• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Onderzoek CID-administratie Kennemerland – Onderzoek aangetroffen administraties/ registraties

    3.3. Onderzoek aangetroffen administraties/ registraties

    De overgedragen administratie betrof een geautomatiseerde en een handmatige administratie. Daarnaast werden zeven ordners met observatierapporten, één kasboek en zes ordners, betrekking hebbende op de Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden administratie, 16 floppy’s welke door Langendoen bij de korpsleiding in bewaring waren gegeven en zeven floppy’s met tapverslagen e.d. in ontvangst genomen.

    Bij het onderzoek van de registraties, zoals deze gevoerd werden binnen de RCID Kennemerland, is de volgende indeling aangehouden:

    1 CID-register:

    a. verzameling CID-informatierapporten;

    b. registratie van CID-subjecten;

    c. een registratie van CID-acties;

    d. verstrekkingenbestand en

    e. persoonsdossier;

    2. ‘Grijze veld’- register;

    3. CID-, zaken- en informanten journaal;

    4. Informanten-registratie;

    5. Registratie van betalingen in het kader van de ‘Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden’ en

    6. Observatie-rapportages.

    Voor deze indeling is gekozen omdat het een opsomming is van registraties, die men op grond van regelgeving bij een (R)CID mag verwachten.

    3.3.1. CID-register

    In deze paragraaf wordt het onderzoek naar het CID-register beschreven. Allereerst wordt ingegaan op hetgeen is aangetroffen en hetgeen ‘niet’ is aangetroffen in de CID-informatierapporten. Aansluitend wordt ingegaan op de registratie van CID-subjecten , CID-acties, verstrekkingenbestand en persoonsdossiers.

    3.3.1.1. Verzameling informatierapporten inhoudende CID-informatie

    De overgedragen CID-administratie bestond uit twee delen:

    1. Een geautomatiseerd deel bestaande uit 15.869 documenten. Het geautomatiseerde deel werd aangetroffen:

    in het actuele computerbestand van de RCID Kennemerland;

    op een losse hard-disk ( voornamelijk back-up bestanden) en op 16 floppy’ s afkomstig uit de kluis van de korpsleiding van de regiopolitie Kennemerland.

    2. Een handmatig/ fysiek deel bestaande uit plm. 9.150 CID-informatierapporten (49 ordners) over de periode 1989 tot en met 1994. Dit betrof een verzameling hard-copies van de in het geautomatiseerde bestand verwerkte informatierapporten alsmede van andere (R)CID’ en ontvangen informatie.

    Naar aanleiding van geruchten dat de administratie van de RCID Kennemerland geschoond zou zijn van belastende CID-informatierapporten, werd binnen de handmatige CID-administratie geïnventariseerd welke rapporten (volgnummers) ontbraken. Hieruit bleek dat 875 volgnummers van CID-informatierapporten van de RCID Kennemerland ontbraken. De lijst met ontbrekende volgnummers is vergeleken met het gemaakte ‘moederbestand’ van de RCID Kennemerland inclusief de door Langendoen bij de korpsleiding in bewaring gegeven floppy’s. Doel hiervan was vast te stellen of de betreffende rapporten ook in deze bestanden ontbraken.

    Hierbij werden 584 CID-informatierapporten teruggevonden.

    Dit betekent dat 291 nummers van de CID-informatierapporten niet zijn teruggevonden in het handmatige en het geautomatiseerde deel van de CID-administratie van de RCID Kennemerland.

    Een analyse laat zien dat de meeste van deze 291 rapporten, de jaren 1991 en 1992 betreffen. 554 van de 584 teruggevonden rapporten betreffen het jaar 1993 en werden teruggevonden op de floppy’s die bij de korpsleiding berustten.

    Van het jaar 1994 ontbreekt een opeenvolgende serie van 50 CID-informatierapporten.

    Voor het ontbreken van de 291 nummers kunnen drie mogelijke verklaringen worden gegeven:

    1. De nummers zijn niet uitgegeven;

    2. De CID-informatierapporten, voorzien van de betreffende nummers, zijn vernietigd of

    3. De CID-informatierapporten voorzien van de betreffende nummers, zijn verwijderd en elders opgeslagen of in gebruik.

    De 584 teruggevonden rapporten zijn uit zowel de handmatige administratie als het actuele geautomatiseerde CID-register Kennemerland verwijderd en weggeschreven in bestanden die niet meer bevraagbaar zijn binnen de actuele bestanden van de RCID Kennemerland.

