• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Overige trajecten – XTC-labs

    6.5. XTC-LABS

    6.5.0. Inleiding

    Tijdens het horen van het hoofd van de RCID Gelderland Noord-Oost, dat plaatsvond in het kader van het inventariseren van de samenwerking tussen de RCID Kennemerland en andere RCID-en, deelde deze mee dat op dat moment een zekere zich in voorlopige hechtenis bevond. was aangehouden ter zake vermoedelijke overtreding van de Opiumwet. Bij zijn verhoren had hij te kennen gegeven informant te zijn van de CID Haarlem.

    Besloten werd over zijn contacten met de CID Haarlem/RCID Kennemerland te horen. Hij verklaarde daar geen bezwaar tegen te hebben en heeft, naar zijn zeggen, alles wat hij zich met betrekking tot de CID Haarlem/RCID Kennemerland kon herinneren, in drie verhoren, verteld. Daarna zijn de beide runners Mettes en Van Tol van de RCID Kennemerland gehoord en zijn de CID-informatierapporten op naam van deze informant, zoals deze in de administratie van de RCID Kennemerland zijn aangetroffen, geanalyseerd. U it de verhoren van informant en de runners en uit de inhoud van de CID-informatierapporten is gebleken, ‘dat vanaf januari 1992 tot en met april 1995 contacten heeft onderhouden met de RCID Kennemerland.

    Omdat veel informatie verschafte over criminele groeperingen in het zuiden des lands, werd door Langendoen uit efficiencyoverwegingen besloten ‘over te doen’ aan de RCID in Limburg-Zuid. In de eerste helft van 1993 werd de mondelinge afspraak gemaakt tussen de RCID Limburg-Zuid en de RCID Kennemerland, dat Limburg-Zuid zou runnen voor zaken ‘beneden de rivieren’ en de RCID Kennemerland voor zaken ‘boven de rivieren’.

    is derhalve afzonderlijk van elkaar tegelijkertijd door twee RCID’en gerund.

    De rol van ten behoeve van de RCID Limburg-Zuid is niet onderzocht omdat dit buiten het kader van het onderzoek viel.

    gaf aan, dat hij zeer veel informatie over diverse onderwerpen en criminele groeperingen heeft verstrekt aan de RCID Kennemerland en/of de RCID Limburg Zuid. Naar zijn zeggen gaf hij informatie over een hashish-transport, XTC-transporten,roofovervallen, verkoop van rode kwik’, gestolen auto’s, valse dollarbiljetten, het leveren en vervaardigen van gereedschappen geschikt voor het maken van synthetische drugs en de levering van grondstoffen voor het vervaardigen van synthetische drugs.

    Uit de opsomming van hetgeen aan informatie aan de RCID verstrekte, bleek dat er weinig informatie voor Kennemerland zelf bij zat. Het merendeel had betrekking op strafbare feiten die elders werden gepleegd door groeperingen die ook elders opereerden , terwijl niet duidelijk werd, of bij het plegen van strafbare feiten, daar al dan niet toestemming van een RCID en/of het OM voor had gekregen.

    Een groot aantal door genoemde onderwerpen en namen van criminele groeperingen zijn als binnengekomen informatie terug te vinden op CID-informatieformulieren. Daarin is echter geen melding gemaakt van het aandeel dat de informant zelf had bij het eventueel plegen van strafbare handelingen. De binnengekomen informatie is vermeld in enige honderden CID-formulieren, maar van afspraken, toezeggingen, verleende toestemmingen of weigeringen, resultaten of eventuele gevolgen is geen melding gemaakt. Ook uit de inhoud van de CIDinformatierapporten blijkt, dat de informatie veelal betrekking had op zaken en personen buiten Kennemerland.

    In de administratie van de RCID Kennemerland is met betrekking tot het runnen van X, buiten de CID-informatierapporten, geen informatie aangetroffen. Bij zijn aantreden als groepschef bij de RCID Kennemerland eind 1994, trof Schafstall de situatie aan, dat werd gerund door Mettes en Van Tol, zonder dat er journaals, verslagleggingen of dossiers van die informant waren.

    Voor wat de RCID Kennemerland betrof, verklaarde omtrent het volgende:

    6.5.1. Valse autopapieren en gereedschap voor synthetische drugs

    Op verzoek van de RCID Kennemerland had hij een vals kentekenbewijs en verzekeringsbewijs gekocht van een criminele groepering. Mettes verklaarde dat hem daar wel iets van bij stond, maar dat hij zich de prijs van het valse kentekenbewijs (volgens f 500) niet meer herinnerde. Wel herinnerde hij zich, dat er in Velsen of Beverwijk op grote schaal valse papieren werden verhandeld en dat de RCID, door zo’n exemplaar in handen te krijgen, meer zicht wilde krijgen op de daders. Mettes dacht niet, dat dit geleid had tot een tactisch onderzoek.

