• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • 8 Economische spionage in het buitenland

    Volledige inhoudsopgave

    De Inlichtingendienst Buitenland

    Het is niet voor het eerst dat er sprake is van activiteiten van
    de BVD in het buitenland. Dat heeft te maken met het moeizame
    bestaan van de Buitenlandse Inlichtingendienst (BID), sinds
    1971 tot zijn opheffing in 1994 Inlichtingendienst Buitenland
    (IDB) geheten. Deze is altijd klein gebleven en kort gehouden
    door de afnemers van zijn producten, de ministeries van
    Algemene Zaken (het departement van de premier),
    Buitenlandse Zaken, Defensie en Economische Zaken. Al in de
    jaren zestig kwam het rond deze dienst tot een crisis. Zoals Dirk
    Engelen het in zijn onderzoek naar de dienst uitdrukt: de BID
    verzamelde inlichtingen waar niemand op zat te wachten en
    wist geen inlichtingen te leveren waaraan wel behoefte bestond.


    Een mogelijke oplossing van dit probleem was een samenvoeging
    van de BID met de BVD. Op aandringen van de minister
    van Financin, die hierbij een duidelijk belang had, werd
    in 1968 een werkgroep geformeerd die moest nagaan of deze
    samenvoeging te realiseren viel. De werkgroep vond het echter
    geen goed idee, onder meer met het oog op de noodzakelijke
    compartimentering. Deze term houdt in dat men bang
    was dat gegevens van de buitenlandse afdeling van zo’n
    gecombineerde dienst zouden doorsijpelen naar de veiligheidstak.
    In de traditionele opvatting over de werking van
    inlichtingendiensten kan zich hier gemakkelijk een belangentegenstelling
    voordoen. De afdeling voor buitenlandse inlichtingen
    hecht eraan zijn bronnen zo lang mogelijk te beschermen
    om ze niet op te laten drogen. De veiligheidsdienst wil
    juist een eind maken aan de buitenlandse spionagenetwerken
    om de schade voor het staatsbelang zo snel mogelijk te beperken.
    Een gepensioneerde IDB’er drukte het tegenover Vrij
    Nederland
    (26 mei 2001) als volgt uit: ‘De BVD is een veiligheidsdienst
    die van nature geneigd is om bepaalde zaken af te
    stoppen. Terwijl een inlichtingendienst juist probeert om
    informatiestromen op gang te houden. ‘
    Wanneer de schotten tussen de twee afdelingen van een
    gecombineerde dienst zo waterdicht worden gemaakt dat er
    geen enkel gegeven doorheen kan dringen, verdwijnen de
    voordelen van de schaalvergroting. In het buitenland zijn
    de buitenlandse inlichtingendienst en de binnenlandse veiligheidsdienst
    zelden n geheel. Wel komt vooral in kleinere
    landen de combinatie van buitenlandse en militaire inlichtingendienst
    voor.
    Er restten voor de Nederlandse dienst toen nog twee oplossingen:
    reorganisatie of ophe; ng. Aanvankelijk koos men
    voor de eerste. Het belangrijkste principe daarbij zou de verregaande
    loskoppeling van verwerving en verwerking van
    gegevens zijn. Verwerving is de eigenlijke spionage: het op
    heimelijke wijze verzamelen van informatie uit menselijke en
    technische bronnen (afluisteren). Verwerking bestaat uit analyse
    en systematische rapportage door combinatie met andere
    gegevens waaronder open bronnen. De IDB zou de ruwe gegevens
    verzamelen en deze onder de afnemers (ministeries en
    geheime diensten) distribueren aan de hand van de door de
    afnemers opgestelde criteria. Verwerking van gegevens uit het
    buitenland zou plaatsvinden bij de BVD. Daartoe zou de al
    bestaande Stafafdeling Buitenlandse Politiek (SBP) van deze
    dienst worden uitgebreid. De SBP had altijd al naar het buitenland
    gekeken. De belangrijkste binnenlandse vijand van de
    BVD, de cpn, werd benvloed door ontwikkelingen in de internationale
    communistische beweging.
    De SBP bestond uit een tiental mensen van academisch
    niveau. De toenmalige cordinator van de inlichtingendiensten
    (een topambtenaar die ressorteert onder het ministerie
    van Algemene Zaken), viceadmiraal (Henk) Bos, die de reorganisatie
    krachtig stimuleerde, was overtuigd van de nauwe
    relatie in de communistische landen bestond tussen politiek
    en economie. Die twee onderwerpen konden dus het best
    worden bestudeerd in hun onderlinge samenhang en de SBP
    was hier een goed instrument voor.
    Eigenlijk was het dus de bedoeling dat de IDB als een soort
    clearing house (distributiecentrum) voor inlichtingen uit het
    buitenland ging optreden. Dit is ook altijd de belangrijkste
    reden voor een zelfstandig bestaan van de dienst geweest.
    Onder de regeringDen Uyl kon de IDB zelfs weer wat aan verwerking
    doen. Daarvoor werd in 1977 een Stafafdeling voor
    Politieke en Economische Aangelegenheden ingesteld. Deze
    was onderverdeeld in regionale bureaus en een bureau dat de
    inlichtingenbehoeften van de afnemers registreerde.
    Deze constructie werkte tot aan de val van de Berlijnse
    muur. Al begin januari 1990 kwam de Ministerile
    Commissie voor de Inlichtingenen Veiligheidsdiensten
    (MICIV ) tweemaal bijeen om een inventarisatie te maken van
    de resterende behoefte aan inlichtingen uit het buitenland.
    Justitie bleek dringend verlegen te zitten om gegevens over de
    handel in drugs, migratiestromen en de ‘behandeling van
    eigen onderdanen door nationale overheden’. Verkeer en
    Waterstaat en Defensie vroegen om maritieme inlichtingen,
    en Defensie maakte zich ook al zorgen om de verspreiding
    van massavernietigingswapens (proliferatie). Binnenlandse
    Zaken (minister Dales en de BVD) bepleitte een scheiding
    van militair en civiel inlichtingenwerk, een standpunt dat logischerwijs
    kon uitlopen op het ongedaan maken van de clearing
    house
    rol en ophe; ng van de IDB. Aangezien de MICIV het er
    ook over eens was dat de IDB wel kon inwonen bij het nieuwe
    pand dat voor de BVD in Leidschendam zou worden gebouwd,
    was het wel duidelijk uit welke hoek de wind waaide. Formeel
    werd nog gewerkt aan een sterfhuisconstructie, maar toen in
    1992 diverse schandalen door lekken van het personeel naar
    onder andere Het Financieel Dagblad naar buiten kwamen,
    hakte premier Ruud Lubbers de knoop door en hief de al ingekrompen
    dienst in 1994 op. De taken zouden worden verdeeld
    tussen de civiele BVD en de militairen van de mid.

