• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • Draadloze telefoonsystemen

    Na lezing van het hoofdstuk over telefonie zijn een hoop illusies over privacy danig verstoord. Locatie en identiteit van de abonnee zijn al vastgesteld op het moment dat in de centrale de eerste schakeling is omgezet. De meest interessante alternatieven die zich aandienen voor de klassieke telefoon, zijn de niet aan locatie gebonden communicatiemiddelen. De autotelefoon bijvoorbeeld. Met 120 kilometers per uur of sneller door het land razend, bel je tante Toos om haar te feliciteren met haar verjaardag. Een minuut bellen, en je bent alweer twee kilometer verder. Omdat er geen kabels van je auto naar de centrale lopen, zijn de gesprekken niet zomaar af te luisteren of te traceren, zo wil het gerucht. Ook kun je met je KERMIT bij een Greenpoint op het Centraal Station bellen en snel de trein in springen. Wie de PTT niet helemaal vertrouwt, kan altijd nog zijn toevlucht nemen tot andere mobiele communicatienetwerken. De ether kent geen grenzen en is vrij voor iedereen. Onzin dus, allemaal sprookjes van Grimm.
    Autotelefoons en privacy
    Autotelefoons zijn kleine zender/ontvangers. Zij staan in verbinding met een netwerk van grondstations, dat weer verbonden is met het PTT-telefoonnet. Het principe is eigenlijk heel eenvoudig. Wanneer een autotelefoonabonnee zijn apparaat aanzet, wordt er contact gezocht met de dichtstbijzijnde zender/ontvanger van het autotelefoonnetwerk. Door de ether wordt een identificatiecode gestuurd naar dit grondstation om mee te delen dat betreffende autotelefoon voor het ontvangen en verzenden van gesprekken beschikbaar is.
    Een gespreksaanvraag van een normale telefoonabonnee naar een autotelefoon wordt via het PTT-kabelnet naar het verdeelstation voor het autotelefoonnet gestuurd. Zodra dit verdeelstation bereikt is wordt gekeken via welk grondstation betreffende autotelefoon bereikbaar is. Vervolgens wordt de gespreksaanvraag door het grondstation door de ether naar de autotelefoon gestuurd en begint het toestel te piepen. Wanneer de autotelefoon opgenomen wordt, begint het gesprek. Het signaal gaat via de ether naar het grondstation en van daaruit naar het verdeelstation waar de aansluiting met het kabeltelefoonnet tot stand wordt gebracht, en vice versa. Wanneer je vanuit de auto belt, volgt het signaal de omgekeerde route.
    Er zijn zoals gezegd meerdere grondstations. Het is namelijk niet mogelijk om met de betrekkelijk kleine zender/ontvanger in de autotelefoon een groot gebied te bestrijken. Daarom zijn op regelmatige afstand verschillende steunzender/ontvangers voor het autotelefoonnet neergezet, die zowel met het verdeelstation als onderling met elkaar verbonden zijn. Een bericht hoeft dus maar beperkte afstand door de ether af te leggen. Het gevolg hiervan is dat een autotelefoon die zich verplaatst -en waar heb je dat ding anders voor?- steeds de steunzender oppikt die het dichtst bij is. De telefoon verplaatst zich zogezegd van steunzender naar steunzender en moet zich op het moment dat hij van steunzender wisselt en -zoals dat in vaktermen heet- een nieuwe cel inrijdt, bij het nieuwe grondstation melden met zijn identificatiecode (een op het gehoor moeilijk te interpreteren serie piepjes). Zo wordt aan het autotelefoonnet duidelijk gemaakt via welk grondstation hij te bereiken is. De grondstations hebben allemaal een verschillende frequentie.

