deze is binnengekomen, operationeel gemaakt wordt, (vaak waar de informant woont) kan door criminelen de relatie naar de informant gemakkelijk worden gelegd. In dit soort gevallen zou deze informatie, anders dan ‘sturingsinformatie’ niet gebruikt kunnen worden. Zou de informatie wel gebruikt worden ter oplossing van het delict, dan loopt de bron kans bloot gelegd te worden.

    Ten behoeve van de opsporing werd door CID’ers toch geprobeerd deze informatie operationeel te maken. Al lerende is op deze wijze, in verband met de noodzakelijke afscherming de zogenoemde ‘U-bocht constructie’ ontstaan.

    Deze houdt in dat de CID waar de informatie binnengekomen is deze informatie aanbiedt aan een andere CID in het land. Deze maakt een CID-informatie rapport op waardoor de schijn gewekt wordt dat de informatie in laatstgenoemde regio is binnengekomen.

    Doel van deze handelwijze is niet het opwaarderen van informatie, zoals door sommige gedacht wordt, maar het afschermen van de bron middels afscherming van de naam van de oorspronkelijke CID.

    Sinds enkele jaren wordt bij de toepassing van deze methode de informant daadwerkelijk ingeschreven bij de regio die de informatie uitgeeft. Tot 1996 heeft de NCID, gemiddeld 150 keer per jaar, de verschillende regio’s geassisteerd met ‘U-bocht constructies’. Door de Rechercheschool werd in de CID-cursus aandacht besteed aan de toepassing van deze en soortgelijke methodieken.

    Bij de eerder besproken enquête op de themadagen CID van 1994 vond 92 % van de aanwezigen het acceptabel om informatie via een andere CID exploitabel te maken om zodoende een informant af te schermen.

    Als gevolg op de ontwikkelingen binnen de rechtspraak wordt op dit moment de ‘U-bochtconstructie’ nog maar beperkt gebruikt.

    In grotere zaken gebeurde het dat men deze ‘simpele’ vorm van ‘U-bocht constructie’ niet kon hanteren. De informatie was bijvoorbeeld te concreet op een organisatie of transport. Om toch een zaak te kunnen starten werd in sommige gevallen bestaande informatie elders gezocht. Bijvoorbeeld: Over de betreffende crimineel of criminele organisatie lag in een andere regio of een ander land andere informatie. Deze informatie werd dan gebruikt als aanleiding om de zaak op te starten om zodoende de informatie of een voortraject (de zogenoemde gesloten fase) af te schermen.