• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • 2 Verboden vruchten

    Volledige inhoudsopgave

    Politie en inlichtingendiensten hebben duidelijk verschillende
    taken en daaraan gekoppeld bevoegdheden. De politie is de
    leidende opsporingsdienst en heeft zich te houden aan een
    beperkt aantal bevoegdheden. Er zijn duidelijke richtlijnen
    voor het gebruik van observeren, afluisteren en dergelijke.
    Hoe ernstiger het misdrijf, des te meer middelen de politie in
    mag zetten om verdachten op te sporen. Tijdens het proces
    controleren rechter en advocaat de ingezette methoden.
    De inlichtingendiensten zijn er ter bescherming van de
    nationale veiligheid. Dit is een veel ruimere taak en met veel
    ruimere bevoegdheden dan de politie. Methoden, middelen,
    werkwijze, operationele gegevens, alles wat deze diensten
    betreft is geheim. Zeker een individuele burger heeft geen
    zicht op mogelijke activiteiten van zo’n dienst tegen hem
    of haar.


    Vanuit deze verschillende taken en bevoegdheden heeft
    het parlement de scheiding tussen inlichtingendiensten en
    politie altijd sterk benadrukt. De rechtsbescherming wordt
    immers flink aangetast als de inlichtingendiensten toch het
    politiepad op gaan.
    Deze o; cile scheiding van taken en bevoegdheden kende
    lange tijd slechts n belangrijke overlap: terreurbestrijding.
    Zowel de politie, dat wil zeggen de afdeling Anti Terrorisme
    en Bijzondere Taken (ATBT) van het Korps Landelijke
    Politiediensten (KLPD) als de BVD heeft hierin een taak:
    de ATBT in het kader van opsporing, de BVD in het beschermen
    van het staatsbelang.
    Deze samenwerking liep niet over rozen, want de BVD en
    de ATBT maaiden regelmatig het gras voor elkaars voeten weg.
    In een aantal onderzoeken, onder andere naar de aanslagen
    door rara eind jaren tachtig, hield de BVD gevoelige informatie
    achter. Uiteindelijk moest een ambtelijke missie de relatie
    redden. De hoofdo; cier van justitie uit Den Haag, J. A. Blok,
    zorgde er in 1991 voor dat BVD’ers en KLPD’ers weer door n
    deur konden. Afgesproken werd om personeel uit te wisselen
    om zo begrip voor elkaars positie te kweken.
    Bij de politie werden de regenjassen van de BVD lange tijd
    met argwaan bekeken, op n afdeling na: de sleutelcentrale.
    De techneuten van de dienst hadden tijdens de koude oorlog
    zo’n goede reputatie opgebouwd dat de Dienst Specialistische
    Recherche Toepassingen van de politie (DSRT ) regelmatig hun
    hulp inriep en en nog steeds inroept. Bij gebrek aan eigen
    mensen of bij moeilijke klusjes gaan de BVD’ers ‘s nachts op
    pad voor de politie. Het gaat dan om hulp bij inkijkoperaties
    om bijvoorbeeld afluisterapparatuur of cameraatjes te plaatsen.
    De deuren ook bij andere afdelingen van de politie openen
    was iets wat wel kon worden overgelaten aan Docters van
    Leeuwen, die in 1989 bij de BVD het roer overnam. Hij zette
    een langzame, maar gestage koerswijziging in. Docters van
    Leeuwen zag ook na de val van het communisme nog een
    belangrijke taak voor zijn dienst weggelegd. Van groot belang
    hierbij was zijn achtergrond: vanaf 1980 was Docters plaatsvervangend
    hoofd Directie Politie en vanaf 1981 plaatsvervangend
    directeurgeneraal van de Directie Openbare Orde en
    Veiligheid, beide bij het ministerie van Binnenlandse Zaken.
    Het was niet vreemd dat hij zijn blik richtte op de bestrijding
    van de georganiseerde misdaad. Ook vanuit het ministerie
    van Justitie en het openbaar ministerie werd belangstellend
    afgetast of de BVD hierin een taak kon hebben.
    ‘Tussen het terrein van defensie en het politiewerk ligt een
    groot “terra incognita” waar de BVD en andere diensten onvoldoende
    zicht op hebben. Ook criminele organisaties “die de
    democratie benvloeden” horen tot dat nieuwe werkgebied’,
    aldus Docters van Leeuwen in het NRC Handelsblad van
    5 november 1990. In een interview met De Volkskrant op
    29 september 1990 was hij nog explicieter. ‘Het gebeurt dat
    BVD’ers en politiemensen elkaar tegenkomen in het veld. Er is
    een steeds groter werkveld waar twee schijnwerpers op gericht
    staan. We weten dat er in Nederland personen rondlopen met
    een hele staf om zich heen, die moet voorkomen dat men een
    bewijsbaar strafbaar feit pleegt. Daar kan de reguliere
    opsporing dus niet bijkomen. Niettemin hebben die mensen
    het niet echt goed voor met de Nederlandse samenleving. En
    dan kom je op de vraag of het interessant zou zijn iets van
    hun strategien en doelstellingen af te weten. Ik vind uiteraard
    van wel. ‘
    Docters van Leeuwen had de politieke wind van het
    moment mee. Minister van Justitie Ernst Hirsch Ballin straalde
    als geen ander een ‘crime.ghters’mentaliteit uit en de
    begin 1994 overleden minister van Binnenlandse Zaken
    Ien Dales wierp zich op als bewaakster van de integriteit van
    de overheid.
    In het parlement vielen Docters van Leeuwens voorstellen
    verkeerd. De kamerleden benadrukten juist dat ze de duidelijke
    scheiding tussen de BVD en de politie gehandhaafd wilden
    zien. Zo bekritiseerde exkorpschef Boele Staal (d66) tijdens
    het begrotingsdebat in de Eerste Kamer op 17 maart 1992 de
    bemoeienis van de BVD met de georganiseerde criminaliteit.
    Hij werd hierin bijgevallen door VVDsenator Frits Korthals
    Altes, die minister Dales erop wees dat het hier uitsluitend
    een taak van opsporingsbevoegdheden betreft: ‘Ik wil er ernstig
    voor waarschuwen dat er op dit terrein geen grensoverschrijding
    plaatsvindt. Op grond van de interventies van drie
    fracties vandaag bij de onderscheidende begrotingsbehandelingen
    meen ik dat heel duidelijk kan worden vastgesteld, dat
    een meerderheid van deze Kamer zich daarover zorgen heeft
    gemaakt. Bovendien hecht deze meerderheid sterk aan het in
    acht nemen van deze grenzen. ‘ De minister gaf echter geen
    krimp en deelde haar critici mee dat van een verschuiving van
    aandachtsgebieden geen sprake was: de BVD was niet bezig
    met de georganiseerde misdaad maar met bepaalde aspecten
    daarvan, zoals het omkopen van ambtenaren.
    Op de werkvloer werd ondertussen het verwaarloosde netwerk
    van de BVD met de politie en het openbaar ministerie (OM)
    opnieuw opgezet. Oudkorpschef van Leeuwarden, Nico van
    Helten, was als directeur Democratische Rechtsorde in dienst
    getreden bij de BVD. Hij onderhield nauwe banden met de
    fameuze jaargang 1959 van de Nederlandse Politie Academie:
    Jaap de Wijs (KLPD), Jan Wiarda (destijds Utrecht, nu Den Haag),
    Eric Nordholt (Amsterdam) en Rob Hessing (Rotterdam).
    Begin 1991 startte de door de hoofdo; cier van justitie
    Blok voorgestelde uitwisseling van sleutel.guren met de ATBT.
    In 1993 werden de activiteiten uitgebreid tot het hele politieveld.
    Van Helten startte het project Hermandad, waarbij de
    banden met de politie versterkt werden. Aan dit project
    namen dertig BVD’ers en twintig politieagenten deel.
    Ook met het OMwerden de banden aangehaald. Van 1990
    tot en met 1993 nam mr T. P. L. Bot deel aan de leiding van de
    BVD, daarna nam de Haagseofficier van justitie A. C. M.
