• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Veilig Internetten

  • DE RID: VERNIEUWDE SAMENWERKING BVD-POLITIE

    Op 12 oktober 1993 vond in het spiksplinternieuwe gebouw van de Binnenlandse Veiligheidsdienst (BVD) een feestelijke – en voor sommigen wellicht treurige – bijeenkomst plaats. Medewerkers van alle 148 Plaatselijke Inlichtingendiensten (PID’s) en twintig Districtsinlichtingendiensten (DID’s) mochten bij hun broodheer de finale transformatie van hun diensten vieren. De PID’s van de plaatsen met gemeentepolitie en de DID’s van de districten Rijkspolitie werden opgeheven. Uit de moeizame reorganisatie bij de BVD en de regionalisering van de politie zijn 25 Regionale Inlichtingendiensten (RID’s) voortgekomen.(1) Op papier is er het een en ander veranderd. Het aantal lokale inlichtingenclubjes is geslonken, de gezagslijnen zijn korter en de onderlinge afspraken strakker. Eén belangrijk kenmerk van de zogenaamde `veldwerkers’ van de BVD is echter ongewijzigd gebleven: RID-ers zijn nog steeds tegelijkertijd geheim agent én politie-agent. Met de nieuwe Politiewet zijn de – op dit gebied toch al geringe – controlemogelijkheden van de gemeenteraad afgenomen. Sinds de indeling in regio’s ligt de verantwoordelijkheid voor de politie bij een regiochef van politie en een als regio-korpsbeheerder aangewezen burgemeester. Zij zijn niet meer direct ter verantwoording te roepen door de onder hen vallende gemeenteraden. Hoe dit uiteindelijk gaat uitwerken moet nog blijken. Ook van de `nieuwe openheid’ van neerlands inlichtingendiensten komt in de praktijk weinig terecht.

    Twee reorganisaties

    De reorganisatie bij zowel de politie als de BVD waren in januari 1990 voor het Coördinerend Politieberaad (CPB) en het hoofd van de BVD aanleiding om een commissie in te stellen die zich moest gaan buigen over een nieuwe samenwerkingsstructuur tussen politie en BVD. Deze commissie werd genoemd naar haar voorzitter J.W. Bakker, de Apeldoornse korpschef die in 1994 het veld moest ruimen wegens wel erg hoge toelagen op zijn salaris. De commissie bestond voorts uit politiechefs en enkele staffunctionarissen van de BVD. Enigszins vreemde eend in de bijt was Herman Oolbekkink, hoofd van de PID-Nijmegen, de enige `veldwerker’ van de clubs waar het uiteindelijk om ging: de PID’s. Wellicht was zijn relatief lange staat van dienst (al zo’n twintig jaar bij de PID) en zijn loyale opstelling jegens de BVD reden voor deelname.
    Belangrijke doelstelling van de commissie was, naast het opzetten van een nieuwe structuur, het betrekken van het lopende automatiseringsprogramma van de BVD en de vorderingen van de Stuurgroep Automatisering PID in de nieuwe plannen. Op dit punt lijkt de PID-Nijmegen in het verleden een voortrekkersrol gespeeld te hebben, waarover later meer.
    Het rapport van de commissie Bakker (2) verscheen in juni 1991. Voor de nieuwe samenwerkingsvorm tussen politie en BVD werd gekozen voor een zogenaamde projectorganisatie. Deze is inmiddels sinds 1 april 1992 operationeel onder de naam Hermandad voor een periode van vijf jaar. In deze periode wordt enerzijds gewerkt aan opleiding en automatisering, anderzijds aan het ontwikkelen van een beleidskader voor de samenwerking tussen de BVD en RID. Het overkoepelende project is onderverdeeld in deelprojecten en werkgroepen. Vooral binnen de onderwerpgerichte werkgroepen werken BVD-ers en RID-ers samen aan de geplande `produkten’. Met produkten bedoelt de BVD de analyses en adviezen die worden samengesteld uit de informatiestromen die de Dienst bereiken en die worden verstrekt aan zijn afnemers. (3)
    In Hermandad wordt verder aandacht besteed aan de samenwerking met andere diensten, ondermeer de Douane, de Marechaussee, de Economische controledienst (EOD) en de Fiscale inlichtingen- en opsporingsdienst (FIOD).
    Overleg, samenwerking en gegevensuitwisseling tussen BVD en RID moet voortaan lopen langs korte en directe gezagslijnen. Overeengekomen prioriteiten worden vastgelegd in convenanten tussen het hoofd van de BVD (HBVD) en de respectievelijke regionale korpschefs (RKC’s). Zo’n convenant dient vervolgens als uitgangspunt voor een op te stellen activiteitenplan waarin taken, doelstellingen en inzet van mensen en middelen worden bepaald.
    Met de bundeling van 148 PID’s en twintig DID’s in 25 Regionale Inlichtingendiensten is niet alleen het aantal clubjes beduidend verminderd, ook de onderlinge concurrentie is sterk afgenomen. De BVD hoeft niet meer op te boksen tegen de vele plaatselijke en districtsbelangen. Daarnaast is in theorie de positie van de BVD versterkt door de convenanten afgesloten met de diverse afzonderlijke regiokorpsen en door de strakkere bilaterale overlegstructuur. Formeel verantwoordelijk zijn het Hoofd-BVD en de regio-korpschef. In de praktijk nemen het hoofd van de directie democratische rechtsorde (D2) en de chef van de RID een centrale plaats in. Volgens die directeur van D2, drs. Nico van Helten, moet de frisse structuur een nieuwe periode inluiden, waarin geen sprake kan zijn van samenwerking onder het mom `vrijheid, blijheid’.

