• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_44

    108 4.4.2 De meineedzaak tegen L. en Van V. Op  28  augustus  1996  schreef  Blok,  op  dat  moment  hoofdofficier  te  Den  Haag,  een  brief  aan  Docters van  Leeuwen  waarin  hij  hem  aan  de  hand  van  een  nota  van  de  betrokken  zaaksofficier  Slits  op  de hoogte bracht van de stand van het strafrechtelijk onderzoek naar vermoedelijke meineed tegen L. en Van  V.153  Naar  hun  mening  leek  een  succesvolle  vervolging  en  veroordeling  van  beiden  haalbaar indien  het  aanwezige  bewijsmateriaal  ten  volle  bruikbaar  was  en  door  de  rechter  als  zodanig  zou worden  geaccepteerd.  Wat  de  bruikbaarheid  van  het  bewijsmateriaal  betrof  wierpen  zij  op  dat  een deel  van  de  verklaringen  die  waren  afgelegd  tegenover  het  Fort-team  wellicht  van  het  bewijs  zouden worden  uitgesloten  omdat  zij  in  strijd  met  de  gedane  toezegging  dit  niet  te  zullen  doen,  toch  waren ingebracht.  En  ten  derde  vroegen  zij  aandacht  voor  de  mogelijke  politieke  implicaties,  vooral  ook wanneer de beide verdachten – in geval van een dreigende veroordeling – het achterste van hun tong zouden   laten   zien.   Hierdoor   zouden   wellicht   meer   personen   in   de   kring   van   politie   en   openbaar ministerie met wie zij hadden samengewerkt in de problemen kunnen komen. Op de vergadering van het college op 4 september 1996 kwam ook deze brief aan de orde. De beslissing van het college was dat de vervolging moest worden doorgezet.154  Een  van  de  punten  die  in  dit  verband  direct  van  belang was  betrof  een  verzoek  van  Slits  om  terbeschikkingstelling  van  een  bepaald  stuk  uit  het  Fort-archief. Na overleg met Zwerwer verleende Gonsalves op 12 september hier de toestemming voor.155 Ook dit voorval onderstreepte nog eens dat het 060-onderzoek, of toch in elk geval het Fort-archief, inderdaad (al dan niet vermeende) raakvlakken had en heeft met allerhande andere onderzoeken. 4.4.3 De affaire met “Haagse Kees” Op  22  augustus  1994  werd  door  de  minister  van  Justitie  ingestemd  met  het  voorstel  van  de  top  van justitie   –   openbaar   ministerie   en   departement   –   om   een   informant   van   de   RCID-Kennemerland, bijgenaamd “Haagse Kees”, op een veilige manier af te bouwen. Deze operatie kostte 2 miljoen – een bedrag dat met name hierom zo hoog was omdat men er vanuit ging dat de betrokkene alleen in het buitenland een veilig bestaan kon opbouwen.156 Deze deal lekte in oktober 1995 via het weekblad Vrij Nederland uit en zorgde direct voor heel wat commotie. In april 1996 verschenen berichten in de pers dat de betrokkene eigenlijk Nederland helemaal niet had verlaten maar rustig in X. woonde. Ook deze berichten  wekten  weer  de  nodige  beroering  op  in  Haagse  kringen  en  leidden  tot  een  aantal  vragen van  het  Kamerlid  Sipkes.  De  minister  van  Justitie  liet  hierop  door  de  landsadvocaat  nagaan  of  het mogelijk  was  om  de  overeenkomst  te  ontbinden  die  met  de  informant  was  gesloten.  Deze  zag  daar echter  geen  aanknopingspunten  voor.  Als  de  man  had  gekozen  voor  terugkeer  naar  Nederland  dan was  dat  in  beginsel  zijn  keuze  en  geen  omstandigheid  om  de  overeenkomst  te  ontbinden  tenzij  zou komen vast te staan dat de overheid door de informant werd misleid.157 Langs  een  andere  weg  kwam  kort  daarop  de  speurtocht  naar  de  betrokken  informant  toch  op gang. Onder verwijzing naar een eerder ambtsbericht (d.d. 1 mei 1996) waarin melding was gemaakt van  een  persoonsverwisseling  met  een  neef  van  “Haagse  Kees”  in  verband  met  een  aanhouding terzake van een verkeersmisdrijf begin 1995, schreef Docters van Leeuwen op 2 september 1996 aan de  minister  van  Justitie  dat  de  betrokken  CID-officier  Snijders  (na  het  ambtsbericht  d.d.  1  mei  1996) zelfstandig    het    onderzoekstraject    had    voortgezet.    Daaruit    was    gebleken    dat    de    betrokkene    in december 1995 was ingeschreven in de gemeente X. Begin mei 1996 had Snijders hierover de CID- officier  Van  der  Voort  van  het  parket  Den  Haag  geïnformeerd  en  hem  gevraagd  het  desbetreffende                                                 153 Brief J. Blok d.d. 28 augustus 1996 aan A. Docters van Leeuwen (met nota F. Slits) (B6). 154 Uittreksel uit de notulen van de collegevergadering d.d. 4 september 1996 (B7). 155 Brief R. Gonsalves d.d. 12 september 1996 aan F. Slits (B6). 156 Memo wnd. DGPC d.d. 19 augustus 1994 aan secretaris-generaal (A5). 157 Brief landsadvocaat d.d. 26 april 1996 aan ministerie van Justitie (A5).