    In oktober 1995 werd door leden van het Fort-team de oude administratie van het IRT bij het KTR ingezien. Binnen deze administratie werden mappen aangetroffen die in opdracht van Lith waren samengesteld t.b.v. het onderzoek van de Commissie Wierenga. I n de mappen zaten onder meer CID-informatierapporten, betrekking hebbende op een tiental af-, c.q. doorleveringen van containers. Het betrof hier 77 van de ontbrekende 291 CID-informatierapporten van de RCID Kennemerland. De informatierapporten hadden betrekking op gecontroleerde door- of afleveringen van containers met verdovende middelen.

    Volgens de verklaring van Woest heeft de applicatiebeheerder Paul in de zomer van 1994 in opdracht van Langendoen een aantal CID-informatierapporten uit het CID-register over laten zetten op floppy’s vanwege de gevoeligheid in relatie tot het IRT.

    De applicatiebeheerder Paul verklaarde dat hij, in opdracht van Langendoen, in eerste instantie 500 en later nog eens 100 records overgezet had naar één of twee floppy’ s. Paul had de CID-informatierapporten geselecteerd op basis van rapportnummers welke hem waren opgegeven. De CID-informatierapporten hadden betrekking op een viertal informanten. Niet duidelijk is of deze floppy’s onderdeel uitmaken van de 16 floppy’s, die bij de korpsleiding berusten.

    Volgens een rapportage van Langendoen aan de plaatsvervangend korpschef, d.d. 3 april 1995, had het verwijderen en het separaat opslaan tot doel te voorkomen dat er per abuis gebruik gemaakt zou worden van besmette informatie met het oog op de veiligheid van informanten. Eén en ander had volgens Langendoen plaatsgevonden met toestemming van het OM en de politieleiding. Korpsleiding en OM blijken hier inderdaad van op de hoogte te zijn geweest.

    Bij de PEC verklaarde Langendoen:

    “Voor mijn vertrek heb ik in overleg met mijn CID-officier, om mijn nieuwe man niet te belasten met het verleden van het IRT, alle informatie die betrekking heeft op het IRT, uit deadministratie gehaald en separaat bewaard.”

    Geconcludeerd kan worden dat in opdracht van Langendoen CID.informatierapporten verwijderd zijn uit zowel het geautomatiseerde als het handmatige bestand. Het betreft hier ‘niet’ een normale schoning welke gebruikelijk één keer per jaar binnen een CID dient plaats te vinden. De consequentie van het verwijderen is dat bepaalde zaken niet gecontroleerd kunnen worden. Indien de ‘mappen’ ten behoeve van Wierenga niet waren aangelegd, waren de overige CID-informatierapporten nooit gevonden.

    Ingevolge de CID-regeling 1986 en 1995 mag er in een CID-register alleen CID-informatie worden opgeslagen omtrent CID-subjecten. Met andere woorden: De persoon over wie men informatie opslaat, moet benoemd zijn tot CID-subject.

    Bij onderzoek is gebleken, dat de informatie die opgeslagen werd in het CID-register, niet altijd personen betrof die benoemd waren tot CID-subject. De informatie was ook vaak onvolledig, dat wil zeggen zonder complete personalia e.d. De applicatiebeheerder Paul verklaarde hierover:

    “Met betrekking tot de bewerking van de informatierapporten kan ik verklaren dat tot voor kon de informatie rapporten incompleet werden aangeleverd. Van de administratie werd verwacht dat deze de aanvullende gegevens, zoals personalia, er bij zouden zoeken. in de nieuwe situatie wordt de informatie eerst besproken waardoor de informatie completer aangeleverd wordt.

    De informatie die opgeslagen werd/ wordt in het CID-register heeft niet altijd betrekking op CID-subjecten, althans de betreffende personen worden niet altijd benoemd als CIDsubject. Het heeft uiteraard wel betrekking op zware en of georganiseerde criminaliteit.

    De oorzaak hiervan is hoofdzakelijk een capaciteitsprobleem bij de administratie van de RCID.”

    Opgemerkt dient te worden dat deze handelwijze in meerdere regio’s kan worden aangetroffen.

    Bij een onderzoek naar de evaluatie- en afhandelingscoderingen zoals deze op een CID-informatierapport dienen te worden aangebracht, bleek, dat in sommige trajecten en bij sommige informanten de coderingen op een afwijkende manier gebruikt werden.

    Zo werden bij de belangrijkste informanten van Langendoen en Van Vondel bijna alle CIDinformatierapporten met de afhandelingscode ’00’ (kan niet gebruikt worden) geclassificeerd. In bepaalde CID-trajecten en bij bepaalde informanten werden nagenoeg alle rapporten met de evaluatiecode B4 (meestal betrouwbaar – gehoord/niet bevestigd) gecodeerd. De codering B4 werd zelfs aangebracht wanneer politiemensen e.e.a. constateerden, terwijl dit doorgaans als Al (betrouwbaar/ waar) wordt gekwalificeerd.