    In Nederland bestaan er op dit moment vier Autotelefoon-netten: ATF1, ATF2, ATF3 en ATF4. ATF1 is het oudste autotelefoonnetwerk. Het is het minst fijnmazig, wat betekent dat de cellen het grootst zijn. Gevolg hiervan is dat, omdat de afstand tot de steunzender gemiddeld vrij groot is, de zender van de autotelefoon ook nogal fors moet zijn en daarmee het formaat en gewicht van het apparaat. De handige binnenzaktelefoons waarmee de moderne zakenman vandaag de dag rondloopt werken via ATF3 of het ATF4-net, waar de cellen het kleinst zijn. ATF4, ook wel bekend onder de naam GSM, is het nieuwe digitale net.

    Vanuit privacy-oogpunt liggen de zwakke plekken van dit systeem voor het oprapen. Om te beginnen lopen alle gesprekken uiteindelijk via het reguliere PTT-telefoonnet. Wie zich zoals de overheid van de medewerking van de PTT verzekerd weet, zal weinig problemen hebben met het afluisteren van autotelefoons. Het op grote schaal afluisteren van autotelefoons vanuit de centrale stuitte tot voor kort nog op enige technische bezwaren. Inmiddels beschikt de PTT over mogelijkheden om 180 lijnen tegelijk af te luisteren.
    De autotelefoongesprekken lopen zoals gezegd door de ether en zijn als zodanig eenvoudig op te vangen. Zelfs een scanner van een paar honderd gulden is voldoende om van elk autotelefoongesprek mee te genieten. Wanneer je weet binnen welk frequentiegebied de autotelefoon zich bevindt, is het kinderspel om die in te programmeren, waarmee er een wereld voor je open gaat. De tot op dit moment bestaande autotelefoonnetten zenden de gesprekken namelijk analoog uit, wat maakt dat de gesprekken zonder bewerking te volgen zijn.
    Op zich levert deze methode een weinig selectieve verzameling van gesprekken op. Je weet namelijk nooit van te voren welk gesprek je op welke frequentie binnen krijgt. De politie van Utrecht had daar weinig moeite mee. Zij namen in het kader van een onderzoek naar zware criminaliteit een tijd lang alle autotelefoongesprekken binnen de regio Utrecht op band op. Een weinig selectieve manier van onderzoek, een inbreuk op de privacy van vele honderden mensen en ogenschijnlijk weinig professioneel. Of het zou zo moeten zijn dat dit ongericht zoeken juist vooropgezet doel was!
    De gehanteerde methode maakt het ‘zware criminelen’ die zich bedienen van leentelefoons (geregistreerd onder een andere abbonnee, of technisch aangepaste gestolen autotelefoons) vrijwel onmogelijk om de dans te onspringen. Uit tienduizenden gesprekken die op de band worden vastgelegd kunnen met behulp van stemanalyse gesprekken van een bepaalde persoon ge‹dentificeerd worden, ongeacht via welk abonneennummer die gesprekken worden gevoerd. Met behulp van een zogenaamd ‘stembandje’, een spektraalanalyse van de stem, kan een computer zonder moeite een stem herkennen.
    Er bestaan ook trucs om wat selectiever te luisteren. Voor de meer professionele afluisteraar is het met wat extra apparatuur (een zogeheten frequentieteller en een computer) niet erg moeilijk te peilen op welke frequentie het gesprek van een auto vlak vóór of achter hem wordt doorgegeven. Het meest beroemde slachtoffer van deze methode was de Engelse kroonprins Charles, wiens intieme ontboezingen tegenover zijn geheime minnares, de boulevardpers wekenlang een hoge oplage bezorgde. Ook het overlijden van onze koninklijke hond Miss Pepper en het opzeggen van het vertrouwen in minister Braks door de regering, waren via de autotelefoon te beluisteren. Het uitlekken van de afschaffing van de Wet op de Investerings Rekening (WIR) leidde een weekend lang tot een run op de notariskantoren, wat de schatkist en dus de brave belastingbetaler vele miljoenen kostte.
    Tot voor kort werden abonnees van het autotelefoonnet niet eens door de PTT gewaarschuwd voor het feit dat hun privé-gesprekken gewoon op straat liggen. Weinig gewone telefoonabonnees realiseren zich waarschijnlijk dat wanneer ze door een autotelefoon gebeld worden, evenveel privacy hebben als een radio-omroeper in een live-uitzending.
