• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_10

    74 van  Leeuwen  tussentijds  aan  Pijl  had  gevraagd  om  aan  te  geven  waarom  het  Fortteam  “zo  heeft kunnen  werken  als  het  werkte”.  Deze  beantwoordde  die  vraag  op  15  mei  1996  in  een  brief  aan Gonsalves  –  per  slot  van  reden  eindverantwoordelijk  voor  het  team  –  en  Docters  van  Leeuwen.56 Hij beklemtoonde   hierin   dat   de   omstandigheden   waarin   het   team   had   moeten   werken   verre   van gemakkelijk  waren  geweest  en  dat  het  zeker  ook  voor  rijksrechercheurs  heel  ongewoon  was  om  in teamverband te opereren. Waarom was het dan toch een “succes” (aanhalingstekens Pijl) geworden? Zeker  omdat  de  beheersmatige  randvoorwaarden  goed  waren  ingevuld.  Maar  –  allerbelangrijkst  – omdat er zulke goede teamgeest was. Om die geest te bereiken moeten, vond Pijl, drie voorwaarden zijn vervuld: “complementaire” teams, goede communicatie en een assertieve opstelling van mensen. We zullen hierna zien of bij de organisatie van de post-Fort-onderzoeken ook werd voldaan aan deze voorwaarden. 3.2.1 Het aanvankelijke scenario Het scenario dat Holthuis mede namens Zwerwer op 19 juni 1996 toefaxte aan Docters van Leeuwen en  (in  afschrift)  aan  Gonsalves  ter  goedkeuring  door  het  college  van  procureurs-generaal,  behelsde het  volgende  plan  van  aanpak.57 Direct in het begin werd gesteld dat er zou moeten worden gewerkt “langs  twee  sporen”.  Vervolgens  werden  de  twee  sporen  uitgewerkt.  Tot  een  goed  begrip  van  wat volgt  dient  hieraan  te  worden  toegevoegd  dat  de  opstellers  aan  het  slot  van  hun  voorstel  opmerkten dat   zij   het   scenario   hadden   opgeschreven   zonder   zich   vragen   te   stellen   over   de   materiële   en personele  haalbaarheid  en  zonder  met  deze  of  gene  erover  te  praten.  Hun  voorstel  was:  “Laat  het college   van   procureurs-generaal   eerst   het   keukentafelscenario   goedkeuren   en   vervolgens   aan   de invulling ervan gaan werken”. Waarom er langs twee sporen zou (moeten) worden gewerkt werd hiervoor al even aangestipt. In zijn interview  heeft  Docters  van  Leeuwen  de  redengeving  hiervan  verder  verduidelijkt.  Hij  in  elk  geval meende  dat  het  nodig  was  om  naast  een  strafrechtelijk  onderzoek  in  enge  zin  ook  een  speciaal inlichtingentraject op te zetten58: “Na  het  Fort-rapport  heeft  er  een  indringende  discussie  plaatsgevonden  in  het  college  en ook  daarbuiten.  Het  heeft  geleid  tot  de  onderzoekssporen  1  en  2.  De  gedachte  daarachter, in  ieder  geval  de  ratio  voor  het  CID-matige  traject,  spoor  2  van  Zwerwer,  was  dat  we  op weinig   konden   terugvallen.   We   hadden   weinig   zicht   op   de   eventuele   arrangementen waarvan sprake zou zijn, ook wel genoemd de “regeling” met Colombianen, de geldstromen waar  het  om  ging,  en  op  de  mogelijke  vormen  van  corruptie.  Die  zaken  vormden  bij  elkaar voldoende  aanleiding  om  er  CID-matig  wat  sterker  naar  te  kijken.  Daarnaast  kon  dan  een strafrechtelijk   onderzoek   worden   gestart   naar   een   aantal   mensen   waar   al   een   redelijke verdenking tegen bestond. Dat gold dan de groei-informant, Van V., L. en een aantal andere subjecten. De gedachte van die twee trajecten was ook om te bezien of we ze wellicht langs die  lijn  in  de  tang  konden  krijgen.  In  zekere  zin  ging  het  er  om  de  betrokkenen  zoet  te houden  door  middel  van  het  formele  gebeuren  en  dan  via  het  informele  CID-matige  traject gewoon wat meer achtergrondinformatie naar boven te halen over wat zich feitelijk allemaal had afgespeeld. Het college heeft de sporen 1 en 2 altijd als één geheel gezien.”                                                 56 Brief D. Pijl d.d. 15 mei 1996 aan R. Gonsalves (B6). 57 Scenario van een strafrechtelijk onderzoek naar aanleiding van de bevindingen van het Fort-team (B6). Het werd door H.  Holthuis  en  S.  Zwerwer  gezamenlijk  ondertekend.  Holthuis  faxte  het  in  zijn  hoedanigheid  van  hoofd  Landelijk Bureau Openbaar Ministerie (LBOM) aan de in de tekst genoemde procureurs-generaal. Op de aanbiedingsbrief d.d. 19 juni 1996 werd door hem het etiket van “stg.-geheim” geplakt (B6). 58 Interview A. Docters van Leeuwen d.d. 17 januari 2001.