• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Onderzoek CID-administratie Kennemerland – Bevindingen

    3.4. Bevindingen

    * Uit het onderzoek bleek dat in de periode van C.J. Mefles en Langendoen de CIDinformatie slecht met andere rechthebbenden werd gedeeld. Informatie van nationaal of internationaal belang werd zeer beperkt in- of doorgezonden. De CID-administratie werd voornamelijk voor intern gebruik gehouden. Opgemerkt dient te worden dat eind jaren tachtig, begin jaren negentig het in- of doorzenden van CID-informatie door een aantal andere CID’en ook matig geschiedde;

    * De RCID Kennemerland levert zijn subjecten sinds maart 1995 (periode-Woest) aan bij de NCID ten behoeve van de landelijk bevraagbare CIDSI. De verplichting voor het aanleveren van subjecten geldt vanaf de inwerkingtreding van de CID-regeling 1986. De RCID Kennemerland is pas sinds maart 1995 geautoriseerd voor het gebruik van de CIDSI;

    * Tot 1995 was de RCID Kennemerland voor de NCID een witte vlek op de kaart;

    * De CID-informatierapporten werden veelal onvolledig opgesteld, dat wil zeggen dat over het algemeen niet de complete personalia werden opgenomen;

    * Gebleken is dat er 875 CID-informatierapporten ontbreken in zowel de handmatige administratie als in het geautomatiseerde bestand van de RCID Kennemerland. Daarvan zijn 584 rapporten in één of andere administratie van de regiopolitie Kennemerland teruggevonden. Door het verwijderen en het wegschrijven waren deze CID-informatierapporten niet meer bevraagbaar binnen de actuele bestanden van de RCID Kennemerland. Een belangrijk deel is teruggevonden op floppy’s, door Langendoen, in bewaring gegeven bij dekorpsleiding;

    * Er is geen administratie aangetroffen waarin de financiering van CID-trajecten wordt verantwoord;

    * Geconcludeerd kan worden dat in opdracht van Langendoen CID-informatierapporten verwijderd zijn uit zowel het geautomatiseerde als het handmatige bestand. Het betreft hier ‘niet’ een normale schoning welke gebruikelijk één keer per jaar binnen een CID moet worden verricht. De consequentie van het verwijderen is dat bepaalde zaken niet gecontroleerd kunnen worden;

    * Van de periode vóór juni 1994 is geen ‘CID-subjecten’-registratie aangetroffen, zoals voorgeschreven in de CID-regelingen van 1986 en 1995;

    * Vastgesteld is dat de informatie die in het CID-register opgeslagen werd, in zowel de perioden C.J. Mefles, Langendoen als Woest, niet altijd betrekking had op CID-subjecten;

    * Op grond van de aangetroffen CID-subjectenregistratie, de CID-informatierapporten en de verklaringen kan geconcludeerd worden dat de registratie van CID-subjecten niet volledig was (periode C.J. Mefles en Langendoen);

    * Een specifieke registratie met betrekking tot ‘grijze veld’ -subjecten en CID-acties werd niet gevoerd;

    * CID-zakenjournaals werden niet of gebrekkig gevoerd. Voor wat betreft het CIDjournaal kan worden opgemerkt dat de districten Haarlemmermeer, IJmond en Kennemerland-Zuid wel een journaal bijhielden vanaf eind 1992. Het journaal van de CID Haarlem startte op 18 mei 1994 terwijl er eigenlijk pas consequent gemuteerd werd vanaf oktober 1994 (periode-Woest);