    Diensten met twee petten

    Bij het vervangen van de oude PID’s is het voorstel van de commissie Bakker gevolgd: de nieuwe RID’s houden hun lokale (regionale) standplaats, terwijl ze centraal, vanuit de BVD, worden gestuurd.
    Hun taakstelling blijft gelijk aan die van de voormalige PID’s. Aan de vraag of het `dubbele petten’ systeem van politie, die als PID werkzaamheden verricht voor de BVD, bijstelling behoeft, heeft de commissie Bakker geen aandacht besteed. Uit de Tweede Kamer is wel kritiek gekomen op de verlenging van een dergelijke onduidelijke samenwerking met de politie. Ideeën voor zelfstandige, regionale BVD-afdelingen die buiten de politie-organisatie om functioneren, zijn nooit serieus uitgewerkt. Het voordeel van duidelijkheid voor de burgers woog niet op tegen de nadelen voor de BVD. De Dienst en de minister van Binnenlandse Zaken gaven telkens de voorkeur aan de via de dienders diep in de samenleving gepenetreerde inlichtingendiensten bij de politie.
    Ook in de debatten over de Wet Inlichtingen en Veiligheidsdiensten (WIV) eind jaren tachtig, bestond veel weerstand tegen het – permanent – inschakelen van politiemensen voor de BVD. De aanwijzing van politieambtenaren voor BVD-werkzaamheden werd destijds door het PvdA-kamerlid Hummel “onverteerbaar, onbegrijpelijk en uitzonderlijk onverstandig…” genoemd. De keuze de BVD geen opsporingsbevoegdheden toe te kennen, is vlak na de Tweede Wereldoorlog gemaakt met de Duitse Gestapo nog vers in het geheugen. Met de PID’s – en nu de RID’s – werd deze bevoegdheid via de achterdeur toch binnengehaald.
    Bij de behandeling van de WIV in 1987, benadrukte de regering dat er sprake zou zijn van een strikte scheiding tussen werkzaamheden voor de BVD en het inlichtingenwerk ten behoeve van het lokale openbare orde beleid. Deze scheiding zou in personele zin vaak al voltrokken zijn. Ondanks de mooie woorden in de Tweede Kamer en ook weer in het rapport van de commissie Bakker blijkt het onderscheid tussen BVD- en openbare orde taken in de praktijk flinterdun. De werkzaamheden van de RID-Nijmegen tonen dat aan.

    Een recent voorbeeld van de onduidelijkheid die deze opzet met zich meebrengt, is de benadering van David C. Op 24 maart 1994 werd David benaderd door Rob Paulis, een medewerker van de RID-Nijmegen. Hij introduceerde zichzelf bij David echter als een medewerker van de Centrale Recherche Informatiedienst (CRI) en legitimeerde zich met een (oud) pasje van de gemeentepolitie Nijmegen met daarop de letters CRI. De CRI is een landelijke dienst, een politiële en justitiële informatie-vergaarbak die losstaat van de BVD en ook andere bevoegdheden heeft dan de BVD. Aangezien Paulis in Nijmegen bekend staat als RID-er, nam David toch maar aan dat het een benadering betrof ten behoeve van òf het lokale openbare orde beleid òf de BVD.
    Aangezien Paulis zich voorstelde als CRI-medewerker was David echter gedwongen zowel bij de minister van Binnenlandse Zaken en de burgemeester van Nijmegen, als bij de minister van Justitie navraag te doen over de bedoelingen van de beambte. In een reactie op zijn klacht liet de minister van Binnenlandse Zaken David weten dat de benadering had plaatsgevonden “overeenkomstig aanwijzingen van het hoofd van de BVD en onder verantwoordelijkheid van de minister van Binnenlandse Zaken. (…) De betrokken ambtenaar heeft zich op de gebruikelijke wijze gelegitimeerd met een pas van de lokale politie”.
    Andere voorbeelden van dit dubbele-petten-gebeuren zijn de benadering van een Nijmeegse student en die van Dave Nobel, een ex-PID-informant.
    De student – we noemen hem hier Frans – werd in mei 1993 samen met iemand anders aangehouden na een korte nachtelijke bezetting van het bestuursgebouw van de Nijmeegse Universiteit. Hij gaf de verhorende politie-agent nadrukkelijk te kennen dat hij het niet zag zitten dat zijn verhaal naar de BVD zou worden doorgesluisd. De politieman verzekerde hem dat dit absoluut niet zou gebeuren. De verklaring van Frans zou alleen in zijn zaak – vanwege de verdenking van lokaalvredebreuk – gebruikt worden. Frans gaf zijn personalia en legde een korte verklaring af. Een dag of drie, vier later werd hij aangesproken door een man die zei dat hij van de politie was. Het bleek wederom Rob Paulis van de RID te zijn die de student vroeg of hij ten behoeve van de BVD wilde infiltreren in `links extremistische bewegingen’.
    De in januari 1989 ontmaskerde informant, Dave Nobel, werd bij zijn benadering in 1987 door PID-beambten onder druk gezet met eerder door hem gepleegde strafbare feiten. Herman Oolbekkink – hoofd van de PID – gaf zich bij die gelegenheid uit voor hulpofficier van justitie. Een bevoegdheid die niet past in zijn BVD-taak en zelfs niet in zijn inlichtingentaak voor de openbare orde. Politiemensen kunnen aangewezen worden als hulpofficier ten behoeve van het Openbaar Ministerie.