    Menselijke bronnen en afluistertechnieken

    Buitenlandse inlichtingendiensten komen aan hun gegevens
    dankzij menselijke bronnen en a?uistertechnieken. Bij menselijke
    bronnen gaat het vooral om personen die een legitieme
    reden hebben om aanwezig te zijn in een gebied waar voor de
    dienst interessante informatie te verwerven valt. Het kunnen
    mensen zijn die voor hun werk in het buitenland moeten zijn,
    zoals Nederlanders die een bedrijf in het buitenland hebben
    of voor Nederlandse bedrijven uitgezonden worden, maar ook
    journalisten, bezoekers van (wetenschappelijke) congressen,
    gepensioneerden die in het buitenland wonen of toeristen.
    Reizigers (zogeheten legal travellers) kunnen met een opdracht
    op pad worden gestuurd of na terugkeer ondervraagd
    worden. Informatieverstrekkers die meer permanent in het
    buitenland verblijven, moeten op een of andere manier
    gerund worden. Dat kan via een legal resident, dat wil zeggen
    een BVD’er die op de ambassade in het land zelf of een buurland
    is gestationeerd en die een legitieme reden heeft om
    de bron regelmatig te spreken. Het kan ook door vanuit
    Nederland de bron op te zoeken, wat als voordeel heeft dat
    complicaties met de ambassade voorkomen worden.
    Buitenlandse Zaken vindt het immers niet prettig om verwikkeld
    te worden in allerlei geheime zaakjes die zijn overige
    taken kunnen compromitteren.
    De tweede belangrijke bron van buitenlandse inlichtingen
    zijn afluistergegevens. Er wordt momenteel veel gepraat over
    het Amerikaans-Britse afluisternetwerk Echelon, maar Nederland
    zelf is een van de landen is die al heel lang een eigen
    afluistercapaciteit hebben voor satellietcommunicatie (telefoon,
    fax). Via het Satelliet Grondstation in Zoutkamp wordt
    ‘nietkabelgebonden telecommunicatie’ afgeluisterd. Zoutkamp
    maakte oorspronkelijk deel uit van het Technisch Informatie
    Verwerkings Centrum (TIVC) van de marine in de
    Marinekazerne van Kattenburg in Amsterdam. In 1996 werd
    dit marineonderdeel samengevoegd met de afluisterdiensten
    van de landmacht en de luchtmacht tot de afdeling Verbindingsinlichtingen
    van de mid. Zoutkamp en Kattenburg vormen
    sindsdien samen het Strategisch Verbindingsinlichtingen
    Centrum (SIVC), een nieuwe naam voor al bestaande
    activiteiten, gerund door militairen. Voor zover de opgevangen
    gegevens van nietmilitaire aard zijn, moet het svic die
    doorgeven aan afnemers. Vroeger gebeurde dat via de IDB.
    Met de ophe; ng van de IDB werd een deel van zijn taken
    verdeeld tussen BVD en mid. Al in 1991, toen de IDB ingekrompen
    werd, waren enkele activiteiten overgeheveld naar
    de BVD. Volgens het jaarverslag 1991 ging het toen om proliferatie
    en om politieke en criminele benvloeding vanuit
    Suriname, ook gericht op de Nederlandse Antillen en Aruba.
    De taken die bij de ophe; ng van de IDB naar de BVD gingen
    werden in het jaarverslag 1992 geformuleerd als ‘het onderhouden
    van contacten met relevante buitenlandse diensten,
    de bewerking van verkregen gegevens, en het uitvoeren van
    internationaal georinteerde, operationele werkzaamheden,
    voor zover gerelateerd aan de veiligheid of andere gewichtige
    belangen van de Staat’. Hiermee kreeg de BVD, zij het ietwat
    versluierd, de bevoegdheid om operaties in het buitenland uit
    te voeren.
    De ‘bewerking van verkregen gegevens’ betreft de verwerking
    van de nietmilitaire onderschepte informatie (politieke
    en economische gegevens) van het TIVC van de marine (later
    SIVC). De op die manier verwerkte ruwe informatie kan dan
    als ruilmateriaal worden ingezet in de bilaterale contacten
    met de buitenlandse diensten.
    Met ‘internationaal georinteerde, operationele werkzaamheden’
    wordt bedoeld het clandestien vergaren van inlichtingen.
    Dit gebeurt meest via menselijke bronnen alhoewel dingen
    als volgen, inbreken en afluisteren in het buitenland niet
    bij voorbaat zijn uitgesloten.
    In de snel uitdijende literatuur over de Nederlandse inlichtingendiensten
    wordt de ‘intelligence cyclus’ vaak genoemd
    als de centrale activiteit van de diensten. Deze cyclus wordt
    over het algemeen beschreven als een proces van vijf stappen:
    bepalen van de behoeften van de afnemers, verzamelen van
    ruwe gegevens, verwerking van die gegevens, analyse en evaluatie
    en tenslotte distributie van de eindproducten onder de
    afnemers. Deze zienswijze laat een belangrijk aspect buiten
    beschouwing, namelijk dat op basis van het verkregen inlichtingenproduct
    de dienst ook zelf handelend kan optreden.
    Het is niet zo dat de dienst alleen maar ‘kijkt’ en dat de afnemers
    kunnen handelen op basis van de kennis die de dienst
    hun heeft verschaft. In de werkelijkheid lopen kijken en handelen
    bij de dienst zelf veel meer door elkaar, met name in de
    operationele sfeer.
    De BVD gebruikte hiervoor vanouds de term ‘exploitatie’ van
    gegevens, die dan stond tegenover ‘acquisitie’ (verwerving).
    Onder exploitatie kan zeker distributie van gegevens aan derden
    vallen, maar ook zelf handelen op basis van verworven
    kennis. In de open literatuur kwam je de term in Nederland
    zelden tegen. Dat de BVD de term zelf altijd al gebruikte, blijkt
    bijvoorbeeld uit de conceptvernietigingslijst voor het BVDarchief
    die minister Hans Dijkstal van Binnenlandse Zaken in
    1997 vaststelde. Hierin wordt de taakuitvoering van de BVD
    omschreven als ‘acquisitie en exploitatie van gegevens over
    personen en organisaties door de BVD’. In het reorganisatierapport
    Een nieuwe BVD uit 1990 dook het begrip al op, als
    een van de categorien personeel in de nieuwe situatie (exploitanten)
    naast teamleiders, analisten, contactambtenaren,
    onderzoekingsambtenaren, vertalers en documentalisten. Het
    begrip exploitatie werd ook gentroduceerd in de Memorie van
    Toelichting bij het ontwerp van Wet op de Inlichtingenen
    Veiligheidsdiensten dat in 1998 werd ingediend. In de nieuwe
    wet is ‘het verzamelen van gegevens’ als taak voor de BVD
    vervangen door ‘het verrichten van onderzoek’. Dit moet dan
    volgens de minister op zijn beurt weer ruim worden uitgelegd,
    want het is gericht op ‘het exploiteren van bevindingen
    uit het onderzoek betreffende geconstateerde bedreigingen’.
    Wie oog heeft voor het brede begrip exploitatie, ziet de
    component geheime actie van het BVDoptreden in het buitenland
    minder gemakkelijk over het hoofd. We hoeven hierbij
    niet direct aan staatsgrepen te denken, het kan ook gaan
    om minder zwaarwichtige vormen van manipulatie, vormen
    van grijze en zwarte propaganda (die niet aan de dienst kan
    worden toegeschreven) of heimelijke benvloeding. Ook al zal
    de BVD deze tak van sport in het buitenland misschien nog
    weinig hebben bedreven, sinds de ophe; ng van de IDB is het
    in principe wel toegestaan.

