• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_27

    91 onderste steen” in deze affaire, welke dit ook mocht zijn en hoe die er ook mocht uitzien, nog steeds niet  boven  gehaald.  Docters  van  Leeuwen  –  als  voormalig  hoofd  van  de  BVD  wellicht  extra  gevoelig voor  deze  conclusie  –  was  zich  als  geen  ander  bewust  van  de  noodzaak  van  dit  onderzoek.  Het  is duidelijk  geworden  dat  naar  zijn  mening  een  vervolgonderzoek  op  de  lange(re)  termijn  –  want  hij besefte ook dat het een werk van lange adem zou (kunnen) worden – twee strategische doelen moest dienen: een inhoudelijk doel – de verdere opheldering van de IRT-affaire – en een institutioneel doel – de  uitbouw  van  tactische  en  CID-matige  recherchecapaciteit  op  landelijk  niveau.  En  voor  hem  waren deze   twee   doeleinden   nauw   aan   elkaar   gelieerd:   de   gewenste   duidelijkheid   kon   enkel   worden verkregen  door  middel  van  zulke  capaciteit.  Hiermee  is  meteen  ook  een  van  de  grote  problemen  van het vervolgonderzoek gegeven: aan wie moest het worden toevertrouwd gelet op het feit dat er in de ogen van Docters van Leeuwen eigenlijk geen passende organisatorische voorziening bestond? Maar tevens   werd   op   deze   manier   ook   een   ander   groot   probleem   gesteld.   Wanneer   immers   met   de bestaande  middelen  de  IRT-affaire  wel  kon  worden  opgelost  dan  werd  bewezen  dat  een  landelijk opererende   recherche   minder   hard   nodig   was   dan   Docters   van   Leeuwen   suggereerde.   Werd   zij hiermee niet opgelost, dan werd weliswaar het tegendeel bewezen, maar in zekere zin ten koste van degenen  die  hadden  gefaald.  Met  enig  gevoel  voor  ironie  zou  men  natuurlijk  ook  kunnen  zeggen  dat in relatie tot (een van) de twee strategische doeleinden succes altijd (gedeeltelijk) verzekerd was. Een derde probleem is echter dat degenen die het onderzoek moesten uitvoeren zich bovenal richtten op de   verwezenlijking   van   het   inhoudelijke   doel   en   zich   van   het   institutionele   doel   slechts   zijdelings rekenschap gaven, bijvoorbeeld waar zij vreesden te worden beticht van de opbouw van een justitiële politie  in  Nederland.  Het  laatstgenoemde  doel  heeft  dan  ook  niet  meegespeeld  in  de  planning  en  de uitvoering  van  het  vervolgonderzoek.  Hierbij  moet  men  evenwel  voor  ogen  houden  dat  van  de  kant van het college ook niet werd aangedrongen op zijn operationalisering. Docters van Leeuwen had hier immers bovenal het oog op de politiek aan het Binnenhof. De strategische discussie had dus hoofdzakelijk betrekking op de uitwerking van het inhoudelijke doel: de “olifant” helemaal in beeld brengen en, in de ogen van Docters van Leeuwen, met name ook zijn  financiële  poot:  waar  komt  het  geld  vandaan  en  waar  gaat  het  naartoe?  Dit  bleek  evenwel  van meet af aan niet eenvoudig. Enerzijds niet omdat met de gedachte werd gespeeld dat binnen een en hetzelfde   strafrechtelijk   georiënteerde   onderzoek   twee   onderscheiden   deelonderzoeken   moesten worden  verricht:  één  naar  een  aantal  personen  die  zich  verdacht  hadden  gemaakt,  en  één  naar  het fenomeen  van  de  Colombiaanse  cocaïnehandel  met  het  accent  op  integriteitproblemen  aan  de  kant van  de  Nederlandse  overheid.  Anderzijds  niet  omdat  deze  twee  deelonderzoeken  –  het  ene  een tactisch  onderzoek,  het  andere  een  CID-matig  onderzoek  –  uiteindelijk  niet  werden  toevertrouwd  aan één en hetzelfde politieteam maar aan twee verschillende teams, zij het ook onder het (formele) gezag van dezelfde hoofdofficier van justitie, het hoofd van het landelijk parket. Het risico was dus heel groot dat de twee teams niet alleen op een verschillende manier zouden kijken naar de “olifant” maar er ook heel verschillende onderdelen van zouden zien of dezelfde onderdelen op een heel andere manier in beeld  wilden  brengen.  Dit  risico  was  des  te  groter  omdat  aan  deze  doorstart  van  het  onderzoek  naar de IRT-affaire geen doortimmerd onderzoeksplan ten grondslag lag. Alles bij elkaar genomen was het vervolgonderzoek  immers  op  niet  meer  gebouwd  dan  op  een  stelling  van  enkele  rechercheurs  over wat er gebeurd zou kunnen zijn, geconstrueerd op basis van een beperkt samenstel van aanwijzingen en  feitelijkheden.  Hierbij  moet  worden  aangetekend  dat  deze  rechercheurs  en  hun  stelling  –  er  is sprake  (geweest)  van  parallel-importen  van  verdovende  middelen  uit  Colombia;  de  informant  van  de Nederlandse  politie  heeft  hierbij  dubbelspel  gespeeld  en  de  betrokken  politiemensen  waren  “plat”  – desalniettemin  heel  het  onderzoek  door  een  grote  rol  hebben  gespeeld.  Evenals  hun  vermoeden  dat de ellende eigenlijk was begonnen bij de FIOD. Met  name  de  leiding  van  het  LRT  en  die  van  het  LBOM  waren  zich  terdege  bewust  van  het probleem van de verdeling van het onderzoek over twee teams en van de implicaties hiervan voor het goede  verloop  van  het  onderzoek.  Wellicht  was  hun  gevoeligheid  voor  dit  risico  groot  omdat  beide instanties  nog  maar  net  waren  opgericht  en  nog  geen  enkele  ervaring  hadden  met  het  draaien  van