    Forceren van openbaarheid

    Over het werk van de PID/RID-Nijmegen is door de jaren heen redelijk wat bekend geworden. Een aantal informanten zijn ontmaskerd of traden zelf met hun verhaal naar buiten. In De Tragiek van een Geheime Dienst, verschenen in 1990, werd de werkwijze van de dienst verder uitgespit en werden PID-ers geïdentificeerd. Door al die onthullingen wil soms de indruk ontstaan dat Nijmegen vergeven is van de PID/BVD-informanten. Maar het kan ook zijn dat Nijmegen exemplarisch is voor het inlichtingenwezen in Nederland. Volgens BVD-medewerker J. van Overdam is het al erg genoeg dat er in Nijmegen relatief veel in de openbaarheid is gekomen. Hij wond zich tijdens een hoorzitting in een bezwaarschriftprocedure van de Vereniging SIP-Nijmegen nogal op over publicaties die in Nijmegen over BVD-werkzaamheden zijn verschenen. (4)
    Dat de BVD van dergelijke publikaties niet gecharmeerd is, bleek ook uit de reacties van de Dienst en de minister van Binnenlandse Zaken op twee publicaties in 1993.
    In januari 1993 maakte een voormalig informant van de PID-Nijmegen zich bekend middels een interview in De Gelderlander onder het pseudoniem Rob Kamphuis. Ook in een uitzending van het VPRO-programma Argos werd zorgvuldig vermeden de echte naam van de man te noemen. Volgens de minister was dit maar goed ook. In reactie op Kamervragen over de kwestie stelde zij dat als Argos de echte naam van de man had genoemd men zich schuldig had gemaakt aan een misdrijf, namelijk het onthullen van een staatsgeheim. (5)
    Hetzelfde gebeurde toen in september 1993 het verhaal van een Nijmeegse vrouw gepubliceerd werd die voor de PID/BVD in het IRA had moeten infiltreren. Nog voor de zaak in de openbaarheid kwam kreeg een journalist van de BVD te horen dat publiceren over een dergelijke operatie vervolging wegens `het onthullen van een staatsgeheim’ kon opleveren. Na publicatie schreef het hoofd van de BVD aan het Nijmeegse Ierland Komitee dat het degenen die geheime operaties bekend maken aan te rekenen is dat informanten in gevaar komen. Zolang spionnen niet ontmaskerd worden, lopen ze geen gevaar. De BVD treft dus ook geen enkele blaam als het misloopt, aldus de toenmalige BVD-chef Docters van Leeuwen.

    Krampachtig geheim

    Ondanks de nieuwe openheid die met voormalig minister van Binnenlandse Zaken Dales haar intrede zou hebben gedaan, worden allerhande verzoeken om informatie met betrekking tot de BVD nog steeds afgewezen op grond van de staatsveiligheid. Die nieuwe openheid stelt dan ook niet veel voor. Er verschijnen tegenwoordig jaarverslagen van de BVD en er bestaat een klankbordgroep van prominente Nederlanders die een paar keer per jaar met het Hoofd van de BVD van gedachten mogen wisselen over de binnenlandse veiligheid.
    In 1990 werd wat geëxperimenteerd met het nieuwe image van de Dienst. Het actualiteitenprogramma Brandpunt leende zich voor kritiekloze propaganda: het publiek moest geloven dat (Russische) spionage nog steeds een grote bedreiging vormde voor met name de Nederlandse economie en dat de BVD het druk had met het in de gaten houden van opkomend extreem-rechts.
    Een soortgelijk openheidsoffensief hebben we twee jaar geleden in Nijmegen gezien. In de periode na een aanvaring tussen de burgemeester en (collegepartij) GroenLinks over geringe openheid met betrekking tot PID-werkzaamheden, werd een tijdlang bijna standaard een besloten deel aan de vergaderingen van de commissie Algemene Zaken van de gemeenteraad toegevoegd. Toen de PID-Nijmegen daar het een en ander kwam toelichten, benadrukte zij dat men zich niet alleen op links richtte. De dreiging van extreem-rechts werd ook hier als makkelijk – want breed gedragen – excuus gebruikt om critici de wind uit de zeilen te nenem. Om het geheel enig cachet te geven werd de commissie verrast met een vertrouwelijk(!) rapport van de PID over extreem-rechts. Voor het eerst kregen gemeenteraadsleden een vertrouwelijk PID-stuk te zien. Zij mochten het alleen niet aan anderen laten lezen. Wel mocht er uit geciteerd worden. Toen bleek al snel hoe schijnopenheid bedriegt. Een gemeenteraadslid van GroenLinks werd als de bliksem bij de burgemeester op het matje geroepen toen ze naar diens inzien al te vrijelijk citeerde. Een politiechef die sprak op een bijeenkomst over extreem-rechts stamelde tot verbazing van het publiek dat hij de inhoud van het rapport niet kende. Pikant detail: meer dan de helft van de zaal was inmiddels wel, in ieder geval van de strekking van het rapport, op de hoogte.

    Een van de (beoogde) resultaten van deze schijnopenheid was dat GroenLinks weigerde nog langer kritische vragen te stellen over PID-optreden. De fractie wenste ook niet meer op verzoek van de Vereniging SIP vragen te stellen over dossier- en archiefvorming bij de dienst. Dit soort vragen leidde te vaak tot conflicten met de politie en de burgemeester. GroenLinks wilde niet langer als eeuwige zeurkous gezien worden, dat belemmerde het streven naar een betere verstandhouding om samen met de politie serieus aan een strategie tegen extreem-rechts te werken.
    Wel nodigde de partij de vereniging uit een bijeenkomst van geïnteresseerde partijleden met de leiding van het politiekorps bij te wonen. Op voorwaarde echter dat er geen kritische vragen gesteld zouden worden over de PID. Het SIP bedankte voor de eer.

