• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • 7 Inlichtingen zonder grenzen

    Volledige inhoudsopgave
    De kwestie-calan leidde een paar jaar geleden tot een heuse soap tussen de europese inlichtingendiensten. De uitgeweken leider van de Koerdische Arbeiderspartij (PKK) probeerde in verschillende EU-lidstaten asiel aan te vragen. Geruchten over arrestatie, asielverlening en uitlevering aan Turkije wisselden elkaar in hoog tempo af. Abdullah calan probeerde ook Nederland te bereiken, maar werd nog in de lucht tot persona non grata verklaard. Toen calan in februari 1999 uiteindelijk door een Turks commando werd gekidnapt, werden in heel Europa ambassades bezet.
    Op hoog politiek niveau werd nadien de vraag gesteld
    waarom de europese veiligheidsen inlichtingendiensten zo
    slecht op de hoogte waren van de bewegingen van de PKK-leider
    en elkaar niet informeerden. Zo zou Griekenland de
    overige Europese landen niet hebben verteld dat het calan
    tijdelijk onderdak bood. Ook het plotsklaps intrekken van een
    Duits uitleveringsverzoek aan Itali, toen de Koerdenleider
    daar op het vliegveld was gearresteerd, leidde tot opgetrokken
    wenkbrauwen. Over deze affaire was volgens minister van
    Binnenlandse Zaken Bram Peper heel veel te zeggen, maar
    niet in het openbaar.
    de europese lidstaten spraken tijdens een topontmoeting
    in Duitsland af hun inlichtingenen veiligheidsdiensten
    (IVD’s) beter te laten samenwerken.

    De kiemen van de europese samenwerking op het gebied van
    inlichtingenen veiligheidsdiensten werden in de jaren zeventig
    gelegd. de europese ministers verantwoordelijk voor terreurbestrijding
    stelden op 29 juni 1976 het zogenaamde
    trevioverleg in. De naam trevi werd gekozen omdat de
    eerste bijeenkomst van het beraad plaatsvond in Rome bij het
    Trevifontein. Het verhaal wil dat het ook een eerbetoon is aan
    een van de belangrijkste initiatiefnemers, de Nederlandse
    directeurgeneraal Politie van het ministerie van Binnenlandse
    Zaken, Fonteyn. Later bedacht een slimme ambtenaar dat het
    tevens de afkorting kon zijn van Terrorisme, Radicalisme et
    Extremisme, Violence Internationale.
    Met de verdergaande europese integratie werd de samenwerking
    tegen terreur hechter verankerd in de structuren van
    de europese Unie. Sinds 1993 bestaan er twee Europese ambtelijke
    werkgroepen die terrorismebestrijding en internationale
    samenwerking onder hun hoede hebben. Onder de verantwoordelijkheid
    van de ministers van Buitenlandse Zaken valt
    de Werkgroep COTER (coop ration terreur). Zij adviseert de
    ministers over de terrorismecomponent in het buitenlands
    beleid. Onder verantwoordelijkheid van de Raad van Justitie
    en Binnenlandse Zaken van de EU valt de Werkgroep
    Terrorisme, die overlegt over beleidsmatige aspecten van de europese samenwerking.
    De formele samenwerking in deze werkgroepen vormt
    slechts een klein deel van de praktische samenwerking. Er
    bestaan tal van informele samenwerkingsverbanden, verbanden
    tussen een kleiner aantal EU-lidstaten, of juist grotere
    samenwerkingsverbanden waarbij bijvoorbeeld ook de
    Verenigde Staten en Isral betrokken zijn.
    Bilaterale contacten tussen zusterdiensten doen zich het
    meest voor. Maar er kan ook ad hoc overleg plaatsvinden
    met een aantal landen als er een gezamenlijk belang in het
    geding is. De bijeenkomsten bieden de mogelijkheid tot het
    direct uitwisselen van informatie en het initiren van operationele
    opzetten die dan weer een vervolg krijgen in bilaterale
    contacten tussen veiligheidsdiensten. Nederland onderhoudt
    vooral nauwe contacten met GrootBrittanni, Frankrijk
    en Duitsland. 1
    De onderlinge informatieuitwisseling is toegestaan op
    basis van de Wet op de Inlichtingenen Veiligheidsdiensten.
    In de nieuwe wet regelt artikel 36 deze uitwisseling. Gegevens
    mogen worden uitgewisseld op voorwaarde dat ze niet zonder
    voorafgaande toestemming aan een derde land worden verstrekt
    (derde landen principe).
    Deze onderlinge samenwerking is volgens de regering
    voor Nederland onontbeerlijk. ‘De gegevens die door deze
    samenwerking worden verkregen versterken namelijk in
    belangrijke mate de bestaande informatiepositie van de diensten.
    In dit verband geldt hoe beter de internationale informatiepositie
    van een dienst, hoe adequater en professioneler
    de nationale autoriteiten kunnen worden genformeerd. ‘
    Om het ‘doeltreffend functioneren’ van een dienst te
    verzekeren is in artikel 15 voorgeschreven dat bepaalde
    bronnen, zoals buitenlandse zusterdiensten, geheim moeten
    worden gehouden.
    de europese IVD’s communiceren via het beveiligde bdlnetwerk.
    Daarnaast zijn de verbindingso; cieren die de diensten
    bij elkaar stationeren, een belangrijke schakel in het
    informatienetwerk. In 1994 spraken de EU-lidstaten af om het
    systeem van verbindingso; cieren uit te breiden. ‘Een van de
    meest succesvolle aspecten van de samenwerking op het
    gebied van terrorismebestrijding is de aanwezigheid van verbindingso;
    cieren die zich in een groot aantal lidstaten van
    de Unie rechtstreeks bezighouden met het gevaar van terrorisme.
    Op de plaatsen waar zij zijn ingezet, is gebleken
    dat zij een uiterst waardevolle rol spelen bij het bestrijden van
    terrorisme, vooral op operationeel niveau. ‘ 2
    de EU-lidstaten deden ook de aanbeveling verbindingso;
    cieren uit te wisselen met niet eulanden ter bestrijding
    van terroristische dreigingen van buiten de Unie. Nederland
    heeft inmiddels BVDliaisons in Washington, Moskou,
    Caracas, Amman en Singapore. Bij de samenwerking met
    Singapore staat bestrijding van mensensmokkel centraal.
    Ondanks de nadruk op gezamenlijke operationele samenwerking
    gaan volgens toenmalig minister van Binnenlandse
    Zaken Hans Dijkstal de inlichtingendiensten echter nooit
    gezamenlijk de straat op. Op een vraag van kamerlid Gerrit
    Jan van Oven (pvda) of er ooit sprake is van een gezamenlijk
    optreden van de diensten in de uitvoering, antwoordde
    Dijkstal kort en krachtig: ‘Nee. ‘
    Al deze samenwerkingsverbanden hebben n ding
    gemeen: ze zijn zeer moeilijk te doorgronden en onttrekken
    zich grotendeels aan de spelregels van de parlementaire democratie
    en de democratische rechtsstaat. Elke parlementaire
    vraag met enige diepgang wordt steevast terzijde geschoven:
    alleen de vaste kamercommisie krijgt dergelijke informatie
    vertrouwelijk te horen.

     

    Collega s of concurrenten?

     

    De diensten wisselen stuivertje als het gaat om samenwerking
    of concurrentie. De bondgenoot op het ene vlak kan de tegenstander
    op het andere vlak zijn. Als het zo uitkomt, beduvelen
    ze elkaar of werken ze elkaar tegen. Naast gemeenschappelijke
    belangen staan ze ook voor uiteenlopende nationale belangen.
    Als we ze op hun woord moeten geloven staat het nationale
    belang altijd voorop: alleen als men denkt er zelf wijzer
    van te worden, is men tot samenwerking bereid.
    Een voorbeeld van onderlinge concurrentie is het grensoverschrijdend
    afluisteren door inlichtingendiensten. Niet
    alleen de VS en GrootBrittanni maken zich hier in het
    kader van Echelon 4 schuldig aan, alle IVD’s kijken graag over
    de grens heen. Naast militaire en politieke informatie staat
    ook economische en industrile informatie in de belangstelling.
    Daarbij zijn (politieke) bondgenoten net zo interessant
    als tegenstanders.
    Zo wist het Nederlandse Technisch Informatie Verwerkings
    Centrum tivc, de voorloper van het huidige Strategisch
    Verbindingen Inlichtingen Centrum (svic), de militaire en
    diplomatieke codes van Belgi, Duitsland, Itali en Turkije te
    kraken. 5 Nederland gebruikte afgetapte en ontsleutelde
    berichten voor economische doeleinden. Zo gingen Duitse
    offertes voor fregatten via de Nederlandse IVD’s naar scheepswerf
    RijnScheldeVerolme. De verhouding tussen de toenmalige
    Inlichtingendienst Buitenland (idb) en het Nederlandse
    bedrijfsleven is door Bob de Graaff en Cees Wiebes in
    hun boek Villa Maarheeze als ‘incestueus’ omschreven.
    Oudspionnen bevestigden in Vrij Nederland van 26 mei
    2001 dat economische inlichtingen werden doorgespeeld
    aan het Nederlandse bedrijfsleven. ‘De halve buitendienst
    van Fokker werkte voor ons’, vertelde een oudspion. ‘Dus als
    wij iets interessants te pakken kregen van, ik noem maar
    wat, de Canadese vliegtuigbouwer Bombardier, ging die
    informatie naar Fokker. Denk maar niet dat we zoiets in een
    la lieten liggen. ‘
    Voor de regering is het feit dat in de inlichtingenwereld
    samenwerking en concurrentie elkaar afwisselen, de belangrijkste
    reden om in het voorstel voor een nieuwe wiv wederom
    een dienst op te richten die zich richt op buitenlandse en economische
    inlichtingenvergaring: de dienst Inlichtingen
    Buitenland, die onder de beoogde opvolger van de BVD, de
    Algemene Inlichtingenen Veiligheidsdienst (AIVD) gaat vallen.
    De regering schrijft op 7 oktober 1999: ‘Meer nog dan op
    politiek en veiligheidsgebied, zijn inlichtingendiensten, ook al
    kunnen die overigens als “bevriende diensten” omschreven
    worden, elkaars concurrenten als het gaat om inlichtingen op
    economisch gebied. Het is een feit van algemene bekendheid
    dat ook landen die voor het overige bondgenoten zijn, elkaar
    op economisch gebied beconcurreren en daarbij onder meer
    gebruik maken van hun nationale inlichtingendiensten. ‘
    Onderlinge spionage vindt niet alleen plaats met hightechapparatuur.
    De Britse geheime dienst mi5 werd er in 2000
    van beschuldigd in Nederland een mantelorganisatie te hebben
    opgezet met behulp van exBVD’ers en exmedewerkers
    van de in 1994 opgeheven idb. De illegale spionageactiviteiten
    van mi5 leidden tot het vroegtijdig vertrek van de inlichtingendiplomaat
    van de Britse ambassade. ‘De BVD is gestuit
    op inlichtingendiensten van een buitenlandse inlichtingendienst.
    Het vervelende is van deze zaak dat het hier om gaat
    om activiteiten van een bevriende buitenlandse inlichtingendienst’,
    schreef de BVD.
    De Britten waren not amused. De BVD had toch eerst netjes
    contact kunnen opnemen in plaats van Britse diplomaten
    te schaduwen en af te luisteren, klaagden diplomaten in
    De Telegraaf van 3 juni 2000. ‘Onbegrijpelijk dat er een onderzoek
    is opgestart zonder dat de zusterdienst hiervan wist.
    Terwijl deze twee diensten samen toch de meest grote geheimen
    delen. ‘
    In andere Europese landen moeten ook met de regelmaat
    van de klok buitenlandse diplomaten hun koffers pakken omdat
    ze van politieke of industrile spionage beschuldigd worden.
    Aandachtsgebieden
    de europese IVD’s organiseren conferenties en seminars waar
    de terrorismedeskundigen bijeenkomen om kennis op te
    doen en te delen en het netwerk te olin. Aandachtsgebieden
    van de IVD’s zijn bomb scene management, wapenhandel,
    chemisch en biologisch terrorisme, internet, islamitisch terrorisme,
    Kosovo, de PKK en ecoterrorisme.
    Tijdens elke vergadering van de Werkgroep Terrorisme
    melden de lidstaten elkaar bovendien terroristische inCIDenten.
    In een vergadering in november 1999 werd bijvoorbeeld
    gemeld dat de PKK een wapenstilstand in acht neemt, calan
    een staakthetvuren afkondigde, het geweld op Corsica toeneemt,
    de grapo in Spanje een bommencampagne voortzet,
    de dreiging van onaangekondigde aanslagen van de
    Provisional ira blijft bestaan en dat in sommige lidstaten linksradicale
    bewegingen hun terroristische activiteiten opvoeren.
    Begin januari 2000 meldden delegaties dat Tsjetsjeense
    extremisten met aanslagen in Duitsland en Finland dreigen,
    rechtsextremisten in Itali actiever worden, dat in
    Griekenland revolutionaire cellen opnieuw opduiken en het
    Animal Liberation Front (ALF) in Belgi toeslaat. Daarnaast
    bogen de delegaties zich over de dreiging van Osama bin
    Laden, de kaping van een Indiaas vliegtuig en arrestaties van
    vermeende terroristen aan de AmerikaansCanadese grens. In
    maart 2000 stond het ALF weer op de agenda (volgens het
    jaarverslag 2000 van de BVD is er sprake van toenemende
    internationalisering van contacten tussen dierenrechtenactivisten)
    en vroeg Itali of er bedreigingen bekend zijn in
    verband met de viering van het Jubeljaar.
    De BVD zou in 1998 de inlichtingendiensten van de omringende
    landen hebben gevraagd ‘internationaal opererende
    anarchistische groeperingen’ in kaart te brengen die mogelijkerwijze
    op de uitnodiging van Nederlandse actievoerders
    zouden ingaan om de zestigste verjaardag van koningin
    Beatrix in Amsterdam te verstoren. De BVD zou vooral genteresseerd
    zijn in activisten uit Duitsland, Denemarken en Itali
    die ook in Amsterdam waren tijdens de tumultueus verlopen
    Eurotop in 1997.
    Daarnaast wisselde de BVD onder meer informatie uit over de
    Hezbollah, die in 1996 aanslagen in Nederland beraamd zou
    hebben. Nederland zou een toevluchtsoord zijn voor radicale
    moslims uit heel Europa. In 1996 werd volgens het jaarverslag
    1997 van de BVD in Nederland een uit Belgi afkomstige
    Algerijn gearresteerd, die een van de leiders van de gia zou zijn
    en in Belgi werd verdacht van een aanslag op de Rijkswacht.
    Een terugkerend element is de suggestie dat Nederland een
    soort veredelde europese buitenpost van de PKK is. De PKK
    beschikt volgens de BVD over trainingskampen in Nederland
    waar Koerden uit heel Europa onderwezen worden over hun
    gemeenschappelijke geschiedenis en de motieven en achtergronden
    van de PKK. Berichten in De Telegraaf die deden vermoeden
    dat met kalasjnikoVS zwaaiende PKKguerrilla’s campings
    in Groningen onveilig maakten, sprak de BVD tegen.
    Tientallen gewonde PKK’ers en leden van DHKCP/Dev Sol
    zouden jaarlijks in Nederlandse ziekenhuizen behandeld
    worden. Dit beweerde althans Moussa K. in De Telegraaf van
    7 oktober 2000. Moussa K., in.ltreerde in opdracht van de
    BVD zes jaar lang in linkse TurksKoerdische organisaties en
    werkte ook lange tijd tegelijk voor de Duitse Bundesnachrichtendienst
    (BND). K. draaide jarenlang mee in de europese
    top van de organisaties.
    De Turkse revolutionaire organisatie Dev Sol mag zich verheugen
    in uitgebreide europese belangstelling. Ook hier
    duikt Nederland regelmatig op als vluchtplaats voor Dev Solleden
    die het elders te heet onder de voeten werd. Zo gonsde
    het in 1996 in Europese inlichtingenkringen van de geruchten
    over Dursun K., voortvluchtig leider van Dev Sol, die in
    Limburg een liefdesnestje had gebouwd vanwaaruit hij leiding
    zou geven aan terroristische activiteiten in heel Europa. 7
    Ook de opvolger van Dev Sol, de DHKCP blijft in de aandacht
    staan van Europese IVD’s. De BVD meldde in zijn jaarverslag
    2000 weliswaar dat de DHKCP ‘vooralsnog niet voornemens
    is gewelddadige acties op of vanuit Nederlands grondgebied te
    organiseren’, maar blijft de beweging in de gaten houden.
    Uit procesverbalen van de zogeheten Charlyzaak uit 2000,
    tegen leden van de DHKCP die werden verdacht van afpersing
    blijkt dat op Europees politioneel niveau continu informatie
    wordt uitgewisseld over deze partij. Van een gecordineerde europese justitile actie tegen de DHKCP zou echter geen
    sprake zijn. De Dienst Bijzondere Recherche Zaken (DBRZ ,
    Afdeling Terrorisme en Bijzondere Taken) van het KLPD houdt
    haar voortdurend in het oog. In de Charlyzaak zijn ambtsberichten
    van de BVD gebruikt. Het zou hier gaan om ‘bijvangst’
    van de BVD: informatie van strafrechtelijke aard waar de BVD
    tijdens zijn inlichtingenoperaties op stuit.
    In de Charlyzaak zocht de DBRZ contact met Belgi,
    Duitsland, Frankrijk en Engeland. Op initiatief van Belgi
    werd in januari 2000 een gezamenlijke vergadering belegd,
    waar onder meer een cd met foto’s van actieve DHKCP’ers
    werd uitgedeeld.
    Uiteraard ontbreekt ook een Nederlandse pendant van het
    Bin Ladennetwerk niet. Kamerleden vroegen bezorgd of het
    waar was dat Nederland een belangrijke draaischijf vormde in
    dit netwerk, zoals de Amerikaanse terreurexpert Yossef
    Bodanski beweerde. Nee, antwoordde minister van Justitie
    Korthals, maar de BVD en het KLPD zetten onderzoeken op
    dit terrein wel permanent voort, in samenwerking met
    buitenlandse diensten.