    3.3.1.2. De registratie van CID-subjecten.

    Op grond van de CID-regeling van 1986 heeft de RCID tot taak een lijst bij te houden van de bij de CID’en in de regio geregistreerde CID-subjecten en van de aard van de daarbij betrokken misdrijven.

    In het geautomatiseerde deel van de CID-administratie is een bestand aangetroffen waarin bijzonderheden m.b.t. CID-subjecten zijn vastgelegd (personalia en/of bedrijfsgegevens). In dit bestand dat tevens gebruikt kon worden voor het aanleggen van persoonsdossiers, zitten 310 documenten over de periode 29 juni 1994 tot en met 23 maart 1995.

    Een registratie van CID-subjecten in de periode vóór 29 juni 1994 is door het Fort-team niet aangetroffen.

    Met betrekking tot het benoemen van CID-subjecten en het bijhouden van een subjectendossier verklaarde Nieborg dat subjecten pas als CID-subject werden aangemerkt indien voldaan was aan de definitie ingevolge de CID-regeling. Van deze subjecten werd dan zoveel mogelijk informatie verzameld zoals CID-informatierapporten, kentekens en mutaties uit de dagrapporten van het korps. Dat geheel werd in een map opgeborgen. Door Paul werd, zoals eerder vermeld, verklaard dat, door capaciteitsproblemen bij de administratie van de RCID, personen waarvan informatie werd opgeslagen, niet altijd benoemd werden tot CID-subject.

    Op grond van de aangetroffen CIDsubjectenregistratie, de CID-informatierapporten en de verklaringen kan geconcludeerd worden dat de registratie van CID-subjecten niet volledig was (periode C.J.Mettes en Langendoen).

    Op grond van de CID-regeling 1986 en 1995 diende de RCID Kennemerland de subjecten aan te leveren bij de (L)NCID ten behoeve van de landelijk bevraagbare CID-subjecten-index (CIDSI). Begin jaren negentig voldeden de meeste regio’s aan dit vereiste.

    Door bemiddeling van de NCID vond in maart 1995 (periode-Woest) een eerste aanlevering plaats van 276 CID-subjecten, ten behoevevan de CIDSI.

    De applicatiebeheerder Paul verklaarde hierover:

    “Dat de RCID Kennemerland in het verleden de subjecten niet aanleverde was beleid. De toenmalige leiding van de RCID, te weten directe chef Langendoen en diens chef Menkhorst waren van mening dat anderen niet op juiste wijze met vertrouwelijke informatie om konden gaan. Er werd zeer summier informatie gedeeld.

    3.3.1.3. CID-acties

    Volgens de CID-regeling van 1986 dienen de aanvang en beëindiging van gerichte CID-acties te worden gemeld aan de NCID (voorheen LCID). Het betreft hier alleen die CID-acties waarbij meer dan één regio betrokken is of kan worden betrokken. Volgens de CID-regeling van 1995 dienen alle CID-acties ter kennis gebracht te worden van de NCID.

    Gebleken is dat door de RCID Kennemerland niet op eigen initiatief CID-acties werden aangeleverd.

    Volgens een verklaring van Blom, inspecteur van politie bij de NCID, wenste men in eerste instantie niet mee e werken. RCID Kennemerland gaf als reden hiervoor op moeite te hebben met het delen van vertrouwelijke informatie. Pas na bemiddeling werd ‘beperkt’ aangeleverd.

    Vanaf 18 februari 1991 zijn er 39 CID-acties aangemeld. Van deze 39 acties zijn er 13 door of in samenwerking met het IRT gedraaid. Van deze 13 zijn er vijf onder embargo aangeleverd. Het aanleveren gebeurde voor het grootste deel ‘achteraf’. Voor het eerst worden in maart 1993 zes acties aangeleverd.

    Een specifieke registratie van de aanvang en beëindiging van CID-acties is in de administratie van de RCID Kennemerland niet aangetroffen. Ook in een CID-informatierapport kan aangegeven worden dat er een actie draait of is afgesloten.

    In het systeem van de RCID Kennemerland is wel een bestand ‘projecten RCID’ aangetroffen en een bestand ‘ondernomen acties RCID’, welke geschikt zouden kunnen zijn voor dit doel. Het bestand ‘projecten RCID’ is vanaf 25 juni 1993 gevuld met zes documenten en het bestand ‘ondernomen acties RCID’ bevat één leeg document. Hieruit kan afgeleid worden dat deze bestanden niet daadwerkelijk in gebruik zijn.

