• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Overige trajecten – Cocaïne

    6.4. COCAINE

    6.4.O. Inleiding

    In deze paragraaf worden 4 trajecten beschreven waarbij sprake is van betrokkenheid van de RCID Kennemerland in relatie tot het in Nederland invoeren van partijen cocaïne. Daarnaast wordt informatie over cocaïne-handel weergegeven waarin de RCID Kennemerland een rol speelt. De beschikbare gegevens over dit onderwerp waren niet compleet (te krijgen). Dit had tot gevolg dat in een aantal zaken geen duidelijk beeld kan worden gegeven en dat een aantal vragen vooralsnog onbeantwoord blijft.

    De trajecten behelzen:

    – Zaak IJmuiden 1990:

    Op 28 februari 1990 werd in een loods te Ijmuiden een Partij van 2658 kg cocaïne inbeslaggenomen. De cocaïne zat verpakt in vaten passievruchten en was afkomstig uit Colombia. Voor zover bekend was de RCID Kennemerland bij deze zaak betrokken middels enkele informanten.

    -IRT 1991:

    Najaar 1991 werd in de haven van Rotterdam door een informant van de RCID Kennemerland vijf kg cocaïne van een schip gehaald. Hierbij was sprake van een gecontroleerde aflevering in samenwerking met het IRT.

    -Zaak Rotterdam medio 1992:

    Medio 1992 werd in de haven van Amsterdam door de RCID Kennemerland ongeveer 30 kg cocaïne ‘CID-matig’ verwijderd uit een container. Volgens Langendoen stond de partij van 30 kg cocaïne in relatie met een gecontroleerde aflevering in Rotterdam die vervolgens fout was gelopen.

    -Zaak Rotterdam najaar 1992:

    Najaar 1992 zou in de haven van Amsterdam door de RCID Kennemerland ongeveer 40 kg cocaïne ‘CID-matig’ verwijderd zijn uit een container. In aansluiting hierop vond er enige dagen later een actie plaats in samenwerking met de RCID Rotterdam, waarbij een partij van 20 of 40 kg cocaïne in het milieu verdween.

    Naast de hierboven vermelde trajecten is er meer informatie waarin de RCID Kennemerland wordt genoemd in relatie tot cocaïne. Hierbij is het echter:

    – nooit daadwerkelijk tot zaken of acties gekomen, of

    -niet vastgesteld dat de RCID Kennemerland concreet betrokken was.

    Een opsomming:

    -In 1990 meldden Langendoen en Van Vondel zich in een onderzoek van een rechercheteam in Limburg. Zij hadden een informant die een rol kon spelen in de cocaïnehandel die door dit team werd onderzocht. Een crimineel wilde een hoeveelheid cocaïne kopen en zou enkele malen een koerier naar Amsterdam laten reizen. De informant zou hierin een rol kunnen spelen zodat de leveringen van cocaïne onder controle kwamen en de koerier bij de derde levering gepakt zou kunnen worden. Langendoen en Van Vondel hadden al een taxi geregeld en één van hen zou die taxi besturen. In een vervolgoverleg werd door de CID Limburg voorgesteld om dit eerst met hun OVJ te bespreken, maar volgens Langendoen en Van Vondel hoefde dit niet. Enkele malen is getracht om tot concrete zaken te komen maar uiteindelijk heeft een daadwerkelijke transactie niet plaats gevonden. De informant is later gebruikt ten behoeve van het IRT.

    -In de administratie van de RCID Kennemerland werd een aantal CID-informatierapporten aangetroffen van medio 1991. Deze rapporten hadden betrekking op twee criminelen in relatie tot een container in de haven van Amsterdam waarin 30 kg cocaïne zou zitten. Eén van de criminelen moest ervoor zorgen dat de container door de douane zou komen. Hiervoor werd een informant van RCID Kennemerland benaderd. De container was echter al voorwerp van onderzoek bij een tactisch politieteam buiten Kennemerland.

    In Utrecht werd de container door de politie opengemaakt en werd 30 kg cocaïne aangetroffen.

    -Met betrekking tot het IRT kan worden vermeld dat er gesproken is over een tweetal acties, één begin 1993 en de ander in het najaar van 1993, die beide uiteindelijk niet zijn doorgegaan. Omtrent de eerste actie verklaarde Lith dat op een bijeenkomst op 15 januari 1993, waarbij aanwezig waren Van Randwijck, Van der Veen, Behling, Van Baarle en hijzelf, toestemming werd verleend om een bepaalde hoeveelheid cocaïne door te laten. Dit met als doelstelling bij een latere vangst van duizenden kilo’s cocaïne een belangrijke tak van de Delta-organisatie te ontmantelen. Van Randwijck verklaarde daar in januari 1993 inderdaad over gesproken te hebben. Er is toen gevraagd of hij toestemming kon verlenen voor de gecontroleerde invoer van 130 kg cocaïne. Het zou een éénmalige operatie zijn. Het ging daarbij om een topverdachte. Volgens Van Randwijck is er toen niet gesproken over aflevering of doorlevering. Die termen bestonden toen naar zijn zeggen nog niet. Mocht er toch gesproken zijn over aflevering of doorlevering dan had hij ook toestemming gegeven. Dit onder de restrictie dat het een éénmalig gebeuren diende te zijn en het opgezet diende te worden aan de hand van de geldende criteria. Hiermee doelde Van Randwijck op registratie, toezicht, het ‘Tallon’ criterium enz.

    Van der Veen verklaarde hierover dat hij tijdens een bespreking aan Van Randwijck had voorgelegd of het beleidsmatig en politiek verantwoord was om een partij van 130 of 140 kg cocaïne ‘te laten verdampen’ in het criminele milieu. Dit met de bedoeling om beter inzicht te krijgen in de cocaïnelijn en op een later moment de verantwoordelijken aan te pakken en een partij van meer dan duizend kilo te onderscheppen. Van der Veen verklaarde dat hij hiervoor volledige dekking kreeg van Van Randwijck, in zowel politiek als beleidsmatig opzicht. Later hebben Van der Veen en Lith besloten dat de proefzending nietgroter mocht zijn dan dertig tot veertig kg. Doordat Van der Veen en Lith de risico’s met de betreffende informant/infiltrant echter te groot achtten, is deze operatie niet doorgegaan. Bij deze operatie zou de RCID Kennemerland vermoedelijk niet betrokken zijn geweest.