    Meeluisteren met gesprekken is overigens niet door de wet verboden. Het is echter niet toegestaan die informatie te verwerken, door te geven of op een andere manier te gebruiken, maar wie maalt daar om?
    Een laatste nadeel van de autotelefoon is het feit dat de bezitter ten alle tijde redelijk eenvoudig te lokaliseren is, ook wanneer de autotelefoon in wachtstand staat. Dankzij het principe dat de telefoon zijn beschikbaarheid aan het grondstation automatisch doorgeeft, valt op grond van de identificatie van de telefoon aan het grondstation vast te stellen in welke cel de auto zich bevindt. Met andere woorden: als je bereikbaar bent weet het net waar je bent, ook als je geen gesprekken voert. Er is dan een plaatsbepaling te maken van betreffende autotelefoon tot op soms 500 meter nauwkeurig. Er zijn aanwijzingen dat deze informatie ook achteraf nog een tijd opgeslagen blijft.
    Ondanks al deze nadelen zijn er ook in criminele kringen nogal wat fervente autotelefoongebruikers. Vooral bij de wat beter georganiseerde bendes wordt gebruik gemaakt van een steeds wisselend assortiment gestolen autotelefoons waarvan de identificatiecodes zijn veranderd. Men gebruikt nooit lang hetzelfde toestel en hoopt daarmee de poltieluistervinken voor te blijven. Het is overbodig om te zeggen dat hiervoor wel het nodige ge‹nvesteerd moet worden en flink wat technische kennis nodig is. Bovendien loopt men zoals gezegd de kans om door stemherkenning alsnog tegen de lamp te lopen.
    Nieuwe ontwikkelingen
    Al enige tijd wordt er in de VS en Europa gewerkt aan een wereldwijd digitaal autotelefoonnet. Hiermee zou het strikt nationale karakter van de huidige autotelefoonnetten doorbroken worden. Aan het luisterplezier van amateurafluisteraar zal dan een einde komen want bij dit Global System for Mobile Communications (GSM) wordt dat gedeelte dat door de ether reist gedigitaliseerd. Geluid wordt omgezet tot reeksen enen en nullen. Deze reeksen kunnen als piepjes in een hoog tempo worden verstuurd, ontvangen en we er omgezet in het anologe signaal, geluid of beeld.
    Deze manier van informatie verzenden heeft grote voordelen. Om te beginnen is het via deze methode veel makkelijker om een constant signaal te genereren (alleen maar piepjes) en is storing makkelijk te filteren. Bovendien heeft het signaal een beperkte bandbreedte, waardoor over één frequentie verschillende signalen tegelijk verstuurd kunnen worden.
    Zowel in de autotelefoon zelf als in het grondstation bevindt zich een apparaatje dat de spraak omzet in een digitaal signaal en vice versa. De signalen die via het telefoonkabelnet lopen blijven analoog, en dus voor overheidsluistervinken beschikbaar.
    Bij GSM zal geprobeerd worden de mogelijkheden tot ongeauthoriseerd gebruik in te dammen. GSM-gebruikers krijgen een persoonlijke chipkaart waarop alle persoonlijke gegevens van de gebruiker staan, inclusief de coderingssleutels voor zijn gesprekken. Deze ‘smartcard’ moet hij voordat hij zijn autotelefoon kan gebruiken eerst in het toestel schuiven.
    Het digitale signaal wordt overigens ook nog eens gecodeerd voordat het wordt verzonden. Daarbij wordt gebruik gemaakt van het A5-encryptie algoritme, dat tot voor kort alleen voor militaire doeleinden beschikbaar was. Het gebruik van deze encryptie-techniek bleek een obstakel te zijn voor een wereldwijd GSM-netwerk. Er werd beweerd dat de encryptie zodanig geavanceerd zou zijn dat westerse luisterposten (zoals de National Security Agency) gesprekken via dit net niet zomaar meer zouden kunnen volgen en het daarom ideaal zou zijn voor terroristen en criminelen. Het systeem mag daarom alleen verkocht worden aan exploitanten die bereid zijn hun systeem open te stellen voor officiële controle. Dit betekent dat vooralsnog alleen NATO- en NATO-vriendelijke landen van GSM gebruik mogen maken. Inmiddels is ook deze maatregel weer achterhaald omdat de coderingen waarvan GSM gebruik maakt, alweer gebroken zijn. Eerlijkheidshalve dient wel vermeld te worden dat het decoderen van GSM-berichten wel de nodige inspanningen en investeringen vergt.