    de europese inlichtingenen veiligheidsdiensten deden ook
    van zich spreken tijdens het Europees kampioenschap voetbal
    in Nederland en Belgi in 2000. De BVD was vanaf het begin
    nauw betrokken bij de veiligheidsmaatregelen en verantwoordelijk
    voor de informatieuitwisseling en cordinatie voor en
    tijdens het toernooi met Europese zusterdiensten.
    De BVD concentreerde zich daarbij op terroristische groeperingen,
    radicale elementen binnen etnische groepen die een
    relatie hadden met de deelnemende landen, politiek genspireerde
    personen en groeperingen uit binnenen buitenland
    die op radicale wijze hun standpunten kracht wilden bijzetten
    en voetbalsupporters die ‘ernstige verstoring van de openbare
    orde beogen’, hetgeen tot ontwrichting en beschadiging van
    ‘gewichtige’ Nederlandse belangen zou kunnen leiden.
    Begin 1999 vervaardigde de BVD in samenwerking met andere
    diensten een analyse van de mogelijke risico’s. Deze dreigingsanalyse
    werd voortdurend bijgesteld. Vlak voor het ek
    organiseerde de BVD in Den Haag een veiligheidsconferentie
    waar alle Europese zusterdiensten aanwezig waren.
    De BVD bracht tijdens het toernooi twee ambtsberichten
    uit. In Parijs werden drie vermeende leden van de GSPC
    (Groupe Sala.ste pour la Prdication et le Combat) opgepakt
    nadat de BVD telefoongesprekken had afgetapt tussen GSPCsympathisanten
    in Nederland en Frankrijk. Ook de Belgische
    inlichtingendienst zou informatie hebben aangeleverd. De
    drie zouden een aanslag op het Franse nationale elftal voorbereiden.
    Later werden ook in Nederland drie personen aangehouden.
    De drie werden later vrijgelaten, twee van hen zijn
    het land uitgezet.
    In het tweede ambtsbericht waarschuwde de BVD voor rellen
    tussen Engelse, Italiaanse en Turkse voetbalsupporters in
    Eindhoven. De informatie was afkomstig van de Italiaanse
    inlichtingendiensten, maar bleek niet te kloppen. Tijdens het
    wk 1998 in Frankrijk werden overigens op basis van informatie
    van Europese IVD’s tientallen mensen gearresteerd in
    Belgi, Frankrijk, Itali, Zwitserland en Duitsland.
    Daarnaast checkte de BVD, in samenspraak met collegaIVD’s,
    alle visumaanvragen van supporters uit exJoegoslavi.
    Het leidde niet tot afwijzingen van visumaanvragen.

    Een nieuwe niche die Europese inlichtingendiensten recentelijk
    hebben ontdekt betreft illegale migratie. De BVD participeert
    in de Taskforce Mensensmokkel en overlegt met buitenlandse
    collega’s over illegale migratie. In oktober 1999 organiseerde
    de Bundesnachrichtendienst een grote conferentie
    voor zestig landen over illegale immigratie. Men concludeerde
    dat gedurende de komende decennia migratiestromen
    verder in omvang zullen toenemen en dat met name inlichtingendiensten
    een rol moeten spelen bij het aandragen van
    informatie ten behoeve van een meer proactief beleid.

    In juli 2001 stelde Belgi voor de informatieuitwisseling
    over terroristische inCIDenten anders aan te pakken. Op de
    bijeenkomsten van de Werkgroep Terrorisme zou men zich
    minder moeten bezighouden met de melding van terroristische
    inCIDenten en meer tijd moeten besteden aan het becommentariren
    en analyseren van de gemelde inCIDenten. Om de
    informatieuitwisseling over inCIDenten toch adequaat te laten
    verlopen, stelt Belgi voor om een procedure voor snelle informatie
    uitwisseling in het leven te roepen. ‘Zo kunnen de
    andere lidstaten snel analyseren of van het inCIDent ook een
    dreiging voor hun eigen land uitgaat. ‘
    De bestaande procedure, die bekend staat als de ‘immediate
    communique following serious terrorist actions’, moet daarom
    nieuw leven worden ingeblazen. De lidstaat waar zich een
    inCIDent voordoet, moet binnen twaALF uur via een speciaal bulletin
    de andere lidstaten op de hoogte brengen. Het bulletin,
    met een standaardopmaak, wordt elektronisch verstuurd via
    het netwerk van de verbindingsbureaus, met als prioriteit
    ‘immediate’ of ‘flash’. Onder inCIDenten verstaan de lidstaten
    (pogingen tot) bomaanslagen, brandaanslagen, gijzelingen,
    kapingen, arrestaties, huiszoekingen en beschermende maatregelen,
    mits het een internationale dimensie heeft.

    Terrorisme
    De Werkgroep Terrorisme van de europese Unie, opgericht in
    1993, kende een aarzelende start en is tot op heden nog steeds
    niet het vehikel waarmee vergaande harmonisatie plaatsvindt
    van het beleid van de europese diensten. De nationale soevereiniteit,
    onderling wantrouwen en een ingebakken weerzin
    tegen het formeel en gestandaardiseerd uitwisselen van informatie
    als het niet per se nodig is, zijn hier debet aan.
    Het gebrek aan formele harmonisatie hoeft een vruchtbare
    samenwerking echter niet in de weg te staan. Er vindt
    namelijk veel beleidsafstemming plaats. Volgens woordvoerder
    Van Steen van de BVD gaat het om het leren van elkaars
    ervaringen en het uitwisselen van best practices op het gebied
    van beleid en praktijk. Diensten zoeken naar gemeenschappelijke
    oplossingen voor gemeenschappelijke problemen, die
    vervolgens in nationaal beleid en nationale bevoegdheden
    worden vertaald.
    De BVD creerde in 1995 het interne project Europa om
    de afstemming van de BVDactiviteiten in Europees verband
    te verbeteren.
    Een van de eerste o; cile daden van de werkgroep was de
    instelling van een Directory of counterterrorist competences to
    facilitate counterterrorist cooperation between the Member States
    of the European Union.
    Dit initiatief van GrootBrittanni
    behelst de oprichting van een database, waarin de lidstaten
    informatie opslaan over de bij hen aanwezige speci.eke deskundigheid,
    vaardigheden en bevoegdheden. Wie dus op zoek
    is naar een specialist of een specialisme dat in eigen huis niet
    direct voorhanden is, kan via de Directory contact zoeken met
    een buitenlandse dienst die daar wel over beschikt. De resolutie
    stelt expliciet dat deze Directory niet bedoeld is als kanaal
    om operationele informatie uit te wisselen.
    GrootBrittanni ontfermde zich over het beheer van de
    Directory. Het was de bedoeling dat het beheer zou rouleren
    onder het hal@aarlijks wisselende EUvoorzitterschap, maar in
    de praktijk is dat er niet van gekomen omdat het de continuteit
    zou bedreigen. De Directory staat inmiddels onder het
    beheer van Europol, de europese politieorganisatie.

    Wapens en explosieven kunnen maar beter niet in de handen
    van terroristen vallen. Om deze stelling nog eens te onderstrepen
    aanvaardde de EU in 1998 een resolutie met een aantal
    aanbevelingen. Ze roept op tot meer samenwerking en
    cordinatie tussen de nationale politiediensten en IVD’s, betere
    informatieuitwisseling om wapentransacties van terroristen
    te verstoren of te voorkomen, aanscherping van de wettelijke
    controles op en procedures bij legale wapenhandel en de
    stimulering van ‘speci.eke gezamenlijke initiatieven’ ter
    bestrijding van de wapenhandel van terroristen.

    Om racisme en xenofobie te bestrijden spraken de EU-lidstaten
    in 1994 af om jaarlijks statistische gegevens te verzamelen
    over racistische inCIDenten. Daarnaast besloten zij operationele
    informatie uit te wisselen over racistische aanslagen,
    misdaden, demonstraties, campagnes en organisaties.
    Het eerste – geheime – rapport (1995) vertoont nog veel
    gebreken. Een aantal landen leverde geen cijfers in of bleek
    deze gegevens niet eens te verzamelen. Ook waren er onduidelijkheden
    over de precieze de.nitie van ‘racistisch inCIDent’,
    hetgeen de statistische waarde van de exercitie twijfelachtig
    maakte. Volgens de toch bij elkaar geschraapte gegevens vonden
    er in 1994 ruim duizend racistische inCIDenten plaats.
    Daarbij vielen vier slachtoffers en mislukten zestien moordaanslagen.
    In 203 gevallen werd brand gesticht of werden
    explosieven gebruikt en in 779 gevallen werd zwaar lichamelijk
    letsel toegebracht.
    Nederland noteerde eenentwintig inCIDenten, waaronder
    n mislukte moordaanslag, elf brandaanslagen en negen
    gevallen van zwaar lichamelijk letsel. Griekenland en
    Luxemburg bleken ware paradijzen voor vreemdelingen:
    beide landen stelden dat er in 1994 geen enkel racistisch
    inCIDent had plaatsgevonden.
    Een volgend verslag, waarvan alleen een semiopenbare
    samenvatting bekend is (het onderliggende document werd
    tijdens een vergadering van de Werkgroep Terrorisme als
    ‘ongenummerd geheim document’ aan de delegaties beschikbaar
    gesteld )laat een stijging zien van het aantal incidenten
    naar 1112 in 1996.
    In 1997 daalde het aantal inCIDenten naar 654 (met zeven
    dodelijke slachtoffers) en in 1998 staat het totaal plotsklaps
    weer op 1116. Nederland telt in dat jaar drie brandaanslagen
    en achtentwintig gevallen van zwaar lichamelijk letsel.
    Luxemburg kende ook dat jaar geen enkel racistisch inCIDent
    en in Portugal kwam men op n.
    Sindsdien zijn er geen rapporten meer opgedoken. Elk jaar
    klonk de klacht dat het ontbrak aan duidelijke de.nities, waardoor
    de waarde van de cijfers nog steeds in hoge mate twijfelachtig
    is. De werkgroep bereidt een verslag over het jaar 2000
    voor, maar dat is tot op heden niet verschenen.