    Welschen zijn plaats in als hoofd Strategische Planning en
    Controle. Beiden speelden een belangrijke rol bij de toenemende
    informatiestroom vanuit de BVD naar de politie. Na een
    aantal jaren gefungeerd te hebben als hoofdo; cier van justitie
    in Haarlem, werd Bot plaatsvervangend hoofd van de BVD.

    Georganiseerde misdaad

    Dat de BVD, ondanks de twijfels vanuit het parlement, de
    bestrijding van de georganiseerde misdaad serieus wil aanpakken
    blijkt uit de gesprekken met het College van
    ProcureursGeneraal (pg). De notulen van de vergadering van
    dit College van 30 juni 1993, waarop ook Docters van
    Leeuwen en de gedetacheerde Bot aanwezig waren, laten hier
    geen twijfel over bestaan. Docters van Leeuwen legde tijdens
    de vergadering uit wat de inzet van de BVD zou worden:
    ‘Daarnaast is het noodzakelijk de aanverwante buitenlandse
    inlichtingenen veiligheidsdiensten een aanspreekpunt te
    bieden voor de activiteiten die zij ten aanzien van de georganiseerde
    criminaliteit ontwikkelen en deze activiteiten onderling
    te cordineren. Hij wijst tenslotte op de noodzaak van
    internationale operaties om in zeer grote internationale criminele
    organisaties binnen te dringen. Het gaat daarbij om
    operaties die pas op zeer lange termijn tot resultaten zullen
    leiden. pgDen Bosch merkt op dat ook de politie nationaal en
    internationaal zich op dergelijke operaties zal richten. Hij acht
    afstemming tussen politie en BVD noodzakelijk. De heer
    Docters van Leeuwen antwoordt dat wordt beoogd dergelijke
    operaties van meet af aan gezamenlijk met de politie op te
    starten en uit te voeren. ‘
    Hoe nauw de samenwerking tussen de BVD en de politie werd
    in die jaren, blijft lange tijd omgeven door een rookgordijn.
    Wel scheef hoofdo; cier van justitie J. A. Blok in het boek
    Criminele Inlichtingen (1993) dat de werkwijze en taak van de
    BVD wel erg dicht tegen die van de Criminele Inlichtingendiensten
    (CID ) aan zat. ‘Geen scheidsrechter kan met
    een beroep op de wettelijke bevoegdheden een van beide
    partijen de.nitief de toegang tot het voorveld, de proactieve
    fase ontzeggen. ‘
    Het duurt echter tot 1995 voordat de volle omvang van de
    BVDinzet op het terrein van de bestrijding van de georganiseerde
    misdaad duidelijk wordt. In dat jaar publiceert de parlementaire
    CommissieVan Traa haar rapport. Omdat tijdens
    dit onderzoek naar de werkwijze van de politie op het terrein
    van de bestrijding van de georganiseerde misdaad al snel
    bleek dat de BVD zich ook op dit terrein begaf, heeft de
    Commissie de BVD ook bekeken.
    Tot hun grote schrik ontdekten de onderzoekers dat de BVD
    veel nauwer betrokken was bij de bestrijding van de georganiseerde
    misdaad dan bekend was. Zo bleek de BVD zeer nauw
    samen te werken met de Inter Regionale Kernteams (irt). De
    dienst had een vaste liaison bij het copateam in Den Haag,
    dat de rol van Desi Bouterse bij drugshandel uit Suriname
    onderzocht, en verder ‘parttime’ BVD’ers bij de andere teams.
    In de verhoren voor de commissie onder voorzitterschap
    van Maarten van Traa (PVDA) minimaliseerden de betrokkenen
    de rol van de BVD zoveel mogelijk. Zo verklaarde de landelijke
    officier van justitie terreurbestrijding, mevrouw P. H. M. van
    der MolenMaesen, dat de BVD slechts als ‘oog en oor’ bij de
    irt’s zat. Eigen onderzoek van de commissie leverde een
    ander beeld op. Op de werkvloer werd er wel degelijk nauw
    samengewerkt. De BVD’ers gaan na ‘welke informatie van de
    BVD mogelijk relevant is voor strafrechtelijk onderzoek’.
    Een oudmedewerker van een irt bevestigt het beeld. ‘De BVD
    zat er altijd bij en dan bedoel ik ook op het uitvoerend niveau.
    Daar werd veel informatie uitgewisseld. ‘ Informatie die overigens
    nooit in procesverbalen is terug te vinden. ‘Het is
    natuurlijk gemakkelijk weg te werken. Je maakt er CIDinformatie
    van, of je creert gewoon een tipgever. Ook kan informatie
    via het buitenland weer terugkomen. Daar zijn genoeg
    oplossingen voor te vinden. ‘ Dit soort Ubochtconstructies om
    informatie wit te wassen is nu juist een doorn in het oog van
    veel advocaten, aangezien zo niet meer te achterhalen valt
    waar, wanneer en hoe bepaalde informatie is vergaard, wat
    een goede rechtsgang belemmert.
    O; cieel moest de informatiestroom van BVD en politie lopen
    via de landelijkeofficier van justitie terreurbestrijding. Informatie
    van de BVD gaat via een ambtsbericht naar de politie.
    Deze ‘verbodenvruchtenregeling’ is de belangrijkste
    manier om BVD informatie wit te wassen. Het is een regeling
    die refereert aan een brief die minister van Justitie Hirsch
    Ballin op 28 februari 1992 aan de Tweede Kamer stuurde.
    Hij stelde simpelweg dat door de BVD verzamelde informatie
    en materiaal wel degelijk de basis kunnen verschaffen om
    een strafrechtelijk onderzoek in te stellen, een rechtmatige
    verdenking kunnen opleveren en wettig bewijsmateriaal kunnen
    vormen.
    Het komt erop neer dat de BVD een ambtsbericht schrijft
    dat geen inzicht in zijn eigen bronnen of werkwijze geeft. Via
    de landelijkeofficier van justitie terreurbestrijding gaat het
    bericht door naar de ATBT, die het vervolgens doorsluist naar
    het betreffende opsporingsteam. De landelijkeofficier van
    justitie krijgt als enige inzage in de achterliggende informatie.
    Docters van Leeuwen meldde de CommissieVan Traa dat
    onder zijn bewind (19891995) zo’n zestig ambtsberichten
    naar het OMzijn gestuurd. In 1997 en 1998 zijn 67 ambtsberichten
    uitgebracht en in 1999 gingen volgens de BVD
    58 ambtsberichten de deur uit, waarvan 23 aan het OM.
    In 2000 zijn er veertig ambtsberichten verstuurd, waarvan
    18 aan het OM.
    Maar meer dan de twijfel naar de rechtmatigheid bestaat
    er ook twijfel over de inhoudelijke kant van de ambtsberich
    ten. De afgelopen jaren waren veel ambtsberichten in de ogen
    van een aantal rechters en wetenschappers kwalitatief ver
    onder de maat.
    Neem het ambtsbericht over twee taxichauffeurs van de
    Taxicentrale Amsterdam. In beide gevallen vond de rechter
    dat er onvoldoende aanwijzingen waren hen als verdachten
    aan te merken. Gebrandmerkt waren ze ondertussen wel.
    Begin 2001 kwam de BVD onder vuur te liggen over de
    kwaliteit van een ambtsbericht. Het betreft hier de gevoelige
    geschiedenis van de irtaffaire. Nadat de CommissieVan Traa
    in 1995 al uit de doeken had gedaan hoe het irt NoordHolland
    Utrecht op grote schaal drugs doorliet om een informant
    te laten groeien binnen het criminele milieu, volgde in
    1999 de parlementaire CommissieKalsbeek met schokkende
    feiten. Parallel aan de containers softdrugs zouden containers
    met coke zijn gesmokkeld. De groeiinformant van de CIDKennemerland
    en een aantal opsporingsambtenaren zouden
    hier actief aan hebben meegewerkt.
    Op aandringen van de Tweede Kamer moest Justitie de
    handel en wandel van een aantal in de irtaffaire aangebrande
    opsporingsambtenaren natrekken. Bewijzen voor de parallelle
    import van coke zijn niet gevonden.