    Een internationaal netwerk

    Kort nadat in 1992 het besluit was genomen om de IDB op te
    heffen werd, bij de eerste reorganisatie van de BVD sinds het
    einde van de koude oorlog, onder Docters van Leeuwen ook de
    spb, de buitenlandse analyseafdeling van de BVD, opgeheven.
    Dit ondanks het feit dat, naar verluidt, de analyses van deze
    afdeling van hoge kwaliteit waren.
    Een eerste stap bij de uitbouw van de buitenlandse taak
    van de BVD was de aanstelling van een netwerk van permanente
    liaisono; cieren. In rap tempo werden ze aangesteld in
    Washington (1992, tevens contacten met Canada en Mexico),
    Caracas (1993, werkterrein Caribisch gebied en ZuidAmerika),
    Ankara (1995, aanvankelijk werkterrein Balkan,
    zuidelijke voormalige sovjetrepublieken, toenemende aandacht
    voor het MiddenOosten, proliferatie en de islam, in
    1999 verplaatst naar Amman), Singapore (1996, werkterrein
    Azi) en Moskou (1999, werkterrein voormalige SovjetUnie).
    Er zijn ook zeker twee reizende liaisono; cieren. Deze liaisons
    zijn in principe legale vertegenwoordigers van de BVD.
    Het zijn soms niet de minsten. Zo werd waarnemend hoofd
    van de BVD, mr A. Kievits, in 1996 benoemd als BVDliaison
    in Singapore.
    Aan Vrij Nederland vertelde hij dat hij zeker van plan was
    zich bezig te houden met economische inlichtingen. ‘De ervaring
    leert dat met het toenemen van de internationale concurrentie
    de risico’s van economische spionage groter worden.
    Ook bestaat de kans dat er lastercampagnes worden opgezet
    met als doel concurrenten uit te schakelen. ‘ In 1998 was een
    mr A. Kievits nog te traceren als ‘Justitieraad’ in Manila, de
    plaats waar ook de criliaison is gestationeerd.

