• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Onderzoek Fort-team – Inleiding

    1. ONDERZOEK FORT-TEAM

    1.0. Inleiding

    Het verrichten van een feitenonderzoek naar de activiteiten van een criminele inlichtingen-dienst is bijna een ‘mission impossible’. Kenmerk van vele activiteiten van een dergelijke dienst is immers de afscherming van die activiteiten; het voorkomen dat niet-betrokkenen, ook externe onderzoekers, zicht daarop kunnen krijgen. Reden van die afscherming is gelegen in de noodzaak degene die informatie verstrekt of handelingen ten behoeve van de politie verricht, onbekend te laten zijn. Lukt dat niet dan zullen nog weinigen bereid zijn informatie te verstrekken over criminele activiteiten waaraan grote financiële en persoonlijke belangen verbonden zijn. Wanneer bekend wordt dat een bepaald persoon dergelijke informatie ver-strekt heeft kan dat immers levensbedreigende situaties opleveren.

    Vooral wanneer CID-activiteiten zich in zgn. ‘gesloten trajecten’ afspelen – trajecten waarvan men vindt dat die zelfs voor de rechter (gedeeltelijk) onbekend moeten blijven en die niet bijdragen aan het bewijs – is het voor CID’ers letterlijk een erezaak informatie-verstrekkers af te schermen. De rechtmatigheid van de verkregen informatie kan dan door de rechter niet worden getoetst. Deze opstelling werd tot voor kort door velen ‘normaal’ bevonden. Mede hierdoor is een CID-cultuur ontstaan waarbij de CID’er bepaalt of de gewenste informatie verstrekt wordt.

    In het onderzoek dat de rijksrecherche verricht heeft naar het functioneren van de RCID Kennemerland zijn het deze omstandigheden die het werken zeer bemoeilijkten. Te pas maar vooral ook te onpas werd het argument ‘afscherming van de bron’ gebruikt. De voor het KTR verantwoordelijke OVJ Gonzales verklaarde daarover:

    “Je merkt dat er een vreselijke persoonlijke verbondenheid is met die informant en met de door hem gegeven informatie. Het isvreselijk moeilijk om die mensen te bewegen tot openheid. Rationele argumenten om hen tot openheid te bewegen werken niet. in hun beleven gaat het belang van de informant boven alles.

    Dwangmiddelen voortkomend uit het Wetboek van Strafvordering waren, gezien de aard van het onderzoek, niet beschikbaar. Het machtswoord dat vanuit hiërarchische verhoudingen gebruikt zou kunnen worden bleek niet steeds toereikend en een ministeriële aanwijzing om CID-gegevens te kunnen verkrijgen was niet toereikend. Pas op 18 december 1995, aan het eind van de feitelijke onderzoeksperiode, werd nog belangrijke, voor het onderzoek nood-zakelijke, CID-informatie verkregen. Dit betrof schriftelijke verslaglegging over de samen-werking tussen de RCID Kennemerland en het IRT over gesloten CID-trajecten. in januari 1996 nog weigerden zowel justitie- als politiefunctionarissen tegenover de teamleiding bepaalde vragen te beantwoorden.

    In hei onderzoek is gebleken dat wanneer een CID-functionaris informatie niet kwijt wil, hij veelal niet tot afgifte gedwongen wordt. En van deze individuele CID-functionarissen was het onderzoeksteam mede afhankelijk om CID-activiteiten te controleren. Alleen zij weten immers uiteindelijk welke informatie tussen informant en hen gewisseld is, welke opdrachten gegeven zijn en waartoe binnen deze gesloten communicatie-cirkel besloten is. Dat iedere politieman jegens het bevoegd gezag een verantwoordingsplicht heeft en dat bevoegdheden in een rechtsstaat gekoppeld behoren te zijn aan controle op de uitoefening daarvan, bleek binnen de CID-cultuur niet alom geaccepteerd.

    Als reden voor deze opstelling werd vaak aangevoerd dat men in het bevoegd gezag onvoldoende vertrouwen had waar het de zorgvuldige omgang met risicovolle informatie betreft

    Ook kwam naar voren dat niet duidelijk is welke overheidsfunctionarissen of -organen eigenlijk bevoegd zijn om met burgerinformanten afspraken te maken over geheimhouding. Wanneer eenmaal anonimiteit of geheimhouding is afgesproken kan ditvergaande consequenties hebben. Verder deed de vraag zich voor waaraan de Staat gebonden is wanneer een onbevoegde (CID-)functionaris afspraken maakt of onjuiste afspraken gemaakt worden.

    Wat in z’n algemeenheid is opgevallen tijdens het onderzoek is dat misverstanden in de communicatie binnen de politie, tussen de politie en het OM en binnen het OM hebben geleid tot een groot verschil in beeldvorming over wat er nu werkelijk gaande was en wat daadwerkelijk werd afgesproken. Het belang van het controleren van wederzijdse bedoelingen, het maken van zorgvuldige afspraken en het vastleggen daarvan kan dan ook niet genoeg benadrukt worden.

    Over de reikwijdte van dit rapport moeten geen misverstanden bestaan. Het rapport heeft uitsluitend betrekking op de regionale criminele inlichtingendienst van de politieregio Kennemerland vanaf 1990, in de beginjaren nog ressorterend onder de gemeentepolitie Haarlem. Het rapport geeft derhalve geen beeld van de totale omvang van invoer c.q. doorvoer van verdovende middelen die in Nederland heeft plaatsgevonden met medeweten van politie en/of OM.

    Het is een onderzoek naar de feiten, waarbij voorop stond dat de feiten zouden moeten dienen ter lering. De vraag of een persoon van enig strafbaar feit wordt verdacht is in een feitenonderzoek niet aan de orde.

    Het onderzoek van het Fort-team -genoemd naar de vestigingslokatie Fort De Bilt van het team- liep zowel in de tijd als voor een deel qua werkzaamheden gelijk met dat van de ‘parlementaire enquête commissie’ opsporingsmethoden. Daar waar de PEC als belangrijkste resultaat van haar werkzaamheden het concipiëren van (wettelijke) voorstellen zag die een kader moesten bieden voor de toekomstige opsporing, stelde het rijksrecherche-onderzoek zo veel mogelijk de feiten in Kennemerland vast over de afgelopen vijf jaar.

