• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_62

    126 – identificeer  kwesties  van  niet-integer  handelen  die  niet  direct  een  relatie  hebben  met  de hoofddoelstellingen maar die toch de moeite waard zijn om nader te worden bekeken. — wat  de  werkwijze  betreft  werd  er  alleen  nadrukkelijker  op  gewezen  dat  verkennend  onderzoek naar   facilitators   op   hoog   niveau   vooral   een   intelligence-achtige   benadering   vergde;   in   een voetnoot   werd   bij   de   interviews   opgemerkt   dat   men   hier   al   mee   was   begonnen   en   dat   het “draagvlak bij onze partners zonder meer groot (is)”; — in een speciale paragraaf werd nu ook een indicatie gