• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_19

    83 behoeve   van   een   strafzaak   namens   de   secretaris-generaal   door   een   lid   van   het   college   van procureurs-generaal  genomen  zou  kunnen  worden.84  Deze  afspraak  werd  evenwel  nooit  schriftelijk vastgelegd.  Gonsalves  was  echter,  zo  vervolgde  Borghouts,  wel  degelijk  op  de  hoogte  van  deze afspraak en had dientengevolge geheel bevoegd gehandeld toen hij delen van het betreffende archief ter beschikking had gesteld. 3.5 De concretisering van het gewijzigde scenario Terwijl op het niveau van het college van procureurs-generaal en de minister van Justitie de discussie over  het  strafrechtelijk  vervolg  van  het  Fortteam-onderzoek  werd  afgerond  maakte  het  hoofd  van  het LRT, Van Gemert, reeds een begin met de voorbereiding van de uitvoering van het vervolgonderzoek dat  aan  zijn  team  was  toebedacht:  het  onderzoek  binnen  spoor  1.  Uit  zijn  persoonlijk  dagrapport  en dat  van  de  latere  projectleider  Entken  blijkt  dat  er  voorafgaand  aan  de  vergadering  met  de  minister van Justitie d.d. 10 juli 1996 zowel binnen de leiding van het LRT als met de toenmalige korpschef van het  KLPD,  De  Wijs,  en  ook  met  het  hoofd  van  het  LBOM,  Holthuis,  overleg  werd  gevoerd  over  zowel de  (voorbereiding  van  de)  aanpak  van  dit  onderzoek  als  over  de  risico’s  ervan:  “afbreuk,  gevolgen voor  andere  onderzoeken  en  politieke  en  persbelangstelling”.  Concreet  werd  afgesproken  dat  men eerst   de   analyse   van   de   CRI   zou   bekijken   en   dan   samen   met   het   LBOM   een   projectplan   zou voorbereiden.85 Op 25 juli 1996 vergaderde de leiding van het LRT – die overigens pas op 22 juli de beschikking kreeg  over  een  aantal  exemplaren  van  het  Fort-rapport  –  met  De  Wit  en  Schouten  van  de  CRI  over hun  analyse;  Noordhoek  woonde  deze  vergadering  ook  bij.  Uit  de  aantekeningen  van  Van  Gemert blijkt dat dit overleg voor hem onvoldoende helderheid verschafte over wat er zou moeten (en kunnen) worden  onderzocht.  Er  bleken  volgens  hem  nog  vele  haken  en  ogen  aan  te  zitten  en  de  eventuele opdracht werd niet duidelijk”. Entken verklaarde later86: “De CRI gaf weliswaar in die beginfase een analyse van de situatie, maar het was meer een aan    elkaar    gelijmd    verhaal    dan    een    strafrechtelijke    analyse.    We    wisten    dus    in    die beginperiode niet waar we op in stapten. We vonden de analyses van de CRI eigenlijk meer een plaatje geven van de werkelijkheid dan dat het een goed onderbouwd verhaal was. Het was ook onduidelijk wat vanuit bepaalde aannames werd gezegd of vanuit bestaande feiten werd gezegd.” Hierom   werd   besloten   dat   er   een   nieuwe   vergadering   moest   worden   belegd   en   dat   ook   de rijksrecherche  hiervoor  zou  moeten  worden  uitgenodigd.  Die  vergadering  vond  op  2  augustus  plaats. Het bleek er volgens de aantekeningen van Van Gemert allemaal niet gemakkelijker op te worden. Er werd beslist om een blauwdruk te maken waarin de onderzoeksopdracht en de mogelijke knelpunten werden beschreven. Uit  deze  beslissing  blijkt  dat  de  leiding  van  het  LRT  zich  niet  op  het  standpunt  stelde  dat  zij  zich diende   te   keren   tegen   de   toewijzing   van   het   onderzoek   aan   deze   jonge   eenheid.   Van   Gemert verklaarde hieromtrent87: “De  blauwdruk  was  niet  bedoeld  om  de  discussie  te  bepalen.  Wij  gingen  er  vanuit  dat  de keus  voor  het  LRT  al  was  gemaakt.  Waar  het  wel  om  ging  was  dat  we  graag  nog  wat                                                 84 Brief H. Borghouts d.d. 18 maart 1997 aan F. Slits (B6). 85 Het persoonlijk dagrapport van P. Entken dat de periode 23 april 1996-3 mei 1999 beslaat, bevindt zich in F 24. 86 Interview P. Entken d.d. 16 januari 2001. 87 Interview W. van Gemert d.d. 30 januari 2001.