    Relaties met het bedrijfsleven
    In hoeverre gaat het bij de buitenlandse inlichtingentaak van
    de BVD inderdaad om economische spionage en worden deze
    gegevens ook ter beschikking gesteld van het Nederlandse
    bedrijfsleven? Voor wat betreft de vroegere BID/ IDB was de
    zaak volstrekt duidelijk. Economische inlichtingen werden via
    het ministerie van Economische Zaken (ez) doorgegeven aan
    wie daar belang bij had. Volgens het hoofd IDB in de jaren
    zestig, Theo Crul, was ‘ez gerechtigd [] om speCIAal geselecteerde
    economische informatie in geparafraseerde vorm ter
    kennis te brengen van [] ondernemingen. Deze worden hier
    door in de gelegenheid gesteld bepaalde behoeften op de buitenlandse
    markt te leren kennen, waardoor de export bevorderd
    kan worden. ‘ In Villa Maarheeze, de geschiedenis van de
    IDB, spreken Bob de Graaff en Cees Wiebes van een ‘symbiotische
    relatie’ tussen de IDB en bepaalde bedrijven, ‘waarbij op
    directieniveau bronnen werkten voor de inlichtingendiensten
    en omgekeerd de dienst in Wassenaar vitale economische
    informatie beschikbaar stelde aan juist de directies van die
    bedrijven’. Met de herverdeling van taken na de ophe; ng van
    de IDB ging deze mogelijkheid mee naar de BVD. Maar in hoeverre
    vond die dienst het ook echt belangrijk? Een blik in de
    jaarverslagen van de BVD, die sinds 1991 in gepubliceerde
    vorm bestaan, kan hier enig inzicht bieden.
    Vanaf 1994 merkte de BVD de economische veiligheidsbelangen
    aan als een van de drie ‘centrale veiligheidsthema’s’.
    Dit betekende dat het perspectief aanmerkelijk werd verruimd.
    Voordien had de dienst vooral een beveiligingsbevorderende
    taak bij bedrijven die betrokken waren bij militaire
    productie en bedrijven die kwetsbaar waren voor sabotage. Nu
    werd in het jaarverslag 1994 een veel bredere risicoanalyse
    gemaakt, waarvan de kern was dat er in de nieuwe internationale
    situatie een relatie bestond ‘tussen bepaalde economische
    belangen en de nationale veiligheid. De positie die een
    land inneemt in het internationale krachtenveld wordt
    immers in belangrijke mate bepaald door de stabiliteit van de
    economie, het innoverend vermogen van individuele bedrijven
    en het optimaal functioneren van het vrije marktmechanisme.
    Met het verdwijnen van de oude, vooral op militaire
    kracht gebaseerde, machtsblokken en de opkomst van nieuwe,
    op economische kracht gebaseerde machtsposities doet
    deze stelregel nog sterker opgeld dan voorheen. Als de economische
    kracht van een land wordt aangetast komt op termijn
    de stabiliteit van dat land in gevaar. Met het instandhouden
    van die economische kracht wordt een bijdrage geleverd aan
    het voorkomen van sociale onrust en krijgt politiek extremisme
    minder voedingsbodem. ‘
    Aldus een onverbloemd pleidooi voor de inzet van de
    geheime dienst in de kapitalistische concurrentiestrijd. De
    BVD begint in deze tijd duidelijk te denken in termen van drie
    machtsblokken: Europa, Noord-Amerika en Zuidoos-tAzi.
    De dienst nam de taak op zich de Nederlandse economie
    te vrijwaren van economische spionage, vormen van oneerlijke
    concurrentie (zoals ‘lastercampagnes’) tijdig te signaleren
    en de bedreigingen van het economisch leven door internationale
    criminele organisaties in kaart te brengen. Het jaarverslag
    1994 constateert een ‘groeiende noodzaak voor de BVD
    om zijn werkzaamheden zonodig ook zelfstandig in het
    buitenland uit te voeren’.
    Om een en ander te concretiseren werd in samenspraak
    met het ministerie van Economische Zaken en het bedrijfsleven
    de projectgroep Economische Veiligheidsbelangen opgericht,
    die zich in eerste instantie ging bezighouden met een
    risicoanalyse. Voor die tijd was men ervan uitgegaan dat andere