    Over de tweede actie verklaarde Langendoen dat in 1992 of 1993 een informant door de criminele doelgroep was benaderd met de vraag of hij wilde meewerken aan het binnenhalen van een grote partij cocaïne. Volgens Langendoen had Van Capelle toestemming verleend aan de informant om medewerking te verlenen. Tevens zou Van Capelle toestemming hebben gegeven om proefzendingen met een totaal gewicht van niet meer dan 100 kg cocaïne (4 x 25 kg) te realiseren. Deze proefzendingen mochten het milieu in. Langendoen kreeg dit teruggekoppeld van Augusteijn en Rietkerk die kennelijk met Van Capelle hadden overlegd. Langendoen verklaarde dat er nooit op bovengenoemde wijze, dus via deze informant, cocaïne is ingevoerd.

    Van Capelle verklaarde dat hij nooit toestemming heeft gegeven voor het doorlaten van hard drugs. Er was volgens hem ooit sprake geweest van 5000 kg maar er was regelmatig sprake van fantastische hoeveelheden cocaïne en het werd nooit wat. De ‘bottomline’ was volgens Van Capelle altijd, dat er nooit zou worden doorgelaten.

    De bedoeling was om met deze operatie de Delta-organisatie te ontmantelen. In het IRT-traject is dus tenminste twee maal gesproken over gecontroleerde invoer van cocaïne.

    -In de administratie van de RCID Kennemerland werd een aantal CID-informatierapporten aangetroffen uit het najaar van 1994. Als rapporteurs staan vermeld Van Vondel en vermoedelijk De Jongh van de FIOD. De informatie was afkomstig van een informant. De rapporten hadden betrekking op een crimineel die in een container een proefzending cocaïne wilde laten komen. De container maakte deel uit van een zending van vier containers. Alle containers hadden dezelfde deklading en hetzelfde bestemmingsadres. De bewuste container werd gecontroleerd door beveiligingsmensen van het bedrijf waarvoor de containers bestemd waren. Er werd 160 kg cocaïne aangetroffen. Deze partij werd vervolgens door de douane in beslag genomen. Als bijzonderheid kan worden vermeld dat de bewuste container, tegen de geldende voorschriften in, net van het terrein was gereden toen de beveiligingsmensen aankwamen. De vrachtauto met de container werd vervolgens door de leider van de beveiligingsploeg teruggehaald waarna de cocaïne werd aangetroffen. Voor zover na te gaan, heeft de RCID Kennemerland geen bemoeienis gehad met de actie, maar kennelijk wel informatie hieromtrent ontvangen/verzameld. Voorts werd in de CID-informatierapporten gesproken over een partij van 5000 kg cocaïne waarmee dezelfde crimineel bezig was.

    -Een informant verklaarde dat hij medio 1994 van de CID in Haarlem toestemming had gekregen om aan een criminele organisatie onder andere een hydraulische pers, mallen en diverse droogwerktuigen te leveren. Ook zou hij een hoeveelheid di-ethyl ether hebben geleverd. Dit stond in verband met de aankomst van een partij coke-base en het laten overvliegen van twee ‘koks’ uit Colombia. De informant verklaarde voorts een situatietekening voor de CID te hebben vervaardigd aan de hand waarvan een inkijkoperatie zou kunnen worden uitgevoerd. Kopieën van deze tekening zouden gevoegd zijn bij een proces-verbaal contra een crimineel. Deze informant werd gerund door Van Tol en Mettes. De door de informant genoemde bestelling van cocaïne in Colombia werd bevestigd door aangetroffen CID-informatierapporten; de overige informatie kon niet bevestigd worden.

    -Medio 1992 werd informatie bekend dat in een container op een schip dat in de haven van Amsterdam aan zou komen 50 kg cocaïne zou zijn bij gepakt. Bij het openen van de container werd door de douane 80 kg cocaïne aangetroffen. De cocaïne werd in overleg met Wortel vervangen door dummy’s. Vervolgens werd een onderzoek gestart tegen een werknemer van CTA die betrokkenheid bij deze verdovende middelenzending zou hebben. Toeter zou opdracht hebben gegeven tot het installeren van een printer op de telefoonaansluiting van een werknemer van CTA (dezelfde als waarover in 6.4.2.3. gesproken wordt). Vanaf het moment dat de container gelost werd tot aan de aflevering op de plaats van bestemming heeft niemand interesse getoond voor de container. Naast de bemoeienis van CID-OVJ Toeter is het enige waaruit de betrokkenheid van de RCID Kennemerland zou kunnen blijken een mutatie in een intern rapport van de FIOD Amsterdam van de ambtenaar Hoeymans. Dit rapport handelt over de actie met de twee containers die in 6.4.2.3. beschreven is:

    ‘Uit het eerder genoemde CID onderzoek in Haarlem bleek dat er met schip een container zal arriveren afkomstig uit Colombia. Volgens de informatie zou er in deze container ongeveer 50 kg cocaïne zijn bij gepakt.

    Wortel kon zich de zaak herinneren, maar verklaarde dat dit niets te maken had met Kennemerland. Toeter heeft niet verklaard over deze zaak.

    De 80 kg cocaïne, verpakt in twee jute zakken, werd door de douane in beslag genomen. Niet duidelijk is geworden of deze zaak werkelijk te maken heeft met de RCID Kennemerland. Ook in de administratie van de RCID Kennemerland is niets aangetroffen over deze zaak.

    -Door een informant werd een verklaring afgelegd die aan de rijksrecherche beschikbaar werd gesteld, waarin staat aangegeven dat Langendoen en Van Vondel met een tweetal criminele informanten verantwoordelijk zouden zijn voor het in Nederland brengen van een aantal containers, waarbij ook de douane een belangrijke rol zou spelen. De inhoud van de containers zou behalve uit de legale vracht zoals bijvoorbeeld vruchtesap, uit een aantal lagen hashish hebben bestaan met daaronder grote hoeveelheden cocaïne. De verpakkingen waren voorzien van een bepaalde stempelafdruk. Met de opbrengst van deze partijen zou men zich onder een andere identiteit ingekocht hebben in een, met name genoemd, buitenlands staatsbedrijf. De uitgekeerde winst van dit staatsbedrijf zou naar bankrekeningen van alle betrokkenen zijn gesluisd.

