• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_40

    104 “(…)  dat  wij  geen  toegang  hadden  tot  CID-informatie  en  het  onmogelijk  (bleek)  om  ook toegang te krijgen. Daar zat natuurlijk ook meteen een van de problemen met spoor 1. Want als  wij  toegang  zouden  krijgen  tot  de  CID  zaten  we,  weliswaar  met  een  andere  opdracht, natuurlijk  onmiddellijk  in  dezelfde  doelgroep  als  van  spoor  1.  En  dit  probleem  van  de  CID- status  is  eigenlijk  heel  het  onderzoek  door  gebleven  en  heeft  ons  enorm  parten  gespeeld. Het onderzoek kon op deze manier werkelijk niet slagen.” 4.3.3 De structurering van het overleg tussen de beide teams Naast het overleg in de twee teams vond er in de loop van november ook driemaal overleg tussen de beide  teamleidingen  plaats  (op  6,  12  en  19  november  1996).  Afgezien  van  een  aantal  materiële  en technische kwesties kwamen er met name in de eerstgenoemde vergadering een paar punten aan de orde  die  rechtstreeks  de  operationele  werking  en  samenwerking  van  de  beide  teams  betroffen.  In  de beide    laatstgenoemde    vergaderingen    werd    over    en    weer    gepraat    over    de    voortgang    van    de bestudering van het Fort-archief en over de contacten die her en der in het land waren gelegd. Het   eerste   belangrijke   punt   dat   in   het   overleg   van   6   november   aan   de   orde   kwam   was   de mededeling   dat   Zwerwer   en   Godlieb   in   het   college   van   procureurs-generaal   “het   fiat”   hadden gekregen  met  betrekking  tot  de  geformuleerde  doelstelling  van  spoor  2.  Het  onderzoek  van  dit  spoor had, zo werd opgetekend, “de status van een voorbereidend opsporingsonderzoek”. Verder   werd   afgesproken   dat   het   exploiteren   van   contacten/benaderen   va n   informanten,   ter voorkoming  van  doublures,  in  de  teamleidersvergadering  ter  tafel  zou  komen.  In  het  verlengde  van deze afspraak werd eveneens vastgelegd dat de teamleidingen echt “open” naar elkaar (zouden) zijn; er  zou  geen  sprake  zijn  van  een  embargo  tussen  de  beide  sporen.  Vertrouwelijke  informatie  zou worden   vastgelegd   in   een   apart   journaal   dat   alleen   toegankelijk   was   voor   de   teamleiding   met vermeldingen  in  het  algemene  journaal  dat  er  nadere  (vertrouwelijke)  informatie  was.  Voor  elk  team zou een aparte kluis worden aangeschaft. Tenslotte  werd  overeengekomen  dat  de  beide  sporen  elkaar  zouden  blijven  informeren  door  de wederzijdse participatie van de analisten in de teamvergaderingen. 4.3.4 De reactie van het college van procureurs-generaal Gelet  op  de  beslissende  rol  van  het  college  van  procureurs-generaal  in  de  opzet  van  het  gehele onderzoek is het van belang om ook hier de nodige aandacht te schenken aan de manier waarop het, al  dan  niet  in  samenspraak  met  de  minister  van  Justitie,  was  betrokken  bij  de  verdere  concretisering van de onderzoeksplannen. In het overleg met de minister van Justitie op 9 oktober 1996 stond ook het 060-onderzoek op de agenda.  Een  van  de  procureurs-generaal  deelde  mee  dat  de  formatie  van  het  project  060  rond  was maar dat het probleem van de huisvesting nog niet geheel was opgelost.139 Op  5  november  1996  stond  de  eerder  aangehaalde  nota  van  Zwerwer  d.d.  1  november  1996  op de  agenda  van  het  college.  Deze  werd  –  zoals  ook  werd  gememoreerd  in  het  teamleidingenoverleg van  6  november  –  in  aanwezigheid  van  Zwerwer  en  Godlieb  (maar  niet  van  Holthuis)  besproken. Blijkens  de  notulen  vond  het  college  dat  de  formulering  van  de  opdracht  nog  vaag  bleef:  zij  omvatte geen concrete beschrijving van de aanpak, het tijdpad en de begroting. De teamleiding van haar kant zette uiteen dat het ging om een nader, verkennend onderzoek door een team dat nog maar net was begonnen.  Er  werd  afgesproken  dat  het  verkennend  onderzoek  rond  1  maart  1997  moest  uitmonden in een concreet onderzoeksvoorstel, en dat het team tussentijds, in januari 1997, zou rapporteren aan                                                 139 Notulen van de overlegvergadering van de minister van Justitie en het college van procureurs-generaal d.d. 9 oktober 1996 (C1).