    De feiten die in dit rapport staan opgenomen moeten het OM en de politie handvatten bieden om toekomstige opsporingsactiviteitenzonodig anders te organiseren. De bevindingen van het onderzoek bieden de opdrachtgevers daarvan de basis om tot maatregelen over te gaan, die beogen te voorkomen dat in de toekomst opsporingsactiviteiten in Kennemerland (en daarbuiten) op een ongewenste of onrechtmatige manier worden uitgevoerd.

    Het valt buiten het doel van dit rapport om uitgebreid aandacht te schenken aan een begrippenkader. Aan een omschrijving van een beperkt aantal begrippen viel echter ook in dit rapport niet te ontkomen. Daarom werden twee lijsten met veel voorkomende begrippen voorin dit rapport opgenomen, evenals een lijst van de in het rapport veel genoemde personen en een lijst met vaak gebruikte afkortingen.

    Het feitenonderzoek richtte zich op de RCID Kennemerland en de daarvoor verantwoordelijken, waarbij aanvankelijk de idee postvatte dat weliswaar op administratievoering, verantwoording en management het nodige aan te merken viel, maar dat er politiemensen gewerkt hadden die met grote inzet en te goeder trouw hadden getracht georganiseerde criminaliteit te bestrijden, zonder daarbij mogelijk de rechtsstatelijke grenzen steeds in acht te hebben genomen.

    Vanaf het begin van het onderzoek van het Fort-team hebben vragen bestaan over de motieven van Langendoen en Van Vondel. Zij vormden steeds de belangrijkste ‘as’ bij de RCID Kennemerland. Zij werkten lang en intensief samen en trokken de zwaarste en meest risicovolle trajecten. Zij waren het die vanuit Kennemerland voor het IRT de belangrijkste CID-werkzaamheden verrichtten.

    Langendoen en Van Vondel kwamen – mede door hun eigen activiteiten en opstelling – echter in het brandpunt van het onderzoek te Staan en hun motieven werden steeds minder duidelijk. Vanaf april 1995 werd door het Fort-team geconstateerd dat Van Vondel meerdere malen -kennelijk veel – geld overhandigde aan ‘Sapman’ en kreeg het team kennis van het conspiratieve karakter van de daarbij gevoerde gesprekken. Daardoor ontstond twijfel.

    Waren Langendoen en Van Vondel van de RCID Kennemerland steedsbezig om binnen de grenzen van de rechtsstaat criminaliteit te bestrijden of waren zij bewust of onbewust onderdeel van diezelfde criminaliteit?

    Dat neemt niet weg dat er naast deze beeldbepalende functionarissen vele andere politiemensen met hart en ziel bezig zijn geweest bij de RCID Kennemerland; ook op hun werkzaamheden zijn aanmerkingen te maken, maar van hen is niet anders naar voren gekomen dan dat zij de misdaad wilden bestrijden.

    1.1. Start onderzoek

    In februari 1995 ontstond de nodige publiciteit over het zgn. ‘Bever’ -traject, een onderzoek van de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond naar de invoer van drugs door een criminele organisatie. Niet alleen extern, maar ook binnen politie en OM rezen vele vragen over de wijze waarop een informant in dit onderzoek geacteerd had, wat de rol van de politie geweest was en welke rol de RCID Kennemerland daarbij speelde. Na overleg tussen de hoofdofficieren van justitie in Haarlem en Rotterdam werd besloten tot een gecombineerd rijksrecherche-feitenonderzoek vanuit de ressorten ‘s-Gravenhage en Amsterdam. In maart 1995 rezen opnieuw vraagtekens over de RCID Kennemerland, dit keer over de betrokkenheid van deze RCID en/of de FIOD bij een sigarettensmokkel, die voor tientallen miljoenen guldens aan accijnsontduiking zou hebben gezorgd. Vanuit politie en OM in Haarlem werd opnieuw om een, nu breder, rijksrecherche-onderzoek gevraagd.

    De Beaufort:

    “We werden hier in betrekkelijk korte tijd, achter elkaar, geconfronteerd met gegevens die ten nadele van de CID Kennemerland wezen…. wat zich in het verleden afspeelde, enkele ook actueler, en…. aangezien we al zolang problemen hadden gehad na de IRT periode, was de idee gerezen dat we eens wat breder moesten kijken, en niet alleen onderdeel A ofonderdeel B uit de mogelijke brei naar boven moesten halen, maar dat we eens moesten bekijken wat er nu daadwerkelijk aan de hand was. Wanneer je er een feit uitneemt ben je meer bezig met incident bestrijding dan dat je er structureel iets aan doet.”

    Straver:

    heb ik op 20 maart jl besproken met de hoofdofficier en ik heb hem verzocht te bevorderen dat er een breed fact-finding onderzoek zou worden ingesteld door de rijksrecherche met inbreng van CID-deskundigheid. Ik vond het noodzakelijk dat nu objectief zou worden vastgesteld wat er in de afgelopen jaren goed en fout was gegaan bij onze CID.”

    Het college van procureurs-generaal honoreerde deze wens.

    Niet alleen deze beide incidenten vormden aanleiding tot het besluit van het college van Procureurs-Generaal. Reeds vanaf de beheers- en gezagsmatige overgang van het IRT Noord-Holland/Utrecht naar korpsbeheerder en hoofdofficier van justitie te Amsterdam op 1 juli 1993 en de opheffing van dit team in de maand december van datzelfde jaar werd de RCID Kennemerland negatief bejegend, niet zelden ook in de publiciteit. Met name werd Langendoen, de chef van deze dienst, daarbij genoemd. Dit is onder meer verklaarbaar vanuit de wetenschap dat een door het IRT-toegepaste methode, voor de Amsterdamse driehoek aanleiding om het IRT op te heffen, praktisch uitgevoerd werd door Langendoen en Van Vondel. Een aantal interne onderzoeken van het politiekorps Kennemerland en enige rijksrecherche-onderzoeken vanwege de PG te Amsterdam – zie 1.1.3, – gaven echter geen aanleiding om te veronderstellen dat bij deze RCID structureel onjuist gehandeld werd of in belangrijke aan-gelegenheden ernstige fouten waren gemaakt.