    landen zich bij hun pogingen om Nederlandse knowhow
    te verkrijgen vooral zouden richten op een aantal speerpunten
    zoals biotechnologie en informatietechnologie. Nu werd een
    meer algemene aanpak gekozen. Tussen januari en september
    1995 werd gesproken met de leiding van driendertig
    grote Nederlandse ondernemingen. De gesprekken bevestigden
    het beeld dat de BVD al had: grote kwetsbaarheid voor economische
    spionage, lastercampagnes van buitenlandse concurrenten,
    pogingen van de internationale maar om te
    infiltreren. In 1996 werd dan ook een stuurgroep geformeerd
    onder leiding van de secretarisgeneraal van Economische
    Zaken, Ad Geelhoed, om te komen tot een probleemschets en
    een plan van aanpak.
    In 1995 verschijnt ook het ministerie van Economische
    Zaken voor het eerst in het jaarverslag als partner voor de BVD.
    Naast het strategisch niveau waarop het overleg over de
    bescherming van de economische veiligheidsbelangen plaatsvindt,
    zijn er vooral contacten met twee afdelingen. Met de
    hoofdafdeling Strategische Goederen en Sanctiebeleid (later
    de afdeling Exportcontrole en Sanctiebeleid) van het directoraat
    generaal voor Buitenlandse Economische Betrekkingen
    (BEB) bestaat een nauwe relatie op het gebied van proliferatie
    en illegale wapenhandel. Op het uitvoerend vlak wordt hierbij
    overlegd met de Economische Controledienst (ecd). Met
    betrekking tot het veiligheidsbeleid ten aanzien van vitale
    bedrijven, instellingen en objecten werd al vanouds samengewerkt
    met de Eenheid Crisisbeheersing van het Commissariaat
    Militaire Productie van ez (het latere projectprogramma
    Crisisbeheer).
    De regering heeft de lijst van vitale bedrijven nooit bekend
    willen maken. Vanuit de jaarverslagen van de BVD mag je aannemen
    dat daarbij in elk geval horen de sector telecommunicatie,
    Schiphol, de energiesector, de watervoorziening, de procesindustrie,
    kerncentrale, de voedselvoorziening, delen van
    de gezondheidszorg en transportsector en sommige hightechen
    informaticabedrijven. Het zijn er zeker een vijftigtal.
    Een rol speelt ook het Nationaal Cordinatiecentrum
    (voorheen Landelijk Cordinatiecentrum) van de directie
    Openbare Orde en Veiligheid op het ministerie van
    Binnenlandse Zaken. Dit houdt zich bezig met voorbereidende
    overheidsmaatregelen bij crisissituaties (type oliecrisis).
    In 1996 constateert de BVD dat ‘de inlichtingendiensten
    van alle grote landen zich de laatste jaren nadrukkelijk zijn
    gaan toeleggen op economische spionage’. Ook de mogelijkheid
    van spionage door grote buitenlandse concerns gericht
    op Nederlandse bedrijfsgegevens wordt genoemd. De vraag is
    of ook Nederland er meer aandacht aan moet gaan besteden,
    uiteraard ‘in verdedigend opzicht’. In 1996 doet de BVD op het
    verzoek van Economische Zaken een orinterend onderzoek
    naar de dreigingen tegen bedrijven en instellingen op het
    gebied van materiaaltechnologie. De conclusie is weinig alarmerend:
    het veiligheidsbewustzijn is hoog en er zijn geen
    grote, schokkende inbreuken op de bescherming.
    De aandacht wordt dan ook verruimd van technologie naar
    strategische bedrijfsgegevens en .nancile gegevens. Ook
    ontdekt men het belang van spionage rond internationale
    handelsbesprekingen. Als het vijandige economische blok via
    spionage achter de onderhandelingspositie kan komen, heeft
    het een groot voordeel behaald. In 1997 constateert de dienst
    dat ook kleinere landen hun wetgeving tegen economische
    spionage verscherpen en het takenpakket van hun geheime
    diensten op dit gebied uitbreiden, ook om in offensieve zin
    informatie te verzamelen met het oog op de economische
    positie van hun land.