    -Een andere informant legde een verklaring af die aan de rijksrecherche beschikbaar werd gesteld waarin -kort samengevat- werd aangegeven dat in marihuana-zendingen, vanuit Zuid-Amerika naar Nederland grote partijen cocaïne zouden zijn verstopt geweest. De zendingen, tussen 1992 en 1994, zouden met medeweten van de politie in Nederland zijn ingevoerd. De politie zou hiermee een crimineel netwerk hebben willen blootleggen door de partijen te volgen. Degene die de politie informeerde zou vanaf het begin dubbelspel hebben gespeeld en hiermee 10 tot 14 miljoen gulden hebben verdiend. Naast enkele opmerkelijke correcte details bevat de verklaring ook enkele aantoonbare onjuistheden.

    -Uit diverse administratie blijkt dat de RCID Kennemerland bij de volgendetrajecten betrokken is geweest:

    – 1992, inbeslagname van 1100 kg cocaïne in Dordrecht;

    – 1993, inbeslagname van 2160 kg cocaïne in Antwerpen;

    – 1993, inbeslagname van 175 kg cocaïne in Zaanstad;

    – 1993, inbeslagname van 490 kg cocaïne op Texel.

    Voor zover vastgesteld kon worden waren dit zaken waarover de RCID Kennemerland kennelijk informatie ontving, maar waarin niet actief door de RCID werd opgetreden. In de administratie van Kennemerland werden diverse CID-informatierapporten aangetroffen over deze zaken.

    6.4.1. Beschrijving vier trajecten

    6.4.1.1. Zaak IJmuiden 1990

    Op 28 februari 1990 werd in een loods te Ijmuiden 2658 kg cocaïne inbeslaggenomen in de zogenaamde ‘Holle Vaten’ zaak. De cocaïne zat verpakt in vaten passievruchten en was afkomstig uit Colombia.

    Langendoen verklaarde dat hij en Vijge (destijds senior-rechercheur RCID Kennemerland) betrokken waren bij de ‘Holle Vaten’ zaak middels enkele informanten.

    Meester, die destijds adjudant bij de afdeling recherche was, verklaarde dat hij van Langendoen en Van Vondel te horen kreeg dat in een loods te Ijmuiden pakken cocaïne en zakken met groene korreltjes aanwezig waren. Volgens Meester was de informatie niet afkomstig van een informant maar van eigen waarneming. Dit zou later door Langendoen aan hem bevestigd zijn. Dit gegeven kan erop duiden dat er een inkijkoperatie zou hebben plaatsgevonden.

    In deze zaak werd in totaal 2658 kg cocaïne inbeslaggenomen. Deze partij werd in opdracht van Van der Veen -toen CID-OVJ- vernietigd op 8 maart 1990. Vóór de vernietiging werden van deze partij 60 monsters getrokken van twee a’ drie gram ten behoeve van onderzoek door het Gerechtelijk Laboratorium. Deze monsters zijn door het Gerechtelijk Laboratorium niet teruggezonden naar Haarlem maar voor wetenschappelijk onderzoek behouden.

    Van de inbeslaggenomen partij cocaïne werd eveneens 13 kg achtergehouden voor eventuele herbemonstering of controle op verpakking. Volgens verschillende mutaties in onder andere het register van de verdovende middelenkluis, het afdelingsjournaal en een nota afvalverwerkingsinrichting, zou deze partij van 13 kg cocaïne op 25 februari 1991 samen met andere verdovende middelen vernietigd zijn. Het proces-verbaal van vernietiging is niet aangetroffen.

    Een crimineel verklaarde aan de rijksrecherche dat hij, sedert ongeveer 1985, tips gaf aan Langendoen en Van Vondel. Over het jaartal was hij zeer beslist. Een Colombiaanse crimineel, die bij de IJmuidenzaak betrokken was, zou tegen hem gezegd hebben dat de totale lading uit 3040 kg cocaïne bestond, terwijl er slechts2658 kg inbeslag is genomen.

    In 1994 verklaarde Van Belzen aan de rijksrecherche:

    “Ik heb van een CID collega, wiens naam ik nu nog liever niet wil noemen, gehoord dat er vanuit het bureau Haarlem een flinke partij cocaïne, ik dacht 40 kilogram, was verdwenen. Volgens hem zou de korpsleiding dit intern gehouden hebben. Ik heb dit verhaal niet gecontroleerd. Wanneer dit is geweest weet ik niet meer. Wel heb ik dit aan de korpsleiding gerapporteerd.”

    Van de Berg ontkende van het bestaan van dit “gerucht” op de hoogte te zijn.

    Langendoen, in 1994 daarover gehoord, verklaarde hierover:

    “Ik weet niets van 40 kg cocaïne die uit ons politiebureau zou zijn verdwenen. Wel weet ik van een onderzoek in 1991. Ik denk dat men van die zaak iets gehoord heeft. In dat jaar hebben wij een onderzoek gedraaid die uitkwam bij een loods in IJmuiden. Voor dat er tot inbeslagneming kon worden overgegaan vond er observatie plaats. Geconstateerd werd daarbij dat personen met sporttassen de loods verlieten. Vermoedelijk hadden zij een deel van de cocaïne bij zich. Deze personen zijn onderwerp van observatie geworden. Om onderzoekstactische redenen zijn die personen op een bepaald moment los gelaten. Bij de inbeslagneming van de partij cocaïne in die loods kon, op grond van onderzoek door de technische recherche, worden vastgesteld dat er naast de ruim 2600 kg, nog 36 kg cocaïne aanwezig moet zijn geweest. Dit op grond van de aangetroffen verpakking. Ik was bij dat onderzoek slechts CID-matig betrokken. Ik had daar tactisch geen bemoeienis mee. ik neem aan dat men in dit geval iets heeft gehoord en daaraan zijn conclusies heeft verbonden. Alles wat ik thans verklaar is in die tijd bij proces-verbaal vastgelegd.”

