• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Overige trajecten – Liquidaties

    6.6. LIQUIDATIES

    6.6.0. Inleiding

    In het kader van het feitenonderzoek naar het functioneren van de RCID Kennemerland, werd een groot aantal gesprekken gevoerd met mensen in diverse disciplines. Hierbij kwam een aantal (soms vage) geruchten ter sprake, waardoor de indruk werd gewekt, dat er mensen geliquideerd waren omdat zij als informant voor de regiopolitie Kennemerland werkzaam waren geweest. Ook werd in deze geruchten gesuggereerd, dat de politie mogelijk van liquidaties op de hoogte zou zijn geweest, maar hieraan niets zou hebben gedaan.

    Ook in de media werd in de tweede helft van 1995 een aantal keren ruimschoots aandacht aan diverse liquidaties besteed. Hierbij werd gesuggereerd dat politie en justitie een dubieuze rol bij een aantal verdwijningen, c.q.. liquidaties van personen zouden hebben vervuld. Concrete aanwijzingen werden hiervoor niet gegeven.

    Van justitie-zijde kwam ook informatie over de mogelijkheid, dat politie en/of justitie van liquidaties wisten, voordat deze werden gepleegd. De meeste informatie hieromtrent was afkomstig van Snijders. Er zouden geliquideerde personen zijn, die in het bezit waren van semafoons c.q.. telefoons, die zij van de politie verstrekt hadden gekregen. Het in bezit hebben van communicatie-apparatuur, door de politie aangeschaft of gehuurd via een bedrijf met criminele contacten, was al eerder ter sprake gebracht door Van Belzen en Limmen. Deze handelwijze zou een gevaarzetting voor de betreffende informanten met zich mee kunnen brengen, omdat door daartoe gerechtigden via historische rekeningoverzichten en printerbestanden contacten tussen informanten en politie zouden kunnen worden vastgesteld.

    Snijders baseerde zich bij deze stellingen op een aantal CID-informatierapporten, o.a. van de RCID Kennemerland, die hij over dit onderwerp had gelezen en op rapportages van en gesprekken met Teeven. Aan Snijders is een aantal malen gevraagd of hij de bronnen van deze informatie kon tonen. Ondanks zijn toezeggingen om deze bronnen ter beschikking te stellen, is dat slechts in beperkte mate gebeurd.

    In deze paragraaf wordt eerst een beschrijving van de aard van het verrichte onderzoek gegeven. Aangezien er een groot aantal liquidaties in Nederland is gepleegd, is er een aantal met name genoemde liquidaties bekeken. Deze deelonderzoeken worden vervolgens beschreven. Afsluitend wordt een aantal bevindingen beschreven.

    6.6.1. Beschrijving aard onderzoek

    Het ingestelde onderzoek met betrekking tot in Nederland uitgevoerde liquidaties en de mogelijke betrokkenheid van de regiopolitie Kennemerland hierbij, heeft zich toegespitst op de jaren 1992 tot en met 1995. Het hoofddoel van dit onderzoek was:

    ‘Het nagaan of de wijze van runnen van en het omgaan met informanten door deRCID Kennemerland aanleiding was geweest voor het liquideren van deze informanten.’

    Deze opdracht was aanleiding tot de volgende onderzoeksaanpak:

    -Onderzoek of er bij de geliquideerde personen in Nederland mensen waren, die als politie-informant bekend stonden;

    -Als er informanten geliquideerd zijn, waren dit dan informanten van de RCID Kennemerland of was er anderszins een relatie naar de RCID Kennemerland te leggen;

    -Door wie werden deze informanten gerund; -In welke criminele groepering waren deze informanten actief;

    -Waren één of meerdere liquidaties het gevolg van het feit dat de geliquideerde in het criminele milieu bekend was geworden als politie-informant;

    -Was dit bekend worden als informant het gevolg van de manier waarop de betreffende informant was gerund;

    -Liggen aan de liquidatie verwijtbare handelingen of gedrag van de runners ten grondslag, waardoor de rol van de informant in het criminele milieu bekend is geworden.