    In een ambtsbericht van 12 juni 1997 meldde de BVD dat
    [nn] in opdracht van iemand anders in het irt gen.ltreerd
    zou zijn, dat hij grote partijen drugs op de Nederlandse markt
    zou hebben gebracht, dat hij samen met anderen en op grote
    schaal allerlei winkels en horecagelegenheden zou hebben
    opgekocht, dat hij samen met anderen, onder wie Klaas
    Langendoen en Joost van Vondel (ex CIDKennemerland), een
    vermogen zou hebben belegd in buitenlandse ondernemingen,
    en dat hij gebruik zou hebben gemaakt van de diensten
    van een Amsterdamse makelaar. De BVD tekende aan dat men
    de genoemde informatie niet zelf had onderzocht en ook de
    juistheid ervan niet kon beoordelen.
    Op aandrang van de Tweede Kamer onderzochten de wetenschappers
    H. Nelen, H. van de Bunt en C. Fijnaut de manier
    waarop dit onderzoek heeft plaatsgevonden. Over het BVDambtsbericht
    zijn ze duidelijk: ‘Hoe het ook zij, er zijn
    zelfs geen aanknopingspunten gevonden om de vermeende
    hoofdrolspelers Langendoen en van Vondel als verdachten
    aan te merken. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat
    zij grote sommen geld hebben verdiend en dat zij miljoenen
    guldens hebben belegd in een met name genoemde
    Oostenrijkse onderneming. ‘
    Dat de BVD de bronnen van zijn ambtsberichten niet altijd
    checkt bleek na de aanslagen van 11 september 2001 in de vs.
    Op 16 oktober 2001 viel midden in de nacht een arrestatieteam
    binnen bij Masoud Aghahassannejad. Op verdenking
    van het aanmaken van brieven met antraxpoeder werden
    Aghahassannejad en zijn vriendin Jarka Jankovicova zes
    dagen vastgehouden. Aanleiding voor de arrestatie vormde
    een ambtsbericht van de BVD. Daar was een tip binnengekomen
    dat ze samen in een weiland in de omgeving enveloppen
    met poeder hadden gevuld. Na zes dagen voorarrest liet de
    rechtercommissaris beide verdachten echter gaan. Er was
    geen enkel bewijs gevonden van ook maar mogelijke sporen
    van antrax. Volgens advocaat C. Boonman lieten politie en BVD
    zich mee slepen door de hysterie die er toen heerste rondom
    poederbrieven. Zelf vermoedt hij dat er een lugubere grap is
    gemaakt: ‘Ik denk dat het iemand uit zijn naaste omgeving
    moet zijn. Hoe komt men anders aan zijn adres? ‘ verklaarde
    Boonman in NRC Handelsblad van 26 oktober 2001.
    De CommissieVan Traa had ernstige twijfels over de verstrekking
    van BVDinformatie aan de politie: ‘Gezien de
    Europese jurisprudentie is het de vraag of de artikelen 11 en 12
    wiv voldoende basis bieden voor de verstrekking van informatie
    door de BVD aan opsporingsinstanties. ‘
    De landelijkeofficier van justitie terreurbestrijding, van
    der MolenMaesen, kan slechts de achtergrond van het ambtsbericht
    inzien, maar zij kan niet controleren of de BVD zich bij
    het vergaren van de informatie wel aan zijn wettelijke taak
    heeft gehouden.
    Toen de commissie onder leiding van Van Traa ook nog
    van Docters van Leeuwen zelf vernam dat er ernstige twijfels
    waren over de rechtmatigheid van het verstrekken van BVD
    informatie aan de politie, had de regeling wellicht overboord
    moeten worden gegooid. Docters van Leeuwen legde uit dat
    het Europese Hof stelde dat ook de BVD duidelijk moet voldoen
    aan het kenbaarheidsvereiste en het voorzienbaarheidsvereiste.
    ‘Dat slaat ook terug op deze situatie. De burger moet
    weten wanneer de BVD zich met iets bemoeit en wat er dan
    kan gebeuren. In dat kader lijkt het mij dat wij zeer goed moeten
    kijken of die procedure niet toch een wettelijke grondslag
    moet krijgen. ‘
    In de nieuwe Wet op de Inlichtingenen Veiligheidsdiensten
    is zonder horten en stoten de ‘verboden vruchtenregeling’
    opgenomen. Belangrijkste argument van regeringszijde
    was dat burgers door de nieuwe wet wel weten wanneer
    ze object van onderzoek van de AIVD kunnen zijn.
    Gealarmeerd door de CommissieVan Traa reageerde de
    Tweede Kamer halverwege de jaren negentiger alerter op de
    taakverschuiving van de BVD. In het debat over het jaarverslag
    van 1995 op 27 augustus 1996 stelde Korthals van de VVD duidelijk
    dat ‘wij niet willen dat de BVD een verlengstuk van de
    politie wordt. […] De enige taak die de BVD met betrekking tot
    de politie behoort te hebben is te waarborgen dat de integriteit
    van de politie groot en goed blijft. ‘ Mevrouw Scheltemade Nie
    (d66) vond dat de activiteiten van de BVD zo beperkt mogelijk
    moesten zijn, en constateerde hiaten in de wetgeving wat
    betreft het grensvlak van samenwerking tussen politie en BVD.
    Ondanks de flinke trap op de rem van het parlement gaat de
    BVD, gesteund door het paarse kabinet, door op de ingeslagen
    weg. Met ‘een integrale aanpak van de georganiseerde misdaad’
    presenteert de dienst in het jaarverslag van 1996 vol
    trots zijn activiteiten.
    Naar aanleiding van bij Justitie gestolen floppies en bedreiging
    van leden van het OMwordt het Contrastrategien project
    op de rails gezet. Ter bescherming van de bestuurlijke
    integriteit worden nu ook ‘operationele’ middelen ingezet en
    de BVD krijgt een vaste plek in het eerste landelijke rechercheteam,
    het landelijke xtcteam.
    Dat de intensivering ook werkelijk plaatsvindt, bevestigt
    N. Mastenbroek, destijds hoofd van de Centrale Recherche
    Informatiedienst, in een interview in het Algemeen Dagblad
    (10 mei 1996). ‘De overlap van het werk van onze Dienst
    Bijzondere Recherche Zaken (nu ATBT) van de CRI en de BVD
    is groter geworden. We zullen meer informatie gaan uitwisselen,
    samen analyses uitvoeren en kennis vergaren. ‘
    In het parlement is het stil rondom deze toch fikse uitbreiding
    richting opsporing. Slechts het CDA en d66 roepen
    nog iets over de gewenste strikte scheiding van politieen
    inlichtingentaken. Thom de Graaf (d66) plaatst vraagtekens
    bij de deelname van de BVD aan het landelijke xtcteam, dat
    zich tot doel stelt de productie en uitvoer van deze drug onmogelijk
    te maken. ‘De deelname van de BVD maakt de scheiding
    tussen “typische veiligheidstaken en strafvorderlijke opsporing”
    onduidelijk’ verklaarde De Graaf in Het Parool van
    19 december 1996.
    De regering lijkt niet te zitten met deze onduidelijkheid.
    In oktober 1997 kondigt ministerpresident Wim Kok de volgende
    uitbreiding van de BVD inzake opsporing aan. De BVD
    krijgt een plaats in de Taskforce Mensensmokkel. ‘We gaan
    daar gericht informatie inbrengen. Bijvoorbeeld als uit inlichtingen
    van onze zusterdiensten, vooral uit de landen van herkomst,
    blijkt dat er sprake is van georganiseerde mensensmokkel.
    We hebben al liaisons in Istanboel en Singapore’,
    meldt de BVDwoordvoerder Vincent van Steen. Maar ook
    informatie uit Nederlandse bronnen zal worden gebruikt, uit
    vreemdelingendossiers, van vluchtelingen die geworven zijn
    als informant en natuurlijk uit eigen onderzoek. De BVD stopt
    ook veel energie in zijn buitenlandse contacten. Zo wordt in
    1998 voor de tweede keer een bijeenkomst van experts georganiseerd
    over de Balkan. Thema’s zijn de ontwikkelingen
    in Kosovo en mensensmokkel.
    Bovenstaande activiteiten van de BVD vallen volgens de
    dienst zelf buiten het directe opsporingswerk en er is dus ook
    geen vermenging van bevoegdheden. Toch vormen alle BVDactiviteiten
    een belangrijke schakel in de keten van opsporing.