    Samenvattend:

    -Er is op 28 februari 1990 2658 kg cocaïne in IJmuiden inbeslaggenomen;

    – Langendoen veronderstelde dat door de criminele organisatie een gedeelte van de cocaïne, 36 kg, voor de inbeslagneming is weggehaald;

    – Meester verklaarde dat Langendoen en Van Vondel uit eigen wetenschap wisten dat zich, voor de inbeslagneming, cocaïne in de loods bevond en dat vermoedelijk een inkijkoperatie had plaatsgevonden;

    – Een crimineel verklaarde dat hij van een Colombiaanse crimineel had gehoord dat de totale partij cocaïne had bestaan uit 3040 kg in plaats van 2658 kg;

    – De inbeslaggenomen partij zou op 8 maart 1990 zijn vernietigd met uitzondering van 60 monsters van twee a drie gram die naar het Gerechtelijk Laboratorium zijn gegaan en

    – Een partij van 13 kg is in verband met herbemonstering of controle op de verpakking achtergehouden. Deze laatste partij zou, volgens verschillende mutaties en een nota afvalverwerkingsinrichting, vernietigd zijn maar hiervan is geen proces-verbaal van vernietiging aangetroffen.

    6.4.1.2. IRT 1991

    Najaar 1991 werd door een informant van de RCID Kennemerland een partij van vijf kg cocaïne van een schip gehaald in de haven van Rotterdam. Het zou hierbij gaan om een gecontroleerde aflevering in samenwerking met het IRT. Kort hierop vond een inbeslagneming plaats in Amsterdam en werden twee verdachten aangehouden.

    Volgens administratie van het IRT is er begin 1991 een bespreking bij het CID van het IRT geweest met Langendoen en Van Vondel. Het werd hun informant niet toegestaan te groeien in de Bruinsma organisatie omdat dit gepaard zou gaan met het plegen van meerdere strafbare feiten en infiltratie. Hierop werd besloten om te proberen of de informant voor de organisatie een partij harddrugs naar Nederland zou kunnen halen. Door de runners werd aan-gegeven dat hij hiervoor de contacten in Colombia zou hebben en afgesproken werd dat zijn rol een intermediaire zou zijn. Hij zou de bemiddelaar zijn tot aan de kade/vliegveld in Nederland. Later zou dit met Lith en Augusteijn zijn besproken die akkoord zouden zijn gegaan met de opzet. Ook werd toegezegd dat bescherming van de informant de hoogste prioriteit had en dat getracht zou worden een gunstig tipgeld te regelen. Na enige weken vond wederom een gesprek met Langendoen en Van Vondel plaats. Zij kwamen toen met een concreet voorstel om de informant een partij cocaïne vanuit Colombia naar Nederland te laten regelen. Deze partij zou bestemd zijn voor een crimineel die de informant al eens eerder benaderd zou hebben met het verzoek dit voor hem te regelen. Van uitlokking zou dan ook geen sprake zijn. Wel werd aan de ‘deal’ verbonden dat het transport de eerste keer door moest gaan en niet gepakt mocht worden. Ook verbond men aan deze zaak dat de lijn naar Colombia in stand moest blijven, ook als de zaak in tweede of latere instantie gepakt zou worden. Rietkerk zou dit met Lith en Augusteijn besproken hebben, waarna Lith dit zou hebben moeten voorleggen aan de OVJ. Een maand later werd door de RCID Haarlem aan het IRT medegedeeld dat de cokezaak volgens plan verliep en dat er schot inzat. Drie maanden later werd tijdens een bezoek van mensen van het IRT aan de RCID Haarlem gezegd dat alles volgens plan verliep en dat volgens de informant de partij zich reeds aan boord van een schip bevond.

    Anderhalve maand daarna werd vanuit Haarlem bericht ontvangen dat de 5 kg cocaïne binnen was en dat getracht zou worden de verdovende middelen af te leveren. De inbeslagneming en de aanhoudingen in Amsterdam waren het resultaat. De verdovende middelen zijn volledig onder controle van de politie gebleven.

    Lith verklaarde dat er één actie m.b.t cocaïne heeft gespeeld waarbij Haarlem betrokken was. Dit was in 1991 waarbij volgens hem minder cocaïne inbeslaggenomen werd. Niet geheel zeker is of hij op de hierboven genoemde actie doelde. Volgens de verklaring van Lith had Franken Van Bloemendaal toestemming gegeven. Het verschil in hoeveelheid cocaïne waarover Lith sprak, kan verklaard worden uit het feit dat bij de inbeslagneming de pakketten cocaïne door de verdachten uit het raam werden gegooid, waardoor deze op straat terecht kwamen en kapot gingen.

    Uit IRT-administratie komt naar voren dat begin 1991 Lith een gesprek zou hebben gehad met Franken Van Bloemendaal en Van der Kerk. Het IRT zoutoestemming voor deze zaak hebben gekregen onder de volgende voorwaarden:

    -De eerste zending gaat door zonder dat het IRT zal ingrijpen. Mocht het zo zijn dat er meer dan de afgesproken hoeveelheid komt dan vervalt de toezegging;

    Bij de tweede zending zal wel worden ingegrepen;

    – De informant mag het feit niet uitgelokt hebben;

    -Het GVO zal bij de tweede zaak starten en de start informatie zal dan via via aangeleverd worden.

    Tijdens het verhoor van Franken Van Bloemendaal heeft hij hierover niet verklaard. Doorten van de Douane Rotterdam verklaarde dat hij medio 1991 benaderd werd door Joost van Vondel:

    “Van Vondel vertelde mij dat er een boot werd verwacht en dat er een gecontroleerde aflevering zou plaatsvinden van 5 kg. cocaïne. Hij noemde de naam van het schip. ik deed wat voorwerk. ik maakte een informatierapport tbv de douane en vroeg hen tav de bemanningsleden van dit schip geen controle uit te oefenen.

    In het najaar van 1991 leverde Doorten assistentie aan Van Vondel en een collega van hem in de haven van Rotterdam. Zij kwamen met een informant die aan boord ging van het schip. Doorten wist niet welke OVJ hierbij betrokken was. Hij ging er vanuit dat de CID de zaak met de OVJ had besproken. Doorten heeft de zaak wel besproken met zijn toenmalige chef Dilleweg.

