• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Feitelijke situatie en werkwijze Kennemerland – Informanten

    4. Informanten

    In hoofdstuk II is de ontwikkeling van het werken met informanten en de groei naar infiltratie beschreven.

    Een groot deel van deze paragraaf wordt besteed aan de beschrijving van de daadwerkelijke werkzaamheden van de RCID met betrekking tot haar informanten. Zo wordt een aantal facetten van de wijze van runnen van informanten door de RCID Kennemerland uitvoerig belicht.

    4.4.1. Aantal door CID Haarlem/RCID Kennemerland gerunde informanten

    In deze paragraaf wordt ingegaan op het mogelijke aantal door de CID Haarlem/RCID Kennemerland gerunde informanten. Het vaststellen van dit aantal werd ernstig bemoeilijkt door het ontbreken van een informantenregister bij de CID Haarlem/ RCID Kennemerland.

    Derhalve is door het Fort-team op de volgende wijze getracht een compleet beeld van het aantal gerunde informanten te krijgen:

    -De runners c.q. begeleiders en leidinggevenden van de RCID Kennemerland werden gehoord;

    -De administratie van de RCID Kennemerland werd in zijn geheel doorgelicht, waarbij de in die administratie voorkomende informanten werden geteld en

    -Door de interim-chef van de RCID Woest werd een lijst van hem bekende informanten samengesteld.

    Hierbij wordt opgemerkt, dat bij het tellen van de informanten, het Fort-team zich heeft beperkt tot die informanten van wie er vier of meer CID-informatierapporten aanwezig waren.

    Om inzicht te krijgen in het aantal informanten heeft Woest alle runners laten bevragen welke informanten bij de RCID Kennemerland stonden ingeschreven. Van deze inventarisatie is een lijst samengesteld die aan de teamleiding ter beschikking is gesteld. Het betreffen enige tientallen informanten van veelal lokale betekenis.

    In tegenstelling tot hetgeen Langendoen had aangegeven bleek, dat er geen centraal informantenoverzicht en informantendossiers in de administratie van de RCID aanwezig waren. Deze waren wel decentraal aanwezig in IJmond en Haarlemmermeer. Er heeft geen (fysieke) overdracht van informantengegevens van Langendoen aan Woest plaatsgevonden.

    Bij de openbare verhoren van de PEC suggereerde Van Vondel, dat er wel informantendossiers bij de RCID Kennemerland aanwezig waren. Van Vondel verklaarde:

    Ik werk alleen met informanten, die expliciet ingeschreven staan in de informantendossiers. Anders is het geen informant.”

    Het Fort-team heeft de beschikking gekregen over de RCID gegevens van de regiopolitie Kennemerland. Buiten de handmatige administratie was een kopie van de geautomatiseerde RCID-bestanden bij het team aanwezig. De benodigde passwords werden aan het team verstrekt.

    In deze systemen zijn door middel van zoekslagen en kernwoorden gegevens bevraagd. Hierbij is o.a. vastgesteld dat in de onderzoeksperiode 473 informatieverstrekkers werden benoemd. Van 154 informanten werden vier of meer CID-informatierapporten aangetroffen.

    Het Fort-team heeft uitvoerig onderzoek gedaan naar achtergronden van de informanten en de wijze waarop zij gerund werden. Verklaringen werden vergeleken en in een aantal gevallen werd met informanten gesproken. De hieruit voortvloeiende gegevens zijn bekeken en vergeleken met de bestanden -zoals de lijst van Woest, de computergegevens van de RCID Kennemerland en de CID-informatierapporten- die het team ter beschikking stonden. De uitkomst van dit onderzoek naar de informanten heeft bijgedragen aan de bevindingen van het Fort-team. Een publieke weergave van -de achtergronden van- deze personen bleek niet verantwoord.

    4.4.2. Omgang informanten

    4.4.2.1. CID-ethiek

    In 1985 verscheen de eerste regeling op het gebied van CID-werkzaamheden, te weten de ‘Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden’. Hierna volgden de ‘CID-regeling’, ‘Richtlijnen infiltratie’ e.d. De betreffende regelingen staan uitvoerig beschreven in hoofdstuk II. In deze regelingen werd een aantal algemene rechtsbeginselen, normen en voorwaarden volgens welke de CID-werkzaamheden verricht moesten worden, geregeld. Deze beginselen werden besproken op, onder andere, de themadagen voor RCID-coördinatoren. Ook werd op de CID-cursus te Zutphen aan deze onderwerpen aandacht besteed.

    In juni 1995 werd door de RAC het rapport ‘Ethische aspecten van CID-werkzaamheden’ uitgebracht. In het rapport wordt invulling gegeven aan de ethische code door het stellen van 41 regels. Het gestelde in de normatief getoonzette regels is niet nieuw. De meeste van deze regels zijn ongeschreven normen die al jaren zouden moeten worden toegepast in de CID-praktijk. Enkele van deze 41 gedragsregels die betrekking hebben op onderwerpen die in de navolgende paragrafen en in enkele andere hoofdstukken behandeld worden zijn:

     

    -Onder alle omstandigheden worden informanten door twee CID-rechercheurs gerund;

    – Met informanten worden geen privé-contacten onderhouden;

    – Bij informanten mogen geen verwachtingen worden gewekt die niet kunnen worden waargemaakt overeenkomstig geldende regelingen of uitdrukkelijke in overleg met het OM gemaakte afspraken;

    -Informanten worden niet uitgelokt tot het plegen van strafbare handelingen;

    -Tussen informantenrunners en informant bestaat een relatie waarbij door eerstgenoemde steeds de nodige afstand wordt bewaard;

    – De politie voert de regie over het optreden van de informant;

    -Bij het regisseren van de informant staan controleerbaarheid en beheersbaarheid voorop;

    – Binnen een CID wordt gewerkt met ‘open vizier’;

    -Binnen een CID wordt alle informatie en worden alle (ambts) handelingen schriftelijk vastgelegd. Datzelfde geldt voor gemaakte werkafspraken;

    – De directe chef van informanten-runners is tevens hun ‘controller’;

    -De directe chef van informanten-runners runt zelf geen informanten;

    -De informant blijft steeds verantwoordelijk voor zijn eigen daden;

    -Een burgerinfiltrant verricht geen strafbare feiten dan na voorafgaande toestemming van het openbaar ministerie;

    – Van dezelfde informatie worden geen dubbele bronnen gecreëerd;

    -Informatie moet terug te leiden blijven naar de oorspronkelijke bron;

    -Het classificeren van informatie dient volgens de geldende normen te geschieden; om dit te bewerkstelligen vindt controle van de classificatie plaats door een andere functionaris dan diegene die de informatie verwierf;

    -Een zo groot mogelijke informatie-discipline moet worden nageleefd. Bij de informatieverstrekking het zgn. ‘need to know’-principe.

    De ethische code gaat op enkele punten verder dan de nog steeds geldende ‘Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden’

     

    4.4.2.2. Communicatie, terugkoppeling en ‘need to know’

    Uit de diverse verklaringen van de CID-medewerkers bleek, dat er geen duidelijkheid en eenheid van werken was met betrekking tot de omgang met informanten.

    Schafstall verklaarde hierover dat dagelijkse activiteiten van de runners door hen zelf werden bijgehouden in een eigen administratie. Een chef had daardoor geen zicht op deze werkzaam-heden. Men besprak pas een zaak als er problemen waren ontstaan. Ook over de informanten werd nauwelijks gesproken, met name niet over de kwaliteit van de informant.

    Ook Meester maakte hiervan melding:

    “Er waren geen afspraken over het runnen, verslaglegging, afspraken met informanten en de door deze gegeven informatie….. Er was wel een journaal doch hoe dit ingevuld diende te worden en hoe daarmee omgegaan diende te worden werd mij niet gezegd. Dit journaal werd te hooi en te gras bijgehouden. Je kon daarin niet terug vinden wat er nu werkelijk met informanten was besproken en welke afspraken er waren geraakt. ieder deed dat op zijn eigen manier.

    Door gebrek aan communicatie binnen de RCID-Kennemerland ontstond er een situatie waarin de runners min of meer zelf konden bepalen hoe ver zij met een bepaalde informant wilden gaan. Door de wijze van administreren was het niet mogelijk hen te controleren.

    Giesberts verklaarde hierover:

    “Wij hebben toen tegen hem (opmerking: hierbij wordt een informant bedoeld) gezegd, dat hij alles wat hij verdiende met zijn criminele activiteiten mocht behouden. Dit was conform de toenmalige manier van werken binnen de RCID Kennemerland. Ik heb dit aan ook niet besproken binnen de RCID.”

    Door het ontbreken van communicatie binnen de RCID wisten de runners binnen de RCID van elkaar niet met welke zaken en/of informanten men bezig was. Er was in feite sprake van een gesloten CID binnen de RCID. Dit gold met name voor de werkzaamheden van Van Vondel en Langendoen, waarvan kennelijk niemand op de hoogte was. In mindere mate behoorden ook Van Tol en J. Mettes tot deze ‘gesloten CID binnen de RCID’

    Limmen verklaarde daarover:

    “Eigenlijk wisten wij niet, waar de collega’s mee bezig waren, zeker niet met welke informanten. Het was dus heel goed mogelijk, dat een informant van ons in een bepaalde criminele organisatie werkzaam was tegelijkmet een informant die door één van mijn collega’s werd gerund.

    Ook Visser en Koops verklaarden dienovereenkomstig.

