• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_43

    107 4.4.1 De zaak–Swennen Op  14  maart  1996  werd  in  een  Amsterdams  café  een  Belgische  man  doodgeschoten:  M.  Swennen. De  dader  werd  kort  daarop  aangehouden.  Uit  het  nadere  onderzoek  bleek  dat  genoemde  Swennen belastende verklaringen had afgelegd over een politieman uit Antwerpen die betrokken zou zijn bij de invoer  van  containers  met  verdovende  middelen.  Deze  containers  kwamen  binnen  in  de  haven  van Antwerpen  en  waren  bestemd  voor  criminele  organisaties  in  België  en  Nederland.  Op  15  maart  1996 zou   bedoelde   Swennen   foto’s   en   bandjes   over   zijn   ontmoetingen   met   die   politieman   hebben overhandigd aan de Belgische justitie maar zover is het dus niet gekomen. Het parket Amsterdam had in dit verband interesse voor het traject van een welbepaalde container en vermoedde  dat  dit  traject  reeds  in  kaart  was  gebracht  door  het  Fort-team.  Hierom  vroeg  Vrakking  bij brief van 3 oktober 1996 aan Gonsalves om de zaaksofficier inzage te verlenen in de analyse van dit traject.147 Deze stuurde de brief van Vrakking direct door aan Pijl met het verzoek na te willen (doen) gaan  of  de  gevraagde  gegevens  zich  bevonden  in  het  Fort-archief  en  of  er  al  dan  niet  bezwaar bestond  tegen  verstrekking  en,  zo  ja,  onder  welke  voorwaarden.148  Pijl  reageerde  ruim  twee  weken later met de mededeling dat in samenspraak met de Amsterdamse (politiële) teamleider – deze kreeg dus  ook  niet  zelf  toegang  –  het  Fort-archief  was  bekeken  en  dat  er  geen  relevante  informatie  in  was aangetroffen.149 Gonsalves schreef dit op 20 november 1996 weer aan Vrakking. Wat  deze  briefwisseling  natuurlijk  niet  laat  zien  is  dat  het  verzoek  van  Amsterdam  om  inzage  in het  Fort-archief  bij  het  team  van  spoor  1  onmiddellijk  de  wenkbrauwen  deed  fronsen.  Van  Gemert noteerde  bij  3  oktober  1996  in  zijn  journaal  dat  hij  over  het  verzoek  van  Amsterdam  uitgebreid  had overlegd met Noordhoek en Entken.150  Wat  hen  vooral  verbaasde  was  dat  het  verzoek  met  Docters van  Leeuwen  was  besproken  en  dat  die  akkoord  was  gegaan,  want  dit  druiste  toch  in  tegen  de beslissing  van  het  college  dat  alle  trajecten  bij  het  LRT  moesten  worden  gedraaid.  Zij  spraken  af  dat dit  voorval  hen  alert  moest  maken  voor  de  toekomst.  Tevens  werd  volgens  dit  journaal  afgesproken dat  zij  nog  een  keer  een  vergadering  met  Pijl  zouden  beleggen  en  dat  zij  na  een  aantal  weken  de samenwerking  met  Zwerwer  zouden  evalueren  en  daaruit  óók  hun  conclusies  zouden  trekken.  Deze aantekening laat dus zien dat de betrokken partijen in de praktijk erg op hun hoede waren voor elkaar en  in  het  bijzonder  scherp  in  de  gaten  hielden  hoe  het  college  in  het  licht  van  zijn  beslissing  van  4 september 1996 te werk ging. Dat de argwaan van Van Gemert niet misplaatst was blijkt trouwens uit  het  interview  met  Teeven. “Amsterdam” zag in de zaak-Swennen inderdaad een mogelijkheid om de ware toedracht van de IRT- affaire te achterhalen151: “In  elk  geval  wat  Amsterdam  betreft,  en  dan  bedoel  ik  Vrakking  en  mij,  moet  men  in  dit verband natuurlijk niet vergeten, dat wij toch wel door de Commissie-Wierenga zwaar waren aangepakt en dat wij het gevoel hadden dat de onderste steen niet boven was gekomen. En dat fameuze telefoontje van mr. Van der Veen aan mr. Brilman gaf ons helemaal het gevoel dat de deksel op de put moest blijven.152 Ik bedoel dat telefoontje dat ik beter van de zaak K. zou afblijven. Maar dat telefoontje heeft wel de trend gezet voor 5 à 6 jaar en onze aandacht helemaal op K. gespitst. Kennelijk was dat de sleutel tot de “schatkamer”. En om bij hem te komen  hebben  wij  in  het  najaar  van  ’96  de  zaak-Swennen  opgepakt.  Ik  heb  toen  echt  wel van  Vrakking  de  ruimte  gekregen  om  dat  helemaal  uit  te  zoeken,  de  deksel  van  de  put  te lichten.”                                                 147 Brief H. Vrakking d.d. 3 oktober 1996 aan R. Gonsalves (B8). 148 Brief R. Gonsalves d.d. 3 oktober 1996 aan D. Pijl (B8). 149 Brief D. Pijl d.d. 22 oktober 1996 aan R. Gonsalves (B8). 150 Dagboek W. van Gemert (F24). 151 Interview F. Teeven d.d. 7 februari 2001. 152 Mr. Brilman was op dat moment hoofd van de unit zware criminaliteit bij het Amsterdamse parket.