    Met betrekking tot dergelijke acties in de haven van Rotterdam verklaarde Koops dat hij, in de tijd kort na de dood van Vijge (maart 1990), destijds hoofd CID Haarlem, tweemaal op verzoek van Langendoen en Van Vondel mee is geweest naar de haven van Rotterdam. Hierbij waren een informant en een douaneman aanwezig. Langendoen en de informant gingen dan aan boord, kwamen terug met een diplomatenkoffertje en gingen vervolgens met het koffertje de stad in om de inhoud te testen. Daarna kwamen zij terug en werd het koffertje overgedragen aan Van Vondel en Koops waarna Langendoen en de informant weer aan boord gingen om te betalen. Wat er uiteindelijk met de cocaïne gebeurde weet Koops niet en ook de namen van de schepen kent hij niet. Ook is hem onbekend welke OVJ hierin gemengd was. In beide gevallen zou het om negen a’ tien kg cocaïne zijn gegaan. Voorts heeft Koops bij één van de twee keren gehoord dat er sprake was van een man die de cocaïne aan boord had, die dezelfde nationaliteit had als het schip zoals in de IRT-administratie vermeld. Naar aanleiding hiervan verklaarde Langendoen dat er slechts sprake is geweest van één aflevering van cocaïne in de haven van Rotterdam. Daarbij zou hij niet, maar de informant wel aan boord zijn geweest.

    Wanneer de verklaring van Koops juist is dan zou dit in verband kunnen staan met de doorlevering waarover in de IRT administratie gesproken werd. Ook zou er dan sprake zijn van twee partijen cocaïne. Opvallend is dat Koops het in zijn verklaring heeft over de periode kort na de dood van Vijge in maart 1990 terwijl het traject met het IRT begin 1991 startte en de zaak met het bewuste schip zich afspeelde in het najaar van 1991. De periode die Koops noemde klopt dan niet met de periode waarin het IRT trajectliep. Een overeenkomst is dat de nationaliteit van het schip en het bemanningslid dat de cocaïne bij zich – had hetzelfde waren.

    In de administratie van de RCID Kennemerland is geen informatie aangetroffen over de actie met het schip. Ook is geen informatie aangetroffen over de door Koops genoemde acties.

    Gezien het bovenstaande blijft de vraag of er een tweede partij cocaïne is geweest. Uit de IRT-administratie blijkt duidelijk dat een partij, zonder ingrijpen van het IRT, zou doorgaan en dat bij de tweede partij pas zou worden ingegrepen. Ook kan nog gewezen worden op een zin in deze administratie waarin staat dat de lijn naar Colombia in stand moest worden gehouden. Dit laatste zou er op kunnen wijzen dat er mogelijk meer dan één partij zou doorgaan.

    6.4.1.3. Zaak Rotterdam medio 1992

    Medio 1992 werd door de RCID Kennemerland in de haven van Amsterdam 30 kg cocaïne ‘CID-matig’ verwijderd uit een container. Tevens werd door de douane 52 kg cocaïne inbeslaggenomen uit een andere container die dezelfde deklading had, dezelfde afzender en hetzelfde bestemmingsadres. Beide containers waren afkomstig van een schip uit Colombia. De RCID Kennemerland had slechts belangstelling voor één container waarop de douane op eigen initiatief de andere container opende en 52 kg cocaïne aantrof. Volgens de RCID Kennemerland was hun partij cocaïne bestemd voor een traject in Rotterdam dat vervolgens fout was gelopen. Hierdoor kwam de cocaïne in het milieu terecht.

    Medio 1992 werd Wiering van de douane Amsterdam gebeld door Van Vondel dat op een schip in een bepaalde container cocaïne zou zitten. Van Vondel verzocht bijstand; hij zou de zaak met De Jongh van de FIOD besproken hebben.

    Uit verklaringen van de douane-medewerkers Zoontjes, Engelsman, Nagel en Wiering blijkt het volgende. Medio 1992 werd door Nagel en Wiering assistentie verleend aan Van Vondel en Van Tol van de RCID Kennemerland. Uit een container werd door Van Vondel een witte zak gehaald die in de auto van Van Vondel en Van Tol werd gelegd. De verantwoordelijke OVJ zou Toeter zijn geweest. Voor de andere container had Van Vondel geen belangstelling waarop Nagel en Wiering deze container op eigen initiatief openden.

    Van Tol kon zich herinneren dat hij door Van Vondel werd gevraagd mee te gaan naar CTA Amsterdam. Zij hadden een witte zak in hun dienstauto gelegd en waren vervolgens richting Haarlem gereden. Wat er verder met de cocaïne was gebeurd wist hij niet. Volgens Van Tol zou Van Vondel gezegd hebben dat de partij bestemd was voor een traject in Rotterdam. Later heeft hij gehoord dat het OT bezig was geweest en dat er iets fout was gegaan. Bij Van Tol is niets bekend over de tweede container waarin 52 kg cocaïne werd aangetroffen.

    Met betrekking tot deze zaak verklaarde Langendoen dat hij zich kon herinneren dat Van Vondel en Van Tol cocaïne hadden gehaald uit een bepaalde container. De cocaïnewas bestemd voor een criminele organisatie in Rotterdam en het OT Rotterdam werd hiervoor ingeschakeld. Langendoen heeft hierover contact gehad met Lagerwaard van de RCID Rotterdam en besloten werd dat de cocaïne gecontroleerd zou worden afgeleverd. Rotterdam zou de cocaïne onder observatie houden om zicht te krijgen op de criminele organisatie en op een tactisch moment inbeslagnemen. Op de avond van de dag dat de cocaïne werd uitgereden, werd Langendoen door Van Vondel gebeld en hoorde hij dat het was misgelopen in Rotterdam. De cocaïne was in het milieu terechtgekomen. Hierop zo’& Langendoen diezelfde avond naar de Rechercheschool zijn gereden om de OVJ Kuitert in kennis te stellen. Tevens zou hij daar Lagerwaard in kennis hebben gesteld.

    Niet duidelijk is geworden welke OVJ betrokken was bij de actie van de RCID Kennemerland. Uit bescheiden van de douane blijkt dat OVJ Toeter is genoemd, terwijl Langendoen Kuitert en ‘de’ CID-OVJ Rotterdam noemde.

    OVJ Toeter verklaarde zich niets te kunnen herinneren van een dergelijke zaak.

    Langendoen verklaarde:

    “ik heb mijn toenmalige CID-OVJ mw Kuitert hiervan volledig op de hoogte gesteld hoewel zij in deze geen verantwoordelijkheid droeg omdat Van Vondel en Van Tol onder verantwoordelijkheid werkten van de CID-OVJ in Rotterdam.”