    Om nu ‘eens en voor altijd’ duidelijkheid te verkrijgen, werd naar aanleiding van de nieuwe incidenten het brede en diepgaande onderzoek naar het functioneren van deze RCID geïnitieerd. Het ‘Bever’ – en het ‘sigarettensmokkel ‘- onderzoek werden hieringeïncorporeerd.

    Op basis van een voorstel van het hoofd van de rijksrecherche te Amsterdam stelde de PG aldaar, Van Randwijck, namens het college van Procureurs Generaal, in een notitie van 5 april 1995, de minister van Justitie in kennis van onderzoeksdoel en -opzet. Op 6 april ging de minister akkoord met de onderzoeksopdracht en werd de advocaat-generaal S. Zwerver uit Leeuwarden belast met de leiding van het team. In de overlegvergadering van het college met de minister van 25 april 1995 werd de minister nader geïnformeerd. De notitie van de PC Amsterdam noemde niet alleen het functioneren van de RCID Kennemerland als voorwerp van onderzoek, maar ook, in relatie daarmee, het functioneren van de korpsleiding en het daarvoor verantwoordelijke OM in Haarlem. Dat was de reden dat het onderzoek niet vanuit Haarlem werd aangestuurd. Toen na korte tijd bleek dat er nogal wat landelijke aspecten aan gewraakte operaties van de RCID Kennemerland verbonden waren, werd de eindverantwoordelijkheid voor het onderzoek binnen het college van PPGG verlegd van de Amsterdamse PG naar de portefeuillehouder zware georganiseerde criminaliteit R.A.Gonsalves.

    In de collegevergadering van 3 mei 1995 werd besloten het gezag over het team te verbreden; kort daarop werd de advocaat-generaal P.H.A.J. Cremers uit Arnhem als tweede direct leidinggevende OM-functionaris aangesteld. Naast het hoofd rijksrecherche Amsterdam K. Kuijper werd de politieleiding van het onderzoek, begin mei 1995, versterkt met de aan Gonsalves toegevoegde commissaris van politie D. Pijl. Kuijper verliet het team eind augustus 1995.

    De onderzoeksresultaten vormden vanaf 1 mei 1995 periodiek voorwerp van bespreking in een aparte overleggroep, de zgn. regiegroep Kennemerland.

    Deze groep stond onder voorzitterschap van JJ.H. Suyver, secretaris-generaal van het ministerie van justitie en bestond verder uit A.W.H. Docters van Leeuwen, voorzitter van het college van PPGG, R.A. Gonsalves, R.J.C. van Randwijck, H.A. van Brummen,directeur-generaal van het ministerie van justitie, H. Wooldrik, directeur politie van het ministerie van justitie en H. Borghouts, directeur-generaal openbare orde en veiligheid van het ministerie van binnenlandse zaken. Vanaf 29 juni 1995 maakte ook de korpsbeheerder van de politie Kennemerland J.J.H. Pop deel uit van de regiegroep. Een viertal uitvoerende ambtenaren van het ministerie van justitie en het OM ondersteunden de werkzaamheden van de regiegroep. Een aantal deelnemers aan de regiegroep wisselde.

    De regiegroep vergaderde in 1995 dertien maal en de OM-leiding van het Fort-team bracht dan steeds verslag uit over het verloop van het onderzoek. Naast de resultaten van het onderzoek en de beheersmatige aspecten van het team kwamen de samenloop met de PEC en de problemen rond het verkrijgen van de benodigde CID-informatie frequent aan de orde. Aanvankelijk was sprake van een onderzoeksduur van enkele maanden; voor de zomervakantie 1995 werd echter duidelijk dat een termijn van ongeveer een jaar (tot uiterlijk 1 mei 1996) benodigd zou zijn.

    1.1.1. Verloop onderzoek

    Na een moeizame start van het team – zie onder 1.2. – werd de opdracht voor het onderzoek als volgt geformuleerd:

    “Het verrichten van een zo grondig mogelijk feitenonderzoek naar de activiteiten, het functioneren en de werkwijze van de RCID Kennemerland gedurende de periode 1990-heden. Bijzondere aandacht behoort daarbij te worden geschonken aan het gebruik van bijzondere opsporingsmethoden. Tevens dienen de verantwoordelijkheden voor de RCID en de RCID-operaties, zowel bij politie als OM, in kaart te worden gebracht. Het onderzoek moet resulteren in een rapportage met conclusies en aanbevelingen.

    De eerste bevindingen van het team leidden tot het markeren van een aantal trajecten; in de loop van het onderzoek werden dat er elf:

    – gecontroleerde doorvoer van verdovende middelen door de regiopolitie Rotterdam-Rijnmond/ RCID Kennemerland;

    – betrokkenheid FIOD/ RCID Kennemerland bij sigarettensmokkel;

    – opzet saptraject Marokko door de RCID Kennemerland;

    – opzet saptraject Ecuador door de RCID Kennemerland;

    – gecontroleerde doorvoer van verdovende middelen door de regiopolitie Gooi en Vechtstreek/ de RCID Kennemerland;

    – werkwijze en administratie RCID Kennemerland;

    – invoer containers (met verdovende middelen) in Nederland door de RCID Kennemerland met behulp van de FIOD;

    – onderzoek overige RCID’en in relatie tot de RCID Kennemerland;

    – onderzoek administratie opgeheven IRT in relatie tot de RCID Kennemerland

    – liquidaties informanten en

    – gecontroleerde doorvoer hard drugs door de RCID Kennemerland.

    De onderzoeksmogelijkheden in een feiten-onderzoek zijn gering. Een strafrechtelijk onderzoek biedt vele mogelijkheden meer. Daarbij kwam dat de samenloop met de verhoren en activiteiten van de PEC stagnerend werkten op het onderzoek. Personen die op de nominatie stonden door het Fort-team gehoord te worden stelden het gesprek met die rijksrechercheurs uit omdat hun voorbereiding op het verhoor bij de PEC voorrang genoot. Ook onzekerheid over wat er met de aan het Fort-team verstrekte informatie zou worden gedaan bevorderde in eerste instantie de terughoudendheid bij een aantal personen om te verklaren.

    Langendoen wenste aanvankelijk niet zonder meer over bepaalde aangelegenheden te verklaren. Nadat naast de reeds gehanteerde vertrouwelijkheid nog een speciaal ‘veiligheidsregime’ wasontworpen verklaarde hij uitgebreider. Zijn geheugen liet hem daarbij echter, naar eigen zeggen, soms in de steek; daarnaast rees twijfel over de juistheid van zijn verklaringen, gelet op de reeds bij het team voorhanden zijnde informatie.