    Bijzondere aandacht werd besteed aan eventuele communicatie-apparatuur waarover de geliquideerde personen beschikten. Uit de literatuur blijkt, dat het begrip liquidatie op diverse wijzen kan worden uitgelegd. Voor dit onderzoek werd de begripsomschrijving overgenomen, die door de CRI wordt gehanteerd:

    ‘Onder liquidatie moet worden verstaan: Het volgens plan om het leven brengen van één persoon, of personen. Het doel van de dader of de opdrachtgever dient te zijn het verkrijgen, versterken of handhaven van een positie in het criminele milieu.’

    Het begrip ‘informant’ is in dit onderzoek zeer ruim gehanteerd: hieronder werden zowel informanten als infiltranten begrepen. Voor dit onderzoek werden niet alleen de personen die in een dergelijke hoedanigheid geregistreerd stonden hiertoe gerekend, maar ook alle personen van wie bij het Fort-team bekend was geworden dat zij informatie aan de RCID Kennemerland verstrekten.

    In Nederland bleek geen centrale registratie van liquidaties te bestaan. Door de CRI wordt sinds 1994 onderzoek verricht naar liquidaties en ripdeals die in Nederland hebben plaatsgevonden. Aan de hand van door de politiekorpsen ingevulde enquêteformulieren werd een overzicht van liquidaties in de jaren 1992, 1993 en 1994 samengesteld.

    Alle namen van personen, die op deze lijst voorkomen werden gecontroleerd in het NCID systeem van de CRI. Een groot deel van de geliquideerde personen kwam in dit systeem niet voor. Van een ander (kleiner) deel kwam wel informatie in het systeem voor, maar de inhoud van deze informatie was niet zodanig dat daaruit de reden van de liquidatie kon worden opgemaakt. Ook bleek uit deze informatie niet dat de betreffende liquidatie paste in een of meerdere deelopdrachten van dit onderzoek.

    Vervolgens is bekeken of het zinvol was om na te gaan of iemand van deze lijst als informant aangemeld was bij de CRI. Aangezien de meeste liquidaties reeds enige tijd geleden hebben plaatsgevonden, een registratie in die periode niet verplicht was en bekend is geworden dat de RCID Kennemerland haar informanten niet aanmeldde bij het landelijke systeem, is hiervan afgezien.

    Aan de hand van de enquêteformulieren die door de diverse politiekorpsen werden ingevuld kon worden vastgesteld, dat er per jaar ongeveer tussen de 30 en 40 liquidaties in Nederland plaatsvinden, die onder eerdergenoemde begripsomschrijving vallen. Dit aantal is in de onderzochte jaren constant gebleven en er heeft zich tot op heden geen opmerkelijke stijging voorgedaan.

    In het genoemde enquêteformulier is de mogelijkheid opengelaten om aan te geven of de geliquideerde als informant bekend stond. Door geen van de meewerkende politiekorpsen werd ingevuld dat de betreffende persoon als informant bekend stond. Wel werd in een aantal enquêteformulieren aangegeven, dat men niet op de hoogte was van het feit, of de betrokken persoon informant was.

    Dit is verklaarbaar door het feit, dat de formulieren vaak door een tactische rechercheur, of een analist waren ingevuld. Zij hadden geen inzage in de CID-gegevens van het desbetreffende onderzoek. Ook kwam het voor, dat de vraag, die hierop betrekking had, niet werd ingevuld.

    Alle personen, die op deze manier uitgeselecteerd waren, werden vergeleken met de personen, die voorkwamen in het informantenregister van de RCID Kennemerland, welke aan het onderzoeksteam was verstrekt. Geen van hen kwam in dit register voor.