    Volgens de verklaring van Paul werden CID-acties niet geregistreerd. In de periode Woest is een aanvang gemaakt met de ontwikkeling van een registratie voor CID-acties zodat deze op een juiste wijze aangeleverd zouden kunnen worden aan de NCID.

    3.3.1.4. Verstrekkingenbestand

    Op grond van de CID-regeling dient van iedere verstrekking, die niet rechtstreeks langs geautomatiseerde weg geschiedt, aantekening gehouden te worden.

    In de administratie van de RCID Kennemerland is een verstrekkingenbestand aangetroffen. Het betrof hier een registratie van de verstrekking van inlichtingen uit de registers bestaande uit 749 documenten over de periode 12 januari 1994 tot en met 11 mei 1995.

    Tevens zijn drie bestanden aangetroffen met verzoeken om informatie over de jaren 1991,

    1992 en 1993.

    Volgens Mw. Gerrits vond de verstrekking van informatie naar een andere CID plaats, nadat de chef CID daarvoor toestemming had verleend, geaccordeerd met zijn handtekening.

    3.3.1.5. Persoonsdossiers

    Hiervoor wordt verwezen naar 3.3.1.2.

    3.3.2. ‘Grijze veld’-register

    Het zogenaamde ‘grijze veld’-register werd niet aangetroffen bij de RCID Kennemerland. Ook werd in de registratie van CID-subjecten niets gevonden wat er op wijst dat er binnen die registratie een verschil werd gemaakt tussen een CID-subject en een ‘grijze veld’ subject. Een waardeoordeel over het niet houden van een ‘Grijze veld’-register kan niet worden gegeven.

    Volgens Paul is men pas medio augustus 1995 (periode -Woest) begonnen met het inrichten van een registratie waarbij ‘grijze veld’-subjecten onderscheiden worden van CID-subjecten.

    3.3.3. CID-, zaken- en informantenjournaal

    In de regel wordt bij een (R)CID een journaal bijgehouden waarin runners alle bijzonderheden vermelden m.b.t. hun werkzaamheden. Het betreft over het algemeen een vertrouwelijk intern journaal t.b.v. het hoofd van de CID. Tevens wordt van ieder gesprek tussen de runners en informant en van iedere lopende zaak, in het algemeen, een journaal bijgehouden. De informanten-journaals worden onder codenummer van de informant opgeborgen en maken deel uit van de informanten-registratie.

    Met betrekking tot het bijhouden van een journaal werden in de administratie van Kennemerland 7435 documenten aangetroffen verdeeld over acht bestanden.

    In een aantal journaals zijn bijzonderheden vermeld over de werkzaamheden van de runners. Ook ontmoetingen en afspraken met informanten, gesprekken met collega’s van andere diensten, zaken, enz., werden in deze journaals aangetroffen.

    De CID’en IJmond, Haarlemmermeer en Kennemerland-Zuid, zijn eind 1992 aangevangen met het bijhouden van een journaal in hun eigen geautomatiseerde systeem.

    De CID Haarlem/ RCID Kennemerland daarentegen is pas op 18 mei 1994 begonnen met het bijhouden van zo n journaal terwijl er pas consequent gemuteerd wordt vanaf oktober 1994 (periode-Woest).

     

    3.3.4. Informantenregistratie

    Volgens de ‘Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden’ dient een CID de informanten te registreren volgens een gecodeerd systeem. Onder het betreffende codenummer behoort van iedere informant een dossier aangelegd te worden met daarin:

    a. namen van de runner;

    b. afspraken die met de informant zijn gemaakt;

    c. elk contact tussen runners en de informant;

    d. bijzonderheden informatie vergaring;

    e. inhoud inlichtingen en resultaat;

    f. contactpersonen van informant en andere feiten die van belang zijn en

    g. of en tot welk bedrag tipgelden verstrekt zijn.

    Een dergelijke registratie van informanten werd niet aangetroffen bij de RCID Kennemerland.

    Uit een aantal verklaringen van o.a. C.J. Mettes, Jansen, Van den Haak en een aantal runners blijkt dat er wel een informantenregistratie is geweest.

    Mettes verklaarde daaromtrent:

    “Ik kwam in 1989 bij de CID. Ik werd chef en nam die taak over van mijn voorganger B. Verhoeven. Ik ben CID chef geweest tot 1990. De juiste datum van het overnemen van die functie weet ik niet meer. Bij aanvang van mijn functie had ik o.a. een informantenregister overgenomen van B. Verhoeven. Die man had mi. de administratie goed voor elkaar. Het informantenregister bestond uit bruine kartonnen hangmappen met daarin persoonsgegevens van de informanten met foto als ook administratie m.b.t. zaken die met die informanten hadden gespeeld m.b.t. toon- en tip gelden. Ook lagen er mappen op jaartal met daarin de gegevens van afgebouwde dan wel niet actieve informanten.”