    Met betrekking tot het fout lopen van de actie in Rotterdam verklaarde hij:

    “Direct na het telefoontje van Van Vondel ben ik nog naar Zutphen gereden waar mijn CID-OVJ mw Kuitert verbleef en heb ik haar in kennis gesteld van het feit dat de cocaïne in het milieu terecht was gekomen. Toevallig was daar ook Ingerwaard die ik tegelijkertijd in kennis stelde van wat er was gebeurd.”

    Kuitert verklaarde dat zij pas in oktober 1992 CID-OVJ is geworden. Zij kan zich herinneren dat Langendoen maar ook Van Vondel inderdaad bij haar zijn geweest toen zij op de Rechercheschool verbleef. Het ging om een zaak waarbij Rotterdam iets niet goed geregeld had. Zij verklaarde dat er vanuit kan worden gegaan dat zij haar als CID-OVJ hebben aangesproken; wellicht omdat Toeter niet bereikbaar was. Zij kende de zaak niet en heeft ook geen actie ondernomen. Ook wist zij niet om welke stof het ging.

    Lagerwaard verklaarde dat hij zich kon herinneren dat Langendoen en Van Vondel op de Rechercheschool waren geweest maar dat hij ze toen niet gesproken had.

    Voor wat betreft de inbeslagneming van de 52 kg cocaïne door de Douane Amsterdam verklaarde Zoontjes dat OVJ Wortel verantwoordelijk was. Wortel verklaarde dat de zaak hem niets zei maar dat hij toen wel haven-OVJ was.

    In relatie tot de hoeveelheden cocaïne kan het volgende worden vermeld.

    In de verklaringen van Zoontjes, Engelsman, Nagel en Wiering is er sprake van dat de RCID Kennemerland een witte zak met 30 kg cocaïne uit een container heeft verwijderd. In de andere container werd door de douane in 2 koffers, totaal 52 kg cocaïne aangetroffen. Uit iedere koffer is twee maal één kg cocaïne gehaald voor dactyloscopisch onderzoek en werd de restpartij vernietigd op verzoek van OVJ Wortel.

    Voor wat betreft de verpakking van de cocaïne uit beide containers kan worden opgemerkt dat deze van elkaar afweek. Er was sprake van een wit pak en van twee koffers.

    Van Tol verklaarde dat het rond de 30 kg cocaïne is geweest. Hij wist niet wat er verder met de cocaïne is gebeurd.

    De actie in Rotterdam waaraan door Langendoen en Van Tol gerefereerd werd, heeft niet medio 1992 plaatsgevonden maar in het najaar van 1992. Ook was de cursus Recherchechefs waaraan Kuitert en Lagerwaard deelnamen niet medio 1992 maar in het najaar van dat jaar. Naar alle waarschijnlijkheid kan dan ook worden aangenomen dat met name Langendoen de zaken doorelkaar haalt. Indien dit het geval is, zou dit betekenen dat ten tijde van de actie in Rotterdam Kuitert wel CID-OVJ was. Ook zou dit inhouden dat de hier genoemde 30 kg cocaïne niet te traceren is. Op de verklaringen van Langendoen en Kuitert wordt nader ingegaan in 6.4.2.4.

    Wiering verklaarde dat aan Van Vondel gevraagd was of de andere container niet doorzocht moest worden, omdat hij op dezelfde Bill of Lading stond. Van Vondel vertelde dat hij daarover geen informatie had en hij er niet in geïnteresseerd was. Nadat de douane de 52 kg cocaïne had aangetroffen in de andere container heeft Wiering Van Vondel gebeld. Van Vondel zei toen dat de door de douane aangetroffen cocaïne niets te maken had met zijn onderzoek.

    Als bijzonderheid kan nog worden vermeld dat twee mannen vlak na aankomst van de containers, belangstelling toonden voor de container waar de RCID later de 30 kilo uithaalde. Zij keken in deze container en renden vervolgens weg. Eén van deze mannen betrof de in de inleiding van deze paragraaf genoemde werknemer van CTA.

    Omtrent deze actie zijn geen CID-informatierapporten aangetroffen in de administratie van de RCID Kennemerland.

    6.4.1.4. Zaak Rotterdam najaar 1992

    In het najaar van 1992 zou de RCID Kennemerland, in de personen van Van Vondelen Van Tol ‘CID-matig’ een partij van ongeveer 40 kg cocaïne hebben verwijderd uit een container. De actie speelde zich af in de haven van Amsterdam. In aansluiting hierop volgde een observatie-actie in Rotterdam die erin resulteerde dat de partij cocaïne in het milieu verdween.

    Volgens Lagerwaard van de RCID Rotterdam vond in het najaar van 1992 een bespreking plaats waarbij aanwezig zouden zijn geweest Lagerwaard, De Haan en Struijs (RCID Rotterdam) enerzijds en Langendoen en Van Vondel (RCID Kennemerland) anderzijds. Langendoen en Van Vondel hadden een informant die moest aantonen dat hij partijen cocaïne Vrij kon maken, bestemd voor een Rotterdamse criminele organisatie. De informant stond in contact met een crimineel in Amsterdam. Er werden toen twee opties besproken, te weten inbeslagneming door Rotterdam en CID-matig volgen.

    Uit de verklaring van Simmelink van de douane Amsterdam blijkt dat in het najaar van 1992 twee zogenaamde ’embargo-containers’ zouden binnenkomen, hetgeen door De Jongh van de FIOD was aangegeven. Bij deze actie waren de douane-ambtenaren Nagel en Wiering betrokken. In de agenda van Nagel staan op de betreffende datum de volgende aantekeningen: ‘CID Velsen, CTA voor Cees en 40 kg Haarlem’. Als werkuren stonden vermeld 09-23 hetgeen volgens Nagel iets bijzonders aangaf. Zijn collega Wiering verklaarde:

    “ik herinner mij een geval met de CID Haarlem. ik herinner mij nog de namen van Joost Van Vondel, Arie Van Tol en Cees De Jongh. Ook weet ik mij nog te herinneren dat het kijken in de container ‘s-avonds plaats moest vinden en ook heeft plaats gehad. Het was een container waaruit een pakket is meegenomen. Dit pakket lag net als bij het geval van medio 1992 direct achter de deur van de container. Het betrof een vierkant wit pak van een soort linnen.”‘

    In zijn agenda kon hij op de betreffende datum de volgende aantekeningen terugvinden: ‘gesprek Corsicaweg RCID Haarlem Cees de Jongh, CID Velsen, inzage container 40 kg cocaïne.’ Voor zover Wiering zich kon herinneren betrof het slechts één container en niet twee. Wiering verklaarde dat hij aan Van Vondel een tegemoetkoming had gevraagd voor de CTA medewerker omdat deze langer aan het werk moest blijven. Van Vondel heeft toen 25 gulden aan Wiering gegeven die hij weer aan de CTA medewerker heeft afgedragen.