    Tevens zijn alle namen van de personen, die geliquideerd zijn met de administratie van de RCID Kennemerland vergeleken. Ook hieruit bleek niet dat één of meerdere personen als informant van de RCID hadden gewerkt. Een aantal namen kwam wel voor in de administratie, maar hierbij stonden zij steeds als onderwerp van de betreffende informatie vermeld, en niet als aanbrenger van de betreffende informatie.

    6.6.2. Beschrijving diverse deelonderzoeken

    Uit diverse gesprekken met personen die over liquidaties spraken, kon een lijst worden samengesteld met namen van geliquideerde en vermiste personen, die mogelijk informant van de politie waren geweest. Op deze personen heeft het vervolg van het onderzoek zich gericht. Deze personen zijn genaamd:

    – Leonora, Irving Andres;

    – RR VI-l; RR VI-2;

    – Wong, Charlie Cecil;

    – Tynes, Geral Anthony;

    – Berge, Gerard van (onderzoek door de politie is nog gaande);

    – Mehagnoul, Marcel (onderzoek door de politie is nog gaande);

    – Karoui, Sabri (onderzoek door de politie is nog gaande);

    – Leclere, Danny en

    – Heiden, Jacob Adriaan van der.

    Het verrichte onderzoek wordt slechts zeer summier weergegeven, aangezien het bekend worden van namen en omstandigheden ongewenste consequenties zou. kunnen hebben gelet op de voor deze zaken relevante criminele groeperingen. Bij het onderzoek lag het zwaartepunt bij het vaststellen van enige relatie met de RCID Kennemerland. Hiertoe is een groot aantal gesprekken met politiemensen gevoerd. Het betrof hier zowel tactische als CID-rechercheurs. Ook werden in een aantal gevallen (delen van) processen-verbaal ingezien. De namen van de genoemde personen werden vergeleken met eventuele informatie die in de administratie van de RCID Kennemerland over hen werd aangetroffen.

    6.6.2.1.

    De liquidatie van Irving Andres LEONORA, geboren op 4 februari 1961 te Curaçao

    De liquidatie vond plaats op 6 september 1992 te Amsterdam. Door Snijders werd verteld, dat Leonora mogelijk informant zou zijn geweest en de beschikking zou hebben gehad over een semafoon, die hij van een politie-instantie (onbekend welke) zou hebben gekregen. De reden voor zijn liquidatie zou kunnen liggen in het feit, dat hij als informant bekend was geworden. Uit het destijds door de politie Amsterdam ingestelde onderzoek naar aanleiding van de liquidatie, is het volgende gebleken. Leonora werd te Amsterdam, tijdens een Antilliaans feest, waarbij ongeveer 150 mensen aanwezig waren, met een groot aantal schoten vermoord. Als dader hiervan is S. aangehouden. Volgens zijn verklaring lag een lang slepende vete tussen beide mannen aan de moord ten grondslag. Volgens de diverse getuigen-verklaringen zouden Leonora en S. al sinds 1986 ruzie hebben gehad. Hoewel zij min of meer samen opgegroeid zijn en zij goede vrienden waren, beschuldigde Leonora S. ervan, dat hij hem en twee van zijn vrienden bij de politie verraden zou hebben, waardoor de drie een gevangenisstraf zouden hebben gekregen. S. heeft altijd ontkend dit gedaan te hebben, maar Leonora bleef dit volhouden. Leonora heeft S. dan ook regelmatig bedreigd en hem zodanig de stuipen op het lijf gejaagd, dat S. uiteindelijk besloten heeft zelf Leonora te vermoorden. Ook is er een verhaal over een Partij cocaïne die door Leonora niet betaald zou zijn op Curaçao. Een hoge “verdovende-middelen-baas” zou hierop S. de opdracht hebben gegeven om Leonora te vermoorden. Er is geen bevestiging van dit verhaal gevonden. Op de avond, dat hij werd vermoord, werd bij hem door de Technische Recherche geen semafoon aangetroffen. Ook bleek Leonora ongewapend te zijn. Men vermoedde wel, dat er een aantal bodyguards van hem aanwezig was, maar niet bekend is geworden, wie dit waren. Ook vermoedden de onderzoekende rechercheurs, dat er op het feest een aantal personen aan de kant van S. zijn geweest, die hem hebben bijgestaan, c.q. afgeschermd, maar deze personen zijn niet bekend geworden. S. staat als zeer gewelddadig en vuurwapengevaarlijk bekend. Tijdens het onderzoek bleek een aantal getuigen te zijn bedreigd. Het was dan ook zeer moeilijk om getuigen van de schietpartij te vinden. Door Snijders werd geattendeerd op een CID-informatierapport d.d. 07-09-92 opgemaakt door vola (Van Vondel/Langendoen) en zonder bronvermelding, waarin een gedetailleerde beschrijving van de liquidatie stond. Door Snijders werd aangegeven, dat mogelijk één van de runners zelf hierbij aanwezig was geweest, gezien de gedetailleerdheid van de informatie. De informatie, die in genoemd CID-informatierapport vermeld staat is onderzocht. Er staat een aantal onjuistheden in dit rapport vermeld, o.a. met betrekking tot de identiteit van de dader en de aanleiding voor de liquidatie.