    Het is handig om elkaar op de hoogte te stellen van dreigende
    terroristische acties, besloten de EU-lidstaten in 1999 in een
    aanbeveling. Het gaat daarbij om ernstige terroristische daden
    die ook voor de andere lidstaten van belang zijn om te weten.
    Het is de bedoeling dat de waarschuwing vergezeld gaat van
    een inschatting van de betrouwbaarheid van de informatie:
    gaat het om een nauwelijks te controleren gerucht of om een
    doorgaans betrouwbare bron.
    De informatie wordt uiteraard als hoogst geheim geclassi.ceerd.
    Bovendien is uitdrukkelijk bepaald dat de informatie
    niet aan derde landen wordt doorgespeeld, of als bewijs wordt
    gebruikt in rechtszaken zonder voorafgaande toestemming
    van het land waarvan de informatie afkomstig is. Voor de uitwisseling
    van de informatie wordt het bdlnetwerk gebruikt.
    Een codewoord dat aan de boodschap voorafgaat, moet ervoor
    zorgen dat de dienstdoende beambte het bericht niet per
    ongeluk op de grote hoop gooit. Lidstaten die vrezen dat hun
    nationale belangen in het gedrang komen door mee te doen
    aan de uitwisseling van deze informatie, mogen zich aan de
    afspraken onttrekken.

    Voor terreur is geld nodig. Terroristen, zo concludeerden
    inlichtingenexperts op een congres in 1997 in Luxemburg,
    heffen contributie van leden en sympathisanten, maar ze
    schromen ook niet om ‘systematisch’ gebruik te maken van
    humanitaire of goededoelenorganisaties die min of meer aan
    hen verbonden zijn.
    Onder de wat ruwere vormen van geldinzameling noteerden
    de inlichtingenexperts afpersing, fraude (waaronder misbruik
    van egsubsidiegelden) en ontvoeringen. Of de terreurclubs
    er als nevenactiviteit ook eigen drugslijnen op na
    houden, viel volgens de deskundigen niet altijd even goed
    te bewijzen.
    Hoewel het leggen van bommen een niet al te hoge bankrekening
    vergt, is de bestrijding van terroristische fundraising
    toch van groot belang, omdat het draaiende houden van de
    organisatie en het ondergronds bestaan van de terreurleden
    wel flink wat kapitaal vergt. Draai de geldkraan dicht en de
    groepen hebben een probleem, zo luidde de conclusie.
    In 1999 leidde deze conclusie tot o; cile maatregelen op
    Europees niveau. De lidstaten spraken af om meer informatie
    uit te wisselen over de structuren en modus operandi voor de
    .nanciering van terroristische groepen. Bovendien werd afgesproken
    operationele inlichtingen over speci.eke groepen die
    een Europese bedreiging vormen, uit te wisselen. Vooral de
    onderlinge contacten en netwerken dienen in kaart gebracht
    te worden. Op basis van de nationale evaluaties bekijkt de
    werkgroep vervolgens of het mogelijk is een gezamenlijke
    operationele actie te plannen tegen een terroristische groep
    die in meerdere lidstaten aanwezig is.

    De internetrevolutie is ook aan terroristen niet voorbijgegaan.
    Vanaf 1997 staat het onderwerp ‘nieuwe technologien’ dan
    ook frequent op de agenda van de Werkgroep Terrorisme.
    De werkgroep ziet drie potentile gevaren opdoemen. Ten
    eerste is aftappen problematisch als terroristen gebruik
    maken van encryptie (versleuteling). Een tweede gevaar ligt in
    misbruik van internet. In veel landen is propaganda maken
    voor terreurgroepen verboden en internet maakt het makkelijker
    om dat verbod te omzeilen. De werkgroep noemt in dit
    verband het verbod voor Duitse internetaanbieders om een
    weblokatie van de Nederlandse internetaanbieder xs4all door
    te geven waarop het in Duitsland verboden blad Radikal staat.
    Deze poging tot een blokkade bleek geen lang leven beschoren.
    Technisch was het zeer moeilijk slechts n weblokatie te
    blokkeren. Een algehele blokkade van xs4all stuitte op verzet
    van de Duitse vereniging van internetproviders. Bovendien
    staakte de Duitse justitie niet veel later de vervolging van
    Radikal. Een derde gevaar ziet de werkgroep in digitale sabotage.
    Door de internationalisering van de telecommunicatieinfrastructuur
    is ‘internationale samenwerking op dit terrein
    zonder meer noodzakelijk’. Aangezien de Werkgroep
    Terrorisme zelf niet in staat is om wetgeving op dit gebied vast
    te leggen, concentreert zij zich op benvloeding van andere
    Europese fora, waar zaken als interceptie, encryptie, telecommunicatie
    en informatietechnologie op de agenda staan.
    In februari 2000 lanceerde EUvoorzitter Portugal in de
    Werkgroep Terrorisme het initiatief om gezamenlijk naar terroristische
    informatie op internet te speuren en de resultaten
    op geautomatiseerde wijze uit te wisselen. Als het initiatief
    wordt goedgekeurd, betekent dit de eerste formele afspraak
    tussen inlichtingendiensten op Europees niveau over samenwerking
    en het systematisch delen van informatie.
    Portugal stelde voor om een gezamenlijke lijst van sleutelwoorden
    aan te leggen om internet mee af te speuren. De
    speurtocht is gericht op ‘aan terrorisme gerelateerde informatie’.
    Portugal gaf als voorbeelden terroristische groepen, sekten,
    neonazi’s, racisme en cyberterrorisme. Ook termen die
    hackers vaak gebruiken, zouden in het gezamenlijke lexicon
    moeten komen, zoals het gebruik van de letter z in woorden
    (passwordz, crackz). Via een gezamenlijke beveiligde mailinglijst
    kunnen de lidstaten elkaar op de hoogte brengen van
    weblokaties die interessant zijn om te onderzoeken en te volgen.
    Daarnaast kunnen op deze manier de geanalyseerde
    resultaten van nationaal onderzoek uitgewisseld worden.
    Portugal maakte duidelijk dit als een eerste stap te zien
    naar meer formele samenwerking. ‘Op institutioneel niveau
    betekent het de instelling van een samenwerkingskanaal, dat
    de uitwisseling van ervaringen en de ontwikkeling van gezamenlijke
    methoden voor gelijkluidende problemen mogelijk
    maakt. ‘ Europol heeft aangeboden het systeem voor de informatie
    uitwisseling te faciliteren.
    De reacties op het Portugese initiatief zijn vooralsnog
    terughoudend. De grotere EU-lidstaten staan huiverig tegenover
    het systematisch delen van informatie, zeker als dat op
    geautomatiseerde wijze plaatsvindt. Angst voor veiligheidslekken
    speelt ook hier een rol.

    Frankrijk stelde in 2000 voor om gezamenlijke risicobeoordelingen
    te maken voor prominenten van buiten de Unie die
    op bezoek komen. Dit hoge bezoek doet vaak meerdere eulanden
    tegelijk aan en volgens Frankrijk is het handig om dan
    ook gezamenlijk de risico’s in te schatten voor de gasten.
    Frankrijk stelde voor een cijferschaal te ontwikkelen om
    een snelle en eenvoudige uitwisseling van informatie en risicobeoordeling
    mogelijk te maken. Volgens de Fransen gaat
    het er niet om een ‘gezamenlijke temperatuur’ te meten, maar
    om een ‘gemeenschappelijke thermometer’ te gebruiken. Elk
    land blijft zelf verantwoordelijk voor de te nemen veiligheidsmaatregelen.

    De schaal varieert van n (‘ speci.eke inlichtingen waaruit
    blijkt dat zeer binnenkort een aanslag op een welbepaalde prominente
    .guur dreigt’) tot vijf (‘ geen redelijke gronden om
    een terroristische aanslag te verwachten’).
    Ook de taartenbrigade zien de IVD’s niet over het hoofd. De
    letter Z van Zulu zou kunnen worden gebruikt om de rele
    dreiging van nietlevensbedreigende vijandelijke daden jegens
    de prominente .guur (‘ gooien van voorwerpen, duwen enz. ‘)
    te signaleren.

    Zoals de kandidaatlidstaten van de europese Unie de EUregels
    op het gebied van politie, justitieen asielbeleid moeten
    overnemen om toe te mogen treden, zo moeten deze landen
    ook klaargestoomd worden om op contraterreurgebied
    hun partijtje mee te kunnen blazen. Dit is eens te meer noodzakelijk
    omdat ‘het terrorisme waarvan de EU-lidstaten het
    doelwit kunnen vormen, steeds vaker bedreven wordt door
    internationaal opererende groeperingen die gebruik proberen
    te maken van de nationale grenzen om te ontsnappen aan het
    optreden van de politieen veiligheidsdiensten’, zoals euvoorzitter
    Frankrijk het verwoordde.
    De kandidaatlidstaten hebben minder ervaring met terrorismebestrijding
    en hun diensten zijn niet gewend aan
    intensieve samenwerking. Frankrijk stelde daarom voor om
    regelmatige bijeenkomsten met de kandidaatlidstaten te
    organiseren met als doel ‘de wederzijdse kennis van de structuren
    en de wetgeving’ te verbeteren. Tevens moeten er contactpunten
    komen bij de kandidaatlidstaten, moeten de
    kandidaatlidstaten bijdragen aan het hal@aarlijkse dreigingsdocument
    van de EU en moeten ze de kneepjes van het vak
    leren op de europese Politie Academie.

    Een belangrijk onderdeel van de activiteiten van de Werkgroep
    Terrorisme is de samenstelling van de hal@aarlijkse dreigingsanalyse.
    Deze bevat een overzicht van de dreiging die
    van terreur uitgaat voor de EU-lidstaten en trends op het
    gebied van terrorisme. De analyses zijn strikt geheim, ook al
    zijn er aanwijzingen dat ze niet al te veel voorstellen. ‘Als je
    het stuk leest, denk je: waar hebben ze het over’, zei minister
    Peper van Binnenlandse Zaken eens. ‘De inhoud van het
    document is niet erg indrukwekkend. ‘ De analyses worden
    niet via het secretariaat van de europese Raad verstuurd, maar
    tijdens vergaderingen van de Werkgroep Terrorisme als ongenummerd
    geheim document verspreid.
    De vaste Kamercommissie voor Justitie, die het werk van
    de europese Raad van Justitie en Binnenlandse Zaken moet
    zien te controleren, krijgt tot haar ongenoegen deze analyses
    ook niet vertrouwelijk toegestuurd. Alleen de vaste Kamercommissie
    voor de Inlichtingendiensten krijgt de documenten
    ter inzage, maar ook dan slechts in samenvatting. Het
    ‘gele stuk’, zoals het uitgebreide rapport bekendstaat, gaat
    naar de BVD.
    ‘Het is een afspraak binnen de EU dat dit een geheim
    document is dat nergens in de EU wordt verspreid’, meldde
    minister Peper. ‘Het is mede gebaseerd op informatie van
    andere inlichtingendiensten. Wanneer daarover in brede zin
    wordt gesproken, kunnen de inlichtingendiensten elkaar niet
    meer vertrouwen. ‘
    Op de opmerking van kamerlid Van Oven dat het toch niet
    de EU-lidstaten zijn die kunnen bepalen naar welke nationale
    parlementaire commissie informatie wordt gestuurd, zei zijn
    partijgenoot Peper: ‘Wel als het gaat over door veiligheidsdiensten
    verzamelde informatie. ‘ Later meldde Peper de
    Kamer nog dat er geen formeel Europees besluit lag om deze
    informatie niet naar de parlementen te sturen, maar dat het
    meer een ‘kwestie van gewoonte’ was.
    Onder aanhoudende druk van de Tweede Kamer diende
    de Nederlandse regering in 2000 een voorstel in om tot
    een open versie van het dreigingsdocument te komen, naar
    analogie van de open versie die Europol jaarlijks publiceert
    van haar geheime dreigingsanalyse op crimineel gebied, en
    onder verwijzing naar het openbare jaarverslag dat de BVD in
    Nederland publiceert.
    Om de andere lidstaten over de streep te trekken verpakte
    Nederland de wens tot meer openheid in een mooi verhaal.
    de EU moet haar betrokkenheid bij de bestrijding van terrorisme
    meer zichtbaar maken, omdat er onder de bevolking
    een gevoel van onveiligheid heerst door een soort diffuse dreiging
    van mogelijke terreurdaden. ‘Deze onrust neemt toe als
    media of allerlei wetenschappelijke instituten om diverse
    redenen melding maken van het bestaan van dreigingen of
    het mogelijk gebruik van lukraak geweld. De bevolking, de
    nationale parlementen en het Europees Parlement hebben
    daarom behoefte aan evenwichtige en gevalueerde informatie
    over terrorisme’, aldus de Nederlandse nota.
    In het open document mag uiteraard geen vertrouwelijke
    informatie worden prijsgegeven, erkent de Nederlandse delegatie,
    en ook COTER ( de werkgroep terrorisme van de europese ministers van Buitenlandse Zaken )moet haar .at
    geven, ‘zodat rekening gehouden kan worden met de politiek
    gevoelige aspecten van een dergelijk document’.
    In eerste instantie leek vooral Spanje tegenstander te zijn
    van wat voor open versie van het dreigingsdocument dan
    ook. Maar ook andere delegaties hadden hun twijfels hoe een
    open versie precies gestalte kon krijgen. Twijfel bestaat
    bijvoorbeeld of in het document alleen de terroristische dreiging
    in de EU centraal moet staan, of in ruimer verband.
    Andere delegaties wezen erop dat de situatie op terrorismegebied
    onvoorspelbaar is en zich voortdurend ontwikkelt en
    dat ‘elk document over de terroristische dreiging een vertrouwelijk
    karakter heeft en verspreiding ervan gevaarlijk kan
    zijn’. Het Nederlandse voorstel werd daarom doorgezonden
    naar COTER .

    Begin 2002 werd dan toch het eerste openbare terrorismedocument
    gepresenteerd. In het door Europol opgestelde verslag
    wordt geconcludeerd dat islamitisch terrorisme de grootste
    bedreiging vormt voor de europese Unie. Maar Europol waarschuwt
    ervoor alle inspanningen te richten op islamitisch terrorisme,
    omdat ook Europese terreurgroepen actief blijven.
    Volgens het rapport nam het aantal terroristische inCIDenten
    in de EU af. Maar de aanslagen die plaatsvonden waren zwaarder.
    Volgens het rapport waren vooral de autoriteiten in
    Spanje en Ierland succesvol in het bestrijden van terrorisme.
    Ook de vooruitgang in het NoordIerse vredesproces en een
    staakthetvuren op Corsica waren debet aan de afname van
    het aantal terreurdaden. Wel wijst het rapport erop dat de europese Unie niet alleen een doelwit is van aanslagen, maar
    ook een rol vervult in de voorbereiding van aanslagen elders
    op de wereld. Zo bereidde een aantal van de vliegtuigkapers
    die verantwoordelijk waren voor de aanslagen van 11 september
    in de Verenigde Staten zich in Europa voor.
    Volgens het rapport is de Baskische afscheidingsbeweging eta
    de meest actieve terreurorganisatie in Europa. Europol wijst
    erop dat het eta geweld zich over heel Europa kan verspreiden.
    Volgens Europol richt de eta zich nu ook al tegen de
    Franse autoriteiten vanwege hun samenwerking met Spanje
    bij de bestrijding van de eta.
    In Ierland noteert Europol aanslagen van dissidente groepen,
    die zich keren tegen het vredesproces. Ook op Corsica zijn
    dissidente groepen actief, die zich niet neerleggen bij een
    bereikte wapenstilstand. Verder is er volgens Europol sprake
    van toenemend linksradicaal terrorisme in het zuiden van
    Europa. Het gevaar bestaat dat dit over slaat naar de rest van
    Europa. Radicale milieuactivisten zijn volgens Europol
    beperkt actief, maar richten wel grote schade aan.

