• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_33

    97 In  een  voortgangsverslag  betreffende  spoor  2  van  half  december  1996  werd  in  verband  met  de rol   van   de   rijksrecherche   aanvankelijk   gedaan   of   er   niets   aan   de   hand   was.114   Er   werd   slechts opgemerkt  dat  er  in  de  voorfase  afspraken  waren  gemaakt  met  betrekking  tot  de  participatie  van  de rijksrecherche  in  het  onderzoek.  Vervolgens  werd  aangegeven  dat  er  drie  rijksrechercheurs  fulltime ten    behoeve    van    het    tactisch    onderzoek    werden    toegevoegd    en    op    ad    hoc    basis    twee inlichtingenrechercheurs van de rijksrecherche. Daarenboven had de BVD een liaison bij het team en de  CRI  eveneens.  Voor  het  noodzakelijke  analysewerk  was  tenslotte  een  analist  van  de  CRI-ARI Noord aangetrokken. Verderop in het verslag wordt echter uiteengezet dat er in de periode november – december een diepgaand  verschil  van  mening  ontstond  over  de  inzet  en  de  aansturing  van  de  rijksrechercheurs binnen    het    team.    Volgens    het    verslag    kon    Pijl    zich    –    wegens    de    door    hem    voorgestane onafhankelijkheid van zijn dienst – niet vinden in een positionering van zijn medewerkers onder leiding van de teamleider. Holthuis had dit geschil vervolgens beslecht in die zin dat de rijksrechercheurs niet rechtstreeks (zouden) worden aangestuurd door de teamleider en dat hun rol zou worden beperkt tot adviseurschap inzake het Kennemerland-materiaal. Om deze reden werd een van de rijksrechercheurs  uit  het  team  teruggetrokken  en  werd  –  ter  vervanging  van  de  vier  anderen  –  verder uitgezien   naar   ervaren   en   gekwalificeerde   rechercheurs   van   de   regiokorpsen,   in   het   bijzonder Amsterdam-Amstelland en Utrecht, gelet op de achtergronden van het onderzoek.115 Begin december 1996  zegde  de  korpsleiding  van  Utrecht  toe  een  rechercheur  te  willen  leveren.  Het  hoofd  van  het LBOM zou in die tijd de kwestie opnemen met de korpsleiding van Amsterdam-Amstelland. Maar half december  1996  waren  er  nog  geen  reguliere  rechercheurs  gearriveerd.  In  een  later  verslag  merkte Godlieb,  de  teamleider  van  spoor  2,  op  dat  deze  situatie  werd  veroorzaakt  door  de  aanname  van  de rijksrecherche  dat  het  onderzoek  in  feite  een  voortzetting  van  het  Fort-team  onder  haar  leiding  zou zijn.    Dat    het    vervolgens    moeilijk,    ja    zelfs    onmogelijk,    bleek    om    voor    de    vier    resterende rijksrechercheurs   vervangers   te   vinden,   was   volgens   hem   in   belangrijke   mate   te   wijten   aan   het ontbreken van zowel een formele inbedding van het team als van een formele legitimatie.116 Op deze redengeving komen wij later in dit rapport terug. Overigens  was  de  bemensing  van  dit  team  aan  de  kant  van  het  openbaar  ministerie  ook  een probleem. Volgens Godlieb vonden zowel de politieleiding als Zwerwer vanaf het begin117: “(…)   dat   er   een   tweede   officier   van   justitie   nodig   was.   Wij   wilden   Snijders   (openbaar ministerie Haarlem) wel, maar dit is toch niet gerealiseerd. Waarom het niet is gebeurd weet ik niet precies. Ik heb horen zeggen dat het college er niet voor voelde. Dat wil niet zeggen dat er geen contacten waren met Snijders. Hij kwam af en toe bij ons over de vloer, maar hij had  bijna  dagelijks  telefonisch  contact  met  Zwerwer  of  omgekeerd.  Ook  is  het  zo  dat  later bleek dat Snijders heel wat “tricky” dingen wist en dat wij hem hierom liever niet dagelijks in het team hadden. Wij vonden het eigenlijk wel goed dat hij alleen die relatie onderhield met Zwerwer. Het was beter dat niet iedereen weet had van al die dingen die Snijders wist.” De basisvoorwaarde waarvan de invulling naar verhouding de minste problemen met zich bracht was de financiering van het onderzoek. Begin oktober stuurde het hoofd van het LBOM een brief met een voorlopige  kostenraming  naar  het  college  van  procureurs-generaal.  Hij  beklemtoonde  hierin  dat  de totale   leiding   van   –   en   daarmee   de   verantwoordelijkheid   voor   –   strafrechtelijk   onderzoek   060   in formele  zin  bij  hem  berustte,  maar  dat  het  budgetbeheer  betreffende  dit  onderzoek  in  handen  was                                                 114 Zie de nota “Onderzoek LBOM 96060 spoor 2; tussenstand medio december 1996” (F1). 115 In zijn interview d.d. 1 februari 2001 merkte A. Godlieb op dat een medewerker van de rijksrecherche gewoon opstapte omdat hij (en de anderen) niet wilde(n) werken onder de leiding van leden van de reguliere politie. 116 Nota  van  A.  Godlieb  “Onderzoek  m.b.t.  faciliterende  structuren  georganiseerde  criminaliteit  (post-Fort-onderzoek)” d.d. 25 februari 1997 (F11). Deze nota was bedoeld als inleiding van een verslag over fase 1 van het onderzoek. 117 Interview A. Godlieb d.d. 1 februari 2001.