• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_37

    101 ongewild,    actief    of    passief    bescherming    verleenden    of    steun    boden    aan    criminelen    of    hun organisaties. Deze  opdracht  werd  nader  geconcretiseerd  in  een  vijftiental  beknopte  substellingen,  in  de  geest van:  “Infiltranten  worden  gerund  met  de  ogen  gesloten  voor  de  criminele  nevenactiviteiten  van  deze personen” of “Criminelen worden geholpen bij de opzet van (semi)criminele frontstores” of “Er worden netwerken  gebouwd  die  voorkomen  dat  corruptiesignalen  ter  bestemder  plaatse  doordringen”  of  ook nog “Overheidsdienaren hebben zichzelf verrijkt”. Qua werkwijze stelde Zwerwer dat het team als volgt dacht te werk te gaan: “Het  materiaal  verzameld  door  het  Fort-team  wordt  geanalyseerd,  aangevuld  en  vergeleken met    (…)    aanwezige    CID-informatie,    waar    ook    aanwezig    en    hoe    ook    geclassificeerd (geheime)    info    Commissie-Van    Traa,    info    van    de    BVD,    mogelijke    bevraging    nieuwe bronnen.” De teamleiding dacht, zo besloot Zwerwer, een viertal maanden nodig te hebben ten behoeve van de onderbouwing  van  de  verschillende  stellingen.  Rond  1  maart  zou  er  worden  gerapporteerd  en  zou worden aangegeven hoe het onderzoek het beste zou kunnen worden gecontinueerd. Op   29   november   1996   stuurde   Zwerwer   ten   behoeve   van   de   overlegvergadering   tussen   het college  van  procureurs-generaal  en  de  minister  van  Justitie  (zie  verderop)  een  uitgebreide  startnotitie van   het   “onderzoek   60/2”   naar   Holthuis.   Hij   schreef   erbij   dat   het   team   in   verband   met   een noodzakelijke  andere  samenstelling  nog  niet  geheel  op  sterkte  was  en  nog  slechts  aarzelend  had kunnen starten. Begin januari hoopte de teamleiding echter opnieuw te rapporteren en dan iets meer te laten zien van de kant die het onderzoek uitging.130 Wat behelsde deze startnotitie? Uitgaande van het Leitmotiv dat Zwerwer al in zijn nota van 1 november had geformuleerd en dat in   deze   startnotitie   werd   vertaald   in   de   vraag:   “In   welke   mate   er   bij   de   overheid,   maar   ook   bij sleutelpersonen  in  andere  belangrijke  maatschappelijke  sectoren,  sprake  is  van  “non-integriteit”  in relatie tot georganiseerde criminaliteit”, werden vier stellingen omschreven en nader uitgewerkt. Deze stellingen waren de volgende: — Criminelen worden al dan niet langs legale weg geholpen bij hun criminele activiteiten; — Aan criminelen worden beschermingsconstructies geboden; — Het ambtelijk/bestuurlijk apparaat wordt misbruikt; — Criminele organisaties hanteren offensieve strategieën tegen personen. Verder  werd  nog  een  dringende  vraag  opgeworpen,  namelijk  die  naar  de  financiële  trajecten,  een vraag  die  in  het  Fort-onderzoek  was  opengebleven.  Bij  deze  vraag  moest  volgens  de  auteur  worden gedacht  aan  kwesties  als  de  betaling  van  illegale  goederen,  de  kosten  die  in  dit  verband  worden gemaakt,   en   het   veilig   stellen   van   de   inkomsten   via   sponsoractiviteiten,   witwasconstructies   en kansspelen. Het   doel   van   het   onderzoek   –   dat   deze   keer   expliciet   werd   betiteld   als   een   “verkennend opsporingsonderzoek”  met  in  een  voetnoot  de  aantekening  dat  er  inmiddels  eveneens  verkennend onderzoek gaande was naar mogelijkheden voor een tactisch vervolgonderzoek op basis van het Fort- materiaal   –   was   om   te   onderzoeken   in   hoeverre   deze   stellingen   een   brede   geldigheid   hadden. Vervolgens   zouden   op   basis   van   de   uitkomsten   aanbevelingen   worden   gedaan   over   de   manier waarop  een  en  ander  in  operationeel/tactisch  opzicht  een  en  ander  verder  kon  worden  aangepakt. Godlieb     tekende     hierbij     aan     dat     het     halen     van     deze     doelstelling     maar     binnen     bepaalde                                                 130 Brief   S.   Zwerwer   d.d.   29   november   1996   aan   H.   Holthuis   (F   18).   De   uitgebreide   startnotitie   draagt   de   titel “LBOM:onderzoek  96060-spoor  2”.  Zij  dateert  van  27  november  1996  en  werd  geschreven  door  A.  Godlieb.  H. Holthuis kreeg de versie die is gedateerd op 29 november 1996.