• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_14

    78 Deze    aanpassingen    waren    dus    bepaald    niet    gering:    een    zekere    ontkoppeling    van    de    beide onderzoeken  op  het  niveau  van  het  openbaar  ministerie  en  de  mogelijke  inschakeling  van  het  LRT voor   het   onderzoek   in   spoor   1.   Waardoor   of   door   wie   deze   belangrijke   alternatieven   werden ingegeven  valt  niet  op  te  maken  uit  de  beschikbare  stukken.  Duidelijk  is  wel  dat  Gonsalves  een uitgesproken   voorkeur   had   voor   de   inzet   van   het   LRT.   In   de   brief   die   hij   als   portefeuillehouder georganiseerde   criminaliteit   op   24   juni   1996   schreef   aan   het   college   van   procureurs-generaal, adviseerde  hij  het  college  met  betrekking  tot  spoor  1  te  kiezen  voor  het  alternatief  een  deel  van  het LRT  met  het  onderzoek  te  belasten  onder  het  gezag  van  het  LBOM  onder  leiding  van  een  op  het LBOM    gedetacheerde    zaaksofficier,    in    de    wetenschap    dat    het    LRT    voor    dat    onderzoek    op detachementbasis  tijdelijk  zou  moeten  worden  versterkt  vanuit  een  of  meer  kernteams  en  de  FIOD. Waarom dan toch deze keuze? Het voordeel van dit alternatief, zo schreef Gonsalves, boven de optie om dit onderzoek te doen uitvoeren door het kernteam NON was dat spoor 1 en spoor 2 beide onder het   gezag   van   het   LBOM   konden   worden   uitgevoerd   en   dat   dit   voor   een   optimale   onderlinge afstemming van groot belang moest worden geacht. Het voorstel om spoor 1 door het kernteam NON onder   het   gezag   van   het   hoofd   LBOM   te   doen   verrichten   zou,   zo   vreesde   hij,   kunnen   leiden   tot bezwaren van de kernteam-driehoek. Daarenboven   liet   Gonsalves   weten   dat   hij   zich   met   het   scenario   voor   spoor   2   kon   verenigen.69 Holthuis  voelde  er  wel  voor  –  zoals  we  eerder  zagen  –  om  het  onderzoek  toe  te  vertrouwen  aan  een team  van  buiten  de  Randstad  maar  hij  was  er  daarentegen  niet  voor  om  het  LRT  in  te  schakelen. Waarom niet? 70: “Ik  heb  in  het  begin  gepleit  voor  een  ander  team  dan  het  LRT.  Het  LRT  was  in  opbouw.  Ik vond het geen geschikt moment om in die fase al zo’n onderzoek op te pakken. Ik heb ook Van der Burg en Van Gemert een nota hierover laten schrijven.” 3.3 De goedkeuring van “versie 2” door het college van procureurs-generaal en de minister van Justitie Blijkens  de  notulen  van  de  vergadering  op  26  juni  1996  nam  het  college  het  advies  van  Gonsalves over.71 Er werd afgesproken dat Gonsalves samen met Holthuis zou zorgen voor de nadere uitwerking van    de    voorstellen.    Zij    zouden    tevens    een    notitie    met    hoofdlijnen    maken    ten    behoeve    van overlegvergadering op 10 juli 1996. De  vergadering  waarop  hiervoor  wordt  gedoeld,  was  de  overlegvergadering  van  de  minister  van Justitie  en  het  college  van  procureurs-generaal.  Het  scenario  stond  op  de  bewuste  dag  –  10  juli  –  in een  aangepaste  versie  inderdaad  op  de  agenda  (punt  4  b).  Alle  deelnemers  beschikten  dus  over  de tekst. Blijkens het verslag van deze vergadering werd er echter niet over gediscussieerd. Het bleef bij een voorstelling van het scenario door Docters van Leeuwen.72 Het  scenario  dat  op  10  juli  aan  de  minister  werd  voorgesteld  –  en  dat  fungeerde  als  de  “notitie met  hoofdlijnen”  waarover  op  26  juni  in  het  college  van  procureurs-generaal  was  gesproken  –  was  in meer dan één opzicht aangepast aan het besluit van het college van procureurs-generaal van die dag. Deze nieuwe versie – “versie 2” d.d. 1 juli 1996 – werd op 2 juli gefaxt aan Docters van Leeuwen. Wat spoor  1  betreft  was  zowel  de  toedeling  van  het  betrokken  onderzoek  aan  het  LRT  verwerkt  in  de plannen  als  ook  de  relatie  met  het  landelijk  bureau  openbaar  ministerie  concreter  ingevuld.  Gelet  op                                                 69 Brief R. Gonsalves d.d. 24 juni 1996 aan het college van procureurs-generaal (B8). 70 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001. 71 Vastgestelde notulen van de vergadering van het college van procureurs-generaal d.d. 26 juni 1996 (B1). 72 Het desbetreffende deel van de notulen bevindt zich in B1.