• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_5

    69 3 De discussie over de inrichting van het onderzoek in de zomer van 1996 3.1 Inleiding Al  tijdens  het  parlementaire  onderzoek  van  de  Commissie-Van  Traa  en  het  feitenonderzoek  van  het Fort-team dat deze commissie voorzag van heel wat belangrijke informatie over het spel en de spelers in  de  IRT-affaire,  zag  het  college  van  procureurs-generaal  zich  geconfronteerd  met  de  vraag:  wat  te doen  na  afloop  van  deze  onderzoeken  die  alle  twee  lang  niet  op  alle  vragen  omtrent  de  werkelijke toedracht  van  deze  affaire  een  bevredigend  antwoord  hebben  gegeven.  Al  vlug  kwam  het  college  tot de  conclusie  dat  een  vervolgonderzoek  niet  alleen  onontkoombaar  maar  ook  wenselijk  was.  Maar deze conclusie riep op haar beurt een aantal nieuwe vragen op: waarom precies een onderzoek? En wat  voor  onderzoek  dan?  Waarnaar?  En  wie  zou  het  kunnen  en/of  moeten  uitvoeren?  Met  welke middelen   en   onder   welke   condities?   Op   welke   termijn?   Het   zijn   deze   en   nog   andere   belangrijke vragen die het stramien vormen van het hiernavolgende hoofdstuk.. 3.2 De aanloop van de discussie In  maart  1996  bereidden  het  college  van  procureurs-generaal  en  het  ministerie  van  Justitie  zich  voor op  de  openbaarmaking  van  het  Fort-rapport.  Een  van  de  belangrijke  vragen  hierbij  was  wat  er  zou (moeten)  worden  gedaan  met  de  bevindingen.  Dit  punt  kwam  voor  het  eerst  formeel  ter  sprake  in  de vergadering  van  de  Regiegroep  Kennemerland  op  6  maart  1996.  Informeel  was  het  al  eerder  aan  de orde gesteld. Voor de eerste keer tijdens een bezoek van Docters van Leeuwen en Gonsalves aan het Fort-team. Docters van Leeuwen zei hierover het volgende36: “Halverwege  dat  onderzoek  zijn  Gonsalves  en  ik  op  bezoek  geweest  bij  het  Fort-team  en heeft   er   een   indringend   gesprek   plaatsgevonden   met   de   heren   Zwerwer   en   Cremers. Eigenlijk  is  toen  de  basis  gelegd  voor  het  post-Fort-traject.  Want  er  bestond  toen  een  zeer sterk  vermoeden  dat  het  hier  om  meer  ging  dan  de  escapades  van  de  direct  betrokkenen: Van V., L. en De J. Het idee was zeer sterk aanwezig dat er meer structurele zaken achter zouden  moeten  schuilen.  We  hadden  slechts  een  klein  deel  van  de  olifant  in  beeld.  De kernvragen   die   toen   opdoemden   betroffen   eigenlijk   twee   zaken.   Waar   komt   het   geld vandaan? Waar gaat het geld naartoe? (…) Het einde van het Fort-rapport werd gemarkeerd door   een   aantal   vragen.   Doelbewust   zijn   die   vragen   zo   open   mogelijk   geformuleerd   om vooral  niet  –  dit  is  met  instemming  van  het  college  zo  gebeurd  –  de  schijn  te  wekken  dat men op dat moment alles al wist, want dat deden we op dat moment zeker niet.” Maar dit was niet het enige strategische doel: “Met  het  bovenhalen  van  die  onderste  steen  kom  ik  bij  het  tweede  belang  dat  ik  voor  ogen had. Het moest onvermijdelijk gepaard gaan met het onder druk zetten van diverse politieke partijen  om  de  voorzieningen  te  creëren  die  je  in  staat  stellen  om  daadwerkelijk  datgene  te                                                 36 Interview A. Docters van Leeuwen d.d. 17 januari 2001.