    Ook had de informant met toestemming van de RCID glaswerk, bestemd voor het vervaardigen van synthetische drugs, aan een criminele groepering geleverd. Van Tol verklaarde dat in 1992 bij hen kwam met de informatie, dat hij was benaderd door een crimineel met het verzoek glaswerk te leveren voor het vervaardigen van synthetische drugs of speed. Van Tol en Mettes zouden dit vervolgens met Langendoen hebben besproken, die van mening was, dat dat glaswerk wel kon leveren. Naar hij, Van Tol, aannam, heeft Langendoen over deze zaak contact gehad met de CID-OVJ. Wie dat was wist hij niet en ook wist hij niet, in welk stadium dit traject verkeerde, toen Langendoen dit met de CID-OVJ besprak.

    Van Tol verklaarde:

    “Klaas heeft hierover contact gehad met naar ik aanneem onze CID-OVJ. Wie dat was weet ik niet. Ik weet ook niet in welk stadium dit traject verkeerde toen Klaas hierover heeft gesproken met onze CID-OVJ.”

    Volgens Van Tol bleef na zijn aanhouding in het zuiden, toen hij -volgens zijn eigen zeggen- voor de RCID Limburg Zuid geïnfiltreerd had, informatie verstrekken aan de RCID Kennemerland over XTC-organisaties. Over het contact met het OM in dit verband, verklaarde Van Tol als volgt:

    “Duidelijk is door ons met hem afgesproken, dat indien hij gepakt zou worden, wij hem alleen zouden kunnen helpen indien hij handelingen had uitgevoerd welke hij bij ons had gemeld en waarvoor goedkeuring was van Justitie, hetgeen door Klaas werd besproken met het OM. Dit is overigens een standaard gegeven dat met elke informant wordt besproken.”

    Mettes verklaarde dat voor Kennemerlandse zaken normaal gesproken overleg gevoerd werd met Kuitert, hetgeen door Langendoen of Meijer werd gedaan. Mettes verklaarde voorts over de contacten met het OM met betrekking tot activiteiten rond X:

    “Er liep echter geen traject, dus ik denk dat het wat dat betreft niet nodig zal zijn geweest.”

    Kuitert en Langendoen hebben over dit onderwerp niet verklaard en niet duidelijk is geworden, of er überhaupt met Kuitert of een andere OVJ is gesproken over en zijn activiteiten.

    6.5.2. Opzetten XTC-laboratorium in Hollands Midden

    In 1994 werd door of namens de hoofdverdachte in een verdovende middelen-onderzoek in de regio Hollands Midden benaderd met de vraag of hij een XTC-laboratorium voor hem op wilde zetten. Dit gegeven werd door aan zijn runners doorgegeven, die dit op hun beurt weer doorgaven aan de collega’s in Hollands Midden. In het najaar van 1993 was de naam van de hoofdverdachte al naar voren gekomen tijdens een gesprek van Meijer van de RCID Kennemerland en twee inlichtingeninwinners van de RCID Hollands Midden. In Kennemerland was men dus op de hoogte van het onderzoek in Hollands Midden. Medio 1994 vond er een bespreking plaats tussen CID-OVJ in Hollands Midden F.C.V. de Groot, het hoofd inwinning RCID Hollands Midden, een runner van Hollands Midden en Van T ol en Mettes. Van die bespreking en van enige activiteiten daarna is een verslag gemaakt. In die bespreking werd besloten om als infiltrant in te zetten en hem daarvoor niet te belonen, aangezien hij al door de organisatie betaald werd. Het overnemen van de betaling (door de RCID) van informant was, volgens genoemd verslag ‘niet te verwezenlijken’. De hoofddoelstelling van het traject wordt in dit verslag als volgt omschreven:

    ‘Het strafvorderlijk omtrekken van de hoofdverdachte cs en het laboratorium wanneer dit overgedragen is aan de nieuwe directie, dus als info er uit is. Ook zonder contact met info zal deze de transactie aangaan met de hoofdverdachte. Afgesproken dat de consequentie onder ogen moet worden gezien dat hoe dan ook een einde wordt gemaakt aan het laboratorium wanneer het tot een produktie is gekomen. Bij voorkeur wanneer dit kan geschieden met het onderuit halen van de organisatie maar anders separaat. eventueel los van het lopende tactisch onderzoek. Stukmaken van het lab hoort ook tot de mogelijkheden. Aanbevolen om info niet indringend te sturen en gewezen op risico voor info.. Hij zou dit laatste zich overigens wel bewust zijn. Traject dient verder gesloten te blijven.’