    GSM is sinds kort in Nederland beschikbaar. Het is nog fijnmaziger dan ATF3. De plaatsbepaling van de GSM-gebruiker zal nu zó nauwkeurig zijn, dat het voor de politie de moeite loont om zware criminelen gratis een GSM-setje aan te bieden.

    Concluderend kan gezegd worden dat de autotelefoon vooralsnog een zeer indiscreet medium is. Met het invoeren van GSM is weliswaar voorkomen dat iedereen zo maar mee kan luisteren, maar de overheid blijft dat privilege behouden. Als je wil voorkomen dat jouw gesprekken afgeluisterd worden, dan zul je je toevlucht moeten nemen tot spraakversleuteling of versleuteld modemverkeer (zie ook ‘Vesluieren Spraak’).
    Andere draadloze telefoonsystemen
    De laatste tijd wordt steeds vaker gebruik gemaakt van draadloze telefoons, die in verbinding staan met een basisstation dat op het telefoonnet is aangesloten. De communicatie tussen de telefoon en het basisstation loopt door de ether en is in principe te onderscheppen. Met wat technisch vernuft is het zelfs niet erg ingewikkeld op het basisstation van je buurman in te breken en gratis te bellen. Alleen de Kermit-telefoon (PTT, gebruikt bij Greenpoints) digitaliseert haar signaal en biedt op zijn minst de suggestie van discretie. Het signaal wordt niet gecodeerd. Indien men weet hoe het protocol dat door de Kermits wordt gebruikt er uit ziet, is het een kleine moeite het digitale signaal weer in een anoloog signaal om te zetten en is de informatie weer net zo toegankelijk als bij een klassieke analoge draadloze telefoon.
    Semafoons
    Een onmisbaar apparaat voor brandweerlieden, aanstaande ouders en (nog) niet geslaagde businessmen is de semafoon. Het is een low-budget oplossing waarmee je permanent bereikbaar bent.
    De bevalling is aanstaande en je partner stelt je aanwezigheid daarbij op prijs. Je bent echter rommelmarkten aan het afstropen op zoek naar een drieling-kinderwagen en hebt een semafoon bij je. Het enige wat je partner hoeft te doen is te bellen naar het ingangsnummer van de semafoon. De semafoon in jouw zak of tas begint te piepen en/of te trillen. Bij sommige semafoons is het mogelijk een cijfercode mee te geven (van hooguit 14 cijfers) en bij de meest geavanceerde types kun je zelfs tachtig lettertekens en cijfers meesturen. Dan kun je op een minuscuul beeldschermpje zien met welke tussenpozen de weeën komen, waarheen je moet bellen of welke namen je partner op het laatste moment bedacht heeft. Zodra er in de centrale een telefonische melding binnenkomt voor een bepaalde semafoon, wordt deze melding voorafgegaan door een identificatiecode over het zendernetwerk verstuurd. De semafoon herkent vervolgens zijn eigen herkenningscode en reageert daarop. In tegenstelling tot het autotelefoonnet werken semafoons met een vaste frequentie. Nederland kent drie semafoonnetten: twee nationale netten en een Benelux-net.
    De frequenties van de semafoonnetten zijn met een normale ontvanger/scanner door iedereen te traceren. Met behulp van een computer en een converter van zo’n 250 gulden die het semafoonprotocol (Pocsag) omzet in leesbare tekens, zijn semafoonberichten voor iedereen te ontvangen.