    Zonder goede buitenlandse contacten is internationale
    opsporing bijna onmogelijk en de BVD heeft toegang tot wel
    heel veel bronnen.
    Vanaf 1999 komt de vermenging met de opsporing duidelijker
    aan het licht. Bij de bespreking van het BVDjaarverslag
    over 1999 laat minister Klaas de Vries doorschemeren dat de
    betrokkenheid van de BVD bij de bestrijding van mensensmokkel
    flink groeiende is. Zo vervaardigt de BVD analyses
    van migratiestromen, bekijkt de dienst de veiligheidssituaties
    in landen van herkomst en het migratiebeleid in doorvoerlanden.
    Tegelijk doet de BVD ook flink wat voorwerk voor de
    opsporingsdiensten, zoals het maken van profielen van
    mensensmokkelorganisaties
    in de landen van herkomst en het in
    kaart brengen van de ‘kwartiermakers’, die in Nederland de
    aankomst van gesmokkelde mensen voorbereiden. Ook
    onderzoekt de BVD de kwetsbaarheid voor corruptie bij diplomatieke
    vertegenwoordigingen en de uitvoeringspraktijk bij
    de toelating van vreemdelingen. Ten slotte onderzoekt de BVD
    terroristische en extremistische antecedenten die van belang
    kunnen zij bij het verstrekken van verblijfstitels.
    Bij de presentatie van het Dreigingsbeeld Mensensmokkel
    op 29 mei 2001 schrijft minister van Justitie Benk Korthals
    dat de BVD verder wordt uitgebreid. ‘De liaisons van de BVD in
    Amman, Moskou en Singapore zijn zich ook met mensensmokkel
    bezig gaan houden door het opbouwen van netwerken
    met collegadiensten en andere organisaties die zich
    met dit onderwerp bezighouden. ‘

    Spionnen in de rechtszaal: de zaak Mink K.

    Ondanks de toenemende betrokkenheid van de BVD bij strafzaken
    haalt deze slechts zelden de rechtszalen. Af en toe komt
    de dienst met informatie in de vorm van een ambtsbericht,
    maar de door veel advocaten gesuggereerde bemoeienis van
    de BVD met de proactieve opsporingsfase heeft nog geen
    rechtbank mogen toetsen. Als naar buiten komt dat de BVD
    zich mengt in die fase, is de rechtszaal immers te klein. De
    BVD mag veel meer afluisteren, inbreken, observeren, en dergelijke
    dan de politie en zou politieonderzoeken op die
    manier een ongeoorloofd duwtje in de rug kunnen geven.
    Wat de rechtszalen bijvoorbeeld niet haalt is het zogenaamde
    ‘klusjesteam van de BVD’. Deze sleutelcentrale staat volgens
    een aantal advocaten de politie nog steeds regelmatig bij.
    Vooral het plaatsen van zendertjes om direct af te kunnen luisteren
    is een vaak genoemde bezigheid. Na de invoering van
    de Wet Bijzondere Opsporingsbevoegdheden (BOB) in 1999 is
    de politie gebonden aan een fiks aantal voorschriften voordat
    ze iemand direct mag afluisteren. Voor korte periodes, of om
    een onderzoek vlot te trekken, vindt zij de procedures te traag.
    Op zo’n moment wordt de BVD te hulp geroepen.
    Soms haalt de BVD wel de rechtszalen, in dit geval de speciaal
    beveiligde rechtbank in AmsterdamOsdorp. In 2000 en 2001
    stond de inmiddels meer dan bekende Mink K. hier terecht.
    Hij werd verdacht van bezit van een partij wapens die de politie
    op 1 september 1999 aantrof in een flat aan de Amsterdamse
    Nachtwachtlaan. De BVD zou op verschillende manieren
    betrokken zijn bij deze zaak.
    Om te beginnen lijkt de BVD de partij wapens aan de
    politie te hebben weggetipt door het creren van wateroverlast.
    Ook zou de dienst al eerder contact hebben gehad met
    Mink K., die onder andere een Russische raket aan de BVD zou
    hebben geleverd. Tijdens het proces ontdekten de advocaten
    ook dat de BVD met een eigen onderzoek naar K. bezig was.
    Ook werd informatie, gegeven aan het openbaar ministerie in
    verband met een gesloten deal, doorgegeven aan de BVD.
    Daarnaast maakte de BVD ook deel uit van het team dat de
    mogelijke corruptie bij de overheid, naar aanleiding van de
    irtaffaire, onderzocht
    De naam van Mink K. duikt al op sinds het irt
    NoordHolland Utrecht achter de erfgenamen van Klaas
    Bruinsma aanzit. K. heeft zijn nationale bekendheid echter
    vooral te danken aan de CommissieKalsbeek. Deze commissie
    onder leiding van de latere staatssecretaris Ella Kalsbeek
    rapporteerde in juni 1999 over de stand van zaken in opsporingsland.
    Na de verschijning van het rapport van de
    CommissieVan Traa was afgesproken de vingers voorlopig
    aan de pols te houden.
    Een van de belangrijkste bevindingen van de CommissieKalsbeek
    was de ‘ontdekking’ van parallelle importen. Tijdens
    het doorlaten van containers vol softdrugs in de irtperiode
    zouden er gelijktijdig containers met cocane zijn binnengesmokkeld.
    Nederlandse overheidsambtenaren zouden daarbij
    betrokken zijn. De commissie meldde dat er gesprekken
    waren met een crimineel om de betrokkenheid van overheidsambtenaren
    vast te kunnen stellen.
    Mink K. komt in beeld als offi cier van justitie Fred Teeven
    aan de slag gaat met een aantal irterfenissen. Teeven was van
    mening dat Mink K. de ‘sleutel was tot de schatkamer’. De
    informatieuitwisseling tussen het OMvan Amsterdam en dat
    van Haarlem was echter ontzettend slecht. Teeven veranderde
    daarom van tactiek: geen langdurige onderzoeken meer in de
    hoop dat de verdachte gaat praten als hij een lange straf voor
    de boeg heeft, maar in plaats daarvan direct praten nog voordat
    er een onderzoek is. Bedoeling was om te bezien of K. relevante
    informatie bezat die in een later stadium zou kunnen
    leiden tot een de.nitieve afspraak, waarbij in ruil voor informatie
    strafvermindering werd gegeven.
    De verkennende gesprekken met Mink K. vonden plaats
    vanaf september 1998 en zouden in het proces rondom de
    wapenvondst in de Nachtwachtlaan een belangrijke rol spelen.
    In het kort kwam het erop neer dat K. informatie aan het OM
    zou leveren op voorwaarde dat een oude straf niet ten uitvoer
    zou worden gelegd totdat het Europese Hof zich erover
    had uitgesproken, en dat de door K. geleverde informatie niet
    ten nadele van hemzelf en derden gebruikt zou mogen worden.
    K. verklaarde tijdens het proces zelf dat hij aantekeningen
    maakte voor de gesprekken met Teeven.
    Uitdrukkelijke toevoeging van zowel Mink K. als Teeven
    was dat de overeenkomst niet bekend zou worden gemaakt
    aan derden. Tijdens het proces kwam in de besloten zittingen
    naar voren dat de deal niet alleen al aan de CommissieKalsbeek
    bekend was gemaakt, de verstrekte informatie was
    ook aan de BVD doorgegeven.
    Maar terug naar het begin. Mink K. dook al op in het zogeheten
    Deltaonderzoek van het irt NoordHolland/ Utrecht naar
    de erven van Klaas Bruinsma. De politie gebruikte in dit
    onderzoek de Deltamethode: drugs werden op grote schaal
    doorgelaten om op die manier een criminele burgerin.ltrant
    naar de top van de Deltaorganisatie te loodsen.
    Begin november 1992 werd op deze manier een partij
    Colombiaanse weed gevolgd van de Amsterdamse haven
    naar het Friese Oudebildtzijl. De partij werd hier opgeslagen
    in een schuur bij een boerderij aan de Nieuwebildtdijk.
    Na een inkijkoperatie werd de Friese politie ingelicht, die tot
    haar grote verbazing niet alleen weed aantrof, maar ook een
    grote partij xtc, plus tientallen handgranaten en zo’n honderd
    kilo semtex.