    Mede door het niet aanmelden van informanten en trajecten bij de NCID, zie hoofdstuk III, was het ook voor andere instanties of politiekorpsen onbekend of een informant in Kennemerland werd gerund of niet. Hierdoor was het mogelijk dat een informant in meerdere politieregio’ s actief was.

    Bij de PEC verklaarde Van Vondel over deze afscherming: De voorzitter:

    “Als runner houd je toch rekening met het belang van de informant? Als ik u goed begrijp, is het allerbelangrijkste dat die man afgeschermd is en blijft. Toch?”

    De heer van Vondel:

    “Ja. ik heb als politieman namens de Staat der Nederlanden die man de absolute garantie gegeven dat hij anoniem blijft dus dat zijn persoonlijke identiteit nooit, maar dan ook nooit boven water komt. Dat heb ik als politieman gedaan, namens de Staat der Nederlanden.”

    Koops verklaarde dat Langendoen niet wilde dat informanten werden doorgegeven aan het landelijke systeem, aangezien hij daar pertinent tegen was.

    Burger verklaarde:

    “De informanten werden niet aangemeld bij de (L)NCID. Dit had te maken met de wijze waarop de (L)NCID de informanten registreerde. Tijdens onze vergaderingen is daarover een aantal keren gesproken en besloten om onze informanten niet aan te melden. Dit omdat met name ‘Haarlem’ bang was dat men door de wijze van registreren van de (L)NCID toch achter de identiteit van de informant kon komen.”

    4.4.2.3. Eén op één runnen

    In de ‘Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden’ van 1985 worden richtlijnen gegeven met betrekking tot de omgang van informanten. In paragraaf 3.2.2. van deze regeling wordt gesteld:

    ‘Ontmoetingen met informanten geschieden in principe door twee politieambtenaren. Voor het maken van een afspraak die van deze regel afwijkt, is toestemming vereist van de afdelingschef

    Ondanks de ruimte die deze regel overlaat, werd op de Rechercheschool tijdens de CIDcursus gepropageerd, dat gezien de risico’s die het werken met informanten met zich meebrengt, het runnen van informanten altijd door twee personen dient te geschieden. Ook de ethische code van de CID stelt:

    ‘Onder alle omstandigheden worden informanten door twee CID-rechercheurs gerund (‘dubbel runnen’)”‘

    In zijn verhoor bij de PEC verklaarde Langendoen op de vraag of alle informanten door twee runners gerund werden:

    “Dat is correct. Dat is ook gebeurd. Dat is altijd gebeurd. Er kan wel één naam op een formulier staan. Eigenlijk zou dat een verschrijving kunnen zijn, maar binnen de RCID… Als ik hiervoor een verklaring moet geven: binnen de RCID-Kennemerland werden alle informanten met twee man gerund. Ik ben er zeker van. Alleen, u confronteert mij met een formulier dat u kennelijk heeft aangetroffen waar één naam op staat. Ik probeer daarvoor een verklaring te geven. Daar zijn uiteraard uitzonderingen op. Als het gesprek telefonisch gaat, zit er maar één man die het gesprek opneemt. Maar als wij het hebben over een lijfelijk gesprek> dan zijn er altijd twee mensen.” (opsomming van meerdere antwoorden door Langendoen gegeven op vragen van leden van de PEC)

    Bij onderzoek van de geautomatiseerde bestanden van de RCID Kennemerland bleek dat ruim 1500 CID-informatierapporten waren opgemaakt waarop slechts één rapporteur werd vermeld. Enkele runners van de RCID kwamen daarbij opvallend vaak voor. In onderstaande tabel zijn die personeelsleden weergegeven die meer dan 100 keer alleen vermeld stonden op een CID-informatierapport.

    Tabel:

    Aantal CID-informatierapporten waarop men alleen staat vermeld (onderzoeksperiode 1991 -1995)

    Weergave per rapporteur indien aantal rapporten >100

    180

    bron: Moederbestand

    Vooral opvallend is het hoge aantal CID-informatierapporten van Van Vondel die verantwoordelijk is voor bijna éénderde van alle informatierapporten die door één rapporteur werden opgemaakt.

    Hierdoor ontstaat het vermoeden dat door runners bij de RCID Kennemerland informanten hetzij alleen, hetzij telefonisch werden gerund.

    Bij de PEC verklaarde Van Vondel hierover:

    Van Vondel:

    “Mijnheer Van Traa, u doet nu voorkomen alsof het normaal zou zijn. ik spreek over incidenten. Als ik in al die jaren duizenden gesprekken gevoerd heb, zal het best een paar keer voorgekomen zijn dat ik iemand telefonisch gesproken heb. Dat was echter geen regel. U moet het niet uit het verband trekken.

    De Graaf:

    “Wij kunnen wel vaststellen dat u nooit een informant, anders dan telefonisch, alleen hebt gesproken? Dat heeft u altijd met een ander gedaan?

    Van Vondel:

    “Het is verplicht dat je dat met zijn tweeën doet.”

    De Graaf:

    “Het is nooit voorgekomen dat daarop een uitzondering werd gemaakt.”

    Van Vondel:

    “in al die jaren is het misschien één of twee keer voorgekomen maar dan was het voor onbelangrijke zaken.’

    Uit de verschillende verhoren van runners van de RCID Kennemerland is gebleken dat het runnen van informanten in beginsel door twee runners gebeurde. Enkelen hebben verklaard dat het in de praktijk wel eens anders was. Zo verklaarde Meijer:

    “Ik weet dat er een aantal zaken problemen hebben gegeven omdat de informant door slechts één runner was benaderd. Thans is dit niet meer het gevaL Het is de runners verboden om informanten alleen te benaderen.”

    Dit wordt ondersteund door de verklaring van Limmen.

    Giesberts heeft verklaard dat nadat Ferwerda in juni 1993 met zwangerschapsverlof ging hij tot eind 1993 alleen gewerkt heeft. Dit verklaart mogelijk het hoge aantal CID-informatierapporten waarop Giesberts alleen voorkomt. Kennelijk heeft hij dus ook alleen informanten gerund.

    Een andere verklaring voor het feit dat rapporteurs alleen werden vermeld op CID-informatierapporten kan zijn dat er informanten telefonisch werden gerund. Zowel Limmen als Van Tol verklaarden dat er binnen de RCID Kennemerland telefonisch werd gerund. Dat was overigens bij veel RCID’en in die tijd niet ongebruikelijk. Een te hoge werkdruk, of het plotseling moeten benaderen van een informant kon daarvoor de oorzaak zijn.

    In het saptraject is bekend geworden dat Sapman vaak ‘alleen’ gerund werd door Van Vondel. Van Vondel is zelfs ‘alleen’ met Sapman en Sapvrouw naar Marokko afgereisd.

    4.4.2.4. Vergaande sturing informanten/infiltranten

    Volgens art. 47 lid 1 onder ten 20 Sr worden als daders van een strafbaar feit gestraft zij die door giften, beloften, misbruik van gezag, geweld, bedreiging, of misleiding of door het verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen het feit opzettelijk uitlokken.

    Bij het runnen van informanten/infiltranten zijn per definitie geen garanties te verkrijgen over de vraag of de informant/infiltrant al dan niet uitlokt.

    Bij de sturing van informanten/infiltranten dient te worden gehandeld met inachtneming van beginselen van proportionaliteit, subsidiariteit, zorgvuldigheid en controleerbaarheid, maar ook met inachtneming van het ‘Tallon-arrest’ (HR 4 december 1979, NJ 1980 m.n.t. ThWvV) waarin de Hoge Raad heeft overwogen dat de informant’ infiltrant een verdachte niet tot andere handelingen mag brengen dan die waarop zijn opzet reeds was gericht

    Van Capelle verklaarde dat hij wist dat er in de ‘Delta-methode’ sprake was van de inzet van een informant en dat deze inzet niet wettelijk geregeld was. Hij verwees verder naar het ‘Tallon-arrest’. Hij verklaarde:

    en heb heel uitdrukkelijk met Onno de genoemde criteria besproken, wilde ik verantwoording dragen voor de voortgang van de methode… Op mijn vraag antwoordde Onno dat er geen sprake was van uitlokking Gezien de harde juridische Tallon-criteria waren wij afhankelijk waarvoor de informant benaderd zou worden en op welk moment. Wij konden daaraan geen sturing geven, uitlokking is immers -en terecht- strikt verboden.”

    In het XTC-traject beschikte de RCID Kennemerland, over een infiltrant die zeer dicht tegen de betreffende groepering aan zat. Het laten onderscheppen van verdovende middelen (XTC) welke verborgen zaten in die tankauto zou, zo meende men, vrijwel zeker, aan de criminele groepering, de identiteit van het informatieve contact blootleggen. Dit betekende dat in dit traject de afscherming van de infiltrant een tactisch vervolg van het traject in de weg stond. (Zie hoofdstuk VI)

    In ditzelfde XTC-traject regelde de infiltrant een chauffeur en de vrachtauto. Ook regelde hij het aanbrengen van de bergplaats in de vrachtauto.

    Van der Veen verklaarde daarover:

    “Toen men eenmaal met de beschikbare informatie bij Lith en mij kwam hebben wij gemeend dat dit traject een begaanbaar pad was, zij het dat het feit dat de informant zelf een auto en een chauffeur geregeld had mij niet beviel. ik meende dat we dan in de sfeer van uitlokking terecht kwamen. Bovendien zou bij een tactisch onderzoek de vrachtauto op de informant te herleiden zijn geweest. Ik heb daarom de voorwaarde gesteld dat deze auto en deze chauffeur er uit moesten Daarna hoorden we in een vergadering van 16 maart 1993 van Langendoen en van Vondel dat de informant had gemeld dat de chauffeur weigerde er uit te stappen… Hoewel ik als voorwaarde had gesteld dat de chauffeur en de auto er uit moesten heb ik toen geaccepteerddat verder werd gegaan met dezelfde auto en dezelfde chauffeur.”