    Offensieve inlichtingenactiviteiten

    Vanaf 1998 verdwijnen het thema economische veiligheid en
    het ministerie van Economische Zaken als belangrijke partner
    uit het beeld van het jaarverslag. De samenwerking met het
    ministerie op het gebied van proliferatie en wapenhandel
    wordt wel voortgezet. In 2000 wordt de economische veiligheid
    niet meer genoemd bij het rijtje ‘actuele veiligheidsthema’s’.
    Wel heeft de BVD de laatste jaren het specialisme
    financieel onderzoek ontwikkeld.
    Het verdwijnen de ‘economische veiligheid’ uit het BVDjaarverslag
    roept vragen op. In principe kunnen er twee dingen
    aan de hand zijn. Of de dienst is ermee gestopt omdat hetzij
    er te weinig perspectief voor de nieuwe taak was, hetzij de
    dienst van bovenaf is ingetoomd. Of de dienst is er wel mee
    doorgegaan, maar komt het niet langer goed uit om dit openlijk
    te melden.
    Een verklaring is misschien het aantreden van een nieuw
    hoofd BVD in de persoon van Sybrand van Hulst in september
    1997. Van Hulst, afkomstig van de politie, wil het blijkens een
    portret in NRC Handelsblad (11 juni 2001) graag via het boekje
    spelen en heeft vooral goede contacten met bestuurders. Bij
    zijn aantreden moet hij hebben geconstateerd dat de buitenlandse
    inlichtingentaak van de BVD eigenlijk geen goede wettelijke
    grondslag had. Het is dan ook opvallend dat in 1999 bij
    een van de herzieningen van de wiv opeens het begrip ‘vitale
    economische belangen van Nederland’ naast de nationale veiligheid
    wordt gentroduceerd als buitenlandse taakstelling
    voor de BVD. Economische spionage door staatsorganen was
    inmiddels echter in opspraak geraakt door de onthullingen
    over Echelon. Vandaar dat in de wijziging van het wetsvoorstel
    van 19 maart 2001 de vitale economische belangen als aparte
    taakstelling weer verdwenen. Via een subtiele redenering die
    erop neerkomt dat economische belangen wel degelijk onder
    het begrip nationale veiligheid te vatten zijn, kwamen ze door
    de achterdeur weer terug. Over de praktijk op het terrein hoeven
    we weinig illusies meer te hebben.
    Het in 1998 in het kader van de herziening van de wiv
    gestarte Project Inlichtingen Buitenland moet uitgroeien tot
    een complete directie, die zich bezig zal houden met ‘offensieve
    inlichtingenactiviteiten’. In 1999 werd aanvankelijk
    gedacht aan vijf operationele medewerkers, wat na de aanloopfase
    kon uitgroeien tot tien. Inmiddels is, nadat de plannen
    een aantal malen gewijzigd zijn, vanaf 2003 een omvang
    voorzien van circa vijftig formatieplaatsen. Uitgaande van een
    verhouding 60: 40 tussen operationele en ondersteunende
    medewerkers, zoals die wordt aangehouden in het rapport Een
    nieuwe BVD
    zou het dus kunnen gaan om een uitbreiding van
    tien naar dertig medewerkers in de operationele sfeer. De
    dienst verricht voorbereidende werkzaamheden op het gebied
    van werving, selectie en training van personeel. De kranten
    staan vol met advertenties voor bewerkers, analisten, documentalisten
    en secretarieel personeel.
    Enige verwarring ontstond toen NRC Handelsblad (20
    maart 2001) meldde dat de nieuwe afdeling rechtstreeks zou
    vallen onder verantwoordelijkheid van de ministerpresident.
    In feite staat in het gewijzigde wetsontwerp dat de premier
    in overleg met de betrokken ministers de onderwerpen vaststelt
    die afdeling buitenland gaat onderzoeken. Afgezien van
    deze politieke aansturing blijft ze organisatorisch onder het
    hoofd BVD ressorteren en ook schijnt het dat ze apart zal worden
    gehuisvest.

    Wapens voor Pakistan

    In december 2000 werd huiszoeking gedaan bij het bedrijf
    ank bv in Diemen. Uit de administratie bleek dat het contracten
    klaar had liggen om via een omweg wapens te leveren aan
    Pakistan, een land waaraan geen strategische goederen
    mogen worden verkocht. Directeur H. M. had in voormalig
    Joegoslavi granaatonderdelen laten produceren om deze
    door te leveren aan Pakistan. Omdat de .nancile afwikkeling
    van de transactie in Nederland plaatsvindt, is dit hier strafbaar.
    ank bv was een oude bekende voor de speurders van de
    Economische Controledienst (ecd). Eind jaren negentig kreeg
    het bedrijf al een waarschuwing voor handel van wapens of
    onderdelen vanuit Pakistan via Cyprus naar Joegoslavi.
    Opmerkelijk was dat de tip over het in productie nemen
    van de granaatonderdelen in dit geval uit het buitenland
    kwam, vanuit Sloveni. De tip kwam binnen bij de Centrale
    Recherche Informatiedienst (cri) die de informatie doorspeelde
    aan de ecd. Een openlijke rol voor de BVD kwam bij de
    rechtbankzaak die het gevolg was van de inval niet ter sprake.
    In zijn jaarverslag over 2000 meldt de dienst echter wel dat ‘is
    gebleken dat Nederlandse ingezetenen voorbereidingshandelingen
    troffen voor illegale wapentransacties naar spanningsgebieden
    door gebruik te maken van valse eindgebruikers in
    onverdachte landen of door de goederen vanuit een land buiten
    Nederland te laten leveren. [] De ministeries van
    Buitenlandse Zaken en van Economische Zaken zijn van deze
    handelingen op de hoogte gesteld. ‘
    Mogelijk is de tip dus inderdaad van de BVD afkomstig
    geweest en wil men via deze passage in het jaarverslag het
    succes claimen waar de vanouds concurrerende cri dit al in
    de publiciteit had gedaan. De dankzij de tip gevolgde weg kan
    dan zijn geweest dat de BVD een ambtsbericht heeft uitgebracht
    aan de landelijke o; cier van justitie die is aangewezen
    voor BVDzaken. Het bestaan van deze .guur kwam aan het
    licht tijdens de verhoren door de enqutecommissieVan Traa.
    De commissie vroeg zich toen af of van de inlichtingendiensten
    afkomstige informatie via deze weg kon worden ‘witgewassen’
    voor gebruik door justitie. In dit geval zou de landelijke
    o; cier de informatie, na haar te hebben getoetst op strafrechtelijke
    relevantie, hebben doorgespeeld aan de crifi
    In elk geval lijkt het bij ank bv te gaan om in het buitenland
    verzamelde inlichtingen. De BVD is echter niet de enige
    dienst die over de grens .nancile en economische inlichtingen
    verzameld. Het landmachtblad Flex meldde dat een aantal
    Nederlandse reserveo; cieren van de sectie Inlichtingen
    (g2) in het kader van de vredesmacht sfor naar Bosni is uitgezonden
    voor het .nancieel doorlichten van plaatselijke
    ondernemingen en banken die veel zaken doen met sfor. g2
    is een stafafdeling die zich bezighoudt met militaire veiligheid
    en inlichtingen. In dit geval werden onder meer enkele bankiers
    als reservisten in Bosni ingezet. Pas sinds 1996 is het
    mogelijk om op deze manier militair reservepersoneel in te
    zetten in het buitenland.