    Ook bij Langendoen vormden de vele (openbare en besloten) verhoren die hem door de PEC werden afgenomen een belangrijke hindernis. Zowel de voorbereiding daarop als de nasleep daarvan beïnvloedden zijn beschikbaarheid voor het team nadelig. Na het verhoor bij de PEC heeft hij niet meer willen verklaren over het zgn. ‘saptraject’. Na zijn tijdelijk buiten functie stellen en zijn ziek worden kon hij vanaf eind november 1995 niet meer gehoord worden.

    Van Vondel, tijdens het onderzoek al geruime tijd ex-politieman, werd meerdere malen door de teamleiding verzocht te verklaren; slechts één maal werd, vlak voor zijn tweede openbaar verhoor bij de PEC, gedurende korte tijd met hem over het ‘saptraject’ gesproken. Verdere medewerking werd door hem geweigerd.

    Augusteijn kon slechts zeer beperkt bevraagd worden voordat hij langdurig ziek werd.

    De Jongh werd benaderd maar kon, gelet op zijn ziektebeeld, in het geheel niet verklaren.

    Van der Putten, RCID-chef in Dordrecht en Gooi en Vechtstreek, zei nadat hij door de PEC was gehoord:

    “Door alle gebeurtenissen is mijn analytisch vermogen te instabiel om bepaalde uitspraken te doen.”

    Ook diverse andere functionarissen bleken terughoudend tot onwillig om te verklaren.

    Getracht werd met sommige (voormalige) informanten van de RCID Kennemerland te spreken. Bij enkelen leverde dat gesprekken en veel informatie op.

    Informant RR 1-1:

    “Wij spraken af elkaar twee tot drie keer in de week teontmoeten. Dat gebeurde meestal in cafés. Zij hebben mij niet verteld, dat ik mij niet schuldig mocht maken aan strafbare feiten. Ik kreeg daarbij te horen, dat alles bespreekbaar was, maar zij zouden per geval bekijken wat wel en niet toelaatbaar was.

    Informant RR 1-2:

    “Zoals ik al verklaarde, ben ik op nadrukkelijk verzoek van Langendoen en Van Vondel geïnfiltreerd in criminele organisaties die zich bezig houden met de invoer van soft drugs.

    Door Van Vondel is mij gezegd dat ik het geld dat ik daarmee eventueel zou verdienen, mocht behouden. Over te betalen kosten is tevoren niet gesproken. Ik vond het zelf niet meer dan logisch dat ik die kosten zou betalen omdat ik mijn criminele verdiensten immers mocht behouden.

    Nu, achteraf gezien en ondanks mijn ‘verdiensten als infiltrant die ik schat op circa f 6.500.000 waarvan de door mij gemaakte kosten van ongeveer f 3.000.000 afgetrokken moeten worden, vind ik dat zij mij te lang hebben laten gaan. Nu de zaak is stuk gelopen laat men mij “verzuipen” en geeft men niet meer thuis. Niemand kan zich voorstellen wat het betekent om in dergelijke grote criminele organisaties te infiltreren. Je kan er gewoon niet meer uit.”

    Andere criminele informanten ontkenden hun rol of gaven aan geen enkele behoefte aan gesprekken met het Fort-team te hebben.

    Informant RR 1-3:

    “Ik neem aan, dat u op de hoogte bent van mijn activiteiten en u kunt zich dus voorstellen, dat ik u niet ga vertellen wat ik precies doe. U bent van de rijksrecherche, dus van de politie.”

    1.1.2. Voorafgaande onderzoeken i.v,m. de RCID Kennemerland

    In de periode die het Fort-team onderzocht was reeds onderzoek gedaan naar (onderdelen van) het functioneren van de RCID Kennemerland. Dat gebeurde door de regiopolitie Kennemerland zelf en door de rijksrecherche. Ook andere rijksrecherche-activiteiten hadden raakvlakken met de RCID Kennemerland.

    De herstructurering van de RCID vanaf het moment dat Woest als interim-manager RCID werd aangesteld wordt in dit hoofdstuk buiten beschouwing gelaten. De relevante onderzoeksmomenten staan hieronder weergegeven in een tijdlijn:

    De herstructurering van de RCID vanaf het moment dat Woest als interim-manager RCID werd aangesteld wordt in dit hoofdstuk buiten beschouwing gelaten. De relevante onderzoeksmomenten staan hieronder weergegeven in een tijdlijn:

     

    39

    1.1.3.1. Benoeming Langendoen

    Door de reorganisatie van de politie werden in augustus 1992 Van Belzen en Limmen, tot die datum werkzaam bij de CID van het district Amsterdam van de Rijkspolitie, geplaatst bij de RCID Kennemerland. Van Belzen was adjudant van Rijkspolitie en plaatsvervangend hoofd van de CID. Naast het leiden van CID-operaties had hij zich vooral met beleidsmatige aspecten van de CID beziggehouden. Van Belzen was er vanuit gegaan dat hij, gelet op het sociaal statuut, bij de politieregio Kennemerland in aanmerking zou komen voor de vacante functie van hoofd RCID. Niet hij maar Langendoen werd echter in deze functie benoemd. In hoofdstuk IV wordt nader op de procedure rond de benoeming ingegaan.

    Van Belzen opteerde vervolgens voor de functie van hoofd districts-recherche Kennemerland Zuid, waarvoor hij aanvullende opleidingen volgde. Deze procedure nam enige tijd in beslag en resulteerde in augustus 1993 in een plaatsingsvoorstel. In de tussentijd trad Van Belzen informeel op als plaatsvervanger van Langendoen. Ook rundehij informanten, veelal met Limmen, zijn collega van oudsher.

    1.1.3.2. Vertrouwenscrisis 1992

    Vrij kort nadat hij zijn werkzaamheden bij de RCID Kennemerland was begonnen, signaleerde Van Belzen een aantal zaken die hij in een nota van 30 november 1992 aan Langendoen rapporteerde. Het betrof hoofdzakelijk kritiek op de werkmethoden die binnen de RCID Kennemerland gehanteerd werden. Met name had hij kritiek op het actief sturen van informanten, het door slechts één runner runnen van informanten, het gebrek aan terugkoppeling door de runners naar de chef en de gebrekkige administratie bij de RCID Kennemerland.

