• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_45

    109 adres  in  X.  aan  een  nader  onderzoek  te  laten  onderwerpen  teneinde  vast  te  stellen  wie  er  feitelijk woonden en of aan dat adres CID-subjecten gekoppeld waren. Op  10  mei  1996,  zo  vervolgde  Docters  van  Leeuwen,  liet  Van  der  Voort  Snijders  telefonisch  het resultaat  van  het  onderzoek  weten.  Vanwege  de  eerdere  commotie  rond  deze  zaak  en  de  eerdere persoonsverwisseling  achtte  Snijders  het  evenwel  wenselijk  om  de  informatie  nogmaals  te  verifiëren, zodat onomstotelijk kon worden vastgesteld wie op dat adres woonden. Hiertoe stuurde Van der Voort op 28 juni 1996 aan Snijders een fax met daarop een foto die vermoedelijk die van de “man van twee miljoen” was. Gelet op de gevoeligheid van de hele kwestie bij de RCID-Kennemerland wilde Snijders deze foto toen echter niet bij deze dienst verifiëren. Hij wachtte tot zich een gelegenheid voordeed op basis  waarvan  onomstotelijk  kon  worden  vastgesteld  dat  degene  die  op  het  adres  in  X.  woonde  de voormalige informant was.158 Na  nog  weer  nieuwe  berichten  over  deze  zaak  verzocht  Borghouts  op  9  augustus  1996  de korpschef van het KLPD om hem voor 26 augustus 1996 te informeren over wat er bij de CRI bekend was  betreffende  de  verblijfplaats  van  de  informant.159   Aan   Docters   van   Leeuwen   verzocht   hij   op dezelfde dag om hem nader te informeren over de verblijfplaats van de informant.160 Ondertussen  bleven  er  maar  Kamervragen  binnenkomen met als gevolg dat de (plv.) secretaris- generaal  van  het  ministerie  van  Justitie  op  4  september  1996  Docters  van  Leeuwen  opnieuw  moest vragen om zo spoedig mogelijk een ambtsbericht te schrijven over de gestelde vragen.161 Mede naar aanleiding van deze brief stuurde Docters van Leeuwen de minister van Justitie op 5 september 1996 echter niet alleen conceptantwoorden op die vragen maar lichtte hij haar ook meer in detail in over de stappen die het openbaar ministerie eind april/begin mei 1996 had gezet.162 Deze nadere mededeling kwam erop neer dat Snijders naar aanleiding van de vragen van Sipkes en berichten in de krant over de  vermeende  aanhouding  van  de  betrokkene  het  strafdossier  van  deze  zaak  had  gelicht  en  samen met  de  hoofdofficier  had  bekeken  of  het  waar  was  wat  de  kranten  schreven.  Uit  deze  controle  bleek dat  er  sprake  was  van  een  persoonsverwisseling.  Snijders  trof  in  het  dossier  echter  een  combinatie van   namen   aan   die   hem   bekend   waren   uit   het   criminele   milieu   waarin   de   voormalige   informant verkeerde en die nog steeds contacten onderhielden met de betrokkene. Dit kon volgens hem duiden op   mogelijke   betrokkenheid   van   de   informant   bij   drugshandel   en   op   zijn   mogelijke   verblijf   in Nederland.   Hierop   had   hij   eerst   een   nader   onderzoek   ingesteld   bij   de   NCID   en   nadat   hem   was gebleken  dat  de  informant  in  december  1995  was  ingeschreven  in  X.  had  hij  hierover  Van  der  Voort geïnformeerd en hem gevraagd een nader onderzoek te laten doen. Dit onderzoek had – gelet op de gevoeligheid  van  de  materie  –  omzichtig  plaatsgevonden  met  als  enig  doel  verscheidene  mogelijk traceerbare handelingen voor het criminele milieu af te schermen. De  opeenvolgende  ambtsberichten  riepen  op  het  departement  enige  wrevel  op  over  het  trage tempo waarin het openbaar ministerie in zo’n gevoelig politiek dossier onderzoek liet doen.163 Hierom belegde  de  minister  op  24  september  1996  een  vergadering  met  Docters  van  Leeuwen,  Snijders  en Borghouts.164 Volgens het ambtsbericht dat Snijders op 12 juni 1999 aan Van Brummen schreef over de informatie die hij had verstrekt aan de Commissie-Kalsbeek werd de minister op deze vergadering geïnformeerd165: “(…)  over  de  te  verwachten  problemen  met  de  afbouw  van  deze  informanten  (uit  de  IRT- affaire,  auteurs)  en  hun  invloed  op  (lopende)  strafzaken.  Voor  het  eerst  is  toen  de  term                                                 158 Brief A. Docters van Leeuwen d.d. 2 september 1996 aan de minister van Justitie (A5). 159 Brief H. Borghouts d.d. 9 augustus 1996 aan J. De Wijs (A5). 160 Brief H. Borghouts d.d. 9 augustus 1996 aan A. Docters van Leeuwen (A5). 161 Brief d.d. 4 september 1996 aan A. Docters van Leeuwen (A5). 162 Brief A. Docters van Leeuwen d.d. 5 september 1996 aan de minister van Justitie (A5). 163 Nota d.d. 10 september 1996 aan de minister van Justitie (A5). 164 Memo d.d. 5 november 1996 aan H. Borghouts (A5). 165 Nota J. Snijders d.d. 12 juni 1999 aan H. Van Brummen (C5).