    Dat er binnen het OM verschillend werd gedacht over hoe ver men in bepaalde trajecten kon gaan blijkt uit de verklaring van IRT OVJ Franken van Bloemendaal:

    Nadat ik weg was uit het IRT is het full speed doorgegaan in de richting die ik niet voorstond. En toen kon het kennelijk…. Ik vind dat je het als Nederlandse overheid niet kunt maken om XTC pillen naar Engeland te sturen terwijl je de Engelse overheid dat niet vertelt. Ik vind dat je dat niet kunt maken. Dat heb ik destijds ook zo tegen Lith gezegd. Dat is het uitlokken van in feite een vijfde Engelse zeeoorlog. Als dat boven water komt dan zijn de rapen gaar.

    Ook tussen Van Kastel en Augusteijn bestonden verschillen van mening. Toen Augusteijn aan Van Kastel de ‘Delta-methode’ had uitgelegd verklaarde Van Kastel

    “Toen ik dit verhaal had gehoord, zei ik dat wij alleen geen controle hadden over het planten van het spul en het op roken. Verder hadden wij het hele verhaal onder controle. Ik zei, dat er geen crimineel meer aan te pas kwam, alleen maar de informant en wij als politie. Augusteijn was het daar niet mee eens en hij zei, dat wij alleen maar de faciliteiten leverden, en dat het verder een zaak van criminelen was.

    Van Kastel meende kennelijk dat er een te vergaande sturing van de infiltrant plaats vond.

    Lith verklaarde met betrekking tot de ‘groei-informant’ binnen het IRT als volgt:

    “U vraagt hoe ik weet dat door de groei-informant geen uitlokking werd gepleegd. Natuurlijk weet je dat nooit. Maar ik heb altijd gehoord dat de criminele organisatie zelf bestelde in Zuid-Amerika.

    Het is geen informant die bewust erin gestuurd is, maar al contacten had met de criminele doelgroep…

    Ook op 20 januari 1993 is nog eens door Langendoen bevestigd dat er op geen enkele manier sprake mocht zijn van sturing, in dat geval toen, op hard drugs.”

    A. de Kievit van de RCID Rotterdam, verklaarde bij de overname van een infiltrant van de RCID Kennemerland:

    “Op onze vraag hoe de informant door hen was geworven, dit om uit te sluiten dat er sprake zou kunnen zijn van uitlokking, werd door Langendoen geantwoord dat zij hem zelf in die positie hadden gebracht maar dat wij in ons traject daaraan geen boodschap hadden omdat de informant inmiddels in een positie was dat hij zelf door criminelen werd benaderd.”

    Limmen heeft verklaard dat er bij de RCID Kennemerland informanten gebruikt werden voor infiltratie en/of acties binnen het criminele milieu. Hij verklaarde

    “Omtrent de werkwijze van de RCID Haarlem kan ik zeggen, dat Langendoen stelde, dat hij in afwijking van wat elders in Nederland gebeurde, de informanten ‘de diepte instuurde’. Dat hield in dat hij concrete opdrachten aan de informanten gaf en hen in een organisatie liet infiltreren.

    Langendoen werd door leden van het Fort-team gehoord over de wijze waarop door hem informant RR IV- 1 gerund werd. Langendoen gaf in dat verhoor aan dat het initiatief bij de informant lag. Deze zou zelf benaderd zijn door criminelen. De informatie van die informant werd besproken met Toeter. Langendoen verklaarde

    Nadat mr. Toeter aan de hand van mijn verklaring ervan overtuigd was dat in deze casus geen sprake was van uitlokking daar het initiatief niet bij de informant lag doch bij de criminelen, ging hij akkoord met een dergelijke

    In dit verhoor werd Langendoen geconfronteerd met het feit dat hij en Van Vondel informant RR IV-1 verzocht zouden hebben te infiltreren in criminele organisaties. Langendoen verklaarde daarover:

    “Indien (informant) tegenover u heeft verklaard dat hij op verzoek van Van Vondel en mij zich heeft geïnfiltreerd in criminele organisaties die zich bezig hielden met de invoer van verdovende middelen, kan ik daarop verklaren dat het beslist niet zo is. (informant) is bij ons gekomen met het verhaal dat hij benaderd was door criminelen…”

    Van Tol verklaarde met betrekking tot het runnen van informant RR W-9 dat deze hem en Mettes gevraagd had of hij voor een crimineel grondstoffen mocht leveren ter vervaardiging van C of speed. Van Tol verklaarde:

    “Me fles en ik hebben toen met Klaas Langendoen besproken of (informant) dat glaswerk mocht leveren. Volgens Klaas kon dat. Klaas heeft hierover contact gehad met naar ik aanneem onze CID OVJ…

    Ook werd deze informant door criminelen benaderd met het verzoek om een XTC-laboratorium voor hen op te zetten. In een bespreking tussen de RCID Hollands Midden en de OVJ F. de Groot werd besloten dit traject met de informant in te gaan. Er werd door De Groot een convenant opgesteld waarin o.a. werd vastgelegd wat de informant mocht doen en wie waarvoor verantwoordelijk was. Door omstandigheden van buitenaf is dit traject uiteindelijk niet doorgegaan (zie hoofdstuk VI).

    Een infiltrant:

    “Ik ben door politie en justitie zwaar in de problemen gekomen. Op verzoek van Van Vondel en Langendoen van de CID Haarlem heb ik mij van het begin af aan naar buiten toe als grote crimineel moeten gedragen om te kunnen infiltreren in criminele organisaties die zich bezig houden met handel in verdovende middelen.. .Nu, achteraf gezien… vind ik dat zij mij te lang hebben laten gaan.”

    Een andere infiltrant verklaarde dat hij, voor zover hij zich kon herinneren, voor vrijwel alle diensten die hij verrichte, ten behoeve van een criminele groepering, toestemming kreeg van of de CID Haarlem of van een andere CID. Wanneer hij geen toestemming kreeg en toch wenste door te gaan zou dat gebeuren voor ‘rekening man’ hetgeen inhield dat men hem wanneer hij gepakt zou worden geen enkele dekking zou kunnen geven.

    Uit de verklaringen van deze infiltrant bleek dat hij vergaande werkzaamheden zou hebben verricht, met toestemming van de RCID, ten behoeve van criminele organisaties. Met betrekking tot het importeren van cocaïne-base verklaarde deze infiltrant:

    “Zelf heb ik voor dat doel een hydraulische pers met roestvrijstalen toebehoren geleverd aan (…). Dit alles met medeweten en toestemming van de dienst in Haarlem.”

    Weer een andere infiltrant verklaarde ten aanzien van zijn runners van de CID Haarlem/RCID Kennemerland:

    “Door (….) en (….) werd gesteld dat ik vrij was in mijn handelen mits zij daarvan door mij op de hoogte werden gesteld. Zij gaven mij dus geen beperkingen, maar zij verlangden van mij dat ik hen van alles op de hoogte stelde. Dit op de hoogte stellen moest het liefst van te voren gebeuren, maar als dat niet ging, zo spoedig mogelijk daarna Zij hebben mij niet verteld, dat ik mij niet schuldig mocht maken aan strafbare feiten Ik kreeg daarbij te horen, dat alles bespreekbaar was, maar zij zouden per geval bekijken wat wel en niet toelaatbaar was

    Verschillende betrokkenen bij OM en politie, maar ook infiltranten verklaarden over de sturing. Niet voor iedereen was duidelijk waar de grenzen lagen. Het is aannemelijk dat Langendoen en Van Vondel bij de sturing ver of zelfs te ver gingen. Binnen de RCID Kennemerland bestond terzake te weinig duidelijkheid. Daardoor lieten runners hun informanten te gemakkelijk strafbare feiten begaan, waarbij niet steeds duidelijk was met welk doel dat gebeurde, hoe dat doel werd nagestreefd en hoe een en ander gecontroleerd werd. Evenmin is duidelijk of men dan telkens niet met een minder vergaand middel zijn doel kon bereiken.

    4.4.2.5. CID-activiteiten in het buitenland

    Tijdens het onderzoek is gebleken dat door de RCID-Kennemerland ook in het buitenland CID-activiteiten ontplooid werden. In Marokko, Libanon, Pakistan, Afghanistan, India, Ghana,Cyprus, Frankrijk, België en Ecuador werden zonder medeweten van de betreffende autoriteiten informatieve activiteiten uitgevoerd. In een aantal landen werd door informanten in overleg met en met toestemming van runners van de RCID-Kennemerland het transport geregeld van partijen verdovende middelen naar Nederland.

    Sapman:

    “Begin oktober 1993 vertelden Joost en ‘Alias’ mij in Haarlem dat de persoon, die door hen voorbereid was om met mij samen te werken in Marokko, (deze persoon zou daar in de Marokkaanse vruchtesapfabriek te voor ons gaan werken en dan informatie kunnen geven omtrent vrachten, hoeveelheden en eventuele bijlading van drugs etc.) ‘vrij gekomen’ was en klaar was om, en ik geef het nu letterlijk weer: ‘Een grondstoffen-fabriek’ in Zuid-Amerika te bouwen…. Op dat moment, begin oktober 1993, kreeg ik dus de opdracht van ‘Alias’ en Joost om een vruchtesapfabriek te starten ergens in Zuid Amerika.”