    Kort geleden deed zich een soortgelijke aanvaring voor bij de behandeling van een door historici ondersteund verzoek van het SIP het PID/RID-archief te bewaren en toegankelijk te maken voor (wetenschappelijk) onderzoek. De kersverse fractievoorzitter van de Nijmeegse Groenen vroeg zich evenals de al even nieuwe vertegenwoordiger van GroenLinks af hoe groot dat archief was en waar de RID zich nu werkelijk mee bezighield. De burgemeester weigerde op die vraag in te gaan. Na aandringen door het groene raadslid ontstak de burgervader bijkans in woede. Daarin gesteund door de fractievoorzitters van de grote partijen was hij van mening dat dergelijke zaken niet besproken konden worden. Daar konden allerlei mensen alleen maar slechte dingen mee doen. Hij piekerde er bovendien niet over de vraag in een besloten bijeenkomst te beantwoorden want die vergaderingen lekten. De grote partijen waren het er helemaal mee eens dat informatie geheim bleef die nota bene vijftien jaar lang in openbare jaarverslagen opgenomen was. D66 benadrukte blind vertrouwen te hebben in de burgemeester en de RID. In het belang van de strijd tegen extreem-rechts diende de RID immers in het grootste geheim te werken. Dat er op dat terrein nog maar weinig successen zijn geboekt, bleef onbesproken. De fractievoorzitter van de Groenen was de enige die de vergadering verliet om zich te beraden op de vraag of het nog wel zin had zitting te hebben in een commissie vol ja-knikkers.
    Inmiddels hebben de Groenen en GroenLinks een nieuwe poging gedaan. Op 22 februari 1995 hebben zij, ditmaal schriftelijk, de burgemeester wederom de vraag gesteld: “Waar houdt de RID-Nijmegen zich zoal mee bezig?”.

    Wat betreft de BVD laat de openheid zich illustreren aan de hand van twee benaderingen van Nijmegenaren door de Dienst. Terwijl de toenmalige BVD-chef Docters van Leeuwen zo mooi stelde dat als zijn medewerkers burgers benaderen, zij aanbellen, netjes een stapje terug doen en zich voorstellen als BVD-ers, bleek de praktijk anders.
    Vanaf half juli 1993 werd de Nijmeegse Marloes wekelijks opgebeld door ene Van Maarsbergen. Hij probeerde haar telefonisch te bereiken om een afspraak te maken. Na een week of vier, vijf, kreeg hij haar op donderdag 12 augustus zelf aan de lijn. Hij sprak Marloes meteen bij haar voornaam aan en zei dat hij van het ministerie van Binnenlandse Zaken was. Hij was bezig met een onderzoek naar de mening van jongeren over politiek en maatschappij. Omdat zij precies paste in het profiel van de doelgroep wilde hij haar graag spreken. Omdat enkele vragen een persoonlijk karakter hadden, kon het niet over de telefoon, hij wilde meteen langskomen. Marloes, die dacht met een enquêteur van doen te hebben, stemde daar mee in. Pas bij haar thuis zei Van Maarsbergen dat hij BVD-er was en vroeg hij haar voor de Dienst te gaan werken. Financieel zou ze er niet slechter van worden, zei hij, met een toespeling op schulden die ze zou hebben. Toen Marloes duidelijk liet merken niks te voelen voor wat voor samenwerking dan ook, werd Van Maarsbergen kwaad. Hij riep verongelijkt dat de helft van Nijmegen wel zo kon reageren maar dat dat niet terecht was.

    In november 1993 stond bij de 23-jarige student Eric Werkhoven een ongeveer 35-jarige man op de stoep. Hij zou onderzoeksprojecten voor de overheid doen en soms werkte hij ook voor het bedrijfsleven. Hij wilde graag met Eric praten over de rol die hij in die projecten zou kunnen vervullen. Ook Eric nam aan dat de man een enquêteur was en liet hem binnen. Eenmaal binnen legitimeerde hij zich echter als medewerker van de Binnenlandse Veiligheidsdienst. Hij noemde zich Valentijn en dat stond, naast een foto en de naam van de Dienst, ook op zijn pasje. De man stak meteen van wal met een verhaal over hoe belangrijk het was dat mensen politiek actief waren. Sommige mensen gingen echter te ver en dat waren dan ook organisaties waar de BVD naar keek. Na een uur algemeen gebabbel maakten Eric en Valentijn een afspraak voor een week later in de bar van het Mercure Hotel op het stationsplein in Nijmegen. Valentijn maakte Eric daar duidelijk dat hij een `werkrelatie’ met hem wilde aangaan die zeker langer zou duren dan enkele maanden… Eric heeft de BVD-er toen onomwonden verteld dat hij geen enkele behoefte had om voor de BVD te werken.

    De strijd om de openbaarheid

    Om mensen te ondersteunen die vermoeden op enigerlei wijze object te zijn geweest van de PID in Nijmegen is begin 1992 het SIP opgericht, het Steunpunt Inzage PID-Nijmegen. De vereniging heeft inmiddels zeventig leden, waaronder een twintigtal organisaties, onder meer GroenLinks-Nijmegen, de stichting Anti-Militaristisch Buro, Aktie Komitee Kritiese Universtiteit en Vrouwenboekhandel de Feeks.
    Doel van het SIP is tweeërlei: het bepleiten van zelfbeschikkingsrecht voor en inzagerecht in de PID-dossiers en daarnaast het bewaren van een representatief deel van de PID-dossiers als historisch erfgoed. Verder wil het SIP de discussie over het bestaan van geheime dossiers in Nijmegen en het functioneren van inlichtingendiensten aanzwengelen.
    Van de landelijke Vereniging Voorkom Vernietiging (VVV) uit Utrecht heeft het SIP de begeleiding van de Nijmeegse leden overgenomen.
    Op vragen aan de betrokken minister en de burgemeester over de precieze taakafbakening en archiefvorming bij BVD en RID zijn tot nu toe geen bevredigende antwoorden gekomen. Verscheidene verzoeken van leden om inzage in dossiers zijn inmiddels afgewezen. Of omdat inwilliging de veiligheid van de staat zou schaden, of omdat de RID zegt geen persoonsdossiers bij te houden danwel verstrekking van gegevens de privacy van RID-ers of bronnen van de Dienst zou schaden. Deze afwijzingen waren voor het SIP aanleiding beroepsprocedures te starten bij verschillende rechters.