    Medio 1994 werd tussen het OM Den Haag Mr. F.C.V. de Groot, de RCID Hollands Midden en de RCID Kennemerland een convenant gesloten, waarin afgesproken werd, op welke wijze de infiltrant begeleid moest worden, waaraan hij zich diende te houden, op welke wijze hij buiten het strafvorderlijke traject gehouden zou kunnen worden, wie verantwoordelijk was enz. Ook werd bepaald, dat de activiteit -die overigens in het convenant niet wordt omschreven- in beginsel tot maximaal vier maanden na aanvang was beperkt. Medio 1994 werd aan dit traject goedkeuring verleend door Kuitert, de HOVJ Haarlem en de HOVJ Den Haag. Een maand later ontving het tactisch onderzoeksteam in Hollands Midden verklaringen over en de hoofdverdachte,afgelegd in een zaak van het Kernteam Eindhoven. zou diverse strafbare feiten gepleegd hebben in het zuiden van het land. Naar aanleiding daarvan werden de runners van Kennemerland en hun infiltrant door de RCID Hollands Midden ‘op de handrem gezet’, omdat men eerst de ontwikkelingen in het zuiden wilde bespreken met de CID-OVJ. Een maand na ontvangst van het bericht uit Eindhoven vond dat gesprek plaats, waarbij besloten werd om het geplande traject ‘af te blazen’. Deze beslissing werd een dag later aan Kennemerland doorgegeven.

    Achteraf is het de RCID Hollands Midden gebleken, dat de informant actief is geweest in verschillende laboratoria van de hoofdverdachte en dat hij daarin (vele) strafbare feiten heeft gepleegd. In het verslag van een overleg in april 1995 werd vermeld, dat de informant voor deze zaken moest worden aangehouden, doch zich daaraan had weten te onttrekken. Informant had hierop naar de RCID Kennemerland een fax gestuurd, waarin hij stelde, dat hij alle activiteiten had verricht met goedkeuring van de CID. L ater zou de informant (een deel van zijn) beweringen weer hebben ingetrokken. De eindconclusie in het genoemde verslag is:

    ‘Wij komen alles overziende tot de conclusie dat dit geen goed zal doen aan het tactisch onderzoek, wanneer informant schermt met toezeggingen en afspraken met de CID, doch dat wij duidelijke afspraken hebben gemaakt en op tijd de zaak hebben afgezegd (bijgestuurd). Het is gewoon een informant, die zijn eigen koers voer en van twee wallen at.

    Er zijn meerdere lezingen waarom het met de infiltrant ingezette traject niet doorging:

    -volgens de RCID Hollands Midden en OVJ F. de Groot waren door elders strafbare feiten gepleegd;

    – volgens had de hoofdverdachte het op dat moment veel te druk met het binnenhalen van een transport coke-base en

    -volgens Van Tol betaalde de hoofdverdachte de infiltrant niet.

    F. de Groot bevestigde, voor zover het hem betrof, hetgeen hiervoor reeds is vermeld. Hij verklaarde bovendien, dat hij indertijd de zaak besproken had met zijn collega Kuitert in Haarlem, die het op haar beurt had voorgelegd aan haar HOVJ. Beiden hadden geen bezwaar gemaakt tegen het geplande traject. Gesteld werd dat de zaak onder verantwoordelijkheid van het OM Den Haag zou draaien. De Groot zelf heeft zijn HOVJ in kennis gesteld, die eveneens geen bezwaar had. Rond die tijd,’klapten’ er zaken rond de hoofdverdachte in Zuid-Nederland. Er werd daarom besloten het opzetten van een laboratorium voor de hoofdverdachte op te schonen. Volgens De Groot kreeg hij medio 1994 bericht van de RCID Hollands Midden, dat er aanhoudingen waren verricht in Zuid-Nederland waarbij informant een soortgelijke rol had gespeeld als welke hij in Hollands Midden als infiltrant zou gaan vervullen, waarbij hij gerund was door de RCID Limburg. Er ontstond naar de mening van

    De Groot toen een onaanvaardbaar risico voor de infiltrant, waarop besloten werd de zaak te bevriezen en de informant af te bouwen.