    Door infiltrant RR IV-9 werd verklaard:

    “Ook heb ik complete tabletmachines en mengmachines opgehaald bij de firma in België. Van deze handelingen waren de betreffende CID ‘en Haarlem en/of Limburg op de hoogte. Daar kreeg ik in alle gevallen, voor zover ik mij dat thans kan herinneren, altijd wel toestemming voor.”

    Door infiltrant RR W-8 werd verklaard dat hij met toestemming van zijn runners van RCID Kennemerland naar het buitenland was gereisd om handelingen te verrichten t.b.v. een verdovende middelen transport. Hij zou daar daadwerkelijk drugs in ontvangst nemen. Dat dit niet geheel zonder risico verliep blijkt uit het volgende citaat.

    “Die bewuste nacht hoorde ik het motorgeluid van een schip en seinde met de lichten van de vrachtauto. Kort hierna hoorde en zag ik helikopters en schepen van kennelijk de kustwacht en/of douane. Ook zag ik op de kust zwaailichten. Ik ben toen op mijn gehuurde brommer gevlucht en de volgende dag afgereisd naar Nederland.”

    Door deze activiteiten in het buitenland liepen de informanten/infiltranten groot gevaar. De verhoudingen tussen soevereine staten konden door deze handelwijze verstoord worden. Verder verklaarde een informant nog:

    “Ik ben in de jaren dat ik contact had met de CID Haarlem, betrokken geweest bij de voorbereiding van een groot aantal verdovende middelen naar Nederland toe…

    Ik regelde deze transporten vanuit diverse landen: Marokko, Libanon, Pakistan, Afghanistan, India en Ghana…

    Ik kan u nogmaals zeggen, dat alle transporten in overleg met de mensen van de CID Haarlem zijn gebeurd…

    Ik heb al mijn werkzaamheden min of meer in opdracht van de CID-Haarlem uitgevoerd.”

    4.4.2.6. Criminele beloningen

    De informanten infiltranten ontvingen voor hun werkzaamheden beloningen uit het criminele milieu. Deze beloningen mochten zij behouden.

    In de ‘Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden’ wordt niet gesproken over het feit dat informanten infiltranten criminele gelden die zij vanuit de criminele organisatie ontvangen, mogen behouden.

    Evenmin is daarin geregeld dat eventueel ontvangen criminele gelden vanuit de criminele organisatie in mindering zullen worden gebracht op ‘tipgeld’, ontvangen van justitie politie (zo de hoogte van het tipgeld al in enige verhouding zou staan tot de hoogte van de criminele beloningen).

    Langendoen verklaarde voor de PEC dat de ‘Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden’ niet van toepassing was op het Delta-traject omdat het een aaneenschakeling van feiten over een langere termijn was en de regeling alleen voorzag in afgesloten zaken.

    De eerste informatie die duidt op behoud van criminele verdiensten dateert van 1991. Uit verklaringen blijkt dat begin 1992 binnen het IRT over dit onderwerp werd gesproken. Zo verklaarde Langendoen met Van Vondel, Augusteijn en Rietkerk te hebben gediscussieerd over de criminele verdiensten. Dat was voordat de eerste containers werden binnen gehaald. Of Lith bij die discussie was, wist Langendoen niet meer.

    De conclusie was dat de informant zijn verdiensten moest afdragen aan justitie en na afloop van het traject een redelijke beloning zou moeten krijgen waarbij gedacht werd aan een miljoen gulden. Langendoen verklaarde op 9 oktober 1995 voor de PEC dat informanten expliciet naar de afdracht van criminele verdiensten waren gevraagd en daarmee akkoord waren gegaan.

    Langendoen verklaarde verder dat hem kort daarop door Lith en/of Augusteijn was terug-gekoppeld dat de verdiensten door de informant behouden mochten worden omdat het risico ook voor hem was.

    “Het OM wilde er niet aan om de verdiensten van de informant over te nemen.

    Langendoen dacht dat deze afspraak nergens was vastgelegd.

    Van Vondel verklaarde voor de PEC dat de informant/infiltrant echt bereid was al zijnwinsten af te dragen. Op de opmerking van De Graaf dat hij dat niet kon toetsen en controleren, antwoordde Van Vondel:

    “Dat is ook voor mij absoluut niet te controleren, maar ik had er wel vertrouwen in.

    Verder verklaarde Van Vondel voor de commissie: “Natuurlijk heeft hij er een paar miljoen aan verdiend.”

    Het gegeven dat de informant verdiende aan de import van containers met verdovende middelen werd door J. Mettes met Van Vondel besproken.

    “Hetgeen Joost mij daaromtrent vertelde en volgens hem ook met het OM was besproken kwam erop neer dat als het zo was dat de informant zijn criminele winst(en) moest afdragen aan justitie, justitie zich dan ook bereid moest verklaren om de door de informant/ tussenpersoon opgelopen schade bij een eventuele inbeslagname van een partij uit te betalen. En dat laatste wilde justitie, aldus Joost, niet.

    Om die reden was in overleg met het O.M. besloten dat de informant/ tussenpersoon zowel de lusten als de lasten voor zijn rekening diende te nemen.”

    Lith verklaarde ooit bij wijze van brainstorming begin 1992 met Franken van Bloemendaal over de criminele verdiensten van de informant te hebben gesproken.

    “We constateerden dat de regelingen op dit punt niet goed waren Als de overheid de criminele verdiensten van de informant zou afromen, zou ook bij eventuele sancties in de richting van de informant, door de overheid betaald moeten worden. Daar voelde niemand voor, omdat dan de overheid als het ware voor criminaliteit betaalt en bovendien een dergelijke claim niet te controleren valt Deze discussie is naar mijn weten daarna nooit teruggekomen, er heeft ook nooit besluitvorming over plaats gevonden.”

    De opvolger van Franken van Bloemendaal bij het IRT, Van Riel, verklaarde dat hem niets bekend was van het behoud van criminele gelden door de informant.

    Met Van der Veen vond, in zijn IRT periode, met Lith opnieuw een discussie plaats over het behoud van de criminele verdiensten door de infiltrant.

    Van der Veen verklaarde daarover

    “Ik ging er van uit dat de informant zijn criminele beloning mocht behouden. Als het met een container fout ging zou hij ook aan de andere criminelen zelf de criminele boete moeten betalen. Er is door Lith en mij over nagedacht of het wel acceptabel was dat de informant zijn criminele beloning mocht houden. Indien wij hem die beloning zouden laten inleveren, zou de overheid hem ook de eventuele criminele boetes moeten vergoeden. Dat laatste achtten wij niet acceptabeL Dus werd er voor gekozen hem ook zijn beloning te laten houden.”

    Kuitert heeft verklaard dat zij van Van der Veen had begrepen dat een IRT-informant het, inhet kader van het IRT-onderzoek verkregen, criminele geld mocht behouden.

    Wortel verklaarde dat hij uit de aanvangsinformatie had begrepen dat de informanten datgene wat zij in de normale gang van zaken verdienden aan de transporten mochten behouden.

    Van Capelle, die Van der Veen in zijn functie als IRT-OVJ opvolgde, verklaarde dat er nooit gesproken was over het door de informant behouden van het geld dat deze verdiende bij de criminele organisatie. Volgens Van Capelle werd de informant per container betaald:

    “Gek is, dat ik over de hele financiële kant nooit gesproken heb. Van de betalingen waren volgens mij wel rapportjes, maar ik heb mij er nooit mee bemoeid hoe het werd bekostigd.”

    Van Kastel deelde mee er geen gelden in het kader van de ‘Regeling tip-, toon-en voorkoopgelden’ aan de informant werden betaald.

    In december 1993 vonden contacten plaats tussen de RCID Kennemerland en de RCID Rotterdam Rijnmond over de inzet van een informant in het ‘Bever’ -onderzoek. Ook het behoud van criminele verdiensten door die informant werd in het overleg besproken.

    De Rotterdamse CID-OVJ De Groot zei:

    “Tijdens deze bespreking heb ik aan Langendoen en Van Vondel gevraagd wat er met de mogelijke verdiensten van de informant zou geschieden. Mij werd verteld dat het OM Haarlem ermee had ingestemd dat de informant de voor zijn werkzaamheden ontvangen verdiensten mocht behouden, waarbij ook de kosten door de informant zouden worden gedragen…

    Omdat mij werd medegedeeld dat het OM Haarlem met deze wijze van betaling had ingestemd en het mij bekend was dat er arrondissementen in Nederland waren, waar dit ook werd gedaan, heb ik mij op het standpunt gesteld dat daarin geen wijziging zou behoeven te worden gebracht.”

    Kuitert die op dat moment de CID-OVJ te Haarlem was ontkende ooit met deze wijze van betaling van een informant te hebben ingestemd en verklaarde tijdens haar eerste verhoor:

    “U vraagt mij of mij bekend is dat bij gecontroleerde transporten van verdovende middelen de informant zijn criminele verdiensten geheel mag behouden. Inmiddels ben ik daarvan op de hoogte. In mijn tijd in Kennemerland als CID OVJ is dat nooit voorgekomen. Ik had mijn toestemming daarvoor beslist niet gegeven. Toestemming is mij daarvoor ook nooit gevraagd.”

    Doordat er geen contact plaatsvond tussen De Groot en Kuitert is het De Groot onbekend gebleven dat Kuitert volgens haar zeggen nooit had ingestemd met het behoud van criminele verdiensten door de informant.

