• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_104

    168 Het college van procureurs-generaal verklaarde zich op 3 september 1997 akkoord met dit voorstel.371 Een  week  later  werd  het  eveneens  besproken  tijdens  de  overlegvergadering  van  de  minister  van Justitie  met  het  college  van  procureurs-generaal.  De  secretaris-generaal  die  hierbij  aanwezig  was, stemde  eveneens  met  het  voorstel  in  en  liet  tevens  in  de  notulen  opnemen  dat  de  minister  in  een vervolggesprek eveneens haar instemming met de conclusies had betuigd.372 Enkele   dagen   later   reeds   bleek   de   directe   aanleiding   tot   de   onderzoeksactiviteiten   –   de bedreiging van een officier van justitie – echter weggevallen te zijn. Blijkens een vertrouwelijke notitie van  Klopper-Gerritsen  d.d.  15  september  1997  waren  de  hypothesen  omtrent  een  groep  daders  die een  aanslag  zouden  voorbereiden  op  de  bewuste  officier  van  justitie  op  losse  schroeven  komen  te staan.373 Het wegvallen van deze dreiging betekende ook het einde van de coördinatiegroep. Op 6 oktober 1997  vond  een  laatste  bijeenkomst  plaats  in  aanwezigheid  van  vertegenwoordigers  van  het  college van procureurs-generaal, de arrondissementsparketten Alkmaar, Amsterdam en Haarlem en de BVD. Tijdens     deze     bijeenkomst     werden     afspraken     gemaakt     over     het     vervolg     van     een     aantal onderzoeksactiviteiten.  Van  belang  was  in  het  bijzonder  het  voornemen  om,  onder  leiding  van  officier van  justitie  Teeven,  de  criminele  inlichtingendienst  (CID)  van  het  Kernteam  Amsterdam  (KTA)  een analyse  te  laten  maken  van  andere  bedreiginggevallen  van  officieren  van  justitie.  Aan  het  eind  van 1997   moest   worden   bekeken   of   de   bevindingen   van   de   CID-analyse   een   verkennend   onderzoek rechtvaardigden. De  tweede  belangrijke  afspraak  betrof  de  XTC-zaak  en  de  liquidatie  van  Van  der  Heiden.  Deze afspraak behelsde dat het Alkmaarse dossier de basis zou vormen voor vervolgonderzoek. De uitgifte van  informatie  uit  het  IRT-dossier  moest  worden  afgestemd  tussen  Snijders  en  Teeven,  onder  de verantwoordelijkheid van de hoofdofficier van justitie te Amsterdam. De plaatsvervangend hoofdofficier van  justitie  te  Amsterdam  deed  de  toezegging  na  te  zullen  gaan  waar  dit  onderzoek  kon  worden ondergebracht.374 7.4.2 De aanloop tot het “Schilderstraject” In  hun  rapport  van  17  juni  1997  dat  eerder  werd  besproken  somden  Snijders  en  De  Wit  meer  dan twintig   mogelijkheden   op   voor   verder   onderzoek.   Hoewel   de   opties   qua   strekking   en   inhoud uiteenlopend  van  aard  waren,  valt  op  dat  vele  onderzoekssuggesties  op  enigerlei  wijze  te  maken hadden  met  verdovende  middelen  transporten  uit  Zuid-Amerika.  In  de  zomer  van  1997  vond  binnen het “team-Snijders” – dat op dat moment bestond uit het reeds genoemde tweetal en rijksrechercheur Schouten  –  een  verdere  verschuiving  plaats  in  de  richting  van  dit  deel  van  de  wereld.  Aanleiding hiervoor  waren  gesprekken  die  door  Schouten  en  De  Wit  werden  gevoerd  met  de  voormalige  CRI- liaison, Van Stormbroek. De laatste gaf aan – mede op grond van zijn ervaringen in het buitenland en daartoe  gemachtigd  door  de  leiding  van  de  CRI375  –  dat  verschillende  bronnen,  onafhankelijk  van elkaar,  hem  te  kennen  hadden  gegeven  dat  zij  bereid  waren  om  te  praten  met  vertegenwoordigers van de Nederlandse overheid.376 Schouten vertelt het zo377: “De achtergrond van dit alles was, dat ik in september 1997 Ab van Stormbroek tegen het lijf liep. Ik zat toen op de kamer van De Wit bij de CRI voor het analyseren van het IRT-dossier.                                                 371 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 3 september 1997 372 Notulen   van   de   overlegvergadering   van   de   minister   van   Justitie   en   het   college   van   procureurs-generaal   d.d.   10 september 1997 (C1). In het periodiek overleg met het landelijk parket op 12 september 1997 werd deze uitslag van het beraad door C. Ficq aan de orde gesteld. Zie “Enkele bespreek- en actiepunten periodiek overleg (1 op 1 met procureur- generaal Ficq)” d.d. 12 september 1997 (C1). 373 Notitie Klopper-Gerritsen d.d. 15 september 1997 aan C. Ficq e.a. (D21). 374 Vergelijk “Bespreking 6 oktober 1997” (D21). 375 Interview A. van Stormbroek d.d. 23 januari 2001. 376 Memo J. de Wit d.d. 25 augustus 1997 aan J. Snijders (D21). 377 Interview P. Schouten d.d. 9 februari 1997.