    De nacht na de inval zag de plaatselijke politie op de dijk
    een auto met een aantal mensen erin. Volgens de politie zat
    Mink K. in de auto, maar bij een proces drie jaar later werd
    duidelijk dat de herkenning slechts zestig procent was. Alleen
    de eigenaar van de boerderij, D., werd gearresteerd en in 1993
    veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf. In hoger beroep
    werd het vonnis zelfs vernietigd: justitie had een illegale
    inkijkoperatie uitgevoerd.
    De opmerkelijke wapenvondst drong natuurlijk ook door
    tot de BVD. De dienst wilde maar al te graag weten voor wie de
    partij nu eigenlijk bedoeld was en startte een eigen onderzoek.
    Volgens de advocaat van D., F. Niesink, ging de BVD
    daarbij niet erg zachtzinnig te werk. ‘Mijn clint is destijds
    een paar keer klem gereden in z’ n auto door agenten van de
    BVD. Ze hadden hun nummerplaten afgedekt en traden
    behoorlijk intimiderend op. “Zeg nou toch hoe het in elkaar
    steekt”, hielden ze hem voor, maar hij had nergens iets mee te
    maken. Hij verhuurde die boerderij gewoon. ‘ D. is voor zover
    bekend de enige die deze ervaring heeft met de BVD in die tijd.
    Dat de BVD een onderzoek start wordt ook bevestigd door een
    oudirtmedewerker: ‘Vanaf Oudebiltzijl zaten ze er met de
    lippen bovenop. ‘
    Mink K. duikt in de jaren erna regelmatig op in onderzoeken.
    Zo zou hij betrokken zijn bij een grote wapenvondst in
    de Amsterdamse Newtonstraat in 1994. Zijn advocaten J. Mul
    en A. van der Plas hebben echter grote twijfels bij het bewijs
    materiaal. ‘Mink’s vingerafdrukken zouden zijn gevonden op
    de grijze plastic zakken waarin de wapens gewikkeld waren.
    Op de foto’s van de inbeslagname zaten de wapens echter
    helemaal niet in grijze zakken, wij vermoeden dat die er later
    ingestopt zijn. ‘ Ook verklaarde een anonieme getuige dat
    Mink K. in een bepaalde week in de Newtonstraat was
    geweest. Juist in die week verbleef hij echter in Spanje, iets
    wat door de politie zelf met videobanden werd bevestigd.
    In april 1995 werd Mink K. aangehouden bij een inval in
    hasjcoffeeshop Betty Boop aan de Nieuwezijds Kolk in
    Amsterdam. Bij die actie werden tachtig Tshirts met de
    afbeelding van officier van justitie J. Valente en daaronder de
    tekst: ‘Gezocht in verband met inkijkoperaties’ in beslag
    genomen. Destijds werd er direct een mogelijk verband
    gelegd met de inbraken bij Valente door ‘contra’s. ‘ De BVD
    heeft vanaf de inbraken bij Valente ook intensief onderzoek
    gedaan naar deze mensen die de politie in de gaten hielden.
    Stil blijft het niet rondom Mink K. Bij Operatie Gouden
    KALF, waarbij enkele wisselkantoren in Amsterdam opgerold
    worden wegens het witwassen van drugsgelden, duikt zijn
    naam weer op. Ook zou hij betrokken zijn bij het omkopen
    van een Belgische politieman, die hem zou hebben voorzien
    van allerlei vertrouwelijke dossiers.
    Op 1 juni 1999 vond de politie in een leegstaande woning
    aan de Vrijheidslaan een flink arsenaal oorlogsmaterieel,
    waaronder raketwerpers en automatische wapens. Exact drie
    maanden later stuitten agenten in een woning aan de
    Nachtwachtlaan op een grote hoeveelheid vuurwapens, munitie
    en xtcpillen. Volgens het Amsterdamse korps waren
    beide ontdekkingen toevalstreffers: tot tweemaal toe hadden
    buren geklaagd over wateroverlast. Aangezien deze treffers
    toch wel erg toevallig waren en de wapens veel weg hebben
    van een depot voor spionnen, dook de pers op een mogelijke
    connectie met inlichtingendiensten.
    Jos Slats en Marianne Husken van Vrij Nederland meldden
    al in oktober 1999 van een betrouwbare bron te hebben
    vernomen ‘dat de lekkende kranen natuurlijk onzin was.
    De CID was gewoon getipt door de BVD, maar dat kan het
    Korps natuurlijk niet aan de grote klok hangen. ‘ Jos Slats
    voegde hier tijdens het proces aan toe dat hij ook van zijn
    bronnen had vernomen ‘dat drie of vier medewerkers van
    de BVD gedurende langere tijd onderzoek naar de verdachte
    hebben verricht’.
    Ook Koen Voskuil van het blad Spits onthulde op 12 september
    2000 de betrokkenheid van de BVD bij het onderzoek.
    Voskuil sprak met een Amsterdamse politieman die een vertrouwensfunctie
    bekleedde in het korps en over de wateroverlast
    meldde: ‘Dat hebben we er maar van genaakt. [] Soms
    heb je even een doorbraak nodig in je onderzoek. ‘
    Het proces tegen Mink K. begint in maart 2000 en de
    advocaten P. Bakker Schut en A. van der Plas overtuigen de
    rechtbank ervan een deel achter gesloten deuren te houden.
    Op 14 maart gaat het echter mis. De microfoon naar de perstribune
    staat open en de aanwezige journalisten noteren ijverig
    wat K. vertelt. Op vragen of de wapenvondst iets te maken
    had met zijn werk voor de BVD, antwoordde hij: ‘Dat heeft er
    niets mee te maken. Daar ga ik niet op in. ‘ Wel bevestigde hij
    dat hij een werkafspraak had gemaakt met de Amsterdamse
    officier van justitie Teeven. De partij wapens, die hij slechts als
    wapenkenner zou hebben gecontroleerd, zou hij niet aan de
    politie hebben gemeld, want dat was ‘geen calamiteit’.
    Het NOSjournaal meldde dezelfde avond dat Mink K.
    waarschijnlijk al langere tijd informant voor de BVD was. ‘Op
    basis van gesprekken met bronnen binnen het Ministerie van
    Binnenlandse Zaken en Defensie heeft het NOSjournaal vast
    kunnen stellen dat Mink K. informant is geweest van de BVD’.
    K. zou de BVD informatie leveren over wapenhandel van
    Joegoslaven. In n concreet geval leverde hij de BVD een
    Russische antitankraket, afkomstig van het Joegoslavische
    leger. Het wapen werd opgeslagen bij de Marechaussee in
    Soesterberg, maar hier ontplofte de ontsteking van de raket en
    twee marechaussees raakten gewond. Onderzoek van de rijksrecherche
    wees uit dat er regels waren geschonden, maar er
    volgden geen sanctie en het rapport is nu staatsgeheim.
    Tijdens het hoger beroep komt de betrokkenheid van de BVD
    bij de zaakK. opnieuw uitgebreid aan de orde. In het geheime
    deel van de zitting wordt bevestigd dat de BVD ook een eigen
    onderzoek naar Mink K. had lopen. ‘Zoals uw Hof en de advocaat
    generaal weten uit de besloten zitting van uw Hof, is deze
    informatie [de informatie van de vn journalist Jos Slats, dat
    drie tot vier medewerkers van de BVD gedurende langere tijd
    onderzoek naar de verdachte hebben verricht] voor honderd
    procent bevestigd door u onder ede gehoorde personen die
    geacht kunnen worden te weten waarover zij spreken’,
    verklaarde A. van der Plas in haar pleidooi.
    Ook in het openbare deel van het hoger beroep komt een
    mogelijke betrokkenheid van de BVD aan de orde. Van der Plas
    stelt dat ‘de BVD in ieder geval in hetzelfde jaar een onderzoek
    had lopen op de verdachte’. Aanwijzingen waren er in ieder
    geval genoeg.