    Zij vond overigens dat deze kwestie besproken zou moeten worden en dat er een ressortelijk standpunt over zou moeten worden ingenomen hetgeen echter niet gebeurde.

    Zoals eerder aangegeven heeft zij echter ook verklaard dat zij van Van der Veen had begrepen dat een IRT-informant wel zijn criminele verdiensten mocht behouden. Later, in de zomer van 1994, ging zij accoord met het feit dat in de zaak met het XTC-laboratorium,zoals beschreven in hoofdstuk VI, de infiltrant zijn criminele beloning mocht behouden.

    De RCID Kennemerland maakte er geen geheim van dat de infiltrant zijn criminele beloningen mocht behouden. Zowel binnen de eigen CID als bij sommige andere RCID’en was dit bij meerdere mensen bekend.

    Assenberg, van de RCID Rotterdam Rijnmond, hoorde van de infiltrant dat Van Vondel zich ook bemoeide met de hoogte van zijn criminele verdiensten met het doel de geloofwaardigheid van de informant te verhogen:

    “Ook heeft Joost regelmatig bij informant er op aangedrongen dat hij aan (de criminele organisatie) meer geld moest vragen. De marktwaarde is in Nederland voor marihuana ongeveer 3 miljoen gulden per ton. Volgens informant levert dit in Engeland het dubbele op. informant zegt soms tonnen voor een partij te hebben ontvangen terwijl Joost hem adviseerde daarvoor veel meer te vragen. Joost sprak hierbij over de geloofwaardigheid van informant.”

    Andere trajecten:

    Uit onderzoek van de CID-administratie van de RCID Kennemerland is gebleken dat er al in 1991 sprake van was dat een informant zijn criminele verdiensten mocht behouden. Het betreffende CID-informatierapport opgemaakt door Van Vondel op 4 september 1991, heeft betrekking op een verdovende middelen-transport:

    “Info draagt onkosten die wij maken over aan ons. Wat overblijft is voor hem.”

    Ook Giesberts verklaarde dat het behouden van criminele winsten door de informant kennelijk gebruik was bij de RCID:

    “Ik heb diverse malen met (…) gesproken over het behouden van criminele gelden. Dit was met diverse collega-runners. Wij hebben toen tegen hem gezegd, dat hij alles wat hij verdiende met zijn criminele activiteiten, mocht behouden. Dit was conform de toenmalige manier van werken binnen de RCID Kennemerland. Ik heb dit dan ook niet besproken binnen de RCID.’

    Straver verklaarde:

    “Met het feit dat in het Delta-traject de criminele winsten door de informant behouden mochten worden werd ik voor het eerst in 1995 geconfronteerd tijdens een informeel gesprek met de commissie van Traa op 30 of 31 mei 1995. Dit naar aanleiding van een vraag van Ton de Graaf hoe het met de beloning van de informant zat. Ik kon die vraag niet beantwoorden omdat ik het niet wist.”

    Ook uit verklaringen van Van den Berg en Menkhorst is gebleken dat zij niet van het behoud van de verdiensten door de informant/infiltrant op de hoogte waren.

    4.4.2.7.

    Betaling van onkosten RCID-Kennemerland door informant/infiltrant

    In het in de vorige paragraaf genoemde CID-informatierapport d.d. 4 september 1991 opgemaakt door Van Vondel was al sprake van het feit dat via de informant de onkosten van de politie werden betaald met crimineel geld.

    In het onderzoek is gebleken dat een aantal informanten geld, voertuigen en apparatuur ter beschikking van de politie heeft gesteld. Met de gelden werden door de CID een aantal directe trajectkosten betaald, zoals invoerrechten en chauffeurskosten. Daarnaast werd met dat geld een aantal minder directe trajectkosten betaald, zoals huur van onroerend goed en zelfs meer of minder reguliere politiekosten zoals aanschaf en exploitatie van vervoermiddelen en verbindingsmiddelen.

    Door Langendoen is hiervan, een overigens volstrekt ontoereikende, financiële verantwoording opgesteld die in hoofdstuk VII wordt besproken. In dat hoofdstuk wordt nader aan-gegeven hoeveel crimineel geld door de RCID Kennemerland is gebruikt.

    Langendoen antwoordde op 9 oktober 1995 voor de PEC op de vraag of het gebruik van crimineel geld door de politie niet vreemd is:

    “Dat is nieuw, denk ik

    Desondanks besprak hij dit niet met de korpsleiding en het OM.

    Van Vondel bevestigde op 9 oktober 1995 voor de PEC het gebruik van criminele gelden in de CID-trajecten. In zijn beleving was het een keuze geweest van het OM. Van Vondel verklaarde:

    “Geld is mij feitelijk door de handen gegaan. Tonnen.”

    Langendoen verklaarde dat Lith volledig op de hoogte was van de betaling van de loods, vervoermiddelen e.d. door de informant.

    Lith echter:

    “Ik ben ervan uitgegaan dat de gewone kosten die de CID maakte ten behoeve van hun werkzaamheden voorhet IRT door het leve rende korps betaald werden. Dat gold bijvoorbeeld voor het huren van een loods en het betalen van een chauffeur. Als men de kosten voor een politieloods buitensporig had gevonden, had men bij mij kunnen komen en dan was de huur van de loods door mij, via de BOP-pot, betaald Dat criminelen kennelijk voor onkosten van de politie betaalden wist ik dus niet.”

    Van Tol verklaarde dat informanten gedurende een traject auto’s en communicatieapparatuur ter beschikking stelden:

    “Of de informanten stelden dit ter beschikking of Joost en Klaas regelden dat met door informanten beschikbaar gestelde gelden.”

    en:

    “Wel heb ik in dat traject geld van hem (de infiltrant) ontvangen. Ik dacht zo ‘n vijftig- of zestigduizend gulden. Dat geld was nodig, naar ik aanneem voor het huren van een loods, transportkosten en inklaringskosten. Ik herinner mij dat van dit bedrag later een bedrag naar (…) is teruggegaan. Ik herinner mij dat het enkele tienduizenden guldens betrof Hij tekende daarvoor een kwitantie.”

    Met Toeter heeft Langendoen medio 1992 wel eens gesproken over verdergaand rechercheren. Op de vraag aan Toeter of met hem was gesproken over betaling van (politie)kosten door de informant, verklaarde hij dat er besproken zou kunnen zijn dat een informant bepaalde kosten voor zijn rekening zou nemen. Hij denkt dat hij in die situatie gezegd zou hebben dat men daar buitengewoon voorzichtig mee moest zijn om je al te zeer te committeren aan informanten.

    Van der Veen verklaarde voorstander te zijn van dergelijke betalingen door de infiltrant. Van Capelle:

    Vraag:

    “Een ander risico is dat de informant aan de politie financiën ter beschikking stelt om de kosten van de methode te dekken.”

    Antwoord:

    “Dat is niet besproken. ik zou dat absoluut hebben afgekeurd en niet hebben toe ge-staan.”

    Vraag:

    “Weet u of de criminele informant/ infiltrant vanuit zijn criminele opbrengsten financiën ter beschikking stelde van de RCID-activiteiten en daarmee een deel van die activiteiten is betaald?”

    Antwoord:

    “Daar weet ik absoluut niets van. Achteraf heb ik er ook niets over vernomen. Als dat tevoren met mij zou zijn besproken had ik dat nimmer goed gevonden. Mijn algemene opvatting is, dat dit absoluut niet kan. Geld ismacht. Het creëerde afhankelijkheid. Wie betaalt, bepaalt.

    De Groot, CID-OVJ van Rotterdam ging akkoord met betaling van de kosten door de infiltrant, omdat hem werd verteld dat het OM Haarlem hiermee had ingestemd; hij meende dat dit elders ook wel gebeurde. Omdat de RCID Kennemerland feitelijk de informant zou blijven runnen, lag de verantwoordelijkheid hiervoor, aldus De Groot, bij het OM Haarlem. Deze visie is onjuist. Later is door De Groot en de Rotterdamse HOVJ De Wit aangegegeven dat het Rotterdamse OM wel verantwoordelijk was voor deze handelwijze.

    Voor infiltrant RR IV-6 leverden deze kosten geen problemen op. Hij verklaarde: “Over te betalen kosten is tevoren niet gesproken. Ik vond het zelf niet meer dan logisch dat ik die kosten zou betalen omdat ik mijn criminele verdiensten immers mocht behouden.”

    4.4.2.8. Afscherming en afbouw van informanten infiltranten

    De afscherming van informanten infiltranten heeft hoge prioriteit bij CID runners.

    De meeste runners wilden in de verhoren door leden van het Fort-team de identiteit van de door hen gerunde informanten niet noemen. Een enkele runner wilde ook de schuil en/of bijnaam van de informant niet noemen.

    In het belang van het onderzoek was het vaak nodig dat runners aan het Fort-team wel opening van zaken gaven. Een aantal malen werd die openheid bereikt door interventie van de politieleiding of het OM. Eénmaal wilde een runner pas openheid geven indien hij daartoe een dienstbevel zou ontvangen. Desgevraagd is hem dat dienstbevel gegeven. Het Fort-team ondervond deze moeilijkheden ondanks de aanwijzing van de minister van Justitie dat CIDgegevens verstrekt moesten worden aan de leden van het team.

    Binnen de RCID Kennemerland ging men met de afscherming van informanten en trajecten zo ver, dat de collega’s binnen de eigen CID afdeling van elkaar vaak niet wisten, wie met welke informanten en/of trajecten bezig was.