     

    Dit betreffende informantenregister werd door C.J. Mettes opnieuw beoordeeld. De informanten werden met de runners doorgenomen en bovendien werd bezien of de informanten op verantwoorde wijze over de rechercheurs waren verdeeld. Het informantenregister werd geschoond. Aan de informanten werd een ander nummer toegekend omdat er inmiddels open plaatsen waren ontstaan en een doorlopende nummering een beter overzicht zou verschaffen. De betreffende nummering werd ook gebruikt op de kwitanties en in het kasboek ten behoeve van de uitbetalingen aan informanten.

    Mettes werd opgevolgd door Van den Haak. Van den Haak bleef echter feitelijk bij het observatieteam.

    Van den Haak verklaarde hierover:

    “Langendoen heeft de taken van Mettes overgenomen en hij heeft de informantendossiers die er waren rechtstreeks van Mettes gekregen. Ik heb hierin geen rol gespeeld, omdat ik dat niet wilde en ik mijn handen vol had aan het Observatieteam. Langendoen was in mijn ogen goed in staat om als chef CID te functioneren.”

    F.E. Jansen verklaarde in verband hiermee:

    “Ik weet niet meer precies hoe de inhoudelijke overdracht van zaken tussen Van der Haak en Langendoen is gegaan. Volgens mij hebben wij we werkafspraken op papier gezet. Ik kan mij herinneren, dat Langendoen al tijdens de periode dat hij als runner werkzaam was, een soort informele leidersrol had, die door de andere runners werd geaccepteerd. Hij was van alle zaken op de hoogte, in deze overgangsperiode. Langendoen had de informantendossiers in deze periode onder zich. Hoewel Langendoen geen ervaring had als chef RCID, had hij naast zijn deskundigheid een soort natuurlijk leiderschap, waardoor hij als chef goed functioneerde.”

    Volgens Woest is aan hem bij zijn aantreden als hoofd RCID nooit een informantenregistratie overgedragen. Met hulp van de verschillende informanten-runners is door Woest een overzicht van informanten opgesteld.

    Woest verklaarde daar onder andere over:

    “Ik volgde K. Langendoen op die was overgeplaatst naar het nieuwopgerichte Kern-team. De formele overdracht van werkzaamheden vond plaats op 28 september 1995 in bijzijn van H.J.A. Menkhorst hoofd divisie regionale recherche, waarna de RCID onder mijn verantwoordelijkheid viel. Ik heb Langendoen concreet gevraagd of er fake bedrijven en/ of loodsen waren, of alles rondom het IRT was afgebouwd en of er anderszins zaken aan de orde waren waar ik formeel wetenschap van moest hebben. Bij die overdracht heb ik van Langendoen de verzekering gekregen dat alles geregeld en schoon was. Hij tekende hiertoe met ons voor de overdracht. Verder verklaarde Langendoen mij dat alle oude geautomatiseerde informatie m.b.t. het IRT door hem in een verzegelde envelop in de RCID kluis zou worden opgeborgen. Ook verklaarde hij mij dat er onder begeleiding van runners van de RCID Kennemerland nog drie normale inlichtingen operaties gaande waren, waarbij de verantwoording bij andere politieregio’s berustte.

    Langendoen benadrukte hierbij dat wij geen formele verantwoordelijkheid voor die trajecten hadden terwijl deze zich in het finale stadium bevonden zodat daar in de nabije toekomst afbouw kon plaats vinden.

    Langendoen deed mij de toezegging de nog voor de RCID actieve informanten met mij te zullen bespreken terwijl deze informanten bekend waren bij Meijer. Buiten het schetsen van de profielen van de medewerkers RIO heeft Langendoen nimmer andere zaken, zoals informanten, gevoeligheden e.d. met mij doorgesproken. Ik heb hier ook niet later om gevraagd. Wel heeft hij mij in opdracht van het OM op 15 februari 1995 enkele namen van IRT informanten verstrekt waarvan de informatie in de kluis zou liggen. Op mijn voorstel heeft hij de diskettes met deze informatie in een verzegelde envelop gedaan en aan mij overgedragen waarna ik die diskettes in mijn kluis op mijn kamer heb opgeborgen.

    U vraagt mij naar de registratie van informanten binnen onze CID. Er is geen centraal informantenoverzicht aanwezig geweest. Inmiddels is dat overzicht met behulp van alle runners wel opgesteld.”