    Zo was de teamleider van het onderzoek naar de wapenvondst
    in de Nachtwachtlaan, N. Moinat tot augustus 1998 werkzaam
    bij de plaatselijke afdeling van de BVD, de Regionale
    Inlichtingendienst (RID ). In Amsterdam werken RID en CID zeer
    nauw samen. Moinat wilde niet antwoorden op vragen over
    mogelijk onderzoek naar Mink K. in zijn ridtijd. Wel verklaarde
    hij dat hij gedurende het gehele onderzoek zijn collega L. de
    Boer van de RID onderzoeksgegevens uit de zaak had verstrekt.
    De RID lijkt meer vingers in de pap te hebben dan justitie
    wil toegeven. Van der Plas en Bakker Schut ontdekten in het
    dossier een procesverbaal waarin het verzoek tot identificatie
    van de vingerafdrukken afkomstig bleek te zijn van de RID .
    Alle ondervraagden weten niet meer hoe dat zo komt. De RID
    had ook grote interesse in het netwerk rondom Mink K.
    De plaatselijke BVD’ers kraakten de organizer van Mink K.,
    iets wat normaliter door de Teams Computercriminaliteit
    wordt gedaan.
    Eigenlijk ligt de betrokkenheid van de BVD er bij dit onderzoek
    ook dik bovenop. We moeten dan weer een stap terug
    in de tijd, namelijk twee maanden voor de inval in de flat aan
    de Nachtwachtlaan.
    Het is 1 juli 1999 als een zware bom tot ontploffing komt in
    de auto van ene P. Hij zit op dat moment niet zelf achter het
    stuur, maar wel zijn vriendin, die onmiddellijk overlijdt. Uit
    CIDinformatie van de politie Amsterdam blijkt P. in de drugshandel
    te zitten. Hij is afkomstig uit Servi en maakt volgens
    de eerste CIDberichten van de Amsterdamse politie na de
    bomaanslag deel uit ‘van een groep actief in de verdovende
    middelen handel’. Volgens de politie maakt ook ene Zoran R.
    deel uit van de groep. De CID omschrijft hem als ‘de grote man
    voor wat betreft de handel in wapens in Amsterdam’. In juli
    1999 is de oorlog om Kosovo in volle gang. Alles wat maar
    een beetje Servisch is, en in wapens of drugs handelt staat
    onder grote belangstelling van de BVD.
    P., wiens auto werd opgeblazen, woonde aan de Nachtwachtlaan
    347. Het is in hetzelfde flatgebouw als waar twee
    maanden later op nr 332 de wapenvondst wordt gedaan. En nr
    332 blijkt te worden gehuurd door ene Ad S. Deze zou volgens
    het CIDbericht van de Amsterdamse politie uit juli ook deel
    uitmaken van de groep rondom P. Op het bellenbord van de
    Nachtwachtlaan staat de naam S. gewoon vermeld, iets wat de
    politie zegt niet te hebben opgemerkt. S. duikt vervolgens wel
    op in het onderzoek rondom Mink K. Een misser van de eerste
    orde? Of moesten de wapens met rust worden gelaten? Of
    mocht een BVDoperatie niet doorkruist worden?
    De BVD was in ieder geval heel erg genteresseerd in
    Mink K. Dat kwam naar buiten bij de uitspraak van het
    Amsterdamse hof op 18 april 2000. Hoewel het hof een deel
    van de uitspraak in het geheim deed, stond de inhoud ervan
    een dag later al in het NRC Handelsblad. Het hof verbood de
    verdere vervolging van K. In het geheime deel gaf het hof aan
    dat het OMde overeenkomst met hem heeft geschonden door
    de informatie door te geven aan de BVD. Het hof legt echter uit
    dat ook de bewijsvoering tegen Mink K. niet voldoende is:
    ‘Het hof betrekt daarbij dat het uit het onderzoek ter terechtzitting
    in hoger beroep niet de overtuiging heeft gekregen dat
    verdachte bij de in een woning aangetroffen grote partij
    wapens op andere wijze betrokken was dan het op verzoek van
    een kennis nagaan of deze wapens ontladen waren en/ of
    gevaar op konden leveren. Tot de beslissing van het hof draagt
    tenslotte bij het belang van het vertrouwen dat iedere informant
    moet kunnen stellen in het Openbaar Ministerie. ‘
    Het NRC Handelsblad meldt dat de hoogste baas van het OM,
    Procureurgeneraal J. de Wijckerslooth, zelf de ‘letterlijke
    verslagen van de in totaal tien gesprekken die de
    Amsterdamseofficier van justitie F. Teeven en Mink K. voerden,
    in handen heeft gesteld van de BVD’. K. en Teeven hadden nu
    juist in de overeenkomst laten opnemen dat informatie
    ‘op geen enkele wijze ter beschikking van derden, waaronder
    begrepen politiefunctionarissen, fiod, etc. zal worden
    gesteld’. Het hof vond dat De Wijckerslooth deze bepaling op
    ‘grove wijze’ had geschonden. Uit dezelfde krant blijkt dat
    De Wijckerslooth, na een weigering van het OM Amsterdam
    de informatie aan de BVD te geven, Teeven een officile dienstopdracht
    gaf om het materiaal af te staan aan de BVD-officier
    van justitie Peter Snijders had ook al informatie doorgegeven
    aan de CommissieKalsbeek tegen de wens van de rest van het OM in.
    Na de uitspraak van het hof stapt Mink K. naar de civiele
    rechtbank: in een kort geding tegen de Nederlandse staat eist
    hij dat de BVD de gegevens die de dienst van De Wijckerslooth
    heeft gekregen over de gesprekken met Teeven vernietigt. Op
    9 mei 2001 bepaalt de Haagse rechtbank dat de BVD die gegevens
    inderdaad moet vernietigen. Het openbaar ministerie
    zegt de gegevens te hebben doorgegeven op grond van zijn
    wettelijke plicht. Artikel 22 van de Wet op de Inlichtingenen
    Veiligheidsdiensten bepaalt dat het OM overlegt met de BVD
    wanneer de taakvervulling daartoe aanleiding geeft. In artikel
    13 van de wiv is vastgelegd dat de diensten, mede door het verschaffen
    van gegevens, elkaar zoveel mogelijk medewerking
    verlenen. De rechtbank vond echter dat in dit geval denkbaar
    is dat de taakvervulling van het OM zich verzette tegen het verschaffen
    van informatie: ‘In ieder geval stond de overeenkomst
    en de belangen van de eiser gegevensverstrekking aan
    de BVD in de weg. ‘
    De Nederlandse staat ging in hoger beroep en op
    9 september 2001 bepaalt het Haagse gerechtshof dat de BVD
    de gegevens toch niet hoeft te vernietigen. Het hof heeft niet
    naar de inhoud van de informatie gekeken en acht het oordeel
    van het openbaar ministerie dat die informatie van belang is
    voor de BVD als een vaststaand gegeven. Daarnaast is het van
    oordeel dat het aan de BVD doorgeven van de informatie over
    de gesprekken van Mink K. met Teeven voor K. geen groter
    gevaar op kan leveren. ‘Door de bijzondere positie van de BVD
    in ons staatsbestel en de in de wiv geregelde geheimhoudingsverplichting
    van diens ambtenaren wordt het gevaar
    voor verdere verspreiding van de door K. verstrekte informatie
    in voldoende mate ingedamd. ‘ De verstrekking aan de BVD is
    dus wel rechtmatig en de informatie wordt niet vernietigd.
    De beslissing van het Haagse hof betekent dat de BVD op
    grond van zijn geheimhoudingsplicht toegang zal blijven
    houden tot alle informatie die de dienst wil hebben. De vraag
    wat de BVD doet met informatie zoals over Mink K. is niet
    gesteld. Vreemd is de gang van zaken wel, zeker in verhouding
    tot de afspraken tussen het OM en de BVD over het uitwisselen
    van informatie.
    In de middels de Wet Openbaar van Bestuur verkregen
    Nota Informatie uitwisseling politie-BVD van de BVD van 1 juli
    1997 staat vermeld dat het openbaar ministerie op grond van
    artikel 22 WIV de BVD informatie kan verstrekken. om en BVD
    vermelden echter expliciet dat ‘de BVD ontvangen gegevens
    niet mag gebruiken zonder overleg met de verstrekker
    (Geen Actie Zonder Overleg) ‘. In het geval van Mink K. zou
    dat betekenen dat de BVD het OM vraagt of men iets met de
    informatie mag doen, maar aangezien het OM is gebonden
    aan de overeenkomst met Mink K. zelf , moet het OM dus weer
    aan hem vragen of de BVD iets met de informatie mag doen.