    * Een informanten-administratie werd niet aangetroffen. Geconcludeerd kan worden dat er wel een informantenregister -dus ook een totaal overzicht van de informanten – bij de RCID Kennemerland geweest is. Dit register was in beheer bij Langendoen. Langendoen verklaarde zelf een deel van het register, betrekking hebbende op de IRT-informanten, te hebben vernietigd. De rest zou aan Woest zijn overgedragen, hetgeen door Woest ontkend wordt. Door het vernietigen, kennelijk voor een deel met goedkeuring van Straver, werd de mogelijkheid van controle en onderzoek zwaar belemmerd. Door het ontbreken van een informantenregister was er geen overzicht van informanten die gerund werden en was er geen inzicht in de afspraken en ontmoetingen die de runners met hun informanten hadden. Wel zijn binnen de geautomatiseerde CIDadministratie op het veld ‘extra informatie’ bij een aantal informatierapporten afspraken aangetroffen die gemaakt waren met informanten. Het ontbreken, respectievelijk het vernietigen van informantendossiers/ een informantenregister, moet als onjuist worden gekwalificeerd;

    * Tot op 11 juli 1995 heeft de RCID Kennemerland niet mee gewerkt aan de landelijke registratie van coderingen van de personalia van informanten;

    * De observatie-administratie werd tot en met 1991 overzichtelijk bijgehouden. Er was zowel een handmatige als geautomatiseerde registratie van OT-acties. Na 1991 werd de administratie alleen in het geautomatiseerde systeem bijgehouden. Na de reorganisatie werd deze administratie elders bijgehouden met als gevolg dat binnen de RCID geen volledig overzicht meer bestond;

    * Afhandelings- en evaluatiecoderingen op CID-informatierapporten werden met name m de periode Langendoen in een aantal gevallen niet conform de doelstelling gebruikt;

    * Zo werden bij de belangrijkste informanten van Langendoen en Van Vondel bijna alle CID-informatierapporten met de afhandelingscode ’00’ (kan niet gebruikt worden) geclassificeerd. Informatie en trajecten werden op deze wijze afgeschermd waardoor de runners verzekerd waren van hun betrokkenheid bij het verloop van de CID-acties;

    * In bepaalde CID-trajecten en bij bepaalde informanten werden nagenoeg alle rapporten met de evaluatiecode ‘B4’ (meestal betrouwbaar – gehoord/ niet bevestigd) gecodeerd. De codering ‘B4’ werd zelfs aangebracht wanneer politiemensen constateringen hadden gedaan.

    De indruk wordt gewekt dat deze code werd aangegrepen om in sommige gevallen niet acuut te hoeven optreden.

    Mogelijke achtergronden van dit bewuste onjuiste coderen zouden kunnen zijn:

    – Door het verlagen van de waarde van de informatie wordt langer de tijd gekregen om een beter inzicht te krijgen in een organisatie;

    – Door de codering wordt voorkomen dat het OM te vroeg opdracht geeft in te grijpen;

    – Door de codering wordt voorkomen dat te vroeg wordt ingegrepen met als gevolg dat de rol van de informant bekend wordt of deze gevaar loopt.

    * De ‘tip-, toon- en voorkoopgeld’ administratie werd in de periode Langendoen onnauwkeurig bijgehouden en maakte een rommelige, onprofessionele en chaotische indruk. Een goede verantwoording en een controle van de uitbetaling van gelden en van gemaakte afspraken met informanten is op grond van deze administratie niet mogelijk;

    * Ook is gebleken dat daarop onvoldoende controle heeft plaatsgevonden. Zo heeft F.E.

    Jansen voor het laatst de boeken gecontroleerd in februari 1992. Wietzema Menkhorst heeft de administratie nooit gezien;

    * Door de wijze van muteren kan niet worden uitgesloten dat het kasboek achteraf is bijgewerkt. Het feit dat het kasboek over het jaar 1994 niet is bijgehouden duidt in deze richting;

    * Niet is gebleken dat Straver, voor de ‘periode-Woest’ als registerbeheerder, maatregelen heeft genomen ter bevordering van de juistheid en volledigheid van de in het register opgenomen gegevens en

    * Ook is niet gebleken dat de registerbeheerder zorg heeft gedragen voor de naleving van de Wet en Besluit politieregisters en de CID-regeling.