    Bij de afbouw van informanten ontstonden, in de periode 1994/1995, flinke problemen omdat de één na de andere runner binnen de RCID Kennemerland, om uiteenlopende redenen, vertrok. Er bleek niet nagedacht te zijn over een eventuele afbouw van informanten. Dit in tegenstelling tot wat werd beweerd.

    Infiltrant RR 1V-S

    Nadat Van Kastel, in november 1993, te kennen had gegeven dat hij wilde stoppen met de Delta-methode, werd direct aangevoerd dat dat niet kon omdat de infiltrant gevaar zou lopen.

    Begin december 1993, na de opheffing van het IRT, was men bang voor de ontmaskering van deze infiltrant.

    Er volgden berichten in de media waardoor het voor ingewijden niet moeilijk zou zijn om te weten om wie het ging. Er werd voor zijn leven gevreesd. Besloten werd de infiltrant voor zijn eigen veiligheid af te bouwen. Vrakking verklaarde zich voor die afbouw verantwoordelijk te achten.

    Volgens Van der Veen geschiedde de afbouw van het IRT en de infiltrant onder verantwoordelijkheid van het OM Amsterdam maar werd daaraan weinig inhoud gegeven. Het kwam eigenlijk neer op Kuitert die daar veel tijd en energie in stak.

    Van Capelle verklaarde over de afbouw:

    “We moesten voor de afbouw een goede methode bedenken, hetgeen onder andere betekende dat containers, die nog op zee waren alsnog binnen zouden komen.”

    Volgens Van Capelle vond er een paar keer crisisberaad plaats op verzoek van Straver met Van den Berg, Kuitert, Langendoen en hemzelf. Volgens Van Capelle zou Kuitert een aantal activiteiten voor haar rekening nemen.

    Met de afbouw van deze informant, die op verzoek van de RCID ondergedoken was, werden Van Vondel en Langendoen belast.

    Van Vondel die met ingang van 1 februari 1994 met ontslag zou gaan, moest in verband met de afbouw langer -part-time- in dienst van Kennemerland blijven. Door Van den Berg werd een volledige beveiligingsoperatie opgezet. Op 4 maart 1994 vond er met Suyver en Wooldrik een gesprek plaats. Van den Berg verklaarde dat zij bereid waren fondsen ter beschikking te stellen voor een andere identiteit van de infiltrant en diens familie zodat hij op een veilige wijze en middels een cover afgebouwd kon worden. De informant wilde dat echter niet. Kuitert verklaarde:

    ‘Maar hij koos ervoor, geen specifieke veiligheidsmaatregelen van de politie te krijgen. Geen andere identiteit etc.

    De door Van den Berg opgezette beveiligingsoperatie werd vervolgens afgeblazen.

    Toen de infiltrant zei dat hij geen verdere bescherming van de overheid wenste en dat hij zelf voor zijn eigen veiligheid zou zorgen, gold hij begin maart 1994 als gebouwd. Vrakking besloot dat daarmee de bemoeienis van het Amsterdamse OM ten einde was. Hij wist dat Van Vondel part-time ingeschakeld bleef om eventueel nog een enkel gesprek met de infiltrant te hebben.

    Over de laatste fase van de afbouw verklaarde Kuitert, dat de infiltrant geen bescherming wilde. Hij wilde zich er zelf ‘uitvechten’.

    Kuitert herinnerde zich één gecontroleerde doorlevering in de zomer van 1994 van betreffende infiltrant waarbij zij voor het blok was gezet. Toen gold de infiltrant echter al als afgebouwd. Volgens Langendoen moest die partij doorgelaten worden omdat er reeds afspraken over waren gemaakt. Kuitert nam voor die Partij met Van Capelle de verantwoording.

    Hoewel hij (Van Capelle) reeds voor mij gesproken had met de IRT-leiding over het transport, dat toen al ‘en train’ was, ben ik daar mede-verantwoordelijk voor.”

    Ook De Beaufort stemde in met de doorlevering.

    Infiltrant RR IV-6

    Het runnen van infiltrant RR IV-6 door de RCID Kennemerland ten behoeve van Rotterdam leidde tot problemen bij zijn afbouw. In juli 1994 werd al over zijn afbouw gesproken door Van Tol en Lengton. In oktober 1994 werd volgens Langendoen door In ‘t Veld gevraagd de deur nog niet helemaal dicht te doen. Het tactische onderzoek liep nog niet lekker en voor de bewijsvoering zou het eventueel beter zijn indien er nog enkele containers zouden komen. Gevolg was dat men doorging met de infiltrant hoewel Meijer vond dat het project niet langer kon worden voortgezet.

    Het ontbreken van een goed tevoren opgesteld plan van afbouw heeft bij de infiltrant kennelijk tot crisis-situaties geleid. Begin 1995 haakten de Haarlemse runners om uiteenlopende redenen één voor één af terwijl de druk van criminele zijde op de infiltrant om containers binnen te halen, volgens zijn zeggen, steeds groter werd.

    De infiltrant voelde zich door Haarlem in de steek gelaten. Mede als gevolg hiervan vertoonde hij volstrekt onberekenbaar gedrag.

    Gevolg was dat besloten werd beveiligingstrajecten op te zetten.

    Medio 1995 werd afgesproken deze infiltrant aan Rotterdam over te dragen en hem daar af te bouwen.

    Door zijn te lange infiltratietijd bleef de druk op de infiltrant om containers binnen te brengen erg groot, hetgeen de afbouw bemoeilijkte.

    Een beveiligingsaanbod werd door hem afgeslagen.

    Uiteindelijk tekende hij een convenant waarin hij verklaarde in de toekomst geen claims tegen de overheid te zullen indienen. Hiermee was de afbouw voltooid.

    Sapman

    Tijdens een gesprek tussen hoofd NCID Barendregt en Langendoen op 20 september 1994 kwam de afbouw van Sapman ter sprake. Langendoen verklaarde dat Sapman informant was in de ‘bekende IRT zaak’. Tegenover Barendregt verklaarde Langendoen dat hij van plan was Sapman als informant af te bouwen omdat hij te veel met derden over zijn activiteiten sprak. Volgens Langendoen had hij Sapman voor zijn vertrek bij de CID per 1 september 1994 gebeld en gezegd dat hij in verband met zijn aanstaande vertrek geen contact meer met hem zou hebben. Langendoen:

    “Voor mij was hij toen afgebouwd”

    Langendoen verklaarde verder Sapman in het voorjaar van 1995 voor het laatst te hebben ontmoet in verband met achterstallige salarisbetalingen aan zijn zuster. Langendoen:

    “Ik heb hem daarna niet meer gezien. Ik was toen al weg bij de CID en de informant was afgebouwd.”

    Langendoen werd geconfronteerd met de verklaring van Sapman dat hem door de RCID Kennemerland grote geldbedragen waren overhandigd voor de opbouw en afbouw van zijn bedrijf in Ecuador. Langendoen reageerde hierop door te stellen dat Sapman ‘dat loog in al zijn voegen’. Ook verklaarde Langendoen toen niet te weten of Van Vondel na zijn ontslag bij de politie nog contacten met Sapman had onderhouden.

    Op 29 oktober 1995 verklaarde Van Vondel dat hij Sapman in 1995 grote geldbedragen had overhandigd. Dat geld was afkomstig van een andere informant en zou een lening betreffen. Van Vondel verklaarde dat Sapman in Ecuador had vastgezeten en daardoor flink in de problemen was gekomen. Het geld werd Sapman verstrekt omdat hij een risico werd voor het Delta-traject.

    Op 2 november 1995 verklaarde Van Vondel voor de PEC dat Sapman in de loop van 1994 was afgebouwd. Van Vondel verklaarde verder dat Sapman daarna in financiële problemen was gekomen en dat hij risico’s zou kunnen opleveren voor informanten uit het Delta-traject Om Sapman niet in de openbaarheid te laten komen besloot Van Vondel eind 1994 de zaak zo te regelen dat Sapman geen risico liep. Dat leidde tot betalingen door Van Vondel aan Sapman met gelden afkomstig van een criminele bron, een afgebouwde informant uit het

    Delta-traject met wie Van Vondel nog contacten onderhield. Volgens Van Vondel was het geld niet gegeven maar moest Sapman het terugbetalen.

    Infiltrant RR IV-7

    De afbouw van infiltrant RR IV-7 werd noodzakelijk geacht, omdat volgens Van der Veen de infiltrant in gevaar was gekomen. Dit kwam door de publikatie van een telefoongesprek tussen twee politiemensen, waardoor de onderwereld er vanuit ging, dat deze infiltrant de ‘groei-informant’ in de Delta-methode was. Hieruit werd opgemaakt, dat hij zijn leven niet meer zeker was.

    Op 1 augustus 1994 werd door Van den Berg aan Woest gevraagd de afbouw van de infiltrant voor zijn rekening te nemen. In een rapport schreef Woest, dat uit een dreigingsanalyse gebleken was, dat de infiltrant sterk gevaar liep. De door de infiltrant daartoe gestelde feiten konden overigens niet afdoende worden geverifieerd.

    De runner van deze infiltrant werd op aandringen van Kuitert vervangen door een verbindingsambtenaar NCID van de CRI. Dit moest gebeuren omdat volgens Kuitert deze runner, J. Mettes, te weinig distantie hield en omdat hij emotioneel te betrokken bij de zaak was.

    Ambtenaren van de CRI hebben vervolgens de infiltrant afgebouwd, die inmiddels reeds was ondergedoken in het buitenland. Infiltrant legde een zeer hoge financiële claim op tafel omdat, zoals hij stelde, Van Vondel hem beloofd had dat geld geen rol zou spelen ook al zou het tien miljoen moeten kosten.