    Kernwapens voor Iran?

    In september 1999 bracht een ‘senioradviseur’ van de directie
    Maatschappelijke en Economische Belangen van de BVD
    een bezoek aan een in industrile automatisering gespeCIAliseerd
    bedrijf in Oss. De BVD’er meldde dat de dienst zich zorgen
    maakte over het emailverkeer dat een van de werknemers,
    een senior engineer, sinds december 1998 onderhield
    met een collega in Iran. De Iranir had contact gezocht
    via een door de Nederlander ingerichte website over industrile
    automatisering. Hij was genteresseerd in informatie
    over Programmable Logical Controllers (PLC), programmatuur
    om een computer voor waterzuivering te besturen.
    Dergelijke technologie is allang niet meer onderhevig aan
    exportbeperkingen, omdat ze voor allerlei doeleinden
    gebruikt kan worden, waaronder militaire.
    Volgens de BVD ging het echter om een installatie die van
    belang kan zijn bij het Iraanse programma om zich van kernwapens
    te voorzien. De BVD-ambtenaar vertelde de senior engineer
    en zijn directeur dat de dienst zijn email had ‘gescreend’
    en dat ‘de correspondentie was ge.lterd op kernwoorden
    als waterzuiveringstechniek, PLC en Iran’. Diverse kranten
    speculeerden erover dat de BVD wellicht de zaak op het spoor
    was gekomen via de techniek van het stofzuigen of searchen
    van het emailverkeer, een bevoegdheid die de dienst (nog)
    niet heeft.
    Volgens de werknemer ging het om onschuldige uitwisseling
    tussen hobbyisten van materiaal dat in Europa gemakkelijk
    te verkrijgen is via internet. De BVD hield echter vol.
    Tijdens een contact twee maanden later wilde de dienst de
    werknemer als informant winnen om per email meer te
    weten te komen over de bedoelingen van de Iranir. De man
    was ook al uitgenodigd om een bezoek aan Iran te brengen.
    Na het tweede bezoek bleef de BVD opbellen en aandringen.
    Uiteindelijk verbrak de werknemer het contact met de Iranir,
    omdat hij er ‘doodziek’ van werd. Kennelijk vond de dienst
    het belangrijker om dit kanaal naar Iran te openen dan
    om een eind te maken aan het wegsijpelen van software.
    De hele affaire kan dan ook gezien worden als een misgelopen
    rekruteringspoging.