    Medio december 1992 ontstond er een vertrouwenscrisis binnen de RCID Kennemerland. Langendoen gaf in een schrijven aan zijn chef Wietzema Menkhorst aan

    ‘het niet langer verantwoord te achten met de heren Van Belzen en Limmen samen te werken in een team waarbinnen het vertrouwen ontbreekt.’

    In deze brief schetste Langendoen het verschil van inzicht tussen hem en Van Belzen/ Limmen over het verstrekken van tipgelden. Ook stelde hij dat over de wijze van omgang met informanten verschil van opvatting bestond. Voorts noemde hij een vijftal feiten waarbij Van Belzen en Limmen een, naar zijn oordeel, onjuiste rol speelden:

    1. Zo had Limmen hem ondanks gemaakte afspraken medegedeeld met de OVJ vooraf een beloning voor een informant te willen regelen. Langendoen had in een hierop volgend gesprek met Van Belzen en Limmen aangegeven dat hij slechts beloningen achteraf geregeld wilde zien. Desondanks zou Limmen, in overleg met Van Belzen, een beloning vooraf geregeld hebben;

    2. Langendoen vermeldde verder dat er door het optreden van Limmen een verstoorde verhouding was ontstaan met het IRT. Limmen zoubij een gesprek met een OVJ in

    Amsterdam de integriteit van de teamchef en een medewerker van het IRT in twijfel hebben getrokken;

    3. De derde grief van Langendoen betrof het niet nakomen van afspraken over het vastleggen van informatie;

    4. Ook zouden Van Belzen en Limmen zeer gevoelige informatie hebben verstrekt hetgeen tot grote problemen tussen politie en justitie zou hebben geleid, terwijl zij hadden moeten weten dat daardoor de veiligheid van een informant in gevaar werd gebracht (de z.g. Friesland-zaak);

    5. Tenslotte verweet Langendoen Van Belzen en Limmen dat zij zich niet konden verenigen met de wijze waarop de, door de RCID ‘oude stijl’ ontwikkelde, begeleiding van RBT-zaken plaats vond.

    Langendoen stelde in zijn brief deze feiten slechts summier te kunnen weergeven in verband met de gevoeligheid daarvan. Door Wietzema Menkhorst werden hierop gesprekken gevoerd met Langendoen, Van Belzen en Limmen. Van Belzen vroeg, volgens zijn zeggen, aan Wietzema Merkhorst om een onderzoek door de rijksrecherche. Het verwijt van Langendoen dat hij en zijn collega Limmen voorschriften en regels niet zouden naleven, had juist betrekking op anderen binnen de RCID, zo stelde Van Belzen.

    Zijn verzoek om een rijksrecherche-onderzoek werd volgens hem afgewezen omdat Van Vondel de door hem gebruikte tactieken geheim wilde houden.

    1.1.3.3. Intern onderzoek 1993

    Door de korpsleiding werd vervolgens via Wietzema Menkhorst aan C.J. Kooijmans en G.J. Hoek, respectievelijk werkzaam bij de Rijkspolitie District Amsterdam en de regiopolitie te Haarlem, verzocht een onderzoek in te stellen naar de ‘vertrouwenscrisis’ binnen de RCID. In het bijzonder werd hen gevraagd vast te stellen of Langendoen’s beweringen juist waren of dat er iets anders aan de hand was.

    De bevindingen in het door Kooijmans en Hoek opgemaakte rapport, gedateerd 2 februari 1993, waren aanleiding voor Wietzema Menkhorst om op 10 februari 1993 aan Straver een brief te schrijven. Daarin stelde hij dat hij op basis van het onderzoeksrapport van mening was dat Van Belzen en Limmen niet in strijd met gemaakte afspraken of regels hadden gehandeld.

    Naast de brief van Wietzema Menkhorst stuurde ook Van den Berg, het hoofd Politiële Bedrijfsvoering, een brief aan Straver waarin hij, samengevat, stelde:

    ‘Er dient een directere aansturing door Wietzema Menkhorst plaats te vinden. Hij is verantwoordelijk voor het beleid van het CID-werk en de bewaking van de integriteit. Hij moet zich volledig op de hoogte houden en bij zware afwegingen betrokken worden. Voorts dient hij mij in die gevallen direct in te lichten. Binnen de CID-sfeer dient alles open met elkaar besproken te worden. Bronnen moeten naar buiten toe afgeschermd worden maar naar binnen toe is het afschermen een slechte zaak, gelet op de daaraan verbonden risico ‘s. Van Belzen en Limmen zullen in een daarvoor belegde bijeenkomst met alle CID-medewerkers door mij gerehabiliteerd worden. Wietzema Menkhorst krijgt de opdracht met Langendoen te praten over zijn wat ‘onbesuisde operaties’ en de door hem verstrekte onzorgvuldige informatie, die geleid heeft tot de achteraf gebleken, niet gestaafde verdachtmakingen aan het adres van Van Belzen en Limmen.”

    Op 22 februari 1993 werd door Van den Berg een brief gezonden aan De Beaufort waarin hij zijn standpunt naar aanleiding van hetinterne onderzoek meedeelde. Hij stelde daarin o.m. dat het onderzoek tot adviezen ter verbetering had geleid en dat dit met de direct betrokkenen was doorgesproken. Ook meldde hij dat er geen verschil van mening bestond over de te nemen maatregelen. Hij besloot zijn brief met de zinsnede: ‘Voor allen is het duidelijk dat er slechts één RCID-beleid is in de regio Kennemerland.’ Op een van De Beaufort ontvangen fotokopie van deze brief staat de door hem op 25 februari 1993 gedateerde aantekening: ‘Jolien, word ik opgelicht of niet?’ De naam Jolien is de voornaam van de toenmalige CIDOVJ Kuitert.

    Kuitert:

    “Na het eerste interne onderzoek zegde de korpsleiding schriftelijk toe dat zij via de persoon van Menkhorst dichter op de RCID zouden gaan zitten en ik zag daarop toe. Ik heb toen tegen de plaatsvervangend korpschef de heer van den Berg, gezegd dat de verantwoordelijkheid voor wat betreft de communicatie tussen Menkhorst en Langendoen een politiële aangelegenheid was en dat ik daarin niet als smeerolie wilde fingeren.”