    In juli 2001 stelde Belgi voor om de structuur van de dreigingsanalyse
    te veranderen. Voortaan zouden de europese
    ministers van justitie hal@aarlijks een document ontvangen
    dat uit twee delen bestaat. Het eerste deel, analyse en synthese,
    bevat een analytische beschrijving van het verschijnsel
    terrorisme en eindigt met een algemene evaluatie van de dreiging
    die uitgaat van het terrorisme in Europa. Het tweede deel
    bevat voorstellen voor politieke besluiten. Het bestaat uit
    analyses van geconstateerde problemen en van de behoeften
    van de IVD’s in het kader van samenwerking op het gebied van
    terrorisme. Op die manier denkt Belgi dat de besluitvorming
    over terrorismebestrijding een impuls kan krijgen en dat er
    betere cordinatie tot stand komt met de justitieen politietak
    en andere instellingen van de europese Unie. In het verleden
    vonden Europese IVD’s bijvoorbeeld dat de ministers van
    Telecommunicatie te weinig oog hadden voor de interceptieeisen
    van de IVD’s en de problematiek rond encryptie.
    Door elk hal@aar een lijstje wensen van de IVD’s te presenteren
    hoopte Belgi de invloed van de IVD’s op de andere
    beleidssectoren van de EU te vergroten. In ambtelijke taal:
    ‘Het tweede deel heeft tot doel de hoogste ambtelijke justitiewerkgroep
    van de Unie in staat te stellen om haar cordinerende
    functie binnen de justitiepijler te vervullen door de
    kwesties in verband met terrorismebestrijding af te zetten
    tegen die welke onder de bevoegdheid van de andere werkgroepen
    van deze pijler vallen. ‘ Uiteraard krijgt het strategisch
    document het predikaat vertrouwelijk. Dat betekent dus dat
    ook de beleidswensen van de IVD’s niet openbaar worden.

    Over COTER is zo mogelijk nog minder bekend dan over de
    Werkgroep Terrorisme. COTER concentreert zich op terrorisme
    waar het raakt aan het buitenlands en veiligheidsbeleid van de europese Unie.
    Op de agenda staan dan ook waarschijnlijk zaken als
    diplomatieke druk op landen die verdacht worden van steun
    aan terroristische groeperingen, het opnemen van de bestrijding
    van terrorisme in samenwerkingsprogramma’s met
    derde landen (bijvoorbeeld het Barcelonaproces met landen
    van het MiddellandseZeegebied), en de terroristische dreiging
    voor euposten en belangen in het buitenland.
    Bovendien is in de EU een inlichtingennetwerk opgezet
    om visumaanvragen van onderdanen van bepaalde landen af
    te wijzen indien er aanwijzingen zijn dat de aanvrager inlichtingen
    of veiligheidsactiviteiten verricht. Ook worden lijsten
    van uitgewezen personen uit verdachte landen uitgewisseld.
    COTER voert sinds 1997 een bijstandsprogramma van de europese Unie uit om de Palestijnse Autoriteit te steunen in
    haar inspanningen ter bestrijding van de terroristische activiteiten
    die van de door haar gecontroleerde gebieden uitgaan.
    In 2000 besloot de EU om het programma met drie jaar te
    verlengen. Het programma bestaat uit hulp bij de oprichting
    van administratieve en operationele structuren om terrorisme
    te bestrijden en bijstand en opleiding aan Palestijnse veiligheids
    en politiediensten.
    COTER zou zich echter ook bezighouden met de uitwerkingen
    van het actieplan van de g8, dat wil zeggen de groep van
    de zeven belangrijkste industrielanden, Canada, Duitsland,
    Frankrijk, GrootBrittanni, Itali, Japan en de VS plus, sinds
    1998, Rusland. Daarbij gaat het vooral om de totstandbrenging
    van antiterrorismeverdragen binnen de VN.

    Europol

    de europese politieorganisatie Europol (gevestigd in Den
    Haag) heeft ook taken op het gebied van terrorismebestrijding.
    In het Europolverdrag dat in de EU-lidstaten in 1998
    rati.ceerden, stond al aangekondigd dat uitbreiding van het
    mandaat naar terrorismebestrijding binnen twee jaar aan de
    orde zou zijn. Op aandrang van vooral Itali en Spanje kreeg
    Europol al in januari 1999 het o; cile mandaat om zich met
    terrorismebestrijding bezig te houden. officieel luidt het
    mandaat van Europol op dit terrein: ‘de behandeling van strafbare
    feiten die zijn gepleegd of wellicht zullen worden
    gepleegd in het kader van terroristische activiteiten die gericht
    zijn tegen het leven, de lichamelijke integriteit en de persoonlijke
    vrijheid, alsmede tegen goederen. ‘
    Een intern Europol document stipuleert dat dit betekent dat
    de organisatie ‘uitsluitend mag worden betrokken bij het werk
    op het gebied van terrorismebestrijding dat de criminele aspecten
    en niet de politieke aspecten van terrorisme betreft’.
    Na samenspraak met de Werkgroep Terrorisme stelde EUropol een aantal prioriteiten vast: ondersteuning van de
    nationale IVD’s, projectmatige aanpak (bijvoorbeeld studie
    naar de .nanciering van terrorisme, de werkwijze van terroristen,
    de dreiging van buitenlandse terreurgroepen die
    ondersteuning krijgen in de lidstaten, de identi.catie van
    nieuwe terreurgroepen) en informatieuitwisseling.
    Vervolgens ging een voorbereidingsgroep van tien experts
    inzake terrorisme uit acht lidstaten aan de slag om een
    concreet voorstel te maken. Europol kreeg vijf taken: het
    bevorderen van informatieuitwisseling tussen nationale IVD’s
    over terroristische daden en de verdachten, de opening van
    werkbestanden voor analyse, de creatie van een database over
    antiterrorismewetgeving in de lidstaten (om snel te kunnen
    zien welk land de beste wettelijke mogelijkheden biedt om in
    te grijpen bij bijvoorbeeld een grensoverschrijdend wapentransport
    of optreden tegen fundraising) en de oprichting van
    een database van terroristische groepringen. Ook neemt
    Europol de Directory onder haar beheer.
    Daarna liggen er alweer drie nieuwe taken klaar: het vullen
    van een database over de verdeling van antiterrorismebevoegdheden
    in de lidstaten, de productie van een nieuwsbrief
    over terrorisme gebaseerd op open bronnen, en de productie
    van zogeheten situatieen trendrapporten. Weer later komen
    er nog meer taken bij: de productie van speciale rapporten,
    speciale onderzoeksprojecten, een volledig gecomputeriseerd
    systeem van contraterrorisme (ct)informatie en het aanhalen
    van banden met derde landen en organisaties.
    De eerste taken zijn inmiddels in gang gezet. Er is een
    beveiligd emailsysteem opgezet tussen de nationale Europoleenheden
    en de verbindingso; cieren bij Europol. De eerste
    suggesties voor de aanleg van werkbestanden voor analyse
    zijn binnen en twee bestanden zijn aangelegd (islamitisch terrorisme
    en de PKK), en er is een lijst van terroristengroepen
    samengesteld.
    De cteenheid van Europol is ondergebracht bij de afdeling
    Georganiseerde Misdaad van Europol. Aan het hoofd
    staat de Spanjaard Mariano Simanacas.
    Volgens een intern document uit november 1998 dient
    Europol zich te concentreren op het verkrijgen van informatie
    over terroristische daden die de belangen van twee of meer
    lidstaten bedreigen. Europol rekt de grenzen echter al wat op
    door te stellen dat ze ook informatie moet kunnen verkrijgen
    over terreur die zich tegen n lidstaat richt, of zelfs tegen
    nietEU-lidstaten, als ‘deze informatie van potentile waarde
    kan zijn voor de lidstaten’. Europol geeft als voorbeeld: ‘Het
    moet mogelijk zijn informatie te verzamelen over acties van
    antiwesterse groepen tegen Amerikaanse belangen, omdat de
    mogelijkheid bestaat dat deze informatie licht kan werpen op
    daden die dezelfde groep op een ander moment zou kunnen
    uitvoeren tegen de belangen van de EU-lidstaten. ‘
    Europol wil haar informatie putten uit open bronnen, de
    nationale IVD’s, de Werkgroep Terrorisme en ‘bepaalde derde
    landen of organisaties’. Open bronnen zijn volgens Europol
    kranten, bladen, persbureaus, internet, de bbc Monitoring
    Service en Jane’s Terrorism Watch Report. Onder derde organisaties
    noemt Europol de Police Working Group on
    Terrorism, het zesde comit van de vn (dat zich met terrorisme
    bezighoudt), Interpol, het speciale navoinlichtingencomit
    en de terrorismedeskundigengroep van de g8landen.
    De informatie die Europol in de computers wil zetten,
    zijn details over terreurdaden (data, doelen, omgeving), werkwijze
    (gebruikte technieken, informatievergaring, communicatie,
    geheime opslagplaatsen en doelbepaling) en gebruikt
    materiaal (wapens, explosieven). Verdachten van terrorisme
    komen ook in de computer te staan, inclusief hun vingerafdrukken,
    foto’s en speci.eke kenmerken. Dit geldt ook voor
    ‘andere relevante personen’, zoals slachtoffers, getuigen,
    contacten en helpers. Op termijn kan volgens Europol de database
    uitgebreid worden met handschrift en stemprints.
    Bovendien oppert ze de mogelijkheid om ‘ongedenti.ceerde’
    stille getuigen in de computers op te nemen, zoals nietgedenti.ceerde
    personen op beveiligingscamera’s vlak voor
    een aanslag, handgeschreven brie@es in woningen waar vermeende
    terroristen zich hebben opgehouden, of bandopnames
    van bommeldingen.
    De meerwaarde van deze activiteiten is dat alle informatie
    over terrorisme uit de lidstaten bij Europol gecentraliseerd
    wordt en dus makkelijk toegankelijk is voor de lidstaten.
    Omgekeerd denkt Europol de lidstaten van nuttige informatie
    te kunnen voorzien door de verzamelde informatie te analyseren.
    GrootBrittanni staat in ieder geval sceptisch tegenover
    het toezenden van informatie naar Europol. Het vreest dubbel
    werk, maar van GrootBrittanni is ook bekend dat het zeer huiverig
    staat tegenover het delen van vertrouwelijke informatie.
    Van 29 januari tot 2 februari 2001 vond in Madrid de eerste
    Europese conferentie over terrorisme plaats. De Spaanse
    minister van Binnenlandse Zaken Jaime Mayor Oreha, noemde EUropol de ‘belangrijkste instantie in de bestrijding van terrorisme’.
    Mayor Oreha kwali.ceerde terrorisme bij die gelegenheid
    als niet alleen een groep commando’s die een aanval
    uitvoert, maar als ‘een project dat in de maatschappij wortelt,
    waardoor het nodig is te strijden tegen de sociale, economische,
    politieke en communicatiestructuren die het ondersteunen
    en doen groeien’.
    De deelnemers ondertekenden tijdens de bijeenkomst de
    verklaring van Madrid, die leest als een gids voor de europese
    terrorismebestrijding. Ze spreekt steun uit voor het Spaans –
    Italiaans -Portugees – Griekse initiatief om een gezamenlijk
    team op te richten tegen ‘anarchistisch terrorisme’ en maakt
    melding van een database met details van de meest gezochte
    terroristen om proactief optreden te ondersteunen. Deze
    database zou ‘meer dan alleen de noodzakelijke informatie’
    moeten bevatten.
    Europol stelde voor een plan te ontwikkelen om personen
    die informatie over terroristen doorspelen, ‘economisch en
    .nancieel te belonen’.

    VS en G8

     

    de europese Unie en de Verenigde Staten werken nauw
    samen op het gebied van terreurbestrijding. In 1997 stelden
    beide blokken een gezamenlijke agenda op voor samenwerking
    bij terreurbestrijding. Prioriteiten die werden overeengekomen,
    waren de bevordering van de beveiliging van
    transportmiddelen (treinen, vliegtuigen), de opstelling van
    een vnovereenkomst tegen bomaanslagen, controle op
    encryptie en het creren van mogelijkheden om toegang te
    krijgen tot versleutelde gegevens en strengere nationale wetgeving
    tegen terrorisme.
    Hoge ambtenaren uit de VS vergaderen regelmatig samen
    met Europese terrorismedeskundigen van de tweede en derde
    pijler. Eens per hal@aar vindt afstemming plaats tussen de EU
    en de VS in het kader van de Werkgroep Terrorisme. Hier
    wordt informatie uitgewisseld over trends en ontwikkelingen
    in het internationale terrorisme. Daarnaast spreekt men over
    knelpunten in de onderlinge samenwerking.
    Binnen de internationale samenwerking vervult de club
    van rijkste industrielanden, g8, een voortrekkersrol. Zowel de
    VS als EU-lidstaten verwijzen veelvuldig naar gemaakte afspraken
    in g8kader die verder uitgewerkt dienen te worden.
    Tijdens een bijeenkomst in 1996 in Lyon besloten de g8landen
    tot een lange lijst van maatregelen op het gebied van
    terreurbestrijding, zoals versterkte samenwerking, meer operationele
    informatieuitwisseling, betere controle op openbaar
    vervoersdiensten en passagiers, het merken van explosieven,
    onderzoek naar terroristische .nanciering en misbruik
    van charitatieve, sociale of culturele instellingen, betere
    controle op vuurwapens en explosieven, controle op encryptie,
    strengere grenscontroles en asielprocedures en snelle uitlevering.
    Volgens de g8 was er sprake van een nieuw soort terrorisme,
    ‘terreur zonder handtekening’, gepleegd door autonome,
    mobiele en anonieme organisaties, die hun aanslagen
    claimen noch motiveren. De conclusie: zonder zeer complexe,
    uitgebreide en wereldwijde opsporingsmethoden zijn de anonieme
    daders niet te pakken.