    Gebleken is dat Van Vondel een informatie-set heeft opgemaakt ten behoeve van het observatieteam Rotterdam. Hieruit blijkt dat het doel van de actie was om informatief contacten en adressen vast te stellen in verband met de cocaïne-handel van de criminele organisatie.

    Uit de verklaring van Lagerwaard blijkt verder dat het OT van Rotterdam een actie heeft uitgevoerd voor de RCID Kennemerland. Hierbij werd vastgesteld dat twee witte jute zakken uit een auto werden gehaald en op een bepaald adres werden binnengebracht. Er is geen tactisch vervolg geweest.

    Onduidelijk is welke OVJ op de hoogte was van deze actie. Genoemd worden Kuitert van Haarlem en CID-OVJ Van der Hoeven van Rotterdam.

    Volgens de verklaring van Struijs van de RCID Rotterdam zou Langendoen, tijdens een gesprek waarbij aanwezig waren Lagerwaard, De Haan en hijzelf, gezegd hebben dat de aflevering onder verantwoording van de CID-OVJ te Haarlem zou plaatsvinden. Lagerwaard zou de CID-OVJ te Rotterdam Van der Hoeven in kennis stellen.

    Lagerwaard kon zich niet herinneren of hij de zaak met Van der Hoeven heeft besproken. Ook kon hij zich niet herinneren of Van Vondel en Langendoen de zaak hadden besproken met hun OVJ. Volgens de verklaring van Lagerwaard kreeg hij najaar 1992 op de Rechercheschool bezoek van zijn runners. Hij kon zich niet herinneren of de zaak van Haarlem toen besproken is. Volgens hem kreeg zijn medecursist OVJ Kuitert daar die avond bezoek van Langendoen en Van Vondel. Lagerwaard kon zich niet herinneren die avond ook met Langendoen en Van Vondel gesproken te hebben. Hij heeft de zaak ook niet met Kuitert besproken.

    Volgens Van Strien van de RCID Rotterdam en destijds de plaatsvervanger van Lagerwaard, heeft hij tijdens de afwezigheid van Lagerwaard in het najaar van 1992 telefonisch contact gehad met Van Vondel. Hij verklaarde hierover:

    “Gezien mijn aantekening op fotokopie nummer 2 onderaan, waar ik de naam van OVJ mw Kuitert Haarlem heb geschreven, ben ik er zeker van dat ik aan Van Vondel heb gevraagd wie voor voornoemd traject van OM de goedkeuring had gegeven en dat Van Vondel daarbij de naam van mw Kuiten heeft genoemd. ik ken mw Kuitert niet. Onder haar naam heb ik geschreven OVJ R’dam. ik vermoed vanwege de standaard procedure die ik hanteerde, dat ik de toenmalige CID-OVJ mr R. Van der Hoeven in Rotterdam toestemming heb gevraagd voor deze CID-actie en die ook heb gekregen.”

    OVJ Van der Hoeven verklaarde dat hij zich niets kon herinneren over het gecontroleerd afleveren of doorleveren van een partij cocaïne in relatie tot de CID Haarlem. Het feit dat hij zich niets kon herinneren wilde niet zeggen dat de actie niet had plaatsgevonden. Van der Hoeven verklaarde dat hij in zijn toenmalige argeloosheid geen verslaglegging bij hield. Hij vertrouwde erop dat de politie de afspraken registreerde. Ook kon hij zich niet herinneren of hij over deze zaak met OVJ Kuitert gebeld had. Voorts verklaarde hij dat hij met een dergelijke zaak nooit zou hebben ingestemd.

    Wanneer gekeken wordt naar de hoeveelheden cocaïne dan kan uit de verklaringen van Wiering en Nagel opgemaakt worden dat Van Vondel en Van Tol ongeveer 40 kg cocaïne uit de bewuste container zouden hebben verwijderd en meegenomen.

    Voor wat betreft de actie in Rotterdam is de hoeveelheid niet duidelijk. In het OT-journaal is sprake van een partij van ongeveer 20 kg cocaïne in 2 witte jute zakken. Daarentegen verklaarde een sectiecommandant bij het OT Rotterdam, dat er weliswaar sprake was van een hoeveelheid van 20 kg, maar dat het naar zijn gevoel 40 kg was, verdeeld over twee sporttassen.

    Over de tijdstippen van de acties en de bijzonderheden daarover legden de hoofdrolspelers -Langendoen, Kuitert en Lagerwaard- verwarrende verklaringen af, ook omdat zij dit traject en dat, genoemd onder 6.4.2.3., door elkaar haalden.

    Verder kan nog worden opgemerkt dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld of de 40 kg cocaïne uit genoemde container daadwerkelijk door Van Vondel en Van Tol is verwijderd. Hierbij kan alleen worden afgegaan op de verklaringen van Nagel en met name Wiering. Ook kan niet met volledige zekerheid vastgesteld worden of de partij cocaïne in de Rotterdamse zaak afkomstig was van de partij van 40 kg cocaïne uit de genoemde container. Wanneer hier echter wel vanuit wordt gegaan dan blijft onduidelijk hoeveel cocaïne afgeleverd is. Aan de ene kant is sprake van ongeveer 20 kg cocaïne. Wanneer dit gegeven juist zou zijn dan is er nog ongeveer 20 kg cocaïne zoek. Aan de andere kant is er sprake van 40 kg cocaïne, hetgeen zou betekenen dat de gehele Partij cocaïne, afkomstig uit de container, zou zijn afgeleverd.