    Erg privé is de semafoon dus niet. Aan de andere kant kan de semafoon wel mogelijkheden bieden voor het opzetten van moeilijk traceerbare eenzijdige verbindingen, waarbij zonder dat de opbeller zich hoeft te identificeren, vanuit een telefooncel, een (code) boodschap gestuurd kan worden aan iemand die zich op een niet te lokaliseren willekeurige plaats bevindt.
    Semafoon joy-riding
    De semafoon is in principe een geschikt medium voor het opzetten van niet traceerbare eenzijdige communicatie-kanalen.
    Ans en Carla kunnen elkaar niet bellen, want de telefoon kan worden afgeluisterd. Omdat ze niet in dezelfde stad wonen, willen ze elkaar van tijd tot tijd kunnen bereiken om een afspraak te kunnen maken. Ans zou vanuit een telefooncel, naar een semafoonnummer dat niet van haarzelf is, een codeboodschap kunnen sturen. Carla, degene voor wie het bericht bestemd is, dient wel permanent of op afgesproken tijden het semafoonverkeer te volgen. Wanneer zij berichten volgt die er op een van te voren afgesproken manier uitzien, kan zij ook codeboodschappen gestuurd door Ans ontvangen, herkennen en ontcijferen. De echte eigenaar van de semafoon ontvangt een onbegrijpelijk bericht en denkt dat het een foutje was. In feite lift het bericht van Ans mee via de semafoon van een ander. Geheel volgens de regels is dit uiteraard niet.
    Het meest geschikt voor veilige semafoon joy-riding zijn de numerieke semafoons. Die zijn eenvoudig te bedienen vanuit een telefooncel. De codemogelijkheden beperken zich tot een getal van 14 cijfers. De alfanumerieke semafoons, waarmee een tekstbericht verstuurd kan worden, zijn alleen te bereiken via een operator. In dat geval staat de stem van Ans op de band, wat niet de bedoeling is. Ook kan Ans met behulp van een personal computer een tekstboodschap versturen. (Heb je trouwens al eens geprobeerd te modemen vanuit een telefooncel?)
    Wat hebben mensen nodig voor een dergelijke wijze van communiceren? Aan de ontvangstkant: een eenvoudige scanner/ontvanger, die in staat is de semafoonfrequenties te ontvangen, een simpele personal computer, een semafoonconverter (die het semafoonprotocol omzet in leesbare tekst) en de bij de converter horende software (een eenvoudig communicatieprogramma). Converter en software zijn in Nederland te verkrijgen via Hacktic (tel. 020-6222885) voor de prijs van f 250,-.
    Aan de verzendkant een openbare telefoon met toonkiezer (druktoetsen en piepjes) of een los toonkiesapparaat. Verder moeten ze oproepnummers weten van semafoons.
    Om die te achterhalen moet er eerst wat onderzoek gedaan worden. Een semafoonoproepnummer moet in Nederland beginnen met de reeks ’06-5′. Hierna moeten nog 7 cijfers worden ingegeven. Het semafoonoproepnummer moet in één van de onderstaande reeksen liggen:

    Benelux Bijbehorende frequentie

    06-57500000 / 06-57999999 164.3500 Mhz.
    Nationaal:
    06-58000000 / 06-58749999 154.9875 Mhz.
    Nationaal:
    06-58750000 / 06-59549999 159.9900 Mhz.

    Numerieke semafoons eindigen altijd op een 1 of een 5, maar er zijn ook tone-only’s (semafoons die alleen maar een paar toontjes produceren) die op deze eindcijfers werken.
    Ze proberen nu een nummer dat binnen deze reeks ligt. Wanneer ze vervolgens de melding krijgen “semafoon-aanvraag geaccepteerd”, hebben ze te maken gehad met een ‘tone-only’-semafoon en daar hebben ze weinig aan. Krijgen ze de melding “toets uw informatie in” dan is er sprake van een numerieke semafoon, die ze zouden kunnen gebruiken. Ze toetsen dan een 14-cijferige code in (afsluiten met #) en leggen de telefoon neer. Vervolgens bekijken ze thuis de cijferberichten die zijn langsgekomen in de afgelopen periode, waartussen ongetwijfeld het verzonden bericht zit . Het semafoonnet staat nu voor hen open. Ze kunnen nu hun eigen procedures afspreken over de betekenis van de codes, op welke momenten ze er gebruik van maken, etc.