    Club van Bern

     

    De Club van Bern is een informeel samenwerkingsverband
    van de hoofden van zeventien Europese inlichtingenen veiligheidsdiensten.
    Welke landen dit precies zijn, is geheim, maar
    het is vrijwel zeker dat de vijftien EU-lidstaten deelnemen.
    Tijdens de ontmoetingen, een twee keer per jaar, spreken
    de hoofden van de diensten over onderwerpen van gemeenschappelijk
    belang, zoals actuele ontwikkelingen in de
    betrokken landen. Het gaat daarbij zowel om terroristische
    inCIDenten en dreigingsbeelden als om gehanteerd beleid en
    gehanteerde contraterrorismestrategien. Volgens BVDwoordvoerder
    Van Steen gaat het ook hier om het leren van
    elkaars ervaringen en het uitwisselen van best practices op het
    gebied van beleid en praktijk. Er vindt geen o; cile harmonisatie
    van beleid of wetgeving plaats. Wel zoeken de diensten
    naar gezamenlijke oplossingen, die vervolgens nationaal in
    beleid en bevoegdheden worden vertaald.
    In 1999 stonden onder meer interceptie, encryptie en
    cyberterrorisme op de agenda van de Club van Bern. Verder
    overlegden de IVD’s volgens het BVDjaarverslag van 1999 over
    het gevaar van radicaal fundamentalistischislamitische organisaties,
    radicale milieugroepen en sekten.

    Midden-Europaconferentie

    De Midden-Europaconferentie is een sinds 1994 bestaand
    informeel samenwerkingsverband tussen vijftien IVD’s uit
    Westen MiddenEuropa. De precieze samenstelling is
    geheim. De informatieuitwisseling zou volgens de BVD vooral
    bedoeld zijn om de democratische processen in de landen
    van Middenen OostEuropa te versterken. Op termijn wordt
    dit overleg misschien genstitutionaliseerd in het kader van de
    toetredingsprocedure van kandidaatlidstaten tot de europese
    Unie. Mensensmokkel is een van de voornaamste onderwerpen
    van gesprek op de MEC .

     

    G5

     

    Het G5-overleg is een informeel overleg tussen Duitsland,
    Frankrijk, GrootBrittanni, Nederland en Zweden, waarin
    instanties die zich bezighouden met informatiebeveiliging,
    zitting hebben. De Nederlandse delegatie wordt door de
    BVD voorgezeten.
    In 1999 was de ontwikkeling op cryptogra.sch gebied een
    belangrijk gespreksonderwerp. De Verenigde Staten, vooral
    wat betreft de export van cryptogra.sche producten, hebben
    daarbij bijzondere aandacht. De VS hebben vrijwel een monopoliepositie
    op het gebied van zware cryptogra.e, aldus een
    woordvoerder van de BVD. Volgens hem leidt dit tot een vorm
    van afhankelijkheid, die tot ‘enige voorzichtigheid’ noopt.

    Quanticogroep

     

    Sinds 1987 bestaat er een informeel internationaal samenwerkingsverband
    inzake het aftappen van communicatie.
    Deze Quanticogroep, ofwel ilets (International Law
    Enforcement on Telecommunications), is een initiatief van de
    FBI. Op de achtergrond speelt de National Security Agency
    (nsa), gespecialiseerd in afluisteren en het breken van encryptie,
    een sturende rol.
    De snelle technologische ontwikkelingen in de telecommunicatiesector,
    de privatisering van de sector en de opkomst
    van globale communicatiesystemen waren voor de VS de
    aanleiding om de samenwerking te zoeken met andere westerse
    mogendheden. Naast Australi, Canada en NieuwZeeland
    nemen de lidstaten van de europese Unie deel aan
    de vergaderingen.
    Binnen de EU wordt het werk voor de Quanticogroep
    gecordineerd in de subwerkgroep Interceptie van de werkgroep
    Politile Samenwerking, ressorterend onder de Raad
    voor Justitie en Binnenlandse Zaken van de EU. In deze subwerkgroep
    heeft de BVD zitting, evenals IVD’s van andere EU-lidstaten.

    Een belangrijk doel van de Quanticobijeenkomsten is het
    gezamenlijk bewerken van de telecommunicatieindustrie om
    te zorgen dat de nieuwste communicatietechnologien
    gestandaardiseerde onderscheppingsmogelijkheden bevatten.
    De laatste jaren is de nadruk steeds meer komen te liggen op
    het aftapbaar maken en houden van internettechnologien.
    In het iletsoverleg kwamen onder meer aan de orde de
    interceptie van satellietcommunicatie, simcards (subscriber
    identity module, abonnee chipcard voor gsmdiensten), het tappen
    van en volgen van targets op internet, Trusted Third Parties
    en in het algemeen nieuwe technologien en de juridische
    aspecten ervan.

    Police Working Group on Terrorism

     

    De oprichting van deze werkgroep, gevormd in 1979 en bestaat
    uit de IVD’s van de EU-lidstaten, was een reactie op het neerschieten
    van de Britse ambassadeur in Nederland, sir Richard
    Dykes. De pwgot groep ontmoet elkaar elk hal@aar. Een Britse
    o; cier verklaarde eens: ‘Ik kan het belang van deze werkgroep
    niet genoeg benadrukken op het gebied van terrorisme in WestEuropa,
    inclusief NoordIerland. We kennen deze personen,
    ze zijn onze persoonlijke vrienden, ze komen ons bij Scotland
    Yard opzoeken als ze in Londen zijn. We zoeken hen ook altijd
    op als we in het buitenland zijn. Het is een zeer solide, collegiale
    werkgroep. We vertrouwen elkaar onvoorwaardelijk en
    geven elkaar zonder vragen informatie door. ‘
    Voor het Britse parlement verklaarden Britse politieo; cieren
    dat de werkgroep ‘samenwerking bevorderde op een meer
    operationeel niveau dan de treviwerkgroepen’.
    Een intern Europoldocument uit november 1998 refereerde
    aan de werkgroep als een van de meest voor de hand liggende
    organisaties waarmee de EUropol antiterreurafdeling
    van Europol tot samenwerking wilde komen. ‘De pwgot lijkt
    wat betreft activiteiten en leden meer op Europol dan enige
    andere instantie. ‘

    Kilowattgroep

     

    Het Kilowatt-overleg, opgericht in 1977, wisselt inlichtingen
    uit over internationaal terrorisme. Het bestaan van dit overlegorgaan
    werd ontdekt in 1982 toen Iraanse studenten materiaal
    vonden in de Amerikaanse ambassade in Teheran.
    De leden van dit netwerk zijn de landen van de europese
    Unie, Canada, Noorwegen, Zwitserland, de Verenigde Staten
    en Isral. Kilowatt lijkt te worden geleid door Isral vanwege
    zijn uitstekende informatie over Arabische groepen in Europa
    en het MiddenOosten. Sinds de ontdekking van het netwerk
    opereert het onder een tot nu toe geheime, andere naam.
    Volgens minister Dijkstal was Kilowatt echter de aanduiding
    voor een ‘secure communication network’ tussen de
    leden van de Club van Bern, dat vooral het Arabische terrorisme
    op het oog had. Het hele begrip Kilowatt bestond inmiddels
    niet meer, zo liet hij in 1995 de Tweede Kamer weten.

    Militaire inlichtingendiensten

     

    de europese militaire inlichtingendiensten hebben hun eigen
    overleggen, maar ze maken geen deel uit van de o; cile overlegstructuren
    van de europese Unie. Wel werkt de mid zowel
    bilateraal als multilateraal samen met enkele zusteren
    partnerdiensten en in navoverband, onder andere op het
    gebied van verbindingsinlichtingen. De samenwerking bestaat
    volgens de mid uit de uitwisseling van gegevens en vormen
    van technische ondersteuning en samenwerking. De militaire
    inlichtingendiensten van de navo stellen jaarlijks een rapport
    op over de veiligheidsrisico’s waarmee de navo naar verwachting
    de komende vijf tot tien jaar zal worden geconfronteerd.
    Op het gebied van inlichtingen, contrainlichtingen en
    veiligheid onderhoudt de mid bilaterale relaties met militaire
    inlichtingendiensten van de navolanden. Tot de partners van
    de mid behoren Albani, Brazili, Bulgarije, Chili, Egypte,
    Estland, Finland, India, Indonesi, Isral, Japan, Koeweit,
    Maleisi, Marokko, NieuwZeeland, Oekrane, Oostenrijk,
    Pakistan, Qatar, Roemeni, Singapore, Sloveni, Slowakije,
    Verenigde Arabische Emiraten, Venezuela, Zweden, ZuidAfrika,
    ZuidKorea en Zwitserland.

    Invloed

     

    Inlichtingendiensten oefenen indirect invloed uit op
    Europese samenwerking en beleidsvorming doordat ze adviseren
    over beleidsvoorstellen die raakvlakken hebben met het
    werk van IVD’s. Soms hebben ze rechtstreeks zitting in de
    relevante Europese werkgroepen. De BVD neemt ook deel aan
    het ‘vooroverleg derde pijler’, waarin actoren op politieen justitieterrein
    de Nederlandse inbreng in de europese justitieen
    politiesamenwerking cordineren.
    De invloed van de IVD’s op de politile en justitile samenwerking
    in Europa neemt toe. Zo benvloeden zij bijvoorbeeld
    de bindende afspraken die in de Raad van Europa worden
    gemaakt over de bestrijding van computercriminaliteit, of de
    aftapeisen en afspraken over het vastleggen van verkeersgegevens
    die worden opgesteld in het kader van de europese Unie.
    Deze ontwikkeling komt voort uit een gedeeld belang dat
    IVD’s en politieen justitiediensten hebben in het aftapbaar
    houden van (nieuwe) communicatietechnologien en de
    bestrijding van aan deze technologien verbonden illegale
    activiteiten. Er vindt in toenemende mate een overlapping
    plaats van het werk van IVD’s en opsporingsdiensten, aangezien
    IVD’s in een aantal EU-lidstaten, waaronder Nederland,
    de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit in hun portefeuille
    hebben.
    Op dit terrein komt het soms echter tot conflicten. Bij de
    onderhandelingen over het Verdrag inzake Wederzijdse
    Rechtshulp bij Strafzaken van de europese Unie ontstond een
    geschil over de meldingsplicht bij het rechtstreeks afluisteren
    van verdachten in een andere eulidstaat. De meerderheid van
    de EU-lidstaten wilde dat een lidstaat die rechtstreeks in een
    andere lidstaat afluistert, dit meldt aan de autoriteiten van het
    desbetreffende land. GrootBrittanni vreesde echter dat zo
    ook het grensoverschrijdend afluisteren door inlichtingendiensten
    ingeperkt werd.
    De lidstaten kwamen uiteindelijk tot een akkoord door
    expliciet te maken dat afluisteren door inlichtingendiensten
    alleen hoeft te worden gemeld als dat plaatsvindt in het kader
    van een strafrechtelijk onderzoek.

    De samenwerking tussen Europese IVD’s neemt toe. Of dit zal
    leiden tot n Europese inlichtingenen veiligheidsdienst valt
    echter te betwijfelen. Op politieen justitiegebied is er ook
    nog weinig echte harmonisatie. Er is eerder een trend te
    bespeuren naar onderlinge afstemming en meer samenwerking,
    met behoud van de nationale soevereiniteit. Bij het
    inlichtingenwerk zal dit niet anders zijn, zeker omdat het
    begrip ‘nationale veiligheid’ hier zo’n grote rol speelt.
    Het is ook de vraag of een gezamenlijke Europese IVD nut
    heeft. De praktische samenwerking en het op elkaar afstemmen
    van beleid en praktijk lijkt een goed alternatief.
    Pragmatische samenwerking, in steeds wisselende coalities
    met een minimale democratische controle, geeft de IVD’s de
    vrijheid en slagkracht die ze graag willen. Elke discussie over
    formalisering van de samenwerking leidt tot lastige discussies
    over taken en bevoegdheden, democratische controle en toezicht.
    de europese IVD’s zijn wel druk doende hun positie binnen
    het integratieproces te versterken. Onder meer in de Club
    van Bern stond dit punt in 2000 prominent op de agenda.
    Zo nu en dan worden suggesties gedaan te komen tot verdere
    stappen. In 1994 stelde het hoogste ambtelijke justitie
    college in de EU: ‘De huidige samenwerking inzake terrorismebestrijding
    functioneert goed en tot algemene tevredenheid
    van alle betrokkenen, hoewel wordt erkend dat op langere
    termijn wellicht gedacht zal moeten worden aan een meer
    gecentraliseerde structuur voor het bestrijden van terrorisme
    op een Unieomvattende basis. ‘
    Ook premier Wim Kok waagde zich eens aan een bespiegeling
    over de toekomst van de inlichtingensamenwerking. In
    september 1998 vertelde hij de Tweede Kamer: ‘Ik hecht
    eraan te wijzen op een spanningsveld enerzijds tussen de
    noodzaak om grensoverschrijdend terrorisme te bestrijden –
    ook in internationaal verband – en anderzijds de terechte constatering
    dat iedereen met al zijn bevoegdheden en instanties
    primair verantwoordelijk is voor het eigen huis. Dat leidt tot
    de vaststelling dat niet veel verder gekomen kan worden dan
    vormen van bilaterale samenwerking. Anders gezegd: het is
    de vraag of wij er, gezien de nog steeds bestaande uitwassen
    van het internationaal terrorisme, met een optelsom van bilaterale
    samenwerkingsverbanden op den duur komen. Dat
    roept de vraag op hoe de nationale soevereiniteit zich verhoudt
    tot de wenselijkheid van internationale samenwerking
    die daar bovenuit stijgt. In euverband merk ik dat hierover
    niet gelijkelijk wordt gedacht. Ook voor Nederland zit hier een
    spanningsveld. ‘

    De oprichting van een zelfstandige Europese defensieen
    interventiemacht kan wel tot verschuivingen leiden. Dit zal
    zich in eerste instantie laten zien op het gebied van de militaire
    inlichtingen. Op dit gebied is de EU sterk afhankelijk van
    de VS. Om daadwerkelijk los van de VSen navostructuur te
    kunnen handelen zal de EU haar eigen inlichtingenpotentieel
    moeten versterken. Nauwere samenwerking tussen de militaire
    inlichtingendiensten lijkt daarvoor noodzakelijk.
    Bondskanselier Gerhard Schrder van Duitsland en president
    Jacques Chirac van Frankrijk stelden in een gezamenlijke
    verklaring over de oprichting van een zelfstandige Europese
    defensiemacht, afgegeven na een topontmoeting tussen beide
    landen op 30 november 1999: ‘Bij inlichtingenverzameling,
    wat een kernelement is van Europa’s onafhankelijke analyseen
    besluitvormingscapaciteit, zijn we bereid de bestaande en
    toekomstige middelen te federaliseren, om een gezamenlijke
    Europese capaciteit te ontwikkelen. ‘
    De WestEuropese Unie (weu) zal opgaan in de nieuw op
    te richten militaire organen van de europese Unie. De
    Assemblee van de weu heeft er bij de EU op aangedrongen een
    militaire inlichtingenstaf van dertig personeelsleden in de
    militaire organen te integreren.
    Sommige deskundigen zien hierin de kiem van een
    Europese inlichtingendienst. De Nederlandse mid stelt echter
    dat de toenemende samenwerking op defensiegebied wel zal
    leiden tot intensievere samenwerking en informatieuitwisseling
    tussen IVD’s, maar niet tot gezamenlijke structuren. Er
    zal geen sprake zijn van een daadwerkelijke Europese inlichtingenverzameling.