    De liquidatie vond, zoals eerder weergegeven, plaats in een feestzaal, waar ongeveer150 personen aanwezig waren. Dat er door iemand een min of meer ooggetuigeverslag werd gegeven is derhalve niet opmerkelijk.

    In zijn woonplaats Den Haag stond Leonora niet als informant geregistreerd. Ook bij de RCID Kennemerland stond hij niet als informant ingeschreven. Bij de RCID Haaglanden waren met uitzondering van wat informatie met betrekking tot zijn liquidatie geen bijzonderheden over Leonora bekend.

    De rechercheurs Lof en De Boer van de regiopolitie Amsterdam-Amstelland verrichtten destijds het onderzoek naar de liquidatie. Tijdens het onderzoek hadden zij meerdere malen contact gehad met de familie van het slachtoffer. Deze contacten waren volgens hun zeggen, zeer goed te noemen. Tijdens deze contacten werd door de familie nimmer aangegeven, dat Leonora informant van de politie zou zijn geweest of op een andere wijze contacten met de politie onderhield. Het gegeven, dat Leonora in het bezit zou zijn geweest van een politie-semafoon was voor de beide rechercheurs nieuw. Lof en De Boer waren ervan overtuigd, dat als een familielid van één en ander op de hoogte was geweest, die dit ongetwijfeld tegen hen had verteld. Leonora maakte deel uit van de verdovende middelen organisatie van Z.

    In de administratie van de RCID Kennemerland werd een CID-informatierapport aangetroffen waarin de mededeling staat: ‘Jeffrey Leonora heeft een nieuw piepnummer 06-xxxxxxxx.’ Hierbij staat niet vermeld, waarvan of van wie deze informatie afkomstig was. Dit semafoon-nummer is opgevraagd bij de PTT te Groningen. Door de PTT werd medegedeeld, dat het nummer in mei 1995 opnieuw was uitgegeven aan iemand uit Utrecht. Deze persoon komt in de administratie van de RCID Kennemerland niet voor. Door de PTT werd tevens medegedeeld, dat er geen historisch bestand van semafoons werd bijgehouden, waardoor men niet na kon gaan op wiens naam het hiervoor genoemde nummer in 1992 en in de periode tussen 1992 en heden had gestaan.

    6.6.2.2.