    In het najaar van 1994 had De Groot een bespreking met de RCID Hollands Midden, waarbij hij te horen kreeg, dat er informatie binnen was gekomen, dat er in de criminele organisatie waartoe de infiltrant behoorde, aanhoudingen waren verricht. De infiltrant werd toen voor De Groot definitief niet langer aanvaardbaar geacht.

    Kuitert en de HOVJ’s Blok en De Beaufort, zijn over dit traject niet gehoord.

    heeft verklaard dat hij voor de zaak in het zuiden van Mettes en Van Tol een bedrag van f 5000 heeft ontvangen. Mettes meende dat nimmer door hen is betaald. Hij herinnerde zich wel, dat door Limburg is betaald, ook in de zaak in het zuiden. Geconfronteerd met de verklaring van op dat punt, verklaarde Mettes, dat wel gelijk kon hebben. In dat geval verwees hij naar de administratie van de RCID die op dit punt werd bijgehouden (kwitantie). Van Tol heeft over vergoedingen aan niet verklaard. In de administratie van de RCID Kennemerland is met betrekking tot eventuele betalingen aan niets aangetroffen.

    Door de mogelijke betaling aan in de zaak in het zuiden is onduidelijk geworden of de RCID Kennemerland nu wel of geen betrokkenheid had bij dit onderzoek in het zuiden van het land.

    6.5. Bevindingen

    * Van januari 1992 tot januari 1995 heeft informant X, zich bewegende in verschillende criminele groeperingen, informatie over die groeperingen verstrekt aan de RCID Kennemerland. Omdat bleek, dat hij veel informatie verschafte over criminelen ‘beneden de grote rivieren’, werd uit efficiency-overwegingen besloten, hem voor dat gebied te laten runnen door een RCID in het zuiden des lands;

     

    * Door zelf machines, gereedschappen en diensten die rechtstreeks verband hielden met het vervaardigen van synthetische drugs, aan die criminele groeperingen te leveren, heeft zich schuldig gemaakt aan strafbare handelingen;

    * Door de gebrekkige verslaglegging, of liever gezegd het ontbreken daarvan, bij de RCID Kennemerland met betrekking tot hetgeen met en met het OM over de diverse handelingen is afgesproken en al dan niet toestemming is verleend, kan geen gefundeerd oordeel gegeven worden over de werkwijze, zoals deze met het runnen van door de RCID Kennemerland is toegepast en waarvoor als informant en/of infiltrant is ingezet;

    * Vanwege de gebrekkige administratie bij de RCID Kennemerland kon zelfs niet vastgesteld worden, of aan wel of niet door de RCID Kennemerland één of meer vergoedingen (tipgelden) zijn uitbetaald;

    * Evenmin is duidelijk geworden, of, dan wel in hoeverre, door zijn runners is gestuurd bij het verkrijgen van informatie. Duidelijk is wel, dat is ingezet als infiltrant, maar niet vastgesteld is, hoe vaak, in welke mate, tegen welke afspraken enz. dit is gebeurd;

    * Een duidelijk bewijs voor het inzetten van als infiltrant is de hierboven genoemde zaak in Hollands Midden, die echter niet is doorgegaan. Hierin kon enige duidelijkheid worden verkregen, omdat bij de RCID Hollands Midden wel afspraken waren vastgelegd. Hierbij bleek ook, dat het OM Den Haag en Haarlem bereid waren zeer ver te gaan met als infiltrant. Hij kreeg nagenoeg de vrije hand om criminele activiteiten ten behoeve van de produktie van XTC te verrichten;

    * Het OM ging ermee akkoord dat zijn criminele verdiensten mocht behouden en

    * De vraag is welke afspraken tussen en politie en OM in het zuiden zijn gemaakt. Aangezien dit buiten het kader van de onderzoeksopdracht viel, is dit niet onderzocht.

    Dat bij de komst van Woest kennelijk een geheel andere wind is gaan waaien bij de RCID Kennemerland, kan worden geconcludeerd uit hetgeen uit de mond van zijn runners ‘Van Tol en Mettes zou hebben opgetekend, namelijk, dat zij niets met hun baas konden beginnen. Hij zou van toeten noch blazen weten en er een heel andere werkwijze op na houden. ‘De tijd dat alles kon, was inmiddels voorbij’, waarbij overigens geen uitleg werd gegeven wat met dat ‘alles’ werd bedoeld.