    Van je vrienden moet je het hebben: MI5 in Nederland

    In 1999 heeft de BVD een onderzoek ingesteld naar vermeende
    illegale contacten van MI5medewerkers in Nederland.
    MI5, de Britse zusterdienst van de BVD, zou met behulp van
    voormalige BVD’ers en IDB’ers een mantelorganisatie hebben
    opgericht. Dit netwerk, gerund door een medewerker van de
    Britse ambassade, die in het latere BVD-verslag als C. wordt
    aangeduid, zou tegen betaling voor de Britten spionageactiviteiten
    hebben verricht in het voormalige Oostblok en
    elders. De BVD was hierover niet genformeerd. Mogelijk hadden
    de Britten er lak aan omdat het niet om spionage in
    Nederland of tegen een Nederlands belang ging. Ze hadden
    kennelijk geen zin om de te verwerven inlichtingen met de
    Nederlandse collega’s te delen. De BVD kreeg er toch lucht van
    en was niet echt blij. De BVD begon observaties en mogelijk
    ook aftapactiviteiten.
    Na bewijsmateriaal te hebben verzameld, stapten twee
    BVD-medewerkers in maart 1999 naar een van de voormalige
    IDB’ers, die op dat moment formeel nog steeds in dienst was
    van het ministerie van Algemene Zaken waaronder de IDB
    viel, zonder daarvoor overigens werkzaamheden te verrichten.
    Ze confronteerden hem met hun visie op de rol van de Engelsman
    C. In het verslag dat de BVD van het gesprek maakte, valt
    te lezen: ‘Wij, de BVD, zijn gestuit op inlichtingenactiviteiten
    van een buitenlandse inlichtingendienst. Het vervelende is
    van deze zaak dat het hier gaat om activiteiten van een
    bevriende buitenlandse inlichtingendienst. ‘
    De gewezen IDB’er ontkende in alle toonaarden maar gaf volgens
    het verslag uiteindelijk toe dat hij in Berlijn was geweest
    om een dekmantelbedrijf op te richten. ‘Ik heb daar een
    nevenvestiging opgericht van mijn bedrijf. Doel van deze
    vestiging was om in samenwerking met Duitse recherchebureaus
    bedrijfsactiviteiten te ontwikkelen. ‘ En even later
    in het gesprek: ‘Nou ja, ik heb daar eigenlijk slechts een naambordje
    aan de gevel geschroefd voor C. Maar dit valt
    nauwelijks als onderdeel van een zakelijke relatie te beschouwen.
    ‘ Waarop de BVD’er tamelijk gevat antwoordde: ‘Nee, dit
    is een duidelijk voorbeeld van een typische inlichtingenactiviteit.
    ‘ Merkwaardig was nog dat de betrokken exIDB’er
    zich in een telefoongesprek de volgende dag verweerde met de
    opmerking ‘dat er belangrijker zaken waren als bestrijding
    van terrorisme’.
    In de publiciteit kwam de zaak aan het rollen doordat de
    voormalige IDB’er na het gesprek naar de Nationale
    Ombudsman liep om zich te beklagen over onbeschoft optreden
    van de kant van de BVD’ers. De Telegraaf wist vervolgens te
    achterhalen dat de bewuste ambassademedewerker in juli en
    augustus 1999 onder druk van de Nederlandse autoriteiten
    vervroegd uit Nederland was vertrokken. Minister Klaas de
    Vries van Binnenlandse Zaken antwoordde op kamervragen
    dat ‘de betreffende dienst’ (de naam MI5 kreeg hij niet over de
    lippen) excuses had aangeboden. Volgens De Telegraaf zouden
    niet nader omschreven personen op de Britse ambassade
    grote vraagtekens zetten bij het Nederlandse optreden. ‘Dit is
    geen professionele werkwijze. Het hoofd van de Nederlandse
    BVD had bij het vermoeden van illegale activiteiten in overleg
    moeten treden met zijn collega van de bevriende zusterdienst.
    Het is niet gebruikelijk dat de Nederlandse overheid, de BVD,
    actie onderneemt tegen een bevriende zusterdienst. Dat is in
    feite behoorlijk onbeschoft. ‘ De Ombudsman honoreerde de
    klacht over onheus optreden overigens niet.
    Hoe moeten we deze geschiedenis nu duiden? Vast lijkt te
    staan dat MI5 bezig was een Europees netwerk op te bouwen
    zonder de plaatselijke nationale dienst erbij te betrekken.
    Vermoedelijk zal het de bedoeling zijn geweest de ‘oude’ netwerken
    van de werkloze IDB’ers erbij te betrekken. Dat vond
    de BVD natuurlijk niet leuk, nu deze net zelf doende was via
    het Project Inlichtingen Buitenland die netwerken opnieuw te
    exploiteren. De Nederlandse reactie (verkapte uitwijzing van
    de MI5agent) is wel bijzonder fel. Dit kan erop wijzen dat er
    bij de activiteiten van de Britten geen sprake was van een
    gemeenschappelijk belang, zoals nonproliferatie of terrorisme.
    In dat geval was men waarschijnlijk wel via de o; cile
    kanalen ‘in overleg getreden’. Waar was MI5 op het vasteland
    van Europa mee bezig?
    Op het seminar Secret Work in an Open Society dat MI5 in
    september 2001 organiseerde, kregen veiligheidsen marketingmanagers
    en risicoanalisten van onder meer British
    Telecom, RollsRoyce, BP, Ernst& Young, CADBury Schweppes
    en British Aerospace te horen dat de Britse contraspionagedienst
    bereid was hun inlichtingen te verschaffen over hun
    buitenlandse zakenpartners en concurrenten. Een van de
    deelnemers zei achteraf: ‘Sir Stephen Lander, directeurgeneraal
    MI5 zei ervan verzekerd te zijn dat MI5 het zakenleven
    vaker kon helpen, als het maar gevraagd werd. Bij situaties
    rond onze buitenlandse activiteiten kon MI5 ons volgens
    hem helpen aan informatie over bedrijven of individuen,
    mits dit niet in strijd was met de privacywetgeving of de mensenrechten.
    [] Het kwam erop neer dat hij wilde benadrukken
    dat MI5 niet alleen moest worden gezien als een binnenlandse
    organisatie. In ruil daarvoor zei hij dat er gevallen
    waren waarin wij informatie aan hen konden geven. ‘ Bij de
    buitenlandse operaties van het Britse bedrijfsleven zou het in
    het bijzonder gaan om contracten in OostEuropa. Berlijn zou
    hiervoor wel een goed uitkijkpunt zijn. Mogelijk is de BVD
    gestuit op voorbereidende handelingen van MI5 ten dienste