    Door bemoeienis van De Beaufort en Van Randwijck, met inschakeling van de landsadvocaat en een accountant van de CRI, werd met instemming van de minister van Justitie, op 22 augustus 1994, een regeling getroffen.

    Infiltrant RR IV-9

    Infiltrant RR IV-9 verklaarde dat in 1994 nogal laks op zijn informatie in Haarlem werd gereageerd en dat zijn runners in tegenstelling tot voorheen, moeilijk te bereiken waren. Hij had het gevoel:

    “dat Haarlem hem bij de vuilnisbak had gezet”.

    Ook verklaarde deze infiltrant dat hem tijdens één van de laatste contacten met Haarlem door Van Tol was gezegd dat hij zich moest terug trekken uit alle activiteiten die met een bepaalde criminele organisatie te maken hadden, omdat de RCID daarin niets meer kon doen.

    J. Mettes verklaarde dat deze infiltrant niet is afgebouwd. Hij werd een keer door de infiltrant thuis opgebeld omdat zijn bestaan werd ontkend door de nieuwe chef Woest met inbegrip van de begeleiders. Dit werd J. Mettes later bevestigd door de toenmalige runnersvan deze infiltrant

    Na bemoeienis van Schafstall en mogelijk Snijders had men schoorvoetend toegegeven dat RR IV-9 als infiltrant bekend was. Volgens J. Mettes had men hem gewoon gedumpt.

    Schafstall verklaarde dat bij de RCID in 1994 een soort inventarisatie schifting was gemaakt van de werkzaamheden van diverse informanten. Daarbij bleek dat infiltrant RR IV-9 nauwelijks informatie aanbracht welke voor de eigen regio van belang was. Hij verschafte wel informatie voor andere regio’s en men vond het logisch hem daarom aan een andere regio over te dragen.

    De infiltrant werd uiteindelijk per 1 februari 1995 uitgeschreven bij de RCID Kennemerland en overgedragen aan een andere RCID.

    4.4.2.9. Wie runt wie?

    Bij het runnen van informanten doet zich altijd het dilemma voor: Wie runt wie. In beginsel zijn politie en informant reactief, de criminele organisatie heeft namelijk in beginsel het initiatief.

    De criminele informant speelt altijd dubbelspel. Hij verraadt de criminelen bij de politie. Soms zal hij echter dubbelspel spelen door de politie-activiteiten aan de crimineel bekend te maken, respectievelijk de politie trachten te misbruiken voor criminele doelstellingen. Voor de criminele informant zal zijn eigen belang doorslaggevend zijn.

    De runner als machtsmiddel voor de informant

    Gebleken is dat enkele informanten de betrokken runners, en door hen ook het OM, voor het blok hebben gezet met zaken, die ‘niet meer terug gedraaid konden worden’. Hierdoor kwamen zowel politie als justitie in een haast chantabele positie, waarbij de informant bepaalde, wat er wel of niet gebeurde. Ook oefende de informant (via de runners) druk uit bij het bepalen van het moment waarop hij als informant afgebouwd kon worden of wanneer dat juist niet kon gebeuren.

    Een voorbeeld daarvan speelde in de zomer van 1994. Terwijl infiltrant RR W-5 al was afgebouwd, werden de politie en het OM door hem geconfronteerd met enkele containers met soft drugs. Het OM werd in dit geval onder druk gezet de betreffende partij het milieu in te laten gaan omdat de informant in levensgevaar zou verkeren indien dit niet gebeurde. Kuitert verklaarde daarover:

    “We zaten immers in de situatie dat de informant was afgebouwd maar omdat hij anders dan de afspraken, de politie de Bill of lading in de maag had gesplitst, stelde hij de politie daarmee verantwoordelijk voor het ter beschikking komen van die (rest) partij.”

    Ook Van den Berg werd verrast door de doorlevering van een partij soft drugs op een moment,dat hij dacht dat het ‘Delta’ -onderzoek was gestopt en daarmee ook de gecontroleerde doorleveringen. Van den Berg verklaarde:

    “Het bleek dat mevrouw Kuiten Langendoen verweet, dat zij niet op de hoogte was van de doorlevering van die (….)kg. ij voelde zich ‘gelubd’, voor een fait accompli gesteld, zoals zij dat uitdrukte, omdat zij van mening was, dat besloten was, dat er gestopt zou worden. Er is toen uitgepraat, dat die doorlevering nodig was, ter bescherming van de informant en dat dat traject niet gestopt kon worden, omdat die partij al onderweg was.. ( )… moest worden doorgelaten, omdat geen kans gezien werd deze nog tegen te houden.”

    Ook Gonzales was aanwezig bij de vergadering betreffende deze Partij soft drugs en ervoer dat het OM door Langendoen onder grote druk werd gezet de betreffende partij door te laten gaan en eigenlijk geen enkele keus had.

    “Langendoen gaf toen een exposé over de bedreiging van de informant. Het geheel was nogal beklemmend, de getoonde foto’s, de geschetste risico’s, de daarin opgeroepen sfeer. Het was snikheet, een te kleine ruimte voor het aantal aanwezige mensen, de gegeven informatie door Langendoen, die het geheel nogal dwingend bracht en een beeld schetste dat beangstigend was. Dat geheel riep een Kafka-achtige sfeer op. Jolien Kuitert werd tot haar schrik in die bijeenkomst door Klaas Langendoen overvallen met het gegeven dat hij een Bill of lading had. Jolien voelde zich daardoor in de hoek gedreven.”

    Uiteindelijk werd beslist dat de betreffende partij soft drugs het milieu in zou gaan wat ook gebeurde. Gonzales verklaarde hierover:

    “…maar mijn herinnering is, dat er op dat moment een grote tijdsdruk was. Ik heb het ervaren alsof het mes op de keel werd gezet. De Beaufort ervoer het ook zo Uiteindelijk bleef alleen de keuze over of de ( ) door laten gaan of het leven van de informant in gevaar brengen. Het leven van een mens gaat voor.”

    Ook in andere trajecten werd het OM c.q. de RCID Kennemerland geconfronteerd met containers met verdovende middelen die doorgeleverd moesten worden.

    Langendoen verklaarde, dat een (derde) container, die via de informant RR W-6 werd binnen gehaald problemen met zich meebracht:

    “Hoewel er geen tactisch team gevonden werd, is deze container toch binnen gehaald omdat deze container volgens (de informant) binnen gehaald moest worden en ons voor het blok zette.”

    R. de Groot verklaarde met betrekking tot de afbouw van deze informant, dat de RCID Kennemerland het met de afbouw van de informant eens was, maar dat dit volgens hen nog enige tijd zou vergen, omdat er nog containers met verdovende middelen in de pijplijnzouden zitten.

    Snijders verklaarde naar aanleiding van een gesprek met de informant:

    “Verder bleek mij tijdens dat gesprek dat de afbouw voor het Rotterdamse traject bepaald geen afbouwaspecten had en ik de indruk kreeg dat de informant justitie runde.”

    Sommigen twijfelden. Van Kastel:

    “In de loop der tijd heb ik een aantal keren geopperd, dat de informant misschien wel een dubbelrol speelde en dat de criminelen misschien wel van zijn rol op de hoogte waren. Dit werd altijd ontkend door de CID.”

    Wietzema Menkorst:

    “Het zou mij niet verbazen, als sommige informanten een dubbel rol hebben gespeeld en door criminelen gewoon als informant bij de politie zijn ingezet.

    Wortel:

    “In het ergste geval zou er sprake kunnen zijn van een informant met een dubbelrol; een echte ‘mol’, die ons in opdracht van zijn criminele broodheren aan het lijntje heeft gehouden.”

    De informant als machtsmiddel voor de runner

    Door de runners Langendoen en van Vondel werd regelmatig geschermd met de gevaren, die de diverse informanten liepen. Of deze gevaarzetting voor de informanten reëel was, werd niet gecontroleerd.

    Wietzema Menkhorst verklaarde daarover:

    “Achteraf zet ik ook vraagtekens bij de verhalen die altijd werden gehouden over het ernstige gevaar die sommige informanten zouden lopen. Ik houd het er nu op, dat het gegeven dat informanten (levens-) gevaar liepen en waarmee steeds geschermd werd, gebruikt werd om over zaken geen nadere uitleg te hoeven geven. Een voorbeeld is (RR IV-6). De man zou levensgevaar hebben gelopen. Hoe is het dan mogelijk, dat deze man zich elders in Nederland weer als informant loopt aan te bieden bij CID ‘en ?

    Van Kastel verklaarde:

    “Toen ik begon over het stopzetten van de methode werd er direct aangevoerd, dat dat niet kon, omdat dan (RR IV-5) gevaar zou lopen.”

    Het eventueel gevaar lopen van de informanten werd met name door Langendoen gebruikt om druk uit te oefenen. Van Kastel verklaarde hierover:

    “Toen bekend werd, dat het IRT werd ontbonden werd ik op een avond thuis opgebeld door Klaas Langendoen. Hij maakte mij duidelijk wie er naar zijn mening verantwoorde lijk waren voor het IRT debâcle. In zijn ogen waren dat: Nordholt, Van Riessen en Hij vertelde, dat hij met meerdere mensen uit het criminele milieu contact had gehad en dat zij hem hadden gezegd, dat als een en ander voor hen mis zou gaan, het ook mis zou gaan voor die verantwoordelijken.”