    De liquidatie van Charlie Cecil Wong, geboren op 2 november 1951 te Amsterdam

    Het is onbekend, wanneer de liquidatie heeft plaatsgevonden. Wong werd sinds juni 1993 vermist en op 1 januari 1994 in een natuurgebied te Zeewolde gevonden. Hij bleek te zijn geliquideerd. Wong stond als informant in Haaglanden geregistreerd, maar uit een gesprek met één van de runners van de RCID Haaglanden bleek dat men slechts een eenmalig gesprek met Wong had gehad. Bij dit gesprek werd duidelijk dat de informant en de runners elkaar niet lagen, waarna er tussen hen geen contact meer is geweest. In juni 1992 werd Wong in de Bijlmer met een schotwond in zijn arm aangetroffen. In zijn auto werd één kilo cocaïne aangetroffen. Op verzoek van de politie Apeldoorn, waar op dat moment een RBT draaide, werd hij niet aangehouden, maar na onderzoek in het ziekenhuis heengezonden. Het RBT was zelf met een onderzoek contra Wong bezig en een aanhouding was op dat moment niet gewenst. Volgens de regiopolitie Amsterdam Amstelland zou dit er op kunnen duiden, dat Wong in Apeldoorn als informant is gerund. Wong stond bij de Regiopolitie Amsterdam Amstelland niet als informant geregistreerd. Ook kwam hij niet voor als informant bij de RCID Kennemerland. Volgens de RCID Haaglanden zou Wong wel een informant van het IRT kunnen zijn geweest. Gebleken is dat Wong niet als informant bij het IRT is gerund.

     

    6.6.2.3.

    Mogelijke liquidatie van Geral Anthony Tynes, geboren op 12 oktober 1961

    Tynes overleed op 31 januari 1994 aan de gevolgen van een ongeval.

    Op die dag om 04.39 uur is Tynes met zijn auto op de A2 uit een flauwe bocht gevlogen en tegen een lantaarnpaal gereden. De auto is een groot aantal malen over de kop geslagen en was total loss. Tynes werd met zwaar letsel op de achterbank van zijn auto aangetroffen. In het ziekenhuis is hij een paar uur later overleden. In de loop van de ochtend van diezelfde dag verscheen zijn broer aan het politiebureau en zei, dat hij een misdrijf niet uitsloot in verband met het verleden van zijn broer die te maken had gehad met de crimineel Bruinsma. In opdracht van de OVJ Gonzales werd het onderzoek overgenomen door de recherche. Op 1 februari 1994 werd er sectie verricht, waarbij veel inwendig letsel werd geconstateerd. Aan de linkerzijde van het hoofd werd bij het linkeroor, volgens het voorlopig sectierapport, ‘een huidperforatie als een inschotverwonding’ aangetroffen. Op de gemaakte röntgenfoto’s was geen kogel te zien en vervolgens werd met wattenstaafjes de verwonding afgenomen. Hierop werden geen kruitsporen aangetroffen.

    Door de Technische Recherche is de auto in het algemeen en de linker voorband, die volledig aan flarden was, in het bijzonder op kogel sporen nagekeken. Hierbij werden geen schotsporen aangetroffen. De auto is voor zover kon worden nagegaan, niet op technische gebreken nagekeken. Bij de sectie werd een hoog alcoholgehalte in de diverse delen van het lichaam aangetroffen. De recherche heeft het onderzoek afgesloten met de conclusie dat van een misdrijf niet is gebleken.

    Tynes stond bij de RCID Amsterdam-Amstelland niet als informant bekend. Ook kwam hij niet voor in het informantenregister van de RCID Kennemerland. Hij is december 1992 als verdachte gehoord in een zaak van het IRT. Ook bij het IRT is hij geen informant gebleken. Half oktober 1995 is bovenstaand ongeval gereconstrueerd in het televisie programma van Peter R. de Vries. Ook hierbij werd de suggestie gewekt, dat de politie een rol zou hebben gespeeld bij het overlijden van Tynes. De reden hiervoor zou zijn de rol die Tynes in de zogenaamde ‘30.000 kilo-zaak’ uit 1992 van het IRT gespeeld zou hebben. Naar aanleiding van deze uitzending heeft de regiopolitie Amsterdam-Amstelland nogmaals het ongeval en het bijbehorende proces-verbaal onderzocht. Hierbij zijn geen nieuwe aanwijzingen gevonden, die zouden duiden op een andere conclusie dan dat het hier een ongeval betrof.