    Praktisch gezien zou het erop neer kunnen komen dat ze afspreken elke dag gedurende een uur het semafoonverkeer te volgen. Wanneer een van de twee iets te melden heeft gaat zij binnen dat uur naar een telefooncel, belt het semafoonnummer en piept vervolgens een serie getallen in. De ander hoeft weinig meer te doen dan de lijst met semafoonboodschappen die door de computer is gegenereerd door te kijken, op zoek naar een alleen voor haar herkenbaar semafoonbericht.
    Het enige dat traceerbaar aan deze methode is, is het feit dat er regelmatig vanuit bepaalde telefooncellen naar een bepaald semafoonnummer berichten gezonden worden die door de eigenaar van de semafoon niet herkend worden. Het lijkt dus niet onverstandig wanneer Ans en Carla regelmatig van semafoonnummer en telefooncel wisselen.
    De vrije ether
    Ben je niet blij met de service, prijs en (on)mogelijkheden van de PTT/KPN, dan bestaat in principe de mogelijkheid je eigen verbinding op te zetten. Een zendontvanger aan de ene kant en een zendontvanger aan de andere kant, en je bent een eind op weg. Je hebt niets te maken met kabels, centrales of abonnementskosten. Je zendt je bericht door de ether en ontvangt het antwoord van de andere kant. Uiteraard is het een en ander niet zo makkelijk als we hier doen voorkomen.
    Zo is er de wetgeving. Om te voorkomen dat iedereen maar doet waar hij of zij zin in heeft, is het gebruik van de ether aan afspraken gebonden. Voor allerlei verschillende doeleinden zijn frequentiegebieden afgesproken, waar wel of -in de meeste gevallen- geen gebruik gemaakt van mag worden. Zo vinden je buren het waarschijnlijk niet zo leuk, als je gesprekken gaat voeren met tante Annie in Almere, dwars door hun favoriete Hilversum 3-programma heen. Dat mag dus niet, en als je het wel mocht doen, kun je er op rekenen dat vroeg of laat de Radio Controle Dienst je apparatuur op komt halen.
    Er zijn andere frequentiegebieden vastgesteld waar je wel gebruik van kunt maken, maar waar je een vergunning voor nodig hebt. Je moet je registreren en kunt er dus op rekenen dat ze je weten te vinden, wanneer je je niet aan de regels houdt. Tenslotte zijn er een aantal frequentiegebieden volledig opengesteld. Daar mag je doen wat je wilt, mits je gebruik maakt van goedgekeurde apparatuur en ‘s lands wetten niet overtreedt.
    Gemakshalve kun je ervan uitgaan dat alles wat door een zender met een beetje bereik de ether in geslingerd wordt, door de een of andere overheidsdienst geregistreerd wordt. Dat levert zijn beperkingen op. Wil je je aan de wet onttrekken, dan zul je moeten zien te voorkomen dat je met je zender wordt gepakt. Daarbij geldt dat een enorm antennepark op je dak en een groot vermogen van je zender opvalt. Hoe kleiner en mobieler, hoe beter dus. Dat beperkt dan echter wel weer het bereik van je zender

    Wil je desondanks over langere afstand berichten doorzenden, dan kun je gebruik maken van packet radio, waarbij de informatie via verschillende doorgeefstations door de ether reist. Je hebt dan ook de mogelijkheid om al dan niet gecodeerde computerberichten te versturen en ontvangen. Overigens is het gebruik van cryptografie op amateurbanden verboden. Wanneer je gebruik maakt van steganografie (het verbergen van gecodeerde berichten in andersoortige bestanden is het natuurlijk moeilijk aan te tonen dat je crypto gebruikt.