    Het ministerie van Binnenlandse Zaken lijkt wat meer te
    verwachten van de defensiesamenwerking. De versterking
    van het gemeenschappelijk buitenlandsen veiligheidsbeleid
    zal doorwerken op de politieen justitiesamenwerking. ‘Dit
    betekent voor de i & vdiensten ook een integratie van in ieder
    geval een deel van hun werkzaamheden’, aldus de
    Nederlandse delegatie, op een vergadering van de Groep
    Terrorisme in oktober 2000.
    Een pleidooi uit onverwachte hoek voor de oprichting van
    een Europese inlichtingendienst komt van de commissie
    van het Europees Parlement die onderzoek verrichtte naar
    het bestaan van het AmerikaansBritse afluisternetwerk
    Echelon. De onderzoekscommissie lijkt zo onder de indruk
    van Echelon dat ze van de weeromstuit pleit voor een
    Europese variant, die zich niet alleen met het defensiebeleid
    bezighoudt. ‘Een gentegreerde europese economische politiek
    impliceert een gentegreerde perceptie op de economische
    realiteit in de wereld. Een gezamenlijke positie in
    handelsbesprekingen zoals de wto vraagt om een gezamenlijke
    bescherming van de onderhandelingspositie. Sterke
    Europese industrien verdienen een sterke bescherming
    tegen economische spionage door landen buiten de Unie. ‘
    Uiteraard ontbreekt een verwijzing naar de gevaren van terrorisme,
    wapenhandel, mensensmokkel en witwassen niet.
    De bestrijding hiervan vraagt om een ‘intensieve samenwerking
    tussen inlichtingendiensten’.

    Europa na 11 september

     

    De aan Osama bin Laden toegeschreven aanslagen van
    11 september 2001 op het Pentagon en de Twin Towers zorgden
    ook in de europese Unie voor een ongekende hectiek.
    Een groot aantal maatregelen en beleidsvoorstellen werd in
    korte tijd uit de hoge hoed getoverd om de aanval tegen het
    internationaal terrorisme in te zetten.
    de europese Commissie bracht in versneld tempo een
    voorstel naar buiten om in de EU een zelfde de.nitie van terrorisme
    te gaan hanteren. Ook de strafmaat op terroristische
    delicten dient in de Unie afgestemd te worden. Het voorstel
    van de europese Commissie zat al enige tijd in de pijplijn,
    nadat de europese regeringsleiders tijdens de speciale Europese
    justitietop in Tampere in oktober 1999 tot een gezamenlijke
    de.nitie en strafmaat van terrorisme hadden besloten.
    de europese Commissie stelt een ruime de.nitie van terrorisme
    voor, namelijk ‘daden met het oogmerk landen, hun
    instellingen of bevolking te intimideren en de politieke, economische
    en sociale structuren van een land op ernstige wijze
    te veranderen of te vernietigen’. Het gaat hierbij om zaken als
    moord, kidnapping, vliegtuigkaping, gijzeling, inbraken in
    computersystemen of aantasting van de energieen watervoorziening.
    Op al deze daden komt een minimum maximumstraf
    te staan die de lidstaten moeten overnemen in hun
    nationale wetgeving.
    Verder stelt de Commissie voor om het lidmaatschap van
    een terroristische vereniging strafbaar te stellen. Een dergelijke
    vereniging is een samenwerkingsverband van twee of meer
    personen die terroristische daden voorbereiden of plegen.
    Ook medeplichtigheid aan zo’n vereniging of aan terrorisme
    wordt strafbaar gesteld. De gedachte achter dit voorstel van
    lijkt vooral te zijn eventuele problemen met uitlevering te
    voorkomen en de bestra; ng van terrorisme te harmoniseren.
    Deskundigen betwijfelen echter het nut van het voorstel. Zo
    zijn de door de Commissie genoemde terroristische daden in
    alle EU-lidstaten strafbaar, f onder speciale antiterrorismewetgeving,
    f onder het gewone strafrecht. Veel problemen
    met uitlevering zullen zich in de praktijk dan ook niet voordoen,
    zeker omdat de europese lidstaten in een uitleveringsverdrag
    uit 1997 de klassieke weigeringsgrond voor uitlevering,
    namelijk het politieke karakter van misdrijven, al grotendeels
    hadden geschrapt.
    Harmen van der Wilt, verbonden aan de Universiteit van
    Amsterdam, verwacht dan ook niet dat er juridisch voor
    Nederland veel zal veranderen. ‘Het gaat om een kaderbesluit,
    de lidstaten dienen het in nationale regels om te zetten’, liet
    hij in de Staatscourant van 18 oktober 2001 weten. ‘Ik verwacht
    dat de Nederlandse regering aansluiting zal zoeken bij
    de bestaande de.nitie van een criminele organisatie. Het kan
    wel gevolgen hebben voor de prioriteiten van het openbaar
    ministerie en het opportuniteitsbeginsel. Je moet eerder aan
    dat soort effecten denken dan aan formeel juridische veranderingen.
    In Nederland bestaat geen speci.eke de.nitie van terrorisme.
    Justitie gebruikt ‘gewone’ strafbaarstellingen om terrorisme
    te bestrijden. De BVD wijst erop dat wereldwijd zo’n 109
    verschillende de.nities van terrorisme bestaan. ‘De oorzaak
    van het de.nitieprobleem moet vooral gezocht worden in de
    negatieve connotaties die vanouds aan terrorisme verbonden
    zijn, en de daaruit voortvloeiende gretigheid van uiteenlopende
    politieke actoren om deze term te pas en te onpas te gebruiken’,
    schreef de BVD in zijn rapport ‘Terrorisme aan het begin
    van de 21e eeuw’ (juni 2001). ‘Daarmee is het gebruik of juist
    bewust achterwege laten van de term terrorisme ook een politieke
    keuze. ‘
    De BVD hanteert zelf een smalle de.nitie van terrorisme.
    Zo vindt de dienst bijvoorbeeld dat levens op het spel moeten
    staan om van terrorisme te kunnen spreken. Als er alleen sprake
    is van zaakschade, of het ontregelen van het maatschappelijk
    verkeer, spreekt de BVD niet van terrorisme. Dit is een
    bewuste keuze, aldus de BVD. ‘De ervaring heeft geleerd dat het
    tot terrorist verklaren van politiek gewelddadige activisten, met
    de daarbij behorende overkill van justitile en politile maatregelen,
    in ernstige mate radicaliserend kan werken. Voor als
    terroristen gedemoniseerde activisten is een normale terugkeer
    in de civiele maatschappij immers niet meer mogelijk,
    nadat een staat hen openlijk de oorlog heeft verklaard. ‘
    De de.nitie die de europese Commissie voorstelt, kan wel
    gevolgen hebben in Europa, omdat er veel onder te scharen
    valt. Zo geeft de Commissie zelf aan dat ook ‘stedelijk geweld’
    onder de noemer terrorisme kan vallen. Volgens Gert
    Vermeulen van de Universiteit van Gent heeft dit een risico in
    zich. ‘Dat heeft natuurlijk met protesten als in Genua te
    maken. Wat is daar de opportuniteit van? Legitieme protesten,
    ook al gaan ze soms gepaard met geweld tijdens demonstraties,
    de kop indrukken door het tot terrorisme te bestempelen?
    Ik vind dat een gevaarlijke ontwikkeling. Het risico met
    dit soort paniekreacties is altijd dat het een aantal klassieke
    vrijheden, die men zorgvuldig heeft opgebouwd in onze
    democratien, overboord zet. De balans tussen veiligheid en
    vrijheid is delicaat. Als je daar al in wilt gaan schuiven, moet
    je tenminste de tijd nemen om tot een zorgvuldige afweging
    te komen. ‘ (Staatscourant, 18 oktober 2001)
    Minister Korthals van Justitie waarschuwde zelfs dat
    invoering van n de.nitie van terrorisme de bewijslast voor
    het om zou verzwaren: ‘Het heeft overigens tot gevolg dat bij
    een vervolging wegens een dergelijk terroristisch misdrijf de
    bewijslast voor het openbaar ministerie zwaarder zal zijn dan
    wanneer vervolgd zal worden wegens de commune variant
    van het delict. Immers niet alleen de gedraging en het gevolg
    dient te worden bewezen, maar ook dat de gedraging werd
    gepleegd met een terroristisch oogmerk. Dat laatste zal in veel
    gevallen niet eenvoudig te bewijzen zijn. ‘
    Korthals gaf in de Tweede Kamer aan het liefst een andere
    de.nitie voor terrorisme te hanteren. In het kader van de
    Verenigde Naties bestaat vrijwel overeenstemming over zo’n
    de.nitie, die volgens Korthals minder bewijsproblemen voor
    het om oplevert. Bovendien vond hij het een slecht idee binnen
    de EU een afwijkende de.nitie te hanteren.
    Korthals wees een te ruime de.nitie af: ‘Voorkomen moet
    worden dat handelingen van politieke actiegroeperingen
    onder de reikwijdte van het kaderbesluit en dus onder de noemer
    van terroristisch misdrijf zouden komen te vallen. Ook de
    lijst van misdrijven is wat Nederland betreft nog te ruim. ‘

    Begin december 2001 bereikten de europese Justitieministers
    overeenstemming over de terreurdefinitie. De Tweede Kamer
    mopperde wel, omdat het nauwelijks de kans had gekregen de
    voorstellen rustig inhoudelijk te bediscussiren. Ook het
    maatschappelijk middenveld had geen kans gekregen haar
    opvattingen te ventileren. Maar onder druk van minister
    Korthals, die aangaf dat het een kwestie van slikken of stikken
    was, ging de Kamer toch akkoord.
    Minister Korthals herhaalde nogmaals dat politieke activisten
    niets hadden te vrezen. De maatregelen waren echt alleen
    bedoeld voor terroristen van enig kaliber, zoals Al Quaida, de
    ira of de eta. Demonstranten, ook als ze hun argumenten van
    stenen vergezeld lieten gaan, hoefden echt niets te vrezen.
    Aan het recht op demonstratie en vrije meningsuiting werd
    niet getornd. De ministers lieten zelfs een verklaring van die
    strekking toevoegen aan de antiterreurbesluiten.
    De argwaan van de burgerrechtenorganisaties bleek echter
    niet veel later toch terecht. Spanje kwam tijdens een vergadering
    van de werkgroep Terrorisme van de EU met een voorstel
    op de proppen om gestructureerd informatie uit te gaan wisselen
    over terroristische inCIDenten. Op zich geen raar voorstel
    om in een gezelschap terreurbestrijders te bespreken.
    Alleen bleek Spanje bij nader inzien te doelen op politieke
    activisten die zich richten tegen de globalisering of zich laten
    horen tijdens Eurotoppen.
    Spanje constateerde in het voorstel namelijk een toename
    van geweld en criminaliteit rond internationale topontmoetingen.
    Dit geweld wordt volgens Spanje georkestreerd door
    een ‘los netwerk van activisten dat zich verbergt achter verschillende
    sociale organisaties’. En daarmee bedoelt Spanje
    ‘groepen die hun legale status gebruiken om de doelen van
    terroristische organisaties te helpen bereiken door hen te
    ondersteunen en te helpen’. Een paar alinea’s verder poneert
    Spanje ook nog de stelling dat ‘gewelddadige radicaliteit van
    jongeren in de steden in toenemende mate het werktuig is
    van terroristische organisaties’. Spanje stelt in het voorstel
    plompverloren dat geweld rond topontmoetingen wl onder
    de europese terreurdefinitie valt.
    Dus moeten de inlichtingendiensten van de lidstaten
    gestructureerd informatie gaan uitwisselen over ‘terroristische
    inCIDenten’ voor, tijdens en na internationale topontmoetingen
    om de daders te kunnen vervolgen en de topontmoetingen
    te beveiligen.

    Niet alle lidstaten waren even gecharmeerd van de Spaanse
    daadkracht. In de vele onderhandelingsronden over het voorstel
    verdwenen langzamerhand de verwijzingen naar antiglobalisten
    als halve en hele terroristen. Zo staat er in de versie
    van maart nog de zinsnede dat ‘er in samenhang met diverse
    evenementen en topbijeenkomsten van de europese Unie
    steeds vaker gewelddaden plaatsvinden, uitgelokt door ongecontroleerde
    elementen – onder wie leden van terreurorganisaties
    – die voor de gelegenheid uit het buitenland zijn gekomen’.
    Ook stelt het voorstel: ‘De feiten worden gepleegd vanuit
    een diffuse achtergrond van groeperingen die optreden
    onder diverse sociale dekmantels. Op die “diffuse achtergrond”
    staan organisaties die taken verrichten welke typerend
    zijn voor de organisaties die in het kader van de EU reeds als
    terroristisch zijn aangemerkt. Deze duidelijke manipulatie
    vormt tegenwoordig een ernstige dreiging, die in de naaste
    toekomst nog aanmerkelijk groter kan worden. ‘
    In de laatste versie (van april 2002) is de tekst verder afgezwakt.
    Er wordt nu gesproken over het ‘risico dat terroristische
    organisaties topontmoetingen zullen aangrijpen voor het
    plegen van terroristische daden’. Deze terreurdaden kunnen
    uitgevoerd worden door ‘losse netwerken van terroristen die
    verbonden zijn aan terroristische organisaties’.
    De lidstaten zouden informatie moeten uitwisselen over
    personen met het stempeltje ‘terrorist’ in het politiedossier,
    die weleens zouden kunnen afreizen naar topontmoetingen.
    Die vage omschrijving staat nog ter discussie. Onder meer
    Nederland prefereert een verwijzing naar de europese lijst
    van terroristische organisaties die eind december vorig jaar
    werd vastgesteld. Alleen als iemand daar lid van is, zou de
    informatiewisseling op gang kunnen komen.