    6.6.2.4. De liquidatie van Gerard van Berge, geboren op 24 juli 1962 te Zaandam

    Deze liquidatie vond op 7 september 1995 te Nieuwkoop plaats.

    De liquidatie gebeurde op een parkeerplaats voor een woning, waar Van Berge zich sinds 2 dagen schuil hield. Daarvoor zat hij ondergedoken in Spanje. Van Berge zou deel uitmaken van een criminele organisatie, die zich bezighield met het witwassen van geld. Het vermoeden bestaat, dat Van Berge een geldbedrag voor moest witwassen. Voor deze operatie maakte hij gebruik van Y en Z. Deze twee waren onder andere bekendvanwege het feit, dat zij zich met wapentransakties bezighielden. Van Berge vormde dus als het ware de schakel tussen de groep rond en de groep rond Y en Z.

    Bij het witwassen van het geld is een deel hiervan verdwenen, waarbij onenigheid tussen Y Z en Van Berge is ontstaan, Z. werd in maart 1995 te Haarlem geliquideerd, op Y werden recent 2 mislukte moordaanslagen gepleegd en Van Berge werd geliquideerd. H et RBT dat zich met het onderzoek naar deze laatste liquidatie bezighoudt, onderzoekt of er verband ligt tussen de gepleegde feiten. Overigens komen Y noch Z als informanten voor in de administratie van de RCID Kennemerland.

    In een proces-verbaal van het KLPD, wordt melding gemaakt van het feit, dat hen tijdens een actie een contact was opgevallen, waaruit opgemaakt zou kunnen worden, dat Van Berge mogelijk een informant van de runner Van Vondel van de RCID Kennemerland zou kunnen zijn. Van Berge staat niet als informant genoemd in het informantenregister van de RCID Kennemerland.

    Uit een gesprek met een politieman van de RCID Hollands Midden, die ook betrokken is bij het RBT onderzoek naar de liquidatie van Van Berge, bleek het volgende: begin 1996 was er bij de RCID Hollands Midden informatie binnengekomen, dat zowel Van Vondel als Langendoen bij de geliquideerde Van Berge over de vloer kwamen. Dit zou gebeuren in de woning van de ex-vrouw van Van Berge.

    Op dit moment zijn er via de RCID Leiderdorp geen mogelijkheden om hetgeen over Van Vondel en Langendoen gesteld wordt, te verifiëren.

    6.6.2.5.

    De liquidatie van Jean Marcel Mehagnoul, geboren op 20 mei 1965 te Amsterdam

    De liquidatie vond plaats op 12 november 1995 te Diemen.

    Van Mehagnoul was bekend dat hij als lijfwacht van criminelen werkzaam was. Toen hij op de avond van zijn liquidatie door de politie op straat voor zijn woning werd gevonden, had hij twee ATF’s en twee semafoons in zijn handen. Deze apparatuur was gehuurd via een bedrijf te Amsterdam. Mehagnoul was de zwager van een persoon, die een bedrijf heeft voor de verhuur van communicatieapparatuur. Bij dit bedrijf huren veel criminele personen hun apparatuur. In het verleden werden er ook draagbare telefoons bij dit bedrijf gehuurd, die in gebruik waren bij de RCID Kennemerland. Hieromtrent is in april 1994 een rijksrechercheonderzoek verricht naar aanleiding van rapportage van Van Belzen en Limmen (zie hoofdstuk 1). Mehagnoul stond niet bekend als politie-informant. Hij staat noch bij de RCID in Amsterdam, noch in Kennemerland als informant ingeschreven.

    6.6.2.6. De liquidatie van Sabri Karouj, geboren op 23 november 1944

    De liquidatie vond plaats op 1 december 1995 te Amsterdam. Karouj werd op 1 december 1995 te 22.45 uur in zijn auto aangetroffen met twee schoten door het hoofd en een schampschot. Diezelfde avond, te 22.30 uur had hij nog via zijn ATF contact met zijn vriendin gehad, waarbij hij vertelde, dat bij hem in de auto zat. Karoui stond niet ingeschreven als politie-informant in Amsterdam of in Kennemerland.