    Of laat de BVD de gespreksverslagen in de la liggen?
    Onwaarschijnlijk, helemaal als de bronnen van Husken en
    Slats gelijk hebben. In Vrij Nederland van 5 mei 2001 onthullen
    zij namelijk dat ‘bronnen binnen het opsporingsapparaat
    tegenover vn bevestigden dat de BVD is ingeschakeld omdat
    “de verdenking” bestaat dat er een “relatie” is tussen de verboden
    IRA en de wapenvondst aan de Nachtwachtlaan’.
    Wat er precies heeft gespeeld in de zaak Mink K. blijft
    onduidelijk. Er is een grote betrokkenheid van de BVD bij
    deze zaak, verbazingwekkend is echter het zwijgen over
    deze betrokkenheid van de kant van de politiek. Waar er wel
    uitgebreid gediscussieerd is over de deal die Teeven met Mink
    K. heeft gesloten, wijdt de Tweede Kamer geen woord aan de
    bemoeienis van de BVD/ RID met de zaak, terwijl de dienst zijn
    activiteiten op het gebied van opsporing de laatste jaren flink
    uitbreidt. Dergelijke ondoorzichtige zaken zullen dus veel
    vaker optreden. De BVD opereert nu eenmaal op een manier
    die de rechtszaal niet tolereert en zal dan ook zoveel mogelijk
    buiten beeld worden gehouden.
    Ondertussen lijkt er geen eind te komen aan de zaak tegen
    Mink K. Zowel het openbaar ministerie als de advocaten zijn
    na de uitspraak van het Amsterdamse Hof in cassatie gegaan
    bij de Hoge Raad. In het NRC Handelsblad (28 februari 2002)
    meldde Marcel Haenen dat de hoogste juridische adviseur van
    de Hoge Raad, advocaatgeneraal F. Machielse, vond dat er een
    nieuwe strafzaak moet komen tegen Mink K. Volgens
    Machielse moet de Hoge Raad de uitspraak van het Amsterdamse
    Hof om het openbaar ministerie niet ontvankelijk te
    verklaren vernietigen. Machielse spreekt van een onbegrijpelijk
    arrest en meent dat de zaak in de luwte van een ander Hof,
    bij voorkeur Den Haag, moet worden overgedaan. Naar zijn
    mening heeft het openbaar ministerie simpelweg zijn constitutionele
    plicht gedaan door BVD en Tweede Kamer in te lichten
    over de overeenkomst met Mink K. Door een deel van de
    uitspraak geheim te houden zou het Amsterdamse Hof
    bovendien in strijd met de Grondwet hebben gehandeld. Op
    2 juli 2002 vernietigde de Hoge Raad het arrest van het
    Amsterdamse Hof. De zaak Mink K. krijgt nog een flinke staart.

    Samenwerking met de politie

    Wie nu verwacht dat de BVD-betrokkenheid zich beperkt tot de
    zware georganiseerde misdaad, komt bedrogen uit. De BVD
    bekijkt inmiddels ook andere vormen van criminaliteit.
    Activiteiten worden nauw afgestemd met de politie en controle
    is er niet.
    In Het Parool van 11 december 1993 vertelde de gewezen
    Amsterdamse korpschef Nordholt: ‘We hebben op basis van
    de ervaring van dit jaar besloten permanent een man van de
    BVD te detacheren bij ons Korps. Hij krijgt inzage in alle
    onderzoeken en zal daar ook aan meedoen. Die man komt
    niet alleen maar een beetje meekijken, maar brengt ook deskundigheid
    in: hoe moet je kijken, welke criteria leg je aan en
    hoe beoordeel je of informatie daaraan voldoet? Als je ervan
    uitgaat dat dit soort dingen zich voordoet en je gaat ernaar kijken,
    dan zul je ze ook vaker tegenkomen. Misschien zullen
    wij in de toekomst ook wel iemand detacheren bij de BVD’.
    Nordholts idee is wijd en zijd aangeslagen. In de jaren die
    volgen plaatst de BVD liaisons bij alle politieregio’s. De afspraken
    worden vastgelegd in convenanten. Twee van deze convenanten
    hebben wij met een beroep de Wet Openbaarheid van
    Bestuur los gekregen. Beide convenanten zijn identiek, waarschijnlijk
    gelden ze dus voor alle politieregio’s.
    De convenanten zijn in 1996 afgesloten. Als achtergrond
    van de nauwere samenwerking wordt gesteld dat ‘de laatste
    jaren steeds nadrukkelijker blijkt dat er zich risico’s aandienen
    waarbij tegelijk en het belang van de strafvordering en het
    belang van de openbare orde en ook belangen op het terrein
    van de staatsveiligheid betrokken zijn’.
    Er is regionaal regulier overleg tussen de driehoek (burgemeester,
    openbaar ministerie en politie) en de BVD en de activiteiten
    van de politie en de BVD worden zeer nauw op elkaar
    afgestemd, de convenanten spreken van ‘periodiek overleg
    tussen de regionale driehoek en de BVD’. ‘In dit overleg wordt
    de feitelijke samenwerking gevalueerd en worden beleidsafspraken
    gemaakt met betrekking tot alle onderwerpen die
    voor de daarop volgende periode van gemeenschappelijk
    belang worden geacht. Per onderwerp wordt vastgesteld onder
    wiens verantwoordelijkheid de te ontplooien activiteiten worden
    verricht. ‘
    Dat het convenant niet de gebruikelijke ridinformatiestroom
    in de richting van de BVD behandelt blijkt uit de uitleg
    van de samenwerking: ‘Daar waar sprake is van justitile
    onderzoeken, die in relatie staan tot taakvelden van de BVD
    worden de ondersteunende activiteiten van de BVD in een activiteitenplan
    vastgelegd. ‘
    Op het Amsterdamse stadhuis spreekt men met geen
    woord over deze toch wel opmerkelijke samenwerking. Een
    verzoek om meer informatie over het overleg tussen de driehoek
    en de BVD in het kader van de Wet Openbaarheid van
    Bestuur werd afgewezen en commentaar wil men niet leveren.
    De gemeenteraad is nooit ingelicht en kan dus ook zijn
    controlerende taak niet vervullen, terwijl het op het oog toch
    om gevoelige onderwerpen gaat.
    Een tipje van de sluier werd opgelicht tijdens het hoger
    beroep tegen Mink K. Zijn advocaten, Van der Plas en Bakker
    Schut, stelden ook de samenwerking tussen de BVD en de politie
    in Amsterdam aan de orde. Zij hadden immers het vermoeden
    dat de BVD iets met de wapenvondst aan de
    Nachtwachtlaan te maken had.
    Enkele rechercheurs en leidinggevenden van het
    Amsterdamse korps werden aan de tand gevoeld. Het betrof
    J. W. Pronker, chef Dienst Centrale Recherche, J. C. van
    Riessen, en N. Moinat. Pronker is de baas van de Amsterdamse
    recherche, Van Riessen heeft de directe operationele
    leiding over het korps en Moinat leidde Kernteam
    Amsterdam dat het onderzoek verrichtte naar de wapens van
    de Nachtwachtlaan.
    De advocaten probeerden vooral duidelijkheid te krijgen
    over de mogelijke bemoeienis van de de Regionale
    Inlichtingendienst. De RID is de regionale voelspriet van de
    BVD en tegelijkertijd de dienst die in nauwe samenwerking
    met andere afdelingen van de politie voor de burgemeester
    inlichtingen verzamelt over mogelijke verstoringen van de
    openbare orde.
    Het was niet eenvoudig voor K. ‘s advocaten de gegevens te
    verzamelen. Moinat is van begin 1996 tot augustus 1998
    werkzaam geweest bij de RID . En ridwerkzaamheden vallen
    onder het gezag van de BVD en zijn dus geheim. Elke vraag
    over die periode bleef derhalve onbeantwoord. Hetzelfde geldt
    voor Pronker en Van Riessen. Als direct verantwoordelijk voor
    de RID vallen ook zij wat dat betreft onder gezag van de BVD.