    Over die Europese lijst van terreurorganisaties ontstond nogal
    wat ophef. Eerst omdat het leek alsof het hier ging om een lijst
    van verboden organisaties. Dat bleek later niet het geval.
    Vervolgens ontstond beroering over de opneming van de PKK
    op de lijst. Nederland blokkeerde dit enige tijd, maar ging toch
    overstag. Nederland wilde niet langer als enige lidstaat dwarsliggen,
    zo liet minister de Vries van Binnenlandse Zaken de
    Kamer weten.
    Op de lijst staan Europese organisaties als de eta (en aanverwante
    organisaties: K. a. s., Xaki; Ekin, JarraiHaikaSegi,
    Gestoras proamnista, Askatasuna), afsplitsingen van de ira
    en loyalistische splintergroeperingen, de beweging van de
    17e november en de Grapo. Daarnaast staan er buitenlandse
    organisaties op zoals de Jihad, Hamas, de Japanse sekte Aum
    Shinrikyo, de Iraanse Mujahedine Khalq en Sikhorganisaties.
    Nieuw op de lijst van april zijn naast de PKK ook
    Dev Sol/ DHKCP, het Lichtend Pad uit Peru en Colombiaanse
    guerrillagroeperingen.
    De lijst vermeldt ook 36 personen. 27 daarvan worden aan
    de eta gekoppeld, de anderen komen uit het MiddenOosten.
    Van al deze personen en organisaties moeten onmiddellijk de
    financile tegoeden bevroren worden. Daarnaast verplichten
    de europese landen zich elkaar op alle mogelijke manieren bij
    te staan bij de opsporing, vervolging en bestrijding van de
    genoemde organisaties en personen.
    Ook hier geldt dat onduidelijk is volgens welke criteria personen
    en organisaties op de lijst terechtkomen. Politieke afwegingen
    lijken de bovenhand te voeren. Zo voerden Turkije,
    Amerika, Duitsland en Engeland grote druk op Nederland uit
    om de PKK aan de lijst toe te voegen. Voor de organisaties en
    personen op de lijst is het vrijwel ondoenlijk om zich te
    verweren. Dat bleek al eerder bij een vergelijkbare lijst die
    door de vn is opgesteld. Onder meer in Zweden raakten organisaties
    hun geld kwijt, die geen flauw idee hadden waarom
    ze aan terrorisme werden gelinkt. Toen de Zweedse inlichtingendienst
    bij de vn navraag deed, bleek de lijst opgesteld te
    zijn op basis van informatie van de Amerikaanse inlichtingendiensten.
    Inzage in deze informatie werd uiteraard niet
    toegestaan. Jarenlange procedures voor internationale of
    Europese gerechtshoven zijn waarschijnlijk de enige manier
    om dit soort zaken aan te vechten. Waarbij gevochten moet
    worden tegen een onzichtbare vijanden: oncontroleerbare
    aantijgingen uit geheime inlichtingendossiers.
    Bovendien bleek de afspraak om elkaar ‘op alle mogelijke
    manieren bij te staan’ bij de opsporing en vervolging van de
    organisaties op de zwarte lijst van zwaarder gewicht dan de
    ministers in eerste instantie deden geloven. Spanje stelde
    namelijk niet veel later voor om bij justitie en politie contactpunten
    in te stellen voor de terreursamenwerking, onder verwijzing
    naar de afspraken rond de europese terreurlijst. De
    politie moet informatie bijhouden over onderzoeken naar de
    organisaties en individuen op de europese lijst. De informatie
    behelst onder meer gegevens over de verdachten, actuele
    opsporingsonderzoeken, methoden en technieken waar de
    verdachten zich van bedienen en het mogelijke bezit van
    massavernietigingswapens. De informatie dient te worden
    doorgespeeld aan Europol. Het contactpunt bij justitie moet
    over dezelfde informatie beschikken en bij voorkeur de nationale
    vertegenwoordiger in het Europese justitile samenwerkingsverband
    Eurojust zijn.
    In het voorstel staat verder dat de lidstaten waar mogelijk
    gezamenlijke onderzoeksteams zullen formeren voor opsporingsonderzoeken
    naar terrorisme. Daarnaast dienen de
    lidstaten elkaar snel bewijsmateriaal te overhandigen en voorrang
    te geven aan rechtshulpverzoeken van andere lidstaten.
    Het Spaanse voorstel versterkt dus de afspraken over justitile
    samenwerking die onderdeel vormden van het besluit
    een Europese lijst van terreurorganisaties op te stellen. Het
    Ministerie van Justitie benadrukte steeds dat van de organisaties
    en individuen op de europese lijst alleen de financile
    tegoeden bevroren zullen worden. Het Ministerie van Justitie
    was daarom ook nauwelijks betrokken bij de samenstelling
    van de lijst. De justitile component van het besluit lijkt nu
    toch aan belang te winnen. Wat het belang ervan precies is zal
    de toekomst uitwijzen.
    Een zo mogelijk nog vager voorstel deed Spanje in diezelfde
    tijd. Volgens Spanje kent de europese terreurbestrijding
    namelijk tekortkomingen waar het gaat om gezamenlijk
    onderzoek naar terroristische activiteiten die ‘niet direct van
    criminele aard’ zijn. Volgens Spanje is het op basis van
    bestaande europese afspraken niet altijd mogelijk om gezamenlijke
    onderzoeksteams in te zetten op het gebied van terrorismebestrijding.

    Dit geldt vooral voor onderzoek naar de organisatie, werkwijze,
    infrastructuur en plannen van terroristische organisaties.
    Omdat het volgens Spanje bij dit soort onderzoeken niet
    direct gaat om de opsporing en vervolging van criminele
    daden, schieten de bestaande europese samenwerkingsafspraken
    tekort.
    Spanje wil het daarom mogelijk maken dat lidstaten gezamenlijke
    teams op pad sturen om dit soort onderzoeken te
    doen. De teams zouden zich vooral bezig moeten houden met
    het verzamelen van inlichtingen. Spanje noemt dit ‘nietjuridisch
    of prejuridisch operationeel onderzoek’.
    Verschillende lidstaten hebben reserves bij de Spaanse
    plannen, omdat zo het onderscheid tussen inlichtingenwerk
    en politiewerk vervaagt. Het Spaanse voorstel komt dicht bij
    de instelling van gezamenlijke onderzoeksteams van inlichtingendiensten.
    Dat is voor veel lidstaten een stap te ver,
    al was het maar omdat hun eigen inlichtingendiensten en
    politile antiterreurteams wel strikt van elkaar gescheiden
    zijn. Bovendien is informatie verzameld door inlichtingendiensten
    vaak niet bruikbaar in rechtszaken. De teams zouden
    moeten bestaan uit specialisten uit de lidstaten. Ook Europol
    kan meedraaien in de teams als het aan Spanje ligt.

    Demissionair minister Korthals van Justitie presenteerde in
    juli 2002 het wetsvoorstel dat de gemaakte afspraken uit het
    Europese kaderbesluit terreurbestrijding omzet in de
    Nederlandse wetgeving. Kort gezegd komt het wetsvoorstel
    erop neer dat de strafmaat op zware misdrijven als doodslag,
    mishandeling, kaping of ontvoering automatisch met de helft
    wordt verhoogd als ze gepleegd zijn met een ‘terroristisch
    oogmerk’. Als op een misdrijf al een gevangenisstraf van vijftien
    jaar staat, wordt de straf verhoogd tot levenslang of maximaal
    twintig jaar.
    Onder terroristisch oogmerk wordt verstaan de bevolking
    van een land vrees aanjagen of de overheid danwel een internationale
    organisatie dwingen iets te doen of na te laten. Ook
    de ontwrichting of vernietiging van de politieke, constitutionele,
    economische of sociale structuren van een land of internationale
    organisatie geldt als terroristisch oogmerk.
    In het wetsvoorstel staan de misdrijven die als terroristisch
    kunnen worden aangemerkt expliciet vermeld. Het gaat daarbij
    om zware misdrijven als moord, de veiligheid van de staat,
    aanslagen tegen staatshoofden of andere gezagsdragers,
    brandstichting of verwoesting van infrastructurele voorzieningen.
    Een aantal specifieke terroristische misdrijven wordt
    apart strafbaar gesteld. Het gaat daarbij om gijzeling en doodslag,
    waarop twintig jaar komt te staan.
    Volgens minister Korthals zullen door de strikte omschrijvingen
    strafbare feiten gepleegd door actiegroepen niet onder
    terroristische misdrijven vallen. Zulke strafbare feiten zijn
    over het algemeen geen ernstige misdrijven en hebben geen
    terroristisch oogmerk in de zin van vrees aanjagen of ontwrichting
    van politieke structuren. ‘De pressie die van dergelijke
    activiteiten uitgaat is onvoldoende sterk, ‘ aldus minister
    Korthals.
    Op deelneming aan een terroristische organisatie komt
    een straf van acht jaar te staan. Dat is zwaarder dan de huidige
    straf op deelname aan een criminele organisatie. Volgens
    Korthals is dit gerechtvaardigd omdat terroristische organisaties
    ‘buitengewoon gevaarlijk’ zijn. De leiders van een terroristische
    organisatie kunnen een gevangenisstraf van vijftien
    jaar krijgen. Op het dreigen met een terroristisch misdrijf
    komt een straf van zes jaar te staan.
    Europees aanhoudingsbevel
    Een tweede voorstel van de europese Commissie is de invoering
    van een Europees arrestatiebevel. Dit betekent dat als bijvoorbeeld
    de Italiaanse justitie Nederland vraagt iemand aan
    te houden en aan Itali over te dragen, Nederland dit onverwijld
    doet en niet toetst of de aanhouding naar Nederlandse
    maatstaven rechtsgeldig is.
    Hiermee komt het klassieke vereiste van dubbele strafbaarheid
    te vervallen, wat betekent dat een staat alleen rechtshulp
    verleent als het gaat om een feit dat ook in de eigen wetgeving
    strafbaar is.
    Ook vervalt de toetsing bij uitlevering. In de klassieke uitleveringsprocedures
    kan een staat beslissen niet tot uitlevering
    over te gaan omdat bijvoorbeeld wordt gevreesd voor een
    oneerlijk proces, een slechte behandeling, of omdat het om
    politieke of .scale delicten gaat.
    In het voorstel kan uitlevering worden geweigerd indien
    levenslange gevangenisstraf dreigt, of als het gaat om delicten
    waarvan een lidstaat van tevoren heeft laten vastleggen dat
    uitlevering niet aan de orde is, zoals drugsgebruik, euthanasie
    en abortus.
    Nederland wil dat het Europese aanhoudingsbevel in eerste
    instantie beperkt blijft tot terrorisme. de europese regeringsleiders
    verordonneerden op 22 september 2001 dat de
    twee kaderbesluiten van de europese Commissie uiterlijk in
    december aangenomen moeten zijn. Aangezien een Europees
    arrestatiebevel grote consequenties heeft, denkt Nederland
    dat het alleen mogelijk is tijdig overeenstemming te bereiken
    als de reikwijdte van het besluit tot terrorisme beperkt blijft.
    Tijdens de onderhandelingen bleek de Nederlandse positie
    echter onhoudbaar. De lidstaten vulden de lijst misdrijven
    waarvoor dubbele strafbaarstelling niet langer vereist is steeds
    verder aan. In het uiteindelijk door de justitieministers aangenomen
    kaderbesluit staan ruim dertig misdrijven opgesomd,
    varirend van terrorisme, doodslag, moord, drugshandel
    en mensenhandel tot afpersing en kunstdiefstal. ‘Je ziet
    dat de lidstaten meeliften op de gebeurtenissen van
    11 september’, verklaarde een Nederlandse diplomaat in 42
    De Staatscourant. ‘Lidstaten proberen hun eigen justitile
    prioriteiten naar voren te schuiven. ‘
    De Nederlandse regering concentreerde zich tijdens de
    onderhandelingen, nadat bleek dat de lijst misdrijven langer
    en langer werd, op het veiligstellen van Nederlandse verworvenheden
    als het liberale drugs, euthanasieen abortusbeleid.
    Afgesproken werd dat niet uitgeleverd hoeft te worden
    als de feiten geheel of gedeeltelijk gepleegd zijn op het grondgebied
    van de desbetreffende staat. Duitsland kan dus bijvoorbeeld
    niet om de uitlevering vragen van een Duitser die in
    Arnhem een coffeeshop runt.
    De gevolgen van het Europese aanhoudingsbevel worden
    treffend gellustreerd door de huidige uitleveringszaak tegen
    Juanra Rodriques. Spanje heeft om de uitlevering van Juanra
    gevraagd omdat hij de eta zou hebben geholpen. Tijdens de
    behandeling van het uitleveringsverzoek bleek echter dat het
    uitleveringsverzoek aan alle kanten rammelde. De Spaanse
    Justitie beschuldigt Juanra van steeds andere zaken, maar het
    onderliggende bewijs ontbreekt. De Nederlandse rechtbank
    vond de gang van zaken zo merkwaardig, dat het in juli 2002
    de zaak aanhield en Juanra voorlopig op vrije voeten stelde.
    Eerst moest de Spaanse Justitie maar eens duidelijk maken voor
    welk feit ze nu precies uitlevering vraagt, aldus de rechtbank.
    Ook wilde de rechtbank weten wat er precies gebeurd was met
    de aanklacht van marteling, die was ingediend door een gearresteerde
    etaverdachte. Op basis van verklaringen van deze
    verdachte is de Spaanse Justitie achter Juanra aangegaan.
    Nu is het nog mogelijk om dergelijke kritische vragen te
    stellen over de grond van een uitleveringsverzoek. Als het
    Europese arrestatiebevel begin 2004 van kracht wordt, vervalt
    de rechterlijke toets van uitleveringsverzoeken vrijwel volledig.
    De Nederlandse rechter zal, enigszins gechargeerd, alleen
    nog mogen controleren of het uitleveringsformulier correct
    is ingevuld. Een toetsing van de achterliggende informatie,
    toegepaste onderzoeksmethoden en legitimiteit van het uitleveringsverzoek
    zal tot het verleden behoren. De Nederlandse
    justitie wordt dan een direct verlengstuk van de andere
    Europese justitieapparaten.
    In uitleveringszaken naar de Verenigde Staten, waar de rechter
    ook slechts marginaal mag toetsen, blijkt al wat de consequenties
    daarvan zijn. Ook al is het bewijs tegen verdachten
    bijelkaar gesprokkeld met behulp van anonieme kroongetuigen,
    uitlokking, of criminele burgerinfiltranten (allemaal
    opsporingsmethoden die in Nederland streng verboden zijn),
    het staat uitlevering niet in de weg.