    Packet Radio
    Packet Radio is een digitaal draadloos communicatie-netwerk dat gebruik maakt van het packet-switching protocol. Dat klinkt ingewikkelder dan het is. Er wordt gewerkt met een computer en een soort modem. Het transport van berichten gaat niet door het telefoonnet, maar door de ether. Dat vereist een kleine investering, zowel in geld als energie.
    Packet-switching is als een goed gereglementeerd, beleefd gesprek tussen twee zendontvangers: Ans wacht tot Ben klaar is, waarna Ans de ontvangst bevestigt en antwoord geeft. Er wordt gecontroleerd of de informatie goed is overgekomen en wanneer dat niet het geval is, wordt het ‘pakket’ opnieuw verstuurd, net zo lang totdat het ‘pakket’ van de zender en de ontvanger identiek is.
    Deze techniek garandeert een foutloze, storingsvrije ontvangst van digitale bestanden. Het netwerk-aspect van packet radio berust op een aantal afspraken en conventies. Zo kunnen verbindingen gelegd worden tussen twee zendontvangers die elkaar, door de grote afstand tussen de stations, niet direct kunnen bereiken. Dan wordt gezocht naar een of meerdere tussenstations die bereid zijn als communicatie-intermediair te fungeren.
    Cor, ons fictieve tussenstation, ontvangt een bericht van Ans, met het adres van Ben erop en stuurt dat naar hem door, of naar Dik, voor het geval Ben te ver weg zit. In het spraakgebruik van de ervaren packet radio-ers (en dat schijnen er wereldwijd nogal wat te zijn), worden de stations Cor en Dik aangeduid als digipeaters (digital repeaters).

    Op deze wijze kun je een eigen netwerk opbouwen, waarbij je gebruik maakt van relatief eenvoudige en goedkope apparatuur. Met toegang tot het twee meter netwerk ligt de wereld in principe open. Packet Radio Bulletin Boards, satellietverbindingen, zelfs spraakverbindingen met CD-kwaliteit behoren in principe tot de mogelijkheden.
    Benodigdheden
    Je hebt een eenvoudige computer nodig; een 2 meter 144-146 Mhz, of 70cm 430-460 Mhz zendontvanger (zendmachtiging voor nodig), of een 27MC-bakkie (een 11 meter -27 Mhz- 40 kanalen FM zendontvanger) waarvoor geen zendmachtiging nodig is; een antenne (bij voorkeur een rondstraler); en een packet radio ‘modem’.
    Het zogenaamde Baycom-modem is te gebruiken. Dat is een eenvoudige (zelf te maken) interface tussen de seriële poort van de computer en de zendontvanger, die vooral software-matig wordt aangestuurd. Daarnaast is er ook de Terminal Node Controller. Dit is een wat duurder en intelligenter modem, die een aantal functies van de software overneemt.
    Tenslotte heb je specifieke programma’s voor de communicatie tussen computer en modem nodig.
    De lucht in
    De mogelijkheden van packet radio hangen uiteraard af van de apparatuur die je tot je beschikking hebt. Toch kun je, zonder al te hoge eisen te stellen, met een eenvoudig bakkie al een hoop bereiken. Als er een zender vlakbij zit, wat met bakkies vaak het geval is, zorgt het communicatie-protocol ervoor dat de informatie net zo lang herhaald wordt totdat die foutloos ontvangen is. Dit lijkt een aardige eigenschap te zijn, maar het kan ook nadelen hebben. Als Ans over een korte afstand een bestandje wil opsturen van bijvoorbeeld 1 Kilobyte, en zij de pech heeft dat de buurman een slecht afgeregeld bakkie heeft (dat komt nog al eens voor) dan zal Ans tot de ontdekking komen dat ze beter even op de fiets had kunnen stappen. Maar in het geval dat Ans geen fiets en alle tijd heeft, is het een aardige oplossing.