     

    6.6.2.7.

    De liquidatie van Danny Jos Jean Ghyslen Leclere, geboren op 14 mei 1959 te Hasselt

    De liquidatie vond plaats op 20 mei 1993 te Amsterdam. Leclere stond bekend als maker van XTC-tabletten. Hij werd geliquideerd, terwijl hij in zijn auto reed op de A1O. Toen hij door de politie werd gevonden was hij in het bezit van een legitimatie op naam van X. Uit het onderzoek, dat werd verricht door de afdeling Ernstige Delicten van de regiopolitie Amsterdam Amstelland, bleek, dat deze actief was in de criminele groepering rond Y. Deze en ook Leclere waren onderwerp van onderzoek geweest van het IRT. Personeel van de afdeling Ernstige Delicten heeft getracht om informatie van het IRT te krijgen, maar dit verliep moeizaam. Na heel veel aandringen konden er drie rechercheurs van de afdeling Ernstige Delicten samenwerken met een aantal mensen van het IRT. Ook toen werden de benodigde gegevens slechts mondjesmaat verstrekt. De liquidatie van Leclere is nooit opgelost. De onderzoekende rechercheurs vermoedden dat een concurrerende criminele groepering achter de liquidatie heeft gezeten. Leclere was gedetineerd in de Bijlmerbajes. Hij kreeg verlof om een begrafenis in België bij te wonen. Van dit verlof keerde hij niet terug en tijdens deze onwettige afwezigheid werd hij geliquideerd. Leclere stond niet als informant ingeschreven bij de RCID Kennemerland en ook tijdens het onderzoek is niet gebleken dat hij als informant werkzaam is geweest.

    6.6.2.8.

    De liquidatie van Jacob Adriaan van der Heiden, geboren op 11 maart 1946 te Amsterdam

    De liquidatie vond plaats op 10 april 1993 te Alkmaar.

    Tijdens het onderzoek van het Fort-team werden opnieuw twijfels geuit over de rol van de RCID Kennemerland, met betrekking tot de voorkennis en het daarop adequaat reageren inzake de liquidatie van Van der Heiden.

    Naar het optreden van de RCID Kennemerland en RCID Noord-Holland Noord werd reeds een rijksrecherche-onderzoek verricht. Dit onderzoek vond plaats in april 1994 naar aanleiding van de verklaringen van Van Belzen en Limmen. In dit onderzoek zijn alle personen die hiervan op de hoogte waren uitvoerig gehoord. In het rijksrecherche-onderzoek werd -kort samengevat- tot de volgende bevindingen gekomen.

    Omtrent de liquidatie van Van der Heiden is twee keer informatie bij de RCID Kennemerland binnen gekomen, voordat de liquidatie plaats had gevonden. Deze informatie is volgens de RCID Kennemerland tot twee keer toe doorgegeven aan de RCID Noord-Holland Noord.

    De eerste keer is de RCID Noord-Holland Noord op woensdag 10 maart 1993 in kennis gesteld van de informatie dat Van der Heiden mogelijk zou worden geliquideerd. Van der Heiden zou in het weekend van 13 op 14 maart 1993 verlof hebben vanuit de PI Westlinge te Alkmaar.

    Na veel overleg tussen RCID’en Kennemerland en Noord-Holland Noord, het parket in Haarlem en Alkmaar en de PG te Amsterdam is uiteindelijk besloten Van der Heiden anoniem te waarschuwen. Dit is op donderdag 11 maart 1993 gebeurd. Uit informatie achteraf is gebleken dat de waarschuwing door Van der Heiden serieus is genomen. Hij heeft gemaakte afspraken afgezegd en is dat weekend zoveel mogelijk thuis gebleven. Van der Heiden is in dat weekend niet geliquideerd.