    Toch moesten Pronker, Van Riessen en Moinat wel iets
    prijs geven over de informatieuitwisseling tussen RID en politie.
    Aan de ene kant stellen ze dat er alleen via de o; cile
    ambtsberichten informatie wordt doorgegeven, terwijl er aan
    de andere kant gemakkelijk informeel contact is. Pronker verklaarde
    dat ‘er geen vast criterium voor het doorgeven van
    informatie aan de BVD is; indien medewerkers denken dat iets
    van belang kan zijn voor de BVD geven zij eenzijdig informatie
    aan de BVD’. Voor wat hoort wat: als de politie iets wil weten
    van de BVD klopt ze ook aan bij de RID . ‘Een enkele keer worden
    in dit verband vragen bij de chef van de RID neergelegd.
    Deze vraagt dan aan de BVD of daar informatie voorhanden is,
    die wij via ambtsberichten kunnen krijgen. ‘
    Er lijkt in ieder geval intensief overleg met de BVD te zijn
    over de dagelijkse gang van zaken. Volgens Pronker is ‘er een
    werkplan waarin de BVD zijn prioriteiten en de benodigde
    capaciteiten aangeeft. Over de dagelijkse activiteiten vindt
    periodiek overleg plaats tussen de chef RID en de BVD. ‘
    Pronker ontweek de vraag of er zo’n werkplan over Mink K.
    was met een beroep op zijn BVDstatus. ‘Ik kan wel zeggen dat
    zo’n plan niet zozeer op individuen is gebaseerd als wel op
    prioriteiten. ‘ Of daar dan iets als Joegoslaven in Amsterdam of
    wapenhandel onder viel, wilde Pronker niet zeggen.
    Van Riessen bevestigde het bestaan van de werkplannen
    en hield ook vast aan het feit dat informatie van de BVD via de
    ambtsberichten komt. Wel voegde hij eraan toe dat hijzelf in
    speciale gevallen contact had met de BVD. Waarover wilde hij
    niet zeggen. Ook liet hij zich ontglippen dat er wel degelijk
    buiten de ambtsberichten om informatie van bureau naar
    bureau gaat tussen de RID en CID . ‘De BVD geeft zowel korps
    als RID informatie over bepaalde zaken; dit laatste komt echter
    niet in ambtsberichten terecht. Die informatie kan gaan
    over bepaalde groepen waar de BVD mee bezig is. ‘
    De praktijk wordt zo enigszins zichtbaar, maar het plaatje
    is nog niet compleet. Sinds eind jaren tachtig valt de RID in
    Amsterdam namelijk samen met de CID , de Criminele
    Inlichtingendienst, onder het Bureau Recherche Informatie.
    De belangrijkste reden was dat er diverse raakvlakken zijn
    in de taakgebieden van de CID en RID . Toen was dat vooral
    het politiek gewelddadig activisme, waar een overlap in
    inlichtingenwerk en opsporing zat. Het reorganisatieplan van
    de Amsterdamse recherche meldde echter nog een andere
    reden: ‘Naast dit gemeenschappelijke werkterrein komt het
    regelmatig voor dat een van de genoemde diensten stuit op
    informatie die op het taakgebied van de ander ligt. ‘
    De praktische gevolgen van deze conclusie en samenvoeging
    laten zich raden: de gewenste en enigszins duidelijke
    scheiding tussen riden CIDinformatie is hiermee opgeheven.
    Als een RID ‘er, met zijn ruime BVD-bevoegdheden, tegen
    informatie aanloopt die voor de CID van belang is, gaat hij dus
    daarnaar toe. Een ‘informeel’ praatje met een collega kan een
    onderzoek net uit het slop halen, of juist op gang brengen.
    Geen haan die ernaar kraait, want de informatie komt uiteindelijk
    van de CID .
    De betrokkenheid van de RID lijkt dan toch ook groter dan
    Pronker en Van Riessen hebben willen toegeven. De meeste
    informatie daarover komt uiteindelijk ook van teamleider
    Moinat. In de Mink K.zaak heeft deze zijn oudcollega’s bij de
    RID regelmatig aangesproken. ‘Er is contact geweest met de
    RID in verband met het kraken van de databank, de organizer
    van Mink K. ‘ Het kraken van databanken is tegenwoordig vrij
    eenvoudig. Het Nederlands Forensisch Instituut heeft software
    ontwikkeld die aan alle korpsen ter beschikking is
    gesteld. De korpsen zelf bepalen welke dienst het ‘kraken’ uitvoert,
    maar voor de hand ligt dat de specialisten van de Teams
    Computercriminaliteit zo’n taak op zich nemen.
    Moinat verklaarde dat er met de RID over wel meer dingen
    werd gepraat. Volgens hem was het echter slechts eenrichtingverkeer.
    ‘Dat contact liep via mij met collega De Boer,
    omdat ik hem goed ken. In de loop van het onderzoek heb ik
    geen informatie over Mink K. van hem gekregen. Hij wilde
    juist informatie van mij hebben, wat niet ongebruikelijk is. Ik
    informeerde hem over de onderzoeksgegevens van de aangetroffen
    wapens, de soorten, de merken en dergelijke. Ik kreeg
    daar niets voor terug; ik heb hem ook geen verzoeken gedaan.
    Dat contact met De Boer ging niet buiten de normale procedure
    om, maar ik heb me wel direct tot hem gewend. ‘
    Als Van der Plas en Bakker Schut doorvragen over de
    periode dat Moinat zelf bij de RID werkzaam was, wil Moinat
    overleg met de advocaatgeneraal. Na een hALFuur overleg laat
    Moinat weten over die periode niet te kunnen spreken. Die
    tijd valt weer volledig onder gezag van de BVD.
    Wel laat Moinat vanuit zijn ervaring doorschemeren dat de
    Regionale Inlichtingendiensten vaker achter ‘criminele informatie’
    aanzitten. ‘De RID ‘ers hebben vanuit hun positie toegang
    tot dossiers. Ze worden op de hoogte gehouden, of gaan
    zelf achter informatie aan. De contacten vanuit de tactische
    teams zijn meestal niet zo actief. ‘ Sinds hij teamleider bij het
    Kernteam is, verstrekt Moinat de RID ook op eigen initiatief
    regelmatig informatie. ‘Ik ken de gang van zaken en het
    belang van een goede informatiepositie. ‘
    De Amsterdamse RID /CID constructie van het Bureau
    Regionale Recherche is inmiddels praktijk in het hele land.
    Na de CommissieVan Traa zijn beide soorten inlichtingendiensten
    samengevoegd tot Criminele Inlichtingen Eenheden
    (cie). Dit betekent dat de al eind jaren tachtig geconstateerde
    overlap in het werk van de BVD en de CID alleen maar groter is
    geworden. Aan de toch al dunne scheidslijn tussen inlichtingenwerk
    en opsporen is hiermee definitief een eind gekomen.
    Het is dan ook niet vreemd dat de CommissieKalsbeek,
    die in 1999 de maatregelen van de CommissieVan Traa evalueerde,
    concludeerde dat ‘de BVD zich inmiddels meer is gaan
    bezighouden met de georganiseerde criminaliteit. Vanwege
    de ruime taakomschrijving van de BVD is het mogelijk om de
    activiteiten van de BVD op het gebied van de georganiseerde
    criminaliteit binnen de taakde.nitie te laten vallen. ‘
    De Tweede Kamer heeft het hier vreemd genoeg bij gelaten.
    Bij de behandeling van het eindrapport van de
    CommissieKalsbeek en de nieuwe wiv in juni 2001 is slechts
    zijdelings het verschil in bevoegdheden voor de BVD en de
    politie in verband met de RID besproken. Maar ook hierbij
    beperkte de discussie zich tot de handhaving van de openbare
    orde en ging ze niet over de misdaADBestrijding in het algemeen.
    Een volgende evaluatiecommissie van de opsporingsmethoden
    van de politie ontkomt er niet aan de BVD eens flink
    onder de loep te nemen. MisdaADBestrijding moet een goed
    controleerbaar, democratisch en gestuurd proces blijven in
    Nederland. Een uitdijende BVD hoort daar niet in thuis.