• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_29

    93 formeren  maar  ook  dat  werd  beslist  de  recherchediensten  van  de  Randstedelijke  politiekorpsen  hier niet rechtstreeks bij te betrekken. Gelet op het tumult dat de IRT-affaire had verwekt is deze beslissing tot   op   zekere   hoogte   wel   te   begrijpen.   Hier   staat   echter   tegenover   dat   het   onderzoek   nu   werd toevertrouwd  aan  twee  teams  waarvan  veel  leden  helemaal  niet  vertrouwd  waren  met  de  IRT-affaire en  ook  geen  ervaring  hadden  met  de  complicaties  bij  de  aanpak  van  de  drugshandel  in  het  Westen des  lands  en  die,  voorzover  zij  al  waren  ingevoerd,  hierin  alleen  inzicht  hadden  verworven  via  het onderzoek  van  het  Fort-team  waarvan  de  resultaten  bij  politie  en  justitie  in  de  Randstad  overigens bepaald  niet  onomstreden  waren.  Dat  het  voor  hen  allen  dan  ook  bijzonder  moeilijk  zou  zijn  om  op eigen kracht de complexe en delicate onderzoeken tot een goed einde te brengen die het college voor ogen   stonden,   spreekt   dus   haast   vanzelf.   Zoals   het   eigenlijk   toch   ook   direct   duidelijk   moet   zijn geweest  –  gelet  op  de  vechtlustige  manier  waarop  de  strijdende  partijen  zich  tot  dan  toe  in  de  IRT- affaire  hadden  gedragen  –  dat  de  meest  betrokken  politiediensten  en  parketten  in  de  Randstad  zich niet    gewillig    buiten    spel    zouden    laten    zetten    bij    het    onderzoek    naar    de    affaire    die    hun maatschappelijke positie en onderlinge verhoudingen zo op de proef had gesteld. Integendeel, het lag voor de hand dat zij onophoudelijk zouden proberen in dit onderzoek daadwerkelijk mee te spelen of althans zouden proberen het naar hun hand te zetten. Het besluit van het college op 4 september dat alle  relevante  onderzoeken  in  dit  project  moesten  worden  samengebracht,  was  in  zekere  zin  een terecht besluit omdat er juist ook in de Randstad diverse onderzoeken liepen die alle hun vertakkingen naar  de  IRT-affaire  hadden.  Maar  het  liet  wel  de  vraag  onverlet  hoe  deze  integratiegedachte  zou kunnen   worden   verwezenlijkt   als   de   strijdende   korpsen   en   parketten   geen   eigen   mensen   in   de onderzoeksteams hadden? Of, sterker nog, als zij niet eens werden betrokken bij het overleg over de manier  waarop  het  vervolgonderzoek  naar  de  IRT-affaire  gestalte  zou  moeten  krijgen?  Was  er  dan überhaupt  wel  integratie,  ja  zelfs,  coördinatie  op  welk  niveau  en  van  welke  aard  ook,  mogelijk?  De toekomst zou uitwijzen dat dit niet het geval was. Zelfs het besluit om het onderzoek toe te vertrouwen aan  twee  soorten  officieren  van  justitie  en  twee  soorten  politiemensen  –  zij  die  wel  en  zij  die  niet betrokken  waren  (geweest)  bij  het  Fort-onderzoek  –  moet  achteraf  worden  gekwalificeerd  als  een hoogst ongelukkige beslissing. Want de omstandigheid dat de voorkennis omtrent de IRT-affaire bij de betrokkenen  zo  sterk  uiteenliep  vormde  vanaf  het  begin  een  grote  belasting  voor  hun  onderlinge verhoudingen.   Daarbovenop   kwam   dan   nog   het   feit   dat   bij   de   rijksrecherche   aanvankelijk   het (verkeerde) idee had postgevat dat het vervolgonderzoek, of althans dat deel ervan dat aan Zwerwer was  toevertrouwd,  een  rijksrecherche-onderzoek  zou  zijn.  Want  dit  verkeerde  uitgangspunt  zou  – anders dan Zwerwer in den beginne verwachtte – in een later stadium eveneens zwaar wegen op de voortgang van het project en uitgerekend op die van zijn eigen onderzoek. Het  vorenstaande  laat  zien  dat  de  eenheid  van  gezag  die  werd  gecreëerd  door  de  beide  teams op  te  hangen  aan  het  landelijk  parket  heel  betrekkelijk  was.  Zij  had  immers  geenszins  betrekking  op het  optreden  van  andere  politiekorpsen  of  andere  parketten  die  op  zoek  waren  naar  de  zogezegde onderste  steen  in  de  IRT-affaire.  Hierom  is  het  niet  teveel  gezegd  dat  de  sturing  van  het  onderzoek vanuit  de  top  van  het  openbaar  ministerie  vanaf  het  begin  niet  eenduidig  is  geweest  omdat  zij  over meerdere  sporen  liep.  Holthuis  accepteerde  deze  dubbelzinnige  situatie  omdat  hij  absoluut  niet  de aanstichter  wilde  zijn  van  conflicten  zoals  die  in  de  IRT-affaire  hadden  gespeeld.  Gonsalves  was overigens,  anders  dan  Holthuis,  wel  in  de  positie  om  zijn  gezag  te  laten  gelden  over  alle  betrokken parketten  heen,  dus  ook  over  Amsterdam  en  Haarlem.  Vraag  is  of  hij  deze  mogelijkheid  heeft  benut om  de  integratie  van  de  onderscheiden  onderzoeken  te  bewerkstelligen  of  desnoods  af  te  dwingen? Voor  de  goede  orde  zij  bij  dit  alles  aangetekend  dat  nergens  uit  de  stukken  blijkt  van  een  actieve  rol van de minister van Justitie respectievelijk het ministerie van Justitie in dit stadium van het onderzoek. De situatie was – volgens de notulen van de overlegvergaderingen althans – toen kennelijk veeleer zo dat de top van het departement kennisnam van de besluiten van het college van procureurs-generaal en die stilzwijgend accordeerde.