• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_113

    177 Via   het   hoofd   van   het   LBOM   had   Zwerwer   enkele   weken   eerder   het   college   van   procureurs generaal op de hoogte gesteld van zijn plannen. Ficq liet in het periodiek overleg met het LBOM op 28 november 1997 weten dat het college akkoord ging met het voorstel om de personen in kwestie om de tafel   samen   te   brengen   met   een   bandrecorder.   Het   doel   hiervan   was,   aldus   het   verslag   van   het periodiek overleg, het beveiligen van de mensen zelf (hun vastgelegde verhaal komt ergens te liggen), alsmede  het  vinden  van  samenhang  in  hun  verhalen.  Als  notulisten  voor  de  bijeenkomst  werden  De Wit en Schouten genoemd.403 Zwerwer leunde in zijn voorstel op de premisse dat “er tussen de vier deelnemers aan het ronde tafel   gesprek   geen   ingebouwde   argwaan   bestond”.404   Hierin   bleek   hij   zich   schromelijk   te   hebben vergist.   In   het   bijzonder   tussen   Teeven   en   Snijders   was   een   dusdanige   vorm   van   wantrouwen gegroeid,  dat  het  oriënterende  gesprek,  dat  gepland  stond  voor  19  januari  1998,  nimmer  plaatsvond. Holthuis bevestigde later in het interview dat het geen gering probleem was “dat het onderling tussen de   betrokken   personen   niet   boterde”.405    Van    Straelen    gaf    in    het    interview    de    hier    bedoelde problematiek kernachtig weer406: “(…)  in  zo’n  zaak,  met  zoveel  vertakkingen,  met  zoveel  pijn  en  met  zulke  persoonlijkheden die  betrokken  zijn,  zou  er  iemand  moeten  zijn  die  boven  iedereen  gezeten  alle  belangrijke beslissingen neemt. Er is geen procureur-generaal geweest die de zaak naar zich toe heeft getrokken,   die   heeft   gezegd   ik   voel   me   ervoor   verantwoordelijk   en   ik   ga   het   nu   goed aanpakken.   Het   060-onderzoek   is   onder   een   ongelukkig   gesternte   gestart   na   het   Fort- onderzoek. Want het Fort-onderzoek heeft in Haarlem zowel bij het openbaar ministerie als bij de politie grote wonden geslagen. Het was achteraf bekeken (…) beter geweest wanneer men  had  gezegd  dat  Haarlem  zich  niet  met  het  post-Fort-onderzoek  zou  mogen  bemoeien. En  het  was  ook  verstandig  geweest,  daar  waar  meerdere  parketten  betrokken  waren,  de zaak in één hand te houden, dus één parket de leiding te geven. Of men had sterke centrale coördinatie erop moeten zetten. Maar beide zijn niet gebeurd.” 8.5 Conclusie Eerst   en   vooral   moet   het   opmerkelijk   worden   genoemd   dat   ook   op   zulk   een   cruciaal   strategisch moment  in  het  project  als  het  overleg  van  het  college  van  procureurs-generaal  in  november  1997 geheel   onvoorbereid   betrekkelijk   ingrijpende   beslissingen   worden   genomen   op   grond   van   losse stukken,   beeldmateriaal   en   mondelinge   uiteenzettingen.   Een   of   meer   rapporten   waarin   op   een systematische manier de grondslag van onderzoeken, de kwaliteit van de bijbehorende informatie, de relaties  tussen  onderzoeken,  de  mogelijkheden  voor  hun  voortzetting,  et  cetera  worden  behandeld, lagen ook nu niet voor. De korzelige opmerkingen van verschillende procureurs-generaal over een en ander vallen in dit licht goed te begrijpen. Hierom is het in zekere zin echter even opmerkelijk dat niet alsnog    van    de    verschillende    onderzoeksleiders    werd    verlangd    dat    zij    op    korte    termijn    een onderbouwde rapportage omtrent hun bevindingen en voorstellen zouden schrijven. Ook met het oog op  toekomstig  overleg  over  de  onderscheiden  onderzoeken:  hoe  zou  men  over  enige  tijd  zonder dergelijke hulpmiddelen hun voortgang nog kunnen beoordelen? De  indruk  dringt  zich  op  dat  dit  niet  gebeurde  omdat  de  leden  van  het  college,  in  elk  geval Docters   van   Leeuwen   zelf,   niet   alleen   het   gevoel   hadden   dat   zij   wel   over   het   nodige   overzicht beschikten  maar  ook  dat  er,  zij  het  met  kleine  stapjes,  vooruitgang  werd  geboekt.  Dit  gevoel  stemde                                                 403 Notulen periodiek overleg tussen procureur-generaal portefeuillehouder en LBOM d.d. 28 november 1997 (B2). 404 Brief S. Zwerwer aan J. Snijders, F. Teeven en (…) d.d. 18 december 1997 (D2). 405 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001. 406 Interview F. van Straelen d.d. 15 januari 2001.