     

    3.3.4.1. Onderzoek kluis

    Bij de RCID Kennemerland werd op 29 juni 1995 de kluis, staande op de kamer van twee runners, bekeken op de aanwezigheid van informantendossiers/ registers. Deze zouden zich in hangmappen bevinden. De hangmappen, 31 stuks, genummerd van 1 t/m 31, waren wel in de kluis aanwezig maar waren leeg. Wel was er een lijst in de kluis met daarop de namen e.d. van informanten. Deze lijst was nog maar kort daarvoor door H. Meijer vervaardigd. Een kopie van deze lijst was eerder door Woest aan de teamleiding ter beschikking gesteld.

    Op één van de planken in de kluis lagen twee dossiers met gegevens over in Haarlem gerunde en inmiddels afgebouwde informanten.

    Zoals blijkt uit het openbare verhoor van de PEC d.d. 9 oktober 1995 geeft Langendoen, als antwoord op aan hem – m.b.t. dit item -gestelde vragen, ondermeer het volgende weer:

    “Alle informanten binnen de RCID Kennemerland waren vastgelegd in een handmatig informantendossier. De informanten die in de loop der tijd zijn afgebouwd, die gestopt zijn met CID-activiteiten, werden in een tweejaarlijkse schoning uit het systeem gegooid. Gedurende het proces wordt twee keer per jaar de hele lijst met alle runners doorgenomen. De mensen die niet meer actief zijn, verdwijnen uit het informantenbestand.

    Voor mijn vertrek heb ik in overleg met mijn CID-officier, om mijn nieuwe man niet te belasten met het verleden van het IRT, alle informatie die betrekking heeft op het IRT, uit de administratie gehaald en separaat bewaard. Van alle informanten die afgebouwd zijn, zijn de persoonsdossiers vernietigd. Dat heb ik zelf vernietigd. Dat is niet meer terug te vinden.

    De regel is dat er van informanten die worden overgedragen naar een opvolger, een informantendossier bestaat, maar van informanten die zijn afgebouwd en die zijn gestopt met hun activiteiten voor de politie, zijn de informantendossiers vernietigd.

    Het aantal IRT-informanten die verwijderd zijn wil ik niet noemen, maar in de loop der jaren zijn er tientallen uit het systeem gegaan en zijn er ook weer tientallen bijgekomen.

    Ik heb voor mijn vertrek bij de RCID Kennemerland in overleg met dekorpsleiding en de CID officier alle informatie die betrekking had op het IRT uit het systeem gehaald en separaat opgeslagen.

    Behalve de namen van de IRT-informanten is er niets gewist.

    Ik weet niet hoeveel informantendossiers ik aan Woest heb overgedragen, maar ik denk een stuk of dertig. Tijdens een overdrachtsvergadering. Ik heb de informantendossiers up to date gemaakt. Vervolgens zijn ze in de kluis gebleven en daarna heb ik de boel gewoon overgedragen aan de heer Woest. Ik heb de boel overgedragen. Ik heb aan ge-ge ven waar de informatie was. Ik heb geen namen genoemd. Dat er een verschil van mening bestaat over de aanwezigheid van informantendossier is voor mij geen punt. Voor mij waren ze aanwezig. Ik weet niet meer hoeveel.

    De IRT-informanten heb ik op een papiertje gezet en die heb ik in een enveloppe overhandigd aan de heer Van den Berg.

    Het is van te voren afgesproken dat Woest de namen van de IRT-informanten niet behoefde te weten.”

    Straver verklaarde daarover:

    “U houdt mij voor dat Langendoen verklaarde dat hij in overleg met de korpsleiding de CID-informatie vernietigde. Ik dacht dat het hierbij gaat om informantendossiers van de vijf informanten in het Delta-traject. Bij mijn beste weten is vernietiging van het informantendossier ook voorgeschreven als een informant is afgebouwd en is dit bovendien geschied in overleg met het Openbaar Ministerie. Of dit was in de persoon van Monte van Cappelle of Onno van der Veen kan ik mij niet meer herinneren.”

    Geconcludeerd kan worden dat er wel een informantenregister – dus ook een totaal overzicht van de informanten – bij de RCID Kennemerland geweest is. Dit register was in beheer bij Langendoen. Langendoen verklaarde zelf een deel van het register, betrekking hebbende op de IRT-informanten, te hebben vernietigd. De rest zou aan Woest zijn overgedragen, hetgeen door Woest ontkend wordt.

    Door het vernietigen, kennelijk voor een deel met goedkeuring van Straver, werd de mogelijkheid van controle en onderzoek zwaarbelemmerd.