    Eind 1992 gebruikte Langendoen de gevaarlijke situatie waarin een informant zou kunnen komen als reden om Van Belzen en Limmen naar huis te sturen. Hij wilde hierover ook geen nadere uitleg aan zijn directe chef geven, toen deze hem hiernaar vroeg.

    Wietzema Menkhorst verklaarde:

    “Ik zei hem, dat het dan moeilijk werd voor mij, om zonder meer achter hem te gaan staan en hem te vertrouwen, omdat hij mij onvoldoende informatie gaf en naar zijn zeggen kon geven, omdat het het IRT betrof Hij werd daar kwaad om en volgens mij vond er toen een vertrouwensbreuk tussen hem en mij plaats.”

    4.4.2.10. Controle op de werkzaamheden van de informant

    Bij het werken met een informant is het van groot belang gebleken, dat de werkzaamheden van de informant controleerbaar en beheersbaar zijn. Kuitert verklaarde dat zij altijd alles wilde weten en diep doorvroeg over een informant, wanneer deze een rol ging spelen in een onderzoek, waarvoor zij verantwoordelijk was. Zij verklaarde de indruk te hebben, dat de CID de zaken goed in de hand had en dat zij altijd kon bijsturen:

    “Het controleren van een informant, doe je door er heel dicht op te zitten en zijn achtergronden te kennen. De informanten, die mij gepresenteerd zijn, zijn volgens mij goed gerund en goed gecontroleerd. Ik heb zeker niet het beeld dat die informanten de politie aan de lijn hielden.”

    Uit de beschikbare administratie van de RCID Kennemerland blijkt echter niet dat en hoe informanten infiltranten werden gecontroleerd.

    Meerdere malen bleek, dat informanten infiltranten naast hetgeen zij aan de politie hadden gemeld ook persoonlijke belangen bij bepaalde ladingen hadden.

    Meijer verklaarde:

    “Ik wil nog verklaren dat (RR IV-6) op (….)kwam met het verhaal dat de organisatie (..) hem had gedwongen weer papieren in ontvangst te nemen voor weer een container. Wij hebben hem toen verteld dat hij, gelet opde afbouw, deze container niet meer binnen mocht halen. Deze container kwam wel binnen in de haven van Rotterdam. Er lag vanwege de DEA een tip op deze container. De container is in de haven ‘geveegd’. In die container bleken meer verdovende middelen te zitten aan de (informant) in eerste instantie had aangegeven.

    Dat de controle op de werkzaamheden van de informant niet echt eenvoudig was, bleek uit hetgeen Langendoen bij de PEC verklaarde:

    ‘Maar u moet het zo zien dat het een traject is dat over langere termijn loopt. Er was een trein die reed; die kon ook niet één-twee-drie gestopt worden.”

    4.4.3. Bevindingen

    *Binnen de CID-Haarlem/RCID Kennemerland is een overzicht geweest van de gerunde informanten. De CID-chefs Verhoeven en C.J. Mettes hebben bij het beëindigen van hun functie de informantendossiers overgedragen aan hun opvolgers;

    *Niet vastgesteld is kunnen worden of Langendoen daadwerkelijk een informantendossier bijhield. Gegevens van en over informanten werden door de runners wel aan hem verstrekt;

    *Bij zijn vertrek naar het KTR heeft Langendoen slechts in zeer beperkte mate RCID-gegevens overgedragen aan Woest. Langendoen zou op een later tijdstip een aanvulling hierop geven. Hij heeft dit nooit gedaan;

    *Hoewel de korpsleiding wist dat de verhouding tussen Woest en Langendoen ontwricht was, heeft zij nagelaten Langendoen opdracht te geven aan zijn verplichtingen te voldoen;

    *Vastgesteld is dat in de onderzoeksperiode 473 informatieverstrekkers in de administratie werden benoemd. Van 154 informanten werden vier of meer CID-informatierapporten aangetroffen;

    *Door de RCID Kennemerland werden tenminste zes informanten infiltranten voor het IRT gerund;

    * Bij de inzet van burger-infiltranten is in strijd gehandeld met de ‘Richtlijnen infiltratie’

    * Ook bij het inrichten van frontstores werd gebruik gemaakt van burgers;

    *Binnen de RCID Kennemerland ontbrak het aan communicatie. Dit gold voor de runners onderling, tussen diverse runners en hun begeleiders, tussen de runners en Langendoen en tussen Langendoen en zijn naast hogere chefs, c.q. de korpsleiding. De korpsleiding/ rechercheleiding heeft verzuimd dit te doorbreken;

    *Door gebrek aan leiding en controle binnen de RCID-Kennemerland ontstond er een situatie waarin de runners min of meer zelf konden bepalen hoe ver zij met een bepaalde informant wilden gaan;

    *Het ‘need to know’-principe was binnen de RCID Kennemerland ver doorgevoerd, voor wat betreft de werkzaamheden van Van Vondel, Langendoen en in mindere mate J. Mettes en Van Tol. Hierdoor was er een CID binnen de RCID ontstaan;

    *Binnen de RCID bleek geen eenduidige manier van werken met informanten te zijn. De runners bespraken de zaken pas met een leidinggevende, als er problemen waren ontstaan;

    *Bij een CID is het regel om informanten infiltranten niet alleen te runnen In de administratie van de RCID werden 1572 CID-înformatierapporten, opgemaakt door één persoon, aangetroffen. Opvallend hierbij is dat Van Vondel bijna éénderde van deze CID-rapporten had opgemaakt;

    *Met betrekking tot vergaande sturing van de informant/infiltrant is gebleken, dat er onder de runners geen eenduidige visie bestond over de grens van het toelaatbare van hetgeen men een informant kon laten doen. Uit de verklaringen van informanten en runners bleek, dat men regelmatig deze grens heeft gepasseerd;

    *Bij het OM bestonden verschillende visies over hetgeen wel of niet toelaatbaar was met betrekking tot de werkzaamheden van de informant/infiltrant;

    *Informanten/infiltranten zijn in het buitenland ingezet buiten medeweten van de in dat land bevoegde autoriteiten. Hierbij werd inbreuk gemaakt op de soevereiniteit van het betreffende land. Tevens werd onvoldoende rekening gehouden met de mogelijke gevaarzetting voor de betreffende informant” infiltrant;

    *Uit onderzoek van de CID-administratie van de RCID-Kennemerland is gebleken dat er al in 1991 sprake van was dat een informant zijn criminele verdiensten mocht behouden;

    *In 1992 is er binnen het IRT en met de RCID Kennemerland overleg geweest over de criminele verdiensten. Er heeft toen geen formele besluitvorming plaatsgevonden;

    *In een later stadium werd door Van der Veen en Lith besloten dat een infiltrant van het IRT zijn criminele beloningen mocht houden;

    *De opvolger van Van der Veen, Van Capelle, heeft nooit met Van der Veen of Lith gesproken over de afspraak over het behoud van criminele verdiensten. Het was hem onbekend dat de informant/infiltrant zijn criminele winst behield;

    *Gebleken is dat individuele leden van het OM hebben besloten dat infiltranten hun criminele beloningen mochten behouden in bepaalde trajecten. Binnen het OM als geheel is hierover geen standpunt ingenomen;

    *De RCID Kennemerland gebruikte crimineel geld niet alleen voor de betaling van kosten die direct in een traject werden gemaakt (bijvoorbeeld invoerrechten en transportkosten van de container), maar ook voor de betaling van meer reguliere politiekosten, zoals aanschaf en exploitatie van vervoer- en communicatiemiddelen;

    *Van der Veen heeft stilzwijgend de RCID Kennemerland en/of het IRT toestemming gegeven om door de politie gemaakte kosten te laten betalen door infiltranten. In hoofdstuk V is gebleken dat R. de Groot en Berserik hiervoor ook toestemming hebben gegeven;

    *Door de vergaande afscherming van informanten infiltranten was er nauwelijks controle mogelijk op de door hen aangebrachte informatie of de door de informant” infiltrant verrichte werkzaamheden;

    *Door het laten infiltreren in criminele organisaties werden de risico’s voor de betreffende personen erg groot. Door het ontbreken van een plan van afbouw konden de infiltranten in levensgevaarlijke situaties komen;

    *Na het opheffen van het IRT kwam een infiltrant in gevaar. Het is niet duidelijk geworden hoeobjectief de dreiging was. Ook is niet duidelijk geworden of de infiltrant misbruik heeft gemaakt van deze situatie om onder die druk te bewerkstelligen dat alsnog soft drugs binnengehaald konden worden;

    *De gehanteerde afscherming van de infiltrant zou gebruikt kunnen worden als breekijzer voor de infiltrant, en zijn runners, om partijen drugs door te laten gaan;

    *Vast staat dat de zgn. ‘groei-informant’ -ondanks het feit dat hij was afgebouwd- daarna contacten heeft onderhouden met Van Vondel. Wellicht om herkenbaarheid te voorkomen zijn zeven CID-informatierapporten over deze contacten onder een andere codenaam weggeschreven;

    *De RCID werd afhankelijk van de door (de) informant(en)/infiltrant(en) ter beschikking gestelde gelden. Hierdoor konden de machtsverhoudingen tussen de runners en de informanten/infiltranten verstoord worden en

    *De runners konden de politieleiding en/of het OM onder druk zetten door met informatie van informanten/infiltranten te komen, die niet gecontroleerd kon worden, vanwege de verregaande afscherming. Vooral de gevaarzetting voor de informant/infiltrant werd regelmatig als drukmiddel gebruikt om een beslissing te beïnvloeden.