    1.1.3.4. Interne kritiek 1993

    Binnen de RCID Kennemerland bleven echter meningsverschillen over de houding van Langendoen bestaan. Al op 12 maart 1993 schreef Limmen een brief aan Van den Berg waarvan Straver een afschrift kreeg. In de brief stelde hij o.a. dat Langendoen zich niet had neergelegd bij de uitkomst van het onderzoek naar de vertrouwenscrisis door Kooijmans en Hoek. Op 15 maart 1993 vond daarop een gesprek plaats tussen Van Belzen, Limmen en Van den Berg. Deze verwees hen door naar Wietzema Menkhorst. Op 26 juli 1993 schreef Van Belzen vervolgens een brief aan Wietzema Menkhorst over zijn bevindingen met betrekking tot een aan hem, door Van Vondel, verstrekte autotelefoon. Deze telefoon bleek op naam te staan van een lid van een criminele groepering. Op 28 december 1993 schreef Van den Berg over deze zaak aan Van Belzen. Hij deelde mee dat hij met Langendoen de brief had doorgelopen en dat hij tot deconclusie was gekomen dat het een voor hem acceptabele zaak betrof. Van den Berg schreef voorts dat hij Van Belzen niet alle achtergronden kon meedelen maar besloten had om de zaak te laten rusten.

    Van den Berg:

    Feit is dat Van den Berg in februari 1993 nog schreef:

    naar binnen toe is het afschermen een slechte zaak’

    1.1.3.5. Feitenonderzoek rijksrecherche affaire Van Belzen/Limmen 1994

    Nadat er bij het IRT beroering was ontstaan in verband met een aldaar gehanteerde werkmethode, vroeg Langendoen op 15 december 1993 aan de automatiseringsdeskundige Paul om alle informatie die betrekking had op de bekritiseerde werkwijze op een zodanige manier veilig te stellen dat uitgifte van informatie alleen door hem, Langendoen zou kunnen plaatsvinden. Op 20 december 1993 constateerde Limmen dat hij niet meer kon beschikken over de door hem in de computer vastgelegde CID-informatie. Hij nam contact op met Paul die hem een floppy met CID-informatie ter beschikking stelde. Een dag later gaf hij de floppy aan Paul terug.

    Op 5 januari 1994 schreef Limmen een brief aan de korpsleiding van de regiopolitie Kennemerland, ter attentie van Van den Berg, waarin hij om opheldering vroeg over de handelwijze van Langendoen. Op 24 februari 1994 schreven Van Belzen en Limmen een brief aan Van den Berg, waarin zij stelden terug te willen komen op de brief van 26 juli 1993 en voorts nog andere punten te willen bespreken. Het betrof onder meer de werkmethoden binnen de RCID te Haarlem, de gang van zaken met betrekking tot autotelefoons, het verwijderen van CID-rapporten uit de CID-computers, het geen actie ondernemen na het verschaffen van informatie over liquidaties en het leveren van grondstoffen voor de aanmaak van XTC.

    Op 22 maart 1994 vond er naar aanleiding van deze brief een bespreking plaats onder leiding van Van den Berg. Hierbij waren Wietzema Menkhorst, Langendoen, Van Belzen en Limmen aanwezig. Het resultaat van het gesprek was dat men de zaak tijdelijk zou laten rusten en dat er over de materie overleg zou worden gevoerd met hethoofd van de rijksrecherche.

    In de nacht van 28 op 29 maart 1994 werd applicatiebeheerder Paul thuis gebeld door Van Belzen. Deze vroeg hem het password van C.H. Gerrits, de administratief medewerkster van de RCID Kennemerland. Paul zei tegen Van Belzen dat hij haar password niet wilde geven omdat hij anders ‘narigheid’ verwachtte. Van Belzen beëindigde daarop het gesprek met de opmerking: ‘Vergeet het maar.’

    Op 29 maart 1994 werd Straver door Northolt op de hoogte gebracht van het feit dat Van Belzen en Limmen informatie over het functioneren van de RCID Kennemerland en daarmee verband houdende ‘merkwaardigheden’ bij zijn korps hadden gemeld en dat zij vervolgens waren verwezen naar de Binnenlandse Veiligheids Dienst. Eveneens op 29 maart 1994 deelden Van Belzen en Limmen bij de BVD, samengevat, mee dat, kort voordat het IRT werd opgeheven, zij erachter kwamen dat Langendoen ongeveer 300 interne CID-rapportages ten behoeve van IRT-onderzoeken uit de computer had verwijderd (De verwijderde gegevens stonden op een floppy waarvan een kopie bij de BVD werd achtergelaten). De RCID Kennemerland zou voorinformatie hebben gehad over de moord op de crimineel Van der Heijden. Langendoen zou hierop, om onverklaarbare redenen, niet gereageerd hebben. Een aan hen ter beschikking gestelde autotelefoon bleek op naam van een bekende crimineel te staan, die ook de rekeningen hiervoor betaalde. Van Belzen en Limmen gaven, volgens een brief van het hoofd van de BVD van 29 maart 1994, aan dat zij

    ‘de vragen die ij hadden en waar wellicht een acceptabele verklaring voor gegeven kon worden, meerdere keren bij hun superieuren hadden aangekaart maar hierop geen bevredigend antwoord hadden gekregen.’

    Zij verklaarden voorts tot hun stap te zijn gekomen omdat ze niet meer wisten of zij nu invloed hadden op de georganiseerde misdaad of dat het omgekeerde het geval zou kunnen zijn.’

    Vervolgens werd vanaf 30 maart 1994 door de rijksrecherche inopdracht van de PG Amsterdam een onderzoek ingesteld. Dit onderzoek werd in twee delen gesplitst: een feitenonderzoek naar het functioneren en de integriteit van de RCID en een strafrechtelijk onderzoek naar overtreding van art. 272 Sr. door Van Belzen en Limmen. Door de korpsleiding was aan de HOVJ te Haarlem om het feitenonderzoek gevraagd; het strafrechtelijk onderzoek werd ingesteld door de PG Amsterdam onder verantwoordelijkheid van de HOVJ te Haarlem.

    Op 31 maart 1994 ontvingen Van Belzen en Limmen een brief van Straver waarin hij melding maakte van het rijksrecherche-onderzoek en aangaf het wenselijk te achten dat zij tot nader bericht thuis bereikbaar zouden zijn.