    In tegenstelling tot wat Straver verklaard heeft, staat nergens beschreven dat indien een informant is afgebouwd, het informantendossier vernietigd moet worden. Dit was kennelijk ook niet de vaste gedragslijn. Bij het onderzoek op 29 juni 1995 in de kluis, werden immers twee dossiers van reeds afgebouwde informanten gevonden.

    Door het ontbreken van een informantenregister was er geen overzicht van informanten die gerund werden en was er geen inzicht in de afspraken en ontmoetingen die de runners met hun informanten hadden. In het CID-journaal werd wel een aantal mutaties aangetroffen omtrent ontmoetingen met informanten.

    Het ontbreken van een informantenregister bemoeilijkt een goede sturing en controle op de informant en de runners.

    Sinds half augustus 1995 (periode-Woest) is het geautomatiseerde systeem aangepast. In dit systeem wordt vanaf deze datum volgens Paul een informantenjournaal bijhouden. In dit journaal staan alle bijzonderheden m.b.t. ontmoetingen met informanten. De runners van de lokale CID zijn geautoriseerd tot het bewerken van de inhoud van dit bestand. De inhoud van een gesprek met een informant wordt besproken met een CID-begeleider die vervolgens bepaalt welk gedeelte van het gesprek wordt opgenomen in het lokale informatie rapport.

    3.3.4.2. Registratie informantencoderingen NCID

    Op advies van de Begeleidingscommissie CID en op grond van het ‘concept Herziene CIDregeling’ vindt er sedert 1991 bij de NCID een registratie plaats van informantencodes. Betreffende registratie heeft tot doel het voorkomen van het dubbel runnen door verschillende

    CID’en van één informant en het voorkomen van het door een informant uitspelen van verschillende CID’en.

    Bij de inwerkingtreding van de CID-regeling op 31 maart 1995 werd het aanleveren van informantencodes ten behoeve van dit systeem verplicht gesteld (artikel 6 lid 3).

    Langendoen verklaarde over dit onderwerp:

    “Aanmelding van informanten bij het LCID heeft door mijn dienst nooit plaatsgevonden wegens het ontbreken van vertrouwen in dat LCID-systeem.”

    Woest verklaarde m.b.t. de aanlevering van informantencoderingen:

    “Aanmelding van de informanten bij de NCID/CRI heeft door deCID Kennemerland nooit plaats gevonden. Hoewel dat geen verplichting is, is het beter dat wel te doen omdat dan in ieder geval is na te gaan of een informant eerder of tevens zaken deed/ doet met andere politie regio ‘s.”

    Op 11 juli 1995 werden door de RCID Kennemerland de betreffende coderingen aangeleverd.

    3.3.5. Administratie ‘Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden’

    De aangetroffen en onderzochte administratie met betrekking tot de ‘Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden’ van de RCID Kennemerland bestaat uit een kasboek, zes ordners en verschillende documenten weggeschreven op enkele floppy’s.

    De bevindingen van het onderzoek zijn vergeleken met de ‘tip-, toon- en voorkoopgeldregistratie’ zoals die gevoerd wordt bij de Directie Politie van het ministerie van justitie en de NCID.

    Volgens de ‘Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden’ dient het uitbetalen van gelden en het onderhouden van contacten met informanten zodanig te geschieden dat van alle activiteiten een goede verantwoording mogelijk is (3.1.9).

    Hoofdstuk 3.2.9 van deze regeling regelt de uitbetaling van gelden en de wijze van administreren.

    Met betrekking tot de uitbetaling, registratie en controle van tipgelden verklaarde F.E.Jansen: “De RCID beschikte over een eigen kasboek. Hierin werden onkosten bijgehouden en uitbetalingen van tip gelden die uit de begroting van de politie Haarlem kwamen. De uitbetalingen via verzekeringsmaatschappijen of vanuit het ministerie werden hierin niet bijgehouden. Ik dacht dat er jaarlijks op de begroting van de politie Haarlem een bedrag van ongeveer f 4000 was opgenomen voor het uitbetalen van dergelijke tip gelden. De chef RCID hield dit bij en had het dagelijks beheer daarover. Eén of twee maal per jaar voerde ik een kascontrole uit. Dit was een controle van het boek de achterliggende stukken en het eventueel aanwezige contante geld. In februari 1992 was de laatste keer, dat ik een dergelijk controle uitvoerde. Dit was vlak voor mijn vertrek uit Haarlem en ik denk dat dit samenhing met de overdracht van mijn werkzaamheden aan Menkhorst (mijn opvolger). Ik heb bij deze controles geen bijzonderheden op ge- merkt. Als er financiële activiteiten van Van Vondel en/ of Langendoen zijn geweest voor de informant, die zij voor het IRT runden, viel dit niet onder het kasboek van de RCID Haarlem.”