    Tot slot kan worden opgemerkt dat de van de RCID Rotterdam betrokken runners achteraf het gevoel hebben dat zij aan het lijntje zijn gehouden door Langendoen en Van Vondel. Twee CID-ers verklaarden daarover. De Haan:

    “Achteraf voel ik het zo dat wij erin zijn geluisd. Er is ons een grote worst voorgehouden terwijl het uiteindelijk maar een dun velletje bleek te zijn en de totale investering van onze kant in geen verhouding stond met hetgeen door de CID Haarlem is gegeven.

    Struijs verklaarde:

    “Na verloop van tijd kreeg ik het gevoel dat wij door Van Vondel en Langendoen aan het lijntje zijn gehouden. Zij hadden ons toegezegd dat er op dezelfde lijn een grote partij zou komen die tactisch onderschept zou kunnen worden, doch die grote partij is er nooit gekomen. Er is nooit meer overleg geweest tussen de CID’en Rotterdam en Haarlem”

    6.4.2. Samenvatting

    Aan de hand van de beschikbare gegevens kan geconcludeerd worden dat de RCID Kennemerland gedurende de periode 1990 tot en met 1994 actief betrokken is geweest bij tenminste vier cocaïnetrajecten. Deze trajecten hadden alle betrekking op de invoer van cocaïne per schip vanuit Colombia.

    Met name de rechercheurs Langendoen en Van Vondel hebben zich met deze zaken beziggehouden. Daarnaast werden Van Tol, Koops en Mettes ingezet voorondersteunende werkzaamheden. De exacte rol van de RCID Kennemerland blijft, aan de hand van de in dit onderzoek beschikbare gegevens, vaag, mede door de volstrekt ontoereikende administratie. Ook de rol van informanten/infiltranten is onduidelijk, hoewel één bepaalde informant/infiltrant vanaf 1990 meerdere malen in relatie tot cocaïne voorkomt. De wetenschap van het OM m.b.t. de cocaïne-trajecten is onduidelijk gebleven. In diverse verklaringen werden namen genoemd van verschillende OVJ’s als zijnde betrokken bij de zaak. De betreffende OVJ’s kunnen zich echter niets van de bewuste zaak herinneren of blijven daarover vaag. Bij het OM werd niets vastgelegd. Vaststaat dat, in de samenwerking met het IRT, in januari 1993 overleg is gevoerd met het OM omtrent een mogelijk cocaïnetraject. Hierbij werd toestemming verleend voor het doorleveren van een eventuele proefzending cocaïne met als uiteindelijk doel een belangrijke tak van Delta te ontmantelen en een partij van duizenden kilo’s cocaïne inbeslag te nemen.

    Aan de hand van de beschikbare gegevens en de daarin genoemde hoeveelheden cocaïne wordt duidelijk dat niet alle cocaïne inbeslaggenomen is. Een voorzichtige conclusie is dat ongeveer 70 kg cocaïne verdwenen is. Vaststaat dat een deel hiervan bij een actie in Rotterdam in het milieu is verdwenen. Wat er met de rest van de cocaïne is gebeurd kan niet achterhaald worden. Wanneer gekeken wordt naar de prijzen van cocaïne in 1992 (bron CRI) dan vertegenwoordigde de genoemde 70 kg een waarde van f 3.500.000 groothandel (f 50.000 per kg) en f 7.000.000 gebruikersmarkt (f 100 per gram).

    Een overzicht van de vier beschreven trajecten m.b.t. de hoeveelheden cocaïne:

    Met betrekking tot de actie medio 1992 in de haven van Amsterdam (zaak 3) zou sprake kunnen zijn van zogenaamde ‘parallel-import’. Het zou dan als volgt kunnen zijn gegaan. De RCID Kennemerland verwijderde 30 kg cocaïne, op aanwijzing van de informant, uit een container en hield deze onder controle. In de andere container zat ook cocaïne bij gepakt, waarover verder geen informatie was en waarvan het de bedoeling van de informant was dat deze gewoon via de organisatie het milieu inging. In dat geval zou de politie om de tuin worden geleid. Zij zou druk zijn met een partij cocaïne terwijl een grotere partij naar de organisatie ging. De oplettendheid van de douane zou dit scenario dan doorkruist hebben. Met nadruk dient er op gewezen te worden dat bovenstaande een zuiver theoretische benadering is en dat er geen aanwijzingen zijn dat hier inderdaad sprake is van ‘parallel-import’.

    Tot slot kan worden geconcludeerd dat in een aantal cocaïne-zaken eenzelfde buitenlandse firma naar voren komt als bestemmingsadres van de containers. Gebleken is dat deze firma over de periode 1992 tot en met 1994 naar voren komt in relatie tot containers met daarin cocaïne. De firmanaam komt naar voren bij verschillende korpsen: Dordrecht, Kennemerland en Haaglanden. Vooralsnog kon geen verklaring worden gegeven die ondersteund wordt door feiten.

    6.4.3. Bevindingen

    * Vanaf 1989 heeft de zgn. ‘IRT-groei-informant’ reeds informatie over cocaïnehandel aan de politie gegeven;

    * In cocaïnetrajecten is voornamelijk gewerkt met één informant waarbij eraanwijzingen zijn dat er vanaf 1990 tussen hem en de RCID Kennemerland reeds een hechte relatie was;

    * Er is in 1991 al mogelijk sprake van een gecontroleerde doorlevering van cocaïne;

    * Omtrent de cocaïnetrajecten is weinig tot niets terug te vinden in de administratie van de RCID Kennemerland;

    * Onduidelijk is welk doel de cocaïnetrajecten moesten dienen en welke resultaten daarmee zijn behaald;

    * Er zijn geen aanwijzingen dat de politieleiding werd geïnformeerd. Dit met uitzondering van de IJmuiden-zaak en de samenwerking met het IRT;

    * Onduidelijk blijft of het OM werd geïnformeerd en zo ja, in welke mate;

    * Niet alle cocaïne werd inbeslaggenomen. Vastgesteld kon worden dat minimaal 70 kg cocaïne niet verantwoord is;

    * Eén bedrijf komt in meerdere cocaïnezaken van verschillende korpsen naar voren als eindbestemming van de legale lading en

    * Uit verklaringen van een informant blijkt dat hij kennelijk vergaande toestemming kreeg van de RCID Kennemerland om apparatuur te leveren aan een criminele organisatie ten behoeve van de bewerking van cocaïne voor de gebruikersmarkt.