    In het feitenonderzoek werd herhaaldelijk aan Van Belzen en Limmen aangegeven dat zij ‘het achterste van hun tong’ moesten laten zien omdat veelvuldig de ‘afscherming van de informant’ als reden werd genoemd om niet volledig te kunnen verklaren. Kennelijk waren Van Belzen en Limmen slechts oppervlakkig geïnformeerd; zij verklaarden weliswaar uitgebreid, maar nauwelijks over nieuwe feiten of omstandigheden. Wat zij wilden was het aan de kaak stellen van de interne en externe wijze van functioneren van de RCID. Van Belzen en Limmen hadden daarbij het gevoel intern onvoldoende respons te krijgen. Zij stelden dat zij geen vermoedens hadden over mogelijke strafbare feiten gepleegd door Langendoen en/of Van Vondel en dat de integriteitsvraag voor hen ook niet aan de orde was.

    De rijksrecherche concludeerde dat vooralsnog niet was gebleken dat aan de integriteit van de RCID Kennemerland c.q. de chef daarvan getwijfeld moest worden.’

    Klaarblijkelijk speelde de integriteitsvraag, getuige de onderzoeksopdracht en -uitkomst, dus wel degelijk een rol.

    Langendoen werd door de rijksrecherche-onderzoekers gehoord. Aanvankelijk wilde hij geen schriftelijke verklaring afleggen, maar na toezeggingen over het confidentiële karakter van het dossier beantwoordde hij alle op dat moment levende vragen. Bij Toeter,Kuitert en Van der Veen werden de verklaringen van Langendoen geverifieerd. Zij bevestigden die.

    Inmiddels was ‘de IRT-methode’ in het rapport Wieringa goedgekeurd. De rijksrecherche conformeerde zich aan de bevindingen van het openbare gedeelte van het rapport. Gelet op de eerdere bemoeienis van Van den Berg met de RCID, waarbij deze vaststelde dat er niets aan de hand was, ging de rijksrecherche er ook vanuit dat de korpsleiding overal van op de hoogte was.

    Samenvattend zag de rijksrecherche geen aanleiding om Langendoen of anderen te wantrouwen, immers de methode was door Wierenga goedgekeurd, het OM bevestigde de informatie van Langendoen en de korpsleiding leek volledig op de hoogte. Op 19 mei 1994 werd het rapport afgesloten.

    1.1.3.6. Strafrechtelijk rijksrecherche-onderzoek Van Belzen/Limmen 1994

    Aan het strafrechtelijk onderzoek werd medio 1994 een nieuw element toegevoegd: de verdenking dat Van Belzen en Limmen CID-informatie aan de tactische recherche in Friesland zouden hebben verstrekt Voor deze verdenking bleek geen grond aanwezig.

    Het andere deel van het strafrechtelijk onderzoek terzake van art. 272 Sr. behelsde de floppy disk waarmee Van Belzen en Limmen naar de Amsterdamse korpsleiding waren gestapt. Van Riessen en Nordholt waren hiermee naar Vrakking gegaan, waarna men gezamenlijk een bezoek bracht aan het woonhuis van BVD-chef Docters van Leeuwen. Kort hierop vond een bespreking bij de BVD in Leidschendam plaats waarop besloten werd dat het hier geen BVD-aangelegenheid betrof, maar een justitiële. Via het ministeriële niveau was de zaak bij de PG Amsterdam terecht gekomen, waarna het strafrechtelijk rijksrecherche-onderzoek werd ingesteld. Het proces-verbaal betrekking hebbende op dit strafrechtelijke onderzoek werd opgemaakt op 29 juni 1994.

    In verband hiermee werd door de HOVJ in Haarlem een GVO ingesteld, hetgeen op 3 mei 1995 in opdracht van het college van Procureurs-Generaal werd opgeschort, mede op grond van het onderzoek door het Fort-team. Hoofd rijksrecherche Amsterdam Kuijper verklaarde meermalen aan De Beaufort en Van der Veen te hebben gevraagd “of het wel verstandig was dit zo ie doen”, daarmee doelend op de instelling van een gerechtelijk vooronderzoek op grond van art. 272 Sr.

    De Beaufort:

    “Achteraf kun je zeggen dat Van Belzen en Limmen het licht gezien hebben terwijl ik dat nog onvoldoende zag

    maar waar ze dat nu aan ontleenden…. wat hun informatiebron was kon Klaas Kuijper maar niet aan ze ontfutselen. En Klaas kreeg steeds meer het gevoel dat hij door die mannen aan het lijntje werd gehouden. Als hij het proces-verbaal wilde afsluiten bleken ze nog weer wat te hebben

    1.1.3.7. Corruptiezaak politie Amsterdam 1993

    Eén van de belangrijkste redenen om binnen het IRT een straf veiligheidsregime te hanteren (‘need to know’) en sterk gecompartimenteerd te werken was gelegen in de verdenking dat, met name vanuit het Amsterdamse korps, ongeoorloofde contacten met zware criminelen, ook met die uit de doelgroep van het IRT, werden onderhouden. In april 1993 startte een rijksrecherche-onderzoek naar een corrupte Amsterdamse politieman. Deze werd in juni 1993 op heterdaad betrapt toen hij betaald werd door criminelen, verbonden aan de groepering , die gelieerd was aan de doelgroep van het IRT. De basis-informatie voor dit onderzoek was afkomstig van de RCID Kennemerland, meer specifiek van Van Belzen en Limmen. Ook over de wijze waarop deze informatie bij de rijksrecherche terecht zou moeten komen ontstond een conflict tussen Langendoen en de beide anderen. Voor derijksrecherche vormde dit onderzoek de eerste nadere kennismaking met de RCID Kennemerland. De aanhouding en latere veroordeling van de Amsterdamse hoofdagent werd door het IRT en de RCID Kennemerland als bevestiging van de eerdere vermoedens ervaren en sterkte de voorstanders van een strak geheimhoudingsregime in hun opvatting.