    Theoretisch kunnen met het gebruik van de 27 Mc enige honderden kilometers worden overbrugd. Jammer genoeg is dit illegaal, want daarvoor moet een ‘opgevoerd’ bakkie worden gebruikt. Met de bestaande legale apparatuur kunnen al wel verbindingen worden gelegd van enige tientallen kilometers. Dat maakt dit ‘punt-tot-punt communicatie-systeem’ een aantrekkelijk alternatief voor diegenen die onafhankelijk van de PTT willen communiceren.
    Met vrienden en vriendinnen kun je een netwerk opbouwen. Dat kan gedeeltelijk via bestaande stations, waarbij je als het ware even de sleutels leent om post te halen of te brengen. Het hangt ervan af hoe bedreven je met de software omgaat. Packet-radio is efficiënt, al kost het de nodige tijd en energie om het op te zetten. Bij het besluit om zo’n netwerk op te zetten, is het raadzaam om klein en laagdrempelig te beginnen.
    Ans woont in stad A, terwijl haar vrienden en vriendinnen zich in de steden B, C en D bevinden. Iedereen schaft zich een zender aan die beschikt over het maximaal toegestane zendvermogen. Doordat Ans in Utrecht woont (lekker centraal!) is zij de enige die met alle drie de steden kan communiceren. In eerste instantie houden ze het simpel en spreken een zendschema af. Op een bepaalde tijd is het station van Ans in de lucht en kunnen er boodschappen gestuurd worden. Omdat zij geen zin heeft om alles wat zij bi nnen krijgt te bekijken, wordt er een adresseringsprotocol afgesproken.
    De eerste letter is van de zender, de tweede letter van de persoon die het bericht moet ontvangen. De DOS-standaard van acht letters per boodschap wordt aangehouden, zodat er nog een aantal letters over zijn. Daar kun je bijvoorbeeld de datum mee aangeven. Ans ziet in één oogopslag voor wie de boodschap bedoeld is en stuurt die door naar B, C of D. Dit is de meest elementaire vorm van het ‘routen’ van een boodschap. Naarmate iemand meer bekend is met het ‘systeem’, dat wil zeggen met de soft- en hardware, kun je het routen gaan automatiseren. Zo kan het eigen station een digipeater-functie krijgen. In dat geval is enige bekendheid met de adresseringen van de Packet-radio netwerken geen overbodige luxe. Iedereen die een beetje bekend is met internationale computer-netwerken kan je overigens op weg helpen.
    Door middel van de adressering wordt de digipeater verteld waar de informatie heen moet. De truc is nu een gateway -een toegangsdeur, ofwel verbinding tussen twee verschillende netwerken- te vinden. Bijvoorbeeld een gateway vanuit de 27 MC’ers naar de twee meter, van waaruit je toegang krijgt tot een wereldwijd netwerk van Packet-radio.
    Een andere mogelijkheid is het opzetten van een gateway van de 27 Mc naar internationale digitale communicatienetwerken. Wanneer de post is voorzien van de juiste adressering wordt die zonder mankeren doorgestuurd naar een gebruikster op het Internet. Voorlopig is dit nog toekomstmuziek, maar de mobiliteit van Packet-radio zou er enorm door vergroot worden (een portable, modem en bakkie is genoeg). Op internationaal vlak zijn de voordelen van dit systeem nog veel groter. Organisaties die in gebieden werken met weinig of geen infrastructuur kunnen zo data-communicatie onderhouden, en tegen lage kosten communiceren via internationale computer-netwerken. Voor iedere organisatie die niet het budget heeft voor een satelliettelefoon, vormt deze vorm van communicatie een uitkomst!

    Samenvattend kan gezegd worden dat met het gebruik van Packet-radio de communicatie-mogelijkheden zijn vergroot. Het systeem kan naar gelang de behoefte groot of klein zijn, afhankelijk van het budget en de aanwezigheid van mensen die er tijd en energie in willen steken etc. Packet radio maakt het mogelijk om redelijk discreet gecodeerde informatie door te seinen. Wanneer er een nieuwe restrictieve wet van kracht wordt die het gebruik van cryptografie in de telecommunicatie aan banden wil leggen, kan packet radio een leuk alternatief vormen.