    Jansen had zijn werkzaamheden aan Wietzema Menkhorst overgedragen. Wietzema Menkhorst verklaarde hierover:

    “Voor wat betreft de financiën was het zo, dat de RCID de uit te betalen tip- en toon gelden met medeweten van het openbaar ministerie uitbetaalde. Langendoen zou daar de boekhouding van laten zien, toen ik daar om vroeg, maar hij moest de boekhouding nog even in orde maken. Ik heb die boekhouding nooit gezien.

    Voorts had de RCID de beschikking over een potje, dat gevoed werd door de afdeling Financiën. Daaruit betaalde Langendoen, voor zover ik weet, de aanmoedigingspremies aan informanten en uitbetalingen die niet onder de tip- en toongeldregeling vielen. Hij regelde e.e.a. met de afdeling Financiën…

    U deelt mij mede, dat er een kasboekje bij de RCID was, waarin de tip gelden werden verantwoord en waarin in februari 1992 voor het laatst is gecontroleerd door mijn voorganger Jansen. Dat boekje heb ik nimmer gezien.”

    Met betrekking tot de betalingen van tipgelden verklaarde Kuitert dat er conform de ‘Regeling tip,- toon- en voorkoopgelden’ werd gewerkt. De financiële gang van zaken beschouwde zij als een verantwoordelijkheid op beheersniveau, dus van de politie.

    Uit onderzoek is gebleken dat een goede verantwoording en een controle van de uitbetaling van gelden en het onderhouden van contacten met informanten op grond van deze administratie over de onderzochte periode niet mogelijk is.

    Ook gebleken is dat er geen afdoende controle heeft plaatsgevonden. Zo heeft de controle voor het laatst in februari 1992 plaatsgevonden door Jansen en heeft Wietzema Menkhorst de administratie nooit gezien.

    Voor wat betreft het kasboek kan worden vermeld dat zowel de data van inkomsten als van uitgaven niet chronologisch zijn. Hieruit zou kunnen worden afgeleid dat het kasboek achteraf werd bijgewerkt. Ook het niet bijhouden van het kasboek over 1994 kan hierop duiden.

    In een aantal gevallen werd in het kasboek het kwitantienummer niet vermeld. Met name vanaf 1992 werden kwitanties niet meer genummerd en werd alleen nog het informantennummer vermeld.

    Bij het vergelijken van de uitgaven voor tipgelden zoals vermeld in het kasboek en de ordners zijn onregelmatigheden geconstateerd welke nader beschreven zullen worden in hoofdstuk VII.

    De onderzochte administratie maakte een rommelige, niet professionele indruk en kon daardoor tot verwarring leiden.

    In juni 1995 bleek dat Woest doende was de wijze van registreren van tipgelden te optimaliseren.

    Door de RCID Kennemerland is over de periode 1992, 1993 en 1994 geen jaaroverzicht conform het gestelde in hoofdstuk 3.5. van de ‘Regeling tip-, toon- en voorkoopgelden’ opgemaakt en toegezonden aan de CRI. Over 1994 is door de CRI geen jaaroverzicht opgevraagd.

    Er is geen administratie aangetroffen waarin de financiering van CID-trajecten wordt verantwoord.

    3.3.6. Observatie-rapportages

    Observatie rapportages werden aangetroffen in zeven ordners over de periode 12 maart 1987 tot en met 1991. Tevens zijn sommige observatie-rapportages gevonden in het geautomatiseerde systeem en op floppy’s.

    Geconcludeerd kan worden dat de betreffende administratie tot en met 1991 overzichtelijk werd bijgehouden. Er was zowel een handmatige als geautomatiseerde (1991) registratie van OT-acties, bestaande uit informatiesets, OT-rapportages en indien van toepassing, een proces-verbaal. Door deze wijze van administreren ontstond een goed overzicht van alle zaken waarvoor het OT werd ingezet. Na 1991 is, voorzover door ons aangetroffen, de administratie alleen in het geautomatiseerde systeem bijgehouden. Het betrof hier alleen de OT-rapportages. De informatiesets t.b.v. het OT werden niet aangetroffen.

    Met name in 1994 werden de zaken niet meer op logische wijze genummerd. Vanaf deze tijd is vanuit de RCID-administratie geen goed overzicht meer te geven van de zaken waarvoor het OT werd ingezet. Eén en ander wordt verklaard door de organisatorische inbedding van het OT na de reorganisatie van de regio ‘Kennemerland’, waardoor het OT niet meer onder de RCID viel en deze zaken elders geregistreerd werden.