    1.1.3.8. Rijksrecherche-onderzoek IRT-methode 1993

    In november 1993 werd door de PG aan de rijksrecherche opdracht gegeven een feitenonderzoek in te stellen naar de IRT-methode. Het rapport van Van Kastel was aanleiding om uit te zoeken hoe nu precies de CID-matige gang van zaken was. Van Kastel, Van Riessen en Augusteijn werden gehoord. Tijdens het verhoor van de laatste bleek hoe gevoelig het onderzoek lag en werd op instigatie van de onderzoekers en Kuijper besloten aan de beleidsverantwoordelijken te vragen om een herbezinning op de opdracht gelet op de mogelijke, vergaande consequenties. Kuijper:

    “zet goed op een rijtje waar we aan beginnen”.

    Met name de mogelijke gevaarzetting voor de informant was het motief voor het nadere beleidsmatige overleg. Op 15 november 1993 vond dit overleg plaats. Naast Van Randwijck namen Vrakking, Van Riessen, Helsdingen -commissaris van politie toegevoegd aan de PG Amsterdam- en Kuijper daar aan deel. Augusteijn, Langendoen en Van Capelle werden na elkaar in de vergadering geroepen. De eerste verklaarde oppervlakkig en bleek ook niet te weten wat de RCID Kennemerland precies deed. Langendoen zette zwaar aan op het punt van de gevaarzetting voor de informant en stelde dat de operatie niet kon worden stopgezet.

    De Beaufort:

    er is toen zo ‘n bijeenkomst geweest aan de Parnassus-weg waar Langendoen ook ondervraagd is; je kunt ook zeggen dat wij het er niet bij hadden moeten laten zitten..”

    Resultaat van het overleg was onder meer dat de PG en de HOVJ Amsterdam besloten dat het rijksrecherche-onderzoek niet meer nodig was. Men was overigens reeds vóór de opdracht aan de rijksrecherche bij de minister geweest. De inhoud van de CID-methode is de rijksrecherche toen niet bekend geworden. Kort nadien besloot de Amsterdamse driehoek het IRT op te heffen, juist vanwege de methode waarnaar op 15 november 1993 het onderzoek door onder meer de HOVJ Amsterdam was gestaakt.

    1.1.3.9. Rijksrecherche-onderzoek corruptie en lekken 1994

    In januari 1994 kreeg de rijksrecherche van Van Randwijck opdracht een feiten-onderzoek in te stellen naar corruptie-beschuldigingen aan het adres van de Amsterdamse korpsleiding. Een aantal betrokkenen, waaronder Straver, Langendoen en Van Baarle wilden aanvankelijk geen verklaring afleggen. Besloten werd een confidentieel dossier te vormen. De 18 corruptie-‘gevallen’ van Augusteijn, voor een deel terug te voeren naar informatie van de RCID Kennemerland, vormden hiervoor de basis. De genoemde personen hebben later, Langendoen uitgezonderd, verklaard. Doel van het onderzoek was na te gaan of er corruptie-aanwijzingen binnen de Amsterdamse politietop te vinden waren en wat de bron van deze beschuldigingen was. Volgens Kuijper was de uitkomst van het onderzoek dat er geen concrete aanwijzingen voor corruptie bestonden. In het afsluitende rapport stond onder meer aangegeven dat de CID-informatie verder zou worden geëxploiteerd in een samenwerking tussen de rijksrecherche en de RCID Kennemerland. Van Capelle zou deze samenwerking begeleiden.

    Volgens Kuijper kwam Langendoen de afspraken niet na enkon er verder niets worden ondernomen.

    In de hectische periode rond de afbouw van de ‘groei-informant’, debeweerde bedreigingen aan het adres van Langendoen en anderen, de commissie Wierenga en de IRT-Kamerdebatten, vormde de opheffing van het IRT de basis van vele berichtgevingen in de media, niet zelden voorzien van vertrouwelijke of geheime informatie. In deze context kreeg de HOVJ in Utrecht, Mr. R.B.M. Berger, medio 1994 opdracht van de minister van Justitie een GVO contra N.N. te vorderen naar het lekken van vertrouwelijke informatie door politie en/of justitie in Amsterdam. De rijksrecherche werd opgedragen daarin te participeren. In dit onderzoek bleek door Langendoen opzettelijk onjuiste geheime informatie te zijn verschaft aan zijn OVJ Van Capelle. Deze lichtte zijn HOVJ in, die later beargumenteerde waarom hij daarover met twee journalisten had gesproken.

    1.1.3.10. Overig rijksrecherche-onderzoek 1994/1995

    In november 1994 werden vier runners van de RCID Kennemerland verdacht van het lekken van politie-informatie naar een crimineel over een op handen zijnde politie-inval in de loods van deze persoon, alwaar de aanwezigheid van verdovende middelen werd vermoed. In januari 1995 werd proces-verbaal opgemaakt; de strafzaak is nog niet afgerond.

    Omdat hij zich niet aan de gedragsregels van de RCID had gehouden -werken met een niet ingeschreven informant- werd één van de runners wegens plichtsverzuim schriftelijk berispt en binnen het korps verplaatst naar een andere functie.

    Begin 1995 werden twee runners van de RCID Kennemerland geschorst omdat zij verdacht werden van betrokkenheid bij een verduistering. (ABN-AMRO-fraudezaak) Ook zouden zij hebben gehandeld in strijd met de instructies om een informant af te bouwen. Het rijksrecherche-onderzoek leverde in april 1995 geen bewijs voor strafbare feiten op. Wel werd aan de PG Amsterdam gerapporteerd dat:

    – beide runners een onvolledige administratie voerden van hun bezigheden;

    – de kwaliteit van hun rapportage te wensen overliet;

    – informantendossiers pas vanaf eind 1994 vervaardigd werden;

    – binnen de RCID Kennemerland men een grote vrijheid van handelen had:

    – begeleiding en controle nagenoeg niet aanwezig waren.

    Beide runners werden daarop gerehabiliteerd, maar keerden niet terug bij de CID. Later bleken zij nog contact te onderhouden met een afgebouwde informant” infiltrant van de RCID.

    Het instellen van het zogenaamde ‘Bever’ -onderzoek in februari 1995 en het onderzoek naar de betrokkenheid van de RCID Kennemerland bij sigarettensmokkel, in maart van dat jaar, vormden de opmaat tot het brede feitenonderzoek naar het functioneren van de RCID Kennemerland vanaf 1990.

    De bevindingen van deze onderzoeken worden in de hoofdstukken V en VI van dit rapport beschreven.