    De tweede keer, er was toen weer informatie binnen gekomen bij de RCID Kennemerland dat Van der Heiden zou worden geliquideerd, is door Van Belzen telefonisch contact opgenomen met Verbree, medewerker van de RCID Noord-Holland Noord. Dat was ongeveer een week voor het weekend 10 op 11 april 1993. In dit weekend zou Van der Heiden weer verlof krijgen. Volgens Verbree heeft Van Belzen aangegeven dat ‘het’ nog steeds stond te gebeuren. Verbree verklaarde toen dat hij dacht dat het nog steeds om de ‘oude’ informatie ging. De chef van Van Belzen, Langendoen, verklaarde toen dat hij weer het hoofd van de RCID Noord-Holland Noord Dekker en Kuitert van de nieuwe informatie in kennis had gesteld. Kuitert had op haar beurt haar collega Van Riel telefonisch in kennis gesteld. Zowel Dekker als Van Riel verklaarden naderhand dat zij door niemand voor een tweede keer in kennis waren gesteld.

    Duidelijk is geworden dat de betrokken personen elkaar tegenspreken over de route die de gegeven informatie is gegaan. Op 10 april 1993 werd Van der Heiden door middel van een bom aan zijn deur geliquideerd.

    In het onderzoek van het Fort-team zijn geen nieuwe aanwijzingen naar voren gekomen om het eerder ingestelde onderzoek naar het adequaat reageren van de betrokken instanties anders te bezien.

    In de administratie van de RCID Kennemerland is een groot aantal CID-informatierapporten met betrekking tot de liquidatie van Van der Heiden aangetroffen. Hieruit is niet gebleken dat Van der Heiden als informant werkzaam was.

    6.6.3. Bevindingen

    * Niet is gebleken dat liquidaties in het criminele milieu het gevolg zijn van de wijze van runnen van informanten door de RCID Kennemerland c.q. het zijn van informant van deze RCID. Wel werd een aantal CID-informatierapporten in de administratie van de RCID Kennemerland aangetroffen, die betrekking hadden op diverse liquidaties. Deze informatie handelde over de liquidatie zelf en was niet afkomstig van de geliquideerde persoon;

    * Met betrekking tot de liquidatie van Van Berge is gebleken, dat er informatie bestaat over een mogelijke relatie tussen Van Berge enerzijds en Langendoen en Van Vondel anderzijds . De waarde van deze informatie is op dit moment niet in te schatten. H et onderzoek naar deze liquidatie is nog gaande;

    * De onderzoeksopdracht met betrekking tot liquidaties in het algemeen en tot een aantal met name genoemde liquidaties in het bijzonder bracht een aantal problemen met zich mee:

    -in Nederland is geen systeem of instantie waar alle liquidaties die in Nederland plaatsvinden, worden geregistreerd;

    -de informatie die van belang kon zijn, moest vaak bij de RCID Kennemerland zelf worden gehaald/gezocht. Het probleem bij het verkrijgen van dergelijk informatie was, dat het afschermen van informanten in Kennemerland een zeer hoog goed was, waardoor mogelijk de lijst met informanten, die aan de leiding van het Fortteam ter beschikking was gesteld, niet volledig was. Hierop was geen afdoende controle mogelijk;

    -een groot aantal liquidaties vond plaats vóór 1995, toen het verplicht werd om informanten aan te melden bij de NCID. De RCID Kennemerland meldde haar informanten echter niet bij de NCID aan. Derhalve was het onmogelijk voor een politie-instantie in een andere regio, die bezig was met het onderzoek naar een gepleegde liquidatie, na te gaan of de geliquideerde persoon een informant was van de RCID Kennemerland. Het kan derhalve mogelijk zijn, dat er een informant van de RCID Kennemerland is geliquideerd en dat een onderzoekende politie-instantie hier nooit achter komt of is gekomen.