• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort1_13

    5 Op  26  juni  1996  stemde  het  college  in  met  de  voorgestane  aanpak  en  gaf  hiermee  definitief  het groene licht voor een strafrechtelijk vervolg aan de tot dan toe bekende feiten en vermoedens over de gebeurtenissen in de periode 1990-1994. Bovendien werd door het college besloten om het tactische onderzoek door het LRT te laten verrichten onder leiding van een officier van het landelijk parket. Voor het andere onderzoek, spoor 2, zou een apart team worden geformeerd, dat organisatorisch los stond van het LRT maar dat evenals het LRT-team (spoor 1) onder het gezag zou vallen van de hoofdofficier van  het  landelijk  parket  Holthuis.  Bij  de  beslissing  om  het  tactische  onderzoek  door  het  LRT  te  laten uitvoeren  dient  te  worden  bedacht  dat  dit  rechercheteam  nog  niet  zo  lang  daarvoor  was  opgericht. Hoewel dat als een nadeel werd gezien, werd overwogen dat het een van de taken van het LRT was om incidenteel “onderzoeken van nationaal belang” te verrichten en dat het post-Fort-onderzoek zeker tot  die  categorie  kon  worden  gerekend.  Een  andere  overweging  was  dat  het  LRT  onder  het  gezag stond  van  het  landelijk  parket  en  dat  door  de  toewijzing  van  spoor  1  aan  het  LRT  de  eenduidige gezagsrelatie  tussen  beide  sporen  was  verzekerd.  Immers,  spoor  2  stond  ook  onder  het  gezag  van het hoofd van het landelijk parket. Maar de belangrijkste principiële keuze die werd gemaakt was om een team in te schakelen dat niet “besmet” was door de IRT-affaire. Om die reden vielen de teams uit de Randstad af en viel de keuze, mede gelet op de zojuist genoemde overwegingen, op het LRT. Niet   lang   na   de   beslissing   om   met   een   tweesporen-aanpak   van   start   te   gaan   werd   aan   de personele  invulling  van  de  beide  teams  gewerkt.  Zwerwer,  die  door  zijn  deelname  aan  het  Fort- onderzoek al langer bij de materie was betrokken, werd belast met het geven van leiding aan spoor 2. De  nog  tamelijk  onervaren  en  niet  door  het  IRT-verleden  belaste  officier  van  justitie  E.  Noordhoek werd aangezocht om het tactische onderzoek te leiden. Het plan van aanpak voor beide sporen Op 4 september 1996 werd het definitieve startsein gegeven door het college, op basis van een plan van  aanpak  van  het  hoofd  van  het  landelijk  parket.  In  dit  plan  werden  de  doelstellingen  van  het strafrechtelijke  onderzoek  omschreven.  Het  onderzoek  zou  zich  moeten  richten  op  de  strafrechtelijke aanpak   van   “een   door   de   Nederlandse   overheid   ingezette   criminele   informant,   die   kennelijk   een dubbelspel heeft gespeeld ten nadele van de overheid en van enkele betrokken overheidsfunctionarissen,   indien   althans   kan   worden   vastgesteld   dat   zij   strafbare   feiten   hebben gepleegd”.  Bovendien  zou  het  onderzoek  zich  moeten  richten  op  het  achterhalen  van  “verdwenen geld”,  waarmee  werd  gedoeld  op  de  inkomsten  die  de  vermeende  groei-informant  met  de  invoer  van drugs had behaald. Het    tweede    spoor    werd    gedefinieerd    als    een    “verkennend    onderzoek”    naar    “vooralsnog onopgehelderd  gebleven  punten  uit  het  Fort-onderzoek”.  Het  tweede  spoor  zou  zich  moeten  richten op het fenomeen van de Colombiaanse cocaïnehandel met het accent op corruptieproblemen aan de kant van de Nederlandse overheid. Overigens werd in het plan van aanpak, waarmee het college zijn instemming  betuigde,  wel  gesteld  dat  beide  sporen  als  één  onderzoek  moesten  worden  beschouwd en   dat   er   dus   sprake   zou   moeten   zijn   van   voortdurende   informatie-uitwisseling   en   maximale afstemming. Ook werd door het college uitgesproken dat de beide teams zo volledig mogelijke  toegang tot de beschikbare informatie zouden moeten verkrijgen, waarbij met name aan het onderzoeksmateriaal van het  Fort-team  werd  gerefereerd.  Het  college  onderstreepte  vervolgens  de  centrale,  coördinerende  rol van  het  LRT  door  te  stellen  dat  elders  lopende  onderzoekstrajecten  die  raakvlakken  hadden  met  het LRT-onderzoek   ofwel   stopgezet   ofwel   overgedragen   moesten   worden   aan   het   LRT.   Dit   besluit onderstreepte  nog  eens  dat  het  college  de  behandeling  van  het  onderzoek  wilde  toevertrouwen  aan de twee teams, met uitsluiting dus van de Randstedelijke korpsen die betrokken waren geweest bij de IRT-gebeurtenissen. Een week later werd tijdens een overlegvergadering tussen de minister van Justitie en het college kort gerefereerd aan het plan van aanpak. De minister stelde blijkens de notulen geen vragen en nam de informatie voor kennisgeving aan.