    Verkeersgegevens

    Nederland zette maandag 15 oktober 2001 onverwacht een
    moeizaam bereikt Europees compromis over privacybescherming
    bij telefoonen internetverkeer op losse schroeven. In
    dit voorstel van de europese Commissie staan bepalingen om
    gegevens die inzicht geven in het belen emailgedrag van
    abonnees, snel door de providers te laten vernietigen of anonimiseren.
    Verkeersgegevens mogen net zo lang bewaard worden
    als nodig is om de facturen op te stellen.
    Verschillende lidstaten tekenden al fel protest aan tegen
    het voorstel van de europese Commissie. De vrees was dat
    politieen inlichtingendiensten hun werk niet goed konden
    doen als ze geen mogelijkheden hadden om verkeersgegevens
    te bewaren.
    Nederland stond tot september achter de voorgestelde privacybepalingen
    van de europese Commissie. In juni was een
    compromis bereikt, dat de lidstaten weliswaar meer mogelijkheden
    bood om nationaal afwijkend beleid te voeren op het
    gebied van de opslag en bewaartermijn van verkeersgegevens,
    maar het Commissievoorstel verder grotendeels in tact hield.
    Nederland drong op 15 oktober echter aan op nadere studie
    naar de richtlijn. Volgens staatssecretaris Monique de Vries
    van Verkeer en Waterstaat diende opnieuw bekeken te worden
    of de ‘balans tussen privacybescherming en terrorismebestrijding
    nog steeds in evenwicht is’. Volgens een woordvoerder
    van het ministerie van Verkeer en Waterstaat zal de Telecommunicatie
    Raad pas in december besluiten of de privacyrichtlijn
    aangepast dient te worden. Nederland heeft nog geen
    officieel standpunt. ‘Dat wij nader onderzoek hebben voorgesteld
    is niet voor niks uiteraard, ‘ zegt de woordvoerder.
    ‘Maar het gaat hier om een heel complexe materie. We moeten
    de tijd nemen om het goed te bekijken. ‘
    In het actieplan bestrijding terrorisme, dat het kabinet de
    week daarvoor presenteerde, viel al een verschuiving in standpunt
    te lezen. Het kabinet kondigde onderzoek aan naar de
    bewaartermijnen van verkeersgegevens. Tot nu toe geldt in
    Nederland voor telecomaanbieders alleen een verplichte
    bewaartermijn van drie maanden voor verkeersgegevens van
    vooruitbetaalde mobiele telefoons. Ook wil het kabinet bekijken
    of lokatiegegevens voortaan bewaard moeten blijven.

    Europol en Eurojust
    Bij Europol werd in allerijl de antiterreur eenheid uitgebreid
    met vijfentwintig man. de europese regeringsleiders vaardigden
    op 22 september de oekaze uit dat alle nationale criminele
    informatie op het gebied van terrorisme met Europol diende
    te worden uitgewisseld, iets wat daarvoor eigenlijk ook al
    moest, maar in praktijk niet gebeurde. Voor Nederland zijn de
    BVD en het KLPD in het Europolteam vertegenwoordigd.
    Op basis van de informatie maakt Europol een dreigingsanalyse
    voor de europese Unie. De uitgebreide antiterreureenheid
    is in principe voor zes maanden in het leven geroepen.
    Voor het eind van 2001 moet Europol een Europese lijst
    van terroristische organisaties samenstellen. Deze lijst kan
    gebruikt worden om het lidmaatschap van deze organisaties
    strafbaar te stellen en hun tegoeden te bevriezen.
    Bovendien kwam de discussie op gang of Europol toch niet
    snel meer bevoegdheden moet krijgen, waarbij ze naar het
    voorbeeld van de FBI gemodelleerd zou kunnen worden.
    Europoldirecteur Jrgen Storbeck riep de lidstaten op eindelijk
    ernst te maken met de uitwisseling van informatie. Ook
    moet Europol meer middelen en mogelijkheden krijgen om
    zijn werk naar behoren te doen, aldus Storbeck.
    Voor de cordinatie van justitile onderzoeken naar terrorisme
    wordt het Europese justitile samenwerkingsverband
    Eurojust versneld opgetuigd. Op 10 oktober 2001 vond de eerste
    bijeenkomst plaats. Eind september kwamen politiemensen
    uitBelgi, Duitsland, Frankrijk en Nederland al samen om
    hun onderzoeken te cordineren. In deze landen vonden
    arrestaties plaats in verband met de gebeurtenissen van
    11 september.
    Bovendien gaan de EU-lidstaten het versneld mogelijk
    maken om gezamenlijke onderzoeksteams in te stellen, waar
    ook Europol aan meedoet. De mogelijkheid van gezamenlijke
    onderzoeksteams staat in het Europese Rechtshulpverdrag,
    dat echter nog door de nationale parlementen gerati.ceerd
    moet worden. Europol verwacht op korte termijn twee gezamenlijke
    onderzoeksteams naar terrorisme, waaraan ook
    Europol deelneemt.
    Verder wil de EU dat er snel meer mogelijkheden komen
    voor justitile samenwerking met de Verenigde Staten. Een
    akkoord over informatieuitwisseling tussen Europol en de VS
    dat al in de maak was, wordt versneld uitgevoerd. Voorafgaand
    aan de o; cile ondertekening mag Europol vast informeel
    informatie gaan uitwisselen met de VS. Ook zouden de VS en
    de EU spoediger tot uitlevering moeten overgaan. Complicatie
    daarbij is de doodstraf in de VS. Het Europees Verdrag van de
    Rechten van de Mens (EVRM) verbiedt Europese landen verdachten
    uit te leveren aan landen waar de doodstraf bestaat. In
    bilaterale akkoorden tussen de VS en Europese lidstaten staat
    daarom standaard de bepaling dat uitlevering alleen plaatsvindt
    als de Amerikaanse autoriteiten schriftelijk verklaren
    een eventueel uitgesproken doodstraf niet te zullen uitvoeren.
    President George W. Bush riep de EU echter op om die houding
    te laten varen. Het is voor Amerika ondenkbaar dat een
    uitgeleverde terrorist niet de doodstraf zou kunnen krijgen,
    alleen omdat de EU dat als eis aan uitlevering stelt.

     

    Controle op migranten

    De controle op migranten zal flink verscherpt worden. Belgi
    heeft inmiddels plannen gelanceerd om elke vreemdeling, die
    met een visum Europa binnenkomt, in het Schengen
    Informatiesysteem (sis) op te nemen. Dit is een informatiesysteem
    waar alle politieen immigratiediensten van de europese
    lidstaten toegang toe hebben. In het sis staan voorwerpen
    en personen gesignaleerd, bijvoorbeeld gestolen voertuigen,
    vreemdelingen tegen wie een deportatiebevel is uitgevaardigd,
    of mensen die onder observatie gesteld moeten worden.
    Belgi wil dat alle Europese landen in een centraal register
    bijhouden aan wie een visum wordt verleend. Deze gegevens
    worden ook in het sis opgeslagen. Na afloop van het visum
    controleren de staten of de vreemdeling inderdaad het land
    heeft verlaten. Is dit niet het geval, dan wordt hij of zij in het
    sis gesignaleerd als illegaal. Wordt zo iemand ergens aangehouden,
    en zijn gegevens in het sis gecontroleerd, dan kan
    arrestatie en uitzetting volgen. De lidstaten denken zo het
    misbruik van visa tegen te gaan en beter zicht te krijgen op
    wie zich op Europees grondgebied ophoudt.
    Duitsland heeft nog verdergaande plannen ingediend. Het
    wil in alle Europese lidstaten een verplicht centraal register
    instellen van buitenlanders. Tot nu toe kennen alleen Duitsland
    en Luxemburg zo’n centraal register van buitenlanders.
    In Nederland bijvoorbeeld zijn de gegevens lokaal opgeslagen.
    Bovendien wil Duitsland die nationale registers koppelen,
    waardoor er een centraal Europees register komt van alle buitenlanders
    die in Europa wonen of verblijven.
    Daarnaast stelt Duitsland voor om politieen inlichtingendiensten
    toegang te verlenen tot de vingerafdrukken van asielzoekers
    die in Eurodac zijn opgeslagen. Deze vingerafdrukken
    zijn bedoeld om te kunnen controleren waar een
    asielzoeker als eerste asiel heeft aangevraagd. Dat land is dan
    namelijk verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek.
    Duitsland denkt echter met Eurodac een goudmijn te
    hebben voor de politile controle op asielzoekers. Ook alle
    gegevens die beschikbaar komen bij de aanvraag voor een
    visum zouden voortaan regelrecht naar de inlichtingendiensten
    moeten worden doorgespeeld.
    Tenslotte wil Duitsland dat alle mogelijke Europese databestanden
    aan elkaar gekoppeld worden, om daar Rasterfahndung
    op toe te kunnen passen.

    de europese Commissie heeft inmiddels voorstellen gelanceerd
    om van iedereen die een visum aanvraagt een digitale
    foto te maken, die via een centraal computerregister door
    politiediensten opvraagbaar is. Ook het visum zelf moet ingescand
    worden en online opvraagbaar worden. Op die manier
    meent de europese Commissie betere controle uit te kunnen
    oefenen op buitenlanders. Wie na het verstrijken van zijn
    visum toch in Europa blijft, of wie een visum vervalst, of zijn
    identiteitspapieren vernietigd, zou zo toch traceerbaar zijn.
    de europese asielregels hoeven volgens een onderzoek
    van de europese Commissie niet aangepast te worden. Het is
    op basis van het internationale asielrecht mogelijk om de
    vluchtelingenstatus te weigeren aan personen die worden verdacht
    van oorlogsmisdrijven of terrorisme. Wel blijft de vraag
    wat te doen met zulke asielzoekers. Vaak kunnen ze niet
    teruggestuurd worden, omdat ze dan minder prettige vervolging
    boven het hoofd hangt. Vervolging in het asielland blijkt
    vaak niet mogelijk door gebrek aan voldoende bewijs voor een
    strafrechtelijk optreden. Er ontstaat dus een categorie mensen
    die geen vluchtelingenstatus hebben, maar ook niet uitgezet
    kunnen worden. de europese Commissie wil later met een
    gezamenlijke aanpak voor deze groep mensen komen.

    Voorstellen zoals de invoering van een Europees arrestatiebevel,
    die anders alleen in sterk uitgeklede vorm haalbaar zouden
    zijn, worden nu onder grote politieke druk doorgevoerd.
    Lidstaten die traditioneel voor meer repressieve bevoegdheden
    zijn, zien hun kans schoon. Allerlei bezwaren op het
    gebied van privacy, mensenrechten en burgerlijke vrijheden
    worden onder het tapijt van de bestrijding van het internationale
    terrorisme gemoffeld. Nationale parlementen, die toch al
    weinig te vertellen hebben over het Europese justitieen politiebeleid,
    zullen het niet wagen al te veel kritische kanttekeningen
    te plaatsen.
    Het lijkt alsof iedereen op de wagon van het internationale
    terrorisme wil springen om de eigen agenda uit te voeren.
    Politieen inlichtingendiensten zien ongekende mogelijkheden
    om lang bestaande wensen nu in ijltempo doorgevoerd te
    krijgen. Een indrukwekkend gezelschap voormalige Europese
    toppolitici riep in een manifest op tot radicale bestuurlijke
    hervorming van de europese Unie, onder verwijzing naar
    11 september. De voorzitter van de europese Commissie,
    Romano Prodi, stelde dat 11 september de weg opende voor
    volledige politieke integratie van Europa. En de hoogste ambtenaar
    van de commissie Burgerlijke Vrijheden van het
    Europees Parlement greep 11 september aan om te pleiten
    voor onmiddellijke communautarisering van het Europese
    politieen justitiebeleid.

    Of 11 september ook zal leiden tot een gentegreerde europese
    inlichtingendienst, is echter niet waarschijnlijk. Alom viel de
    roep te horen om betere samenwerking tussen de inlichtingendiensten.
    De hoofden van de europese inlichtingendiensten
    kregen van hun regeringsleiders de opdracht snel bijeeen
    te komen om te bekijken hoe de samenwerking kon worden
    verbeterd. Op 11 en 12 oktober vond de eerste bijeenkomst
    plaats. De BVD stelde tijdens die bijeenkomst voor een inventarisatie
    te maken van de wettelijke bevoegdheden van de
    diensten teneinde ze in alle landen op hetzelfde niveau te krijgen.
    Voorts namen Belgi en Nederland het initiatief om een
    periodiek overleg van de hoofden contraterrorisme in het
    leven te roepen.
    Onder de grote politieke druk die nu uitgeoefend wordt, zullen
    Europese IVD’s ongetwijfeld de samenwerking intensiveren,
    maar een Europese inlichtingendienst zit er niet in. Ook
    minister Klaas de Vries van Binnenlandse Zaken verkondigde
    dit in de Kamer. de europese controle op een inlichtingendienst
    zou onder de maat zijn bij de huidige stand van zaken,
    aldus De Vries in november 2001. ‘De gebeurtenissen van 11
    september hebben natuurlijk geleid tot een stroomversnelling,
    en waar mogelijk probeer ik de samenwerking te stimuleren,
    maar nogmaals: er zijn grenzen; het is te vroeg om te
    zeggen: laten we dit maar naar een Europees niveau tillen. ‘