    Voor het voeren van dit soort langdurige en ingewikkelde procedures is het van groot belang te weten welke werkzaamheden de RID verricht ten behoeve van de BVD en welke ten behoeve van het lokale openbare orde beleid. Pas als duidelijk is onder wiens verantwoordelijkheid dossiers zijn aangelegd, kan bij de juiste instantie inzage worden gevraagd. Het SIP maakt hierbij onder meer gebruik van informatie die door eerder onderzoek boven tafel is gekomen.
    Bij het stellen van vragen in Nijmegen bleek de afgelopen jaren dat de burgemeester erg slecht op de hoogte is van het functioneren van zijn eigen geheime dienst. De informatie die hij vrijgeeft, strookt niet met gegevens die elders bekend zijn geworden. Voor het voeren van procedures is dit erg lastig. Het SIP raakt verzeilt in een warrige stroom van antwoorden die bij iedere volgende stap in procedures weer bijgesteld worden. Soms wat meer richting waarheid, soms ook wordt iedere (beperkte) openheid rigoureus teruggedraaid.
    De burgemeester is te goed van vertrouwen wat betreft de informatie die hem door RID en BVD wordt voorgeschoteld. Dat laat zich bijvoorbeeld aflezen aan zijn reactie op de eerder beschreven benadering van David door de RID-er die zich uitgaf voor iemand van de CRI. Indien een groepering als de RaRa zich in Nijmegen zou ophouden, zou hij dat zeker te horen krijgen van de BVD. En omdat de BVD de burgemeester niets van dien aard verteld had, kon Nijmegen met een gerust hart gaan slapen.

    Werkvelden van de RID

    Volgens de burgemeester van Nijmegen zijn de RID en haar voorganger de PID slechts zeer beperkt actief. Er zouden slechts drie werkvelden zijn ten behoeve van het lokale openbare orde beleid, namelijk `voetbalvandalisme’, `studentenacties’ en `extreem-rechts’. Dit beeld is echter regelrecht in strijd met hetgeen de PID zelf jarenlang in haar jaarverslagen heeft vermeld. Daarin werd een heel scala aan – met name linkse – actiegroepen en bewegingen vermeld. Dat varieerde van de kraak- en anti-apartheidsbeweging tot de Rooie Flikkersactie en Verzorgenden en Verplegenden In Opstand (VVIO).
    Nadat de Vereniging SIP-Nijmegen in reactie op vragen dit overzicht had gekregen, bleek het jaarverslag over het jaar 1992 aangepast aan het antwoord van de burgemeester. Plotseling stonden ook in dat jaarverslag nog maar drie werkvelden. Een item als `De Beweging’ komt niet meer voor.
    Toch worden er nog steeds RID-ers gesignaleerd bij andere gelegenheden dan welke binnen de drie werkvelden vallen en die gewoonlijk onder het kopje `De Beweging’ te vinden waren. Om maar wat te noemen:
    – bij een actie tegen de WAO-plannen van het kabinet bij het PvdA-congres in de Nijmeegse Vereniging op 28 september 1992;
    – op 1 mei 1993 bij een actie tegen de plannen voor de bijstand van staatssecretaris Ter Veld. Er werd gedemonstreerd bij een avond die zij bijwoonde in het Kolpinghuis in Nijmegen. PID-er Rob Paulis was aanwezig;
    – bij een verkiezingsbijeenkomst door de landelijke PvdA-top op 20 april 1994 werd actie gevoerd door de `Initiatiefgroep voor een ruk naar links’. De heer Paulis was wederom aanwezig;
    – op 19 mei 1994 ‘s avonds verzamelden enkele honderden vrouwen zich op Plein ’44 voor een demonstratie tegen sexueel geweld (`Heksennacht’). Paulis was wederom ter plekke;
    – op 3 november 1994 had de Nijmeegse kraagbeweging een actiekraak georganiseerd. Rob Paulis was enkele uren in touw: hij reed rondjes bij de verzamelplaats van de krakers, het kraakpand de Grote Broek, en volgde hen naar het te kraken pand. Een actie van wat de PID in jaarverslagen jarenlang `De Beweging’ pleegde te noemen. Nu zou er van dat `werkveld’ geen ordner meer bestaan.

    Om van het gezeur af te zijn is er in het meest recente jaarverslag, dat tevens het eerste is van het nieuwe regiokorps, voor gekozen de RID maar helemaal niet meer te vermelden. Reden genoeg voor het SIP om de burgemeester wederom om een overzicht te verzoeken. Ditmaal kreeg het SIP niet eens een onvolledig overzicht. Men kreeg niks. Argument: een dergelijk overzicht zou vertrouwelijk zijn of verstrekking zou de persoonlijke levenssfeer van RID-ers of hun bronnen schaden. Eerdere openbaarheid -te weten in jaarverslagen gegeven overzichten- is daarmee kennelijk met terugwerkende kracht schadelijk voor de geheime dienst.

    De vernietiging van dossiers

    Een soortgelijk verschijnsel deed zich voor toen het SIP informeerde naar oude dossiers bij de PID/RID. De opeenvolgende antwoorden op dezelfde vraag varieerden van “alles wordt bewaard” tot “alles wordt vernietigd”, met als fraai compromis: het zit tussen de oren. Dat ging zo:

    Eén. In juli 1992 stelde de burgemeester dat “de [oude] PID-dossiers die betrekking hebben op de lokale openbare orde en veiligheidstaak zich in het archief van de gemeentepolitie bevinden” en verder dat er “geen sprake is van schonings- dan wel vernietigingsplannen”.

    Twee. In antwoord op een op 26 augustus 1992 door de fractieleider van GroenLinks gestelde vraag antwoordde de burgemeester: “Jaarlijks worden alle bij de PID aanwezige dossiers geschoond, in deze praktijk zal geen wijziging komen. Als maximale bewaartermijn voor dossiers wordt 5 jaar gehanteerd”. Over vernietiging werd met geen woord gerept.

    Drie. In reactie op een door de Vereniging SIP ingediend bezwaarschrift verklaarde de burgemeester vervolgens dat schoning jaarlijks plaatsvindt. Bovendien bleek nu dat alle stukken die niet meer relevant zijn na 5 jaar vernietigd worden.

    Vier. In januari 1993 legde politieman Aal, tijdens een zitting van de rechtbank in Arnhem over inzageverzoeken namens de burgemeester, uit dat als een onderwerp voor de PID niet meer van belang is het betreffende dossier onmiddellijk wordt geschoond. Volgens hem wordt een `onderwerpdossier’ waarin ook de gegevens van op dat terrein actieve mensen geregistreerd zijn, vernietigd na het eindigen van de betreffende manifestatie. Met het opheffen van zo’n aandachtsgebied zouden de gegevens over de mensen die daarin actief waren (althans binnen het openbare orde deel van de PID), verloren gaan.

    Dit is bepaald ongeloofwaardig. Het betekent namelijk dat als zo’n aandachtsgebied weer opgang maakt, de inlichtingendienst alle gegevens over de betreffende personen en verbanden opnieuw zou moeten verzamelen.
    De heer Aal gaf als verklaring voor deze kwestie dat PID-ers erg veel informatie “tussen de oren” bewaren. Een dergelijke voorstelling van zaken is natuurlijk volstrekt belachelijk en ongeloofwaardig. Geen enkele organisatie, laat staan een inlichtingen(!)dienst, kan en zal zo werken. Ook een verbaasde rechter vroeg zich af of in Nijmegen de openbare orde verstoord werd door onderwerpen of, zoals elders in het land, door personen.

    Dave Nobel: een BVD-informant, PID-informant of beide?

    De ontmaskering van Dave Nobel als informant bood in theorie de nodige aanknopingspunten met betrekking tot taakafbakening en dossiervorming bij de PID. Dave was actief in de Nijmeegse kraakbeweging en legde, nadat zijn ware identiteit bekend was geworden, een verklaring af over zijn werkzaamheden. Die bleken zich voor een groot deel op het terrein van de openbare orde af te spelen, een taakgebied van de PID dat valt onder verantwoordelijkheid van de korpsbeheerder. Vragen aan de opeenvolgende burgemeesters over deze zaak, gesteld door GroenLinks in de commissie Algemene Zaken en door het SIP in een bezwaarschrift, bleven echter onbeantwoord. Het balletje werd doorgespeeld naar Den Haag, Dave Nobel zou een informant voor de BVD zijn geweest.
    De PID zelf dacht daar anders over. De dienst meldde deze ontmaskering in haar jaarverslag over 1989, in het kader van de PID-taak “het verzamelen van informatie ten behoeve van het plaatselijk openbare orde beleid”. In dat verband werd onder meer aandacht besteed aan een man die “werkzaam [was] voor de politie en de Binnenlandse Veiligheidsdienst” (cursivering door ons).
    Uit het jaarverslag blijkt duidelijk dat Dave voor beide taken van de PID werkzaam was. Toch stelde de politie eerder in een persbericht dat de man alleen voor de BVD werkte. Burgemeester Dales nam dit later over.
    Niet alleen het jaarverslag van de PID, ook Dave’s feitelijke activiteiten wijzen op werk ten behoeve van de openbare orde.
    Een belangrijk deel van zijn werkzaamheden speelde zich af binnen de kraak- en actiebeweging in Nijmegen, onder meer rond de ontruiming van het kraakpand de Arkstee in 1988. Zowel de kraakbeweging als het betreffende pand vinden we weer terug in de jaarverslagen van de PID.
    Dat is logisch. Het verzet tegen de ontruiming van de Arkstee zou volstrekt geweldloos zijn, dat was door de krakers lang van tevoren aangekondigd. Dat de ontruiming van een groot kraakpand wel enige consequenties kan hebben voor de openbare orde in Nijmegen was duidelijk. Puur een PID-taak zou je zeggen.
    In de Arkstee werkte Dave in het café en ontmoetingsruimte en daar maakte hij in opdracht van de PID foto’s van alles en iedereen. Daarnaast kreeg hij bij ontmoetingen met de PID fotoboeken te zien met zo’n honderd foto’s van krakers en activisten uit Nijmegen – inclusief namenlijsten. Het gaat hier naar alle waarschijnlijkheid om fotoboeken die zijn aangelegd tijdens het zogenaamde `artikel 140-onderzoek’ dat plaatsvond na de ontruiming van het kraakpand de Mariënburcht in 1987. (Deze fotoboeken waren eerder op miraculeuze wijze kwijtgeraakt(!) bij de Nijmeegse gemeentepolitie, zo bleek bij navraag door de advocaat van een van de `artikel 140-arrestanten’)
    Ook andere acties waarbij Dave betrokken was, zijn onmogelijk aan te merken als:
    – ernstige openbare ordeverstoringen die,
    – heimelijk voorbereid zijn en
    – een politiek oogmerk hebben, te weten
    – het doel politieke instabiliteit te veroorzaken.

    Dit zijn de criteria die tijdens de parlementaire behandeling van de Wet op de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten zijn geformuleerd voor openbare orde zaken waar de BVD zich mee bezig mag houden.

    Behalve bij de ontruiming van de Arkstee was Dave Nobel ondermeer actief bij:
    – een lokale proletarisch winkelenactie,
    – een eenvoudige kraakactie aan de Nijmeegse Van Peltlaan (6),
    – een vergadering bij het werklozencentrum Unitas,
    – het deelnemen aan de wandelgroep Is het hier oorlog?,
    – het deelnemen aan workshops bij radio Rataplan,
    – het bezoeken van een bescheiden bezetting van een universiteitsgebouw door studenten.

    Deze acties zijn met geen mogelijkheid bij de BVD-taak onder te brengen. De conclusie is dat Dave Nobel, naar de maatstaven van PID en BVD, werkzaam was voor beide taken van de PID. Uit dit voorbeeld blijkt eens te meer dat de scheiding tussen beide taken slechts een academische is. We komen hier nog op terug.

    De geautomatiseerde RID

    Volgens de burgemeester zou de RID-Nijmegen niet geautomatiseerd werken. In De Tragiek van een Geheime Dienst was echter al te lezen dat iedere PID-er over een computer beschikte. Een onderzoek door de Registratiekamer, de bij wet ingestelde waakhond met betrekking tot privacy, wees uit dat men ten behoeve van het lokale openbare orde werk keurig met het tekstverwerkingsprogramma Wordperfect werkt. Dat viel te verwachten maar was verzwegen door de burgemeester.
    Een nota van de Amsterdamse politie uit 1989 over automatisering wijst bovendien uit dat de Nijmeegse PID behoorlijk voorop liep op dit gebied. Uit de nota: “Het buro Politieke Inlichtingen [van de Amsterdamse gemeentepolitie] is samen met de politieke inlichtingendiensten van de vier grote steden en de BVD in onderhandeling met betrekking tot de aanschaf en het beheer van een geautomatiseerde applicatie, zoals ontwikkeld bij de politieke inlichtingendienst te Nijmegen. Met deze applicatie kan het gehele bestand van buro Politieke Inlichtingen geautomatiseerd worden” (cursivering van ons). Hiermee geconfronteerd verwees de burgemeester onmiddellijk naar de minister van Binnenlandse Zaken. De genoemde automatisering zou uitsluitend betrekking hebben op een project van de BVD. De minister acht informatieverschaffing hierover vervolgens weer schadelijk voor de staatsveiligheid. Verstrekking zou immers inzicht geven in de werkwijze van de BVD.

    Opmerkelijk is dat in andere steden een stuk minder moeilijk gedaan wordt over openheid met betrekking tot automatisering. Zo lieten het hoofd van de RID-Den Haag, de heer Muurling, en zijn plaatsvervanger, de heer Driessen, het SIP telefonisch weten dat Den Haag werkt met het database-programma Q&A. Deze dienst had afgezien van gebruik van het Nijmeegse systeem omdat automatisering van het hele RID-bestand, de echte PID-gegevens én de BVD-gegevens inmiddels achterhaald was. De Wet Persoonsregistraties liet dat niet toe. Driessen bekende dat hij überhaupt liever geen persoonsgegevens uitwisselt met andere RID’s. Hij vertrouwt meer op de BVD. “U snapt wel waarom…” zei hij tegen het SIP.

    Scheiding PID-BVD

    Zoals eerder aangegeven heeft de PID twee taken. De werkzaamheden voor beide taken dienen volgens de Wet op de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten gescheiden van elkaar uitgevoerd te worden. De gegevensbestanden, voor de afzonderlijke taken apart opgezet, moeten ook los van elkaar bewaard en bewerkt worden.
    De praktijk ziet er anders uit. Uitgaande van antwoorden van de burgemeester en informatie uit ander onderzoek is het volgende beeld te schetsen.
    Zes of zeven RID-ers werken samen in één ruimte aan twee taken. In die ruimte staan computers die volgens de burgemeester formeel aan de BVD toebehoren. Daarnaast bevindt zich in die kantoortuin een deel van het operationele archief. Het leeuwedeel van het archief is in een apart vertrek opgeslagen. De archieven van de PID bestonden tot ongeveer eind 1990 uit een collectie van enige tientallen ordners, vele tientallen `hangmappen’ (met als onderwerpen allerhande (linkse) actiegroepen, maar ook `zigeuners’), een grote roterende kaartenbak en geautomatiseerde bestanden. Deze geautomatiseerde bestanden, formeel van de BVD, bevatten volgens de Registratiekamer persoonsregistraties. Men zou bovendien over een handmatige verzameling persoonsgegevens beschikken. Van de zeven à acht uur per dag dat iedere PID-er werkt, werkt hij drie à vier uur voor de BVD en evenveel tijd ten behoeve van de openbare orde. Een van de RID-ers zou slechts het taakaccent `openbare orde’ hebben.

    Gezien het feit dat er geen sprake is van scheiding in personeel, leiding en ruimte is moeilijk staande te houden dat er wel een strikte scheiding is van archieven. Uit onder meer het verhaal van Dave Nobel blijkt dat er geen onderscheid bestaat tussen BVD en RID-taken, integendeel, het werk loopt naadloos in elkaar over. De wetgever heeft de PID met een onmogelijke taak opgezadeld, namelijk: dit onderscheid strikt aan te houden. De organisatiestructuur van de RID-Nijmegen met één leiding, één werkruimte en een generale taakstelling voor de RID-ers maakt dit onuitvoerbaar.

    In de praktijk blijken voor de dienst werkzame informanten binnen beide taken actief te zijn. Het verslag aan hun `runners’ bestrijkt beide terreinen. Formeel moeten de runners, terug op het bureau, twee keer rapport opmaken: éen voor de BVD-kast of computer en éen voor de RID-kast die ernaast staat. Of: het origineel in de ene en een kopietje in de andere kast.
    Een medewerker van de Registratiekamer bevestigt dat Nijmegen de BVD-taak van de RID wel erg ruim opvat. Na een zitting van de rechtbank in Arnhem in januari 1995 waar inzageverzoeken in RID-dossiers behandeld werden, zei hij: “Veel van wat je openbare orde gegevens zou noemen, zitten daar blijkbaar in het BVD-gedeelte”. Bovendien, vertelde hij, wordt er erg makkelijk geschoven met stukken. Het komt voor dat stukken van nog lopende RID-onderzoeken, op het moment dat ze interessant worden voor de BVD, verhuizen naar de BVD-kast van de RID-Nijmegen. Bij een steekproef in de ordner Vreemdelingenhaat moest de medewerker van de Registratiekamer vaststellen dat in een lopend onderzoek de stukken abrupt stopten. Desgevraagd vertelde een RID-er hem dat vanaf dat moment de BVD belangstelling had getoond voor dat onderzoek. De verdere stukken in het onderzoek Vreemdelingenhaat waren bij de RID niet te vinden, die stonden een paar meter verderop in de BVD-kast.

    Al dit soort details zijn van belang om met enig succes inzage-procedures te kunnen voeren. Zonder te weten waar de RID zich in feite mee bezighoudt en in hoeverre er sprake is van persoonsregistraties, kom je niet verder.
    Immers, als er geen persoonsregistraties worden bijgehouden, gaat de Wet Politieregisters niet op. En zonder die wet krijgen burgers geen inzage in over hen aanwezige stukken. Volgens de burgemeester ging de wet niet op omdat de RID alleen onderwerpdossiers bijhield. En dat op slechts drie terreinen: voetbalvandalisme, vreemdelingenhaat en studentenacties. Afgezien van het feit dat de burgemeester hiermee verzweeg dat de RID zich op nog veel meer terreinen beweegt, vertelde hij ook niet dat deze onderwerpdossiers in WordPerfect werden opgemaakt. Dat is een niet onbelangrijk gegeven: WordPerfect heeft de mogelijkheid bestanden te doorzoeken (met de ‘F2-toets), bijvoorbeeld op naam. Daarmee valt een WordPerfect-bestand al snel onder de definitie van `persoonsregister’.
    Tot die conclusie kwam de Registratiekamer al in 1993. Kort geleden, op 7 februari 1995, werd die conclusie bevestigd door de rechtbank in Arnhem. De rechtbank oordeelde dat de RID-Nijmegen wel degelijk persoonsregisters bijhield en dat de geregistreerden in beginsel inzage dienden te krijgen.

    Voor de leden van het SIP en de VVV was deze uitspraak echter een Pyrrusoverwinning. De rechtbank weigerde te kijken naar de samenhang tussen BVD- en openbare orde registraties. Men ging er blind vanuit dat de RID slechts op drie openbare orde terreinen actief was. Voor de meeste leden van de inzage-verenigingen bood de uitspraak geen perspectief, alleen de studenten-leden hadden in principe zicht op inzage. Ware het niet dat de burgemeester de betreffende WP-bestanden onmiddelijk liet vernietigen zodat de gewraakte persoonsregistraties niet meer bestonden. Bovendien ging de burgemeester tegen het vonnis van de Arnhemse rechtbank in beroep. Maar dat deden de inzage-verzoekers ook. Het Hof moet nu maar eens bekijken hoe er geschoven wordt met archieven en bevoegdheden.

    In feite komt het er op neer dat de RID één inlichtingendienst is die men naar believen het etiket BVD of het etiket RID opplakt. Voor gebruikmaking van politiële/justitiële bevoegdheden of dreiging daarmee heet de club RID. Zeker waar het op (parlementaire) controle of klachten van burgers aankomt, is al het RID-werk ineens BVD-werk.
    De weg naar een fatsoenlijke en openbare controle is daarmee afgesneden.

    Eindnoten

    (1) Over de nieuwe samenwerking na reorganisaties en regionalisatie zijn in het Tijdschrift voor de Politie en het Algemeen Politieblad artikelen van Drs. N.H.E. van Helten verschenen. Van Helten is directeur democratische rechtsorde bij de BVD en voormalig commissaris van politie te Leeuwarden. De artikelen verschenen in het januari/februari nummer van 1994 van het TvdP en in nr. 21 (oktober 1993) van het APB.

    (2) Verslag van de gezamenlijke werkgroep van de Binnenlandse Veiligheidsdienst en het Coördinerend Politie Beraad `Samenwerkingsstructuur Politie/BVD’, juni 1991.

    (3) De afnemers heten in BVD-jargon de belangendragers. Dat zijn personen en organisaties die verantwoording dragen voor de in de Wet op de Inlichtingen en Veiligheidsdiensten bedoelde gewichtige belangen van de Staat en maatschapij: het voortbestaan van de democratische rechtsorde, de handhaving van de veiligheid van de Staat en de instandhouding van het maatschappelijk leven. De BVD wil zich met haar nieuwe aanpak meer gaan richten op deze afnemers; in het verleden lag de aandacht te veel bij de leveranciers van de informatie.

    Beveiligingsadviezen worden in praktijk gericht aan onder meer bedrijven en uiteenlopende dreigingsanalyses aan landelijke en lokale gezagsdragers, waaronder politiechefs.

    (4) De Vereniging Steunpunt Inzage PID-Nijmegen is op 12 februari 1992 opgericht met als statutaire doelstelling het behartigen van de belangen van de leden, personen en organisaties die vermoeden op enigerlei wijze object te zijn of te zijn geweest van de Plaatselijke Inlichtingendienst (PID) in Nijmegen.

    (5) Zie ook noot 1 van hoofdstuk 6 “Friendly Fire”.

    (6) Bij de kraak van het pand aan de van Peltlaan werd iedereen opgepakt. Op het hoofdbureau van politie waren, toen de arrestanten daar – ‘s nachts! – werden binnengebracht, het hoofd van de PID Herman Oolbekkink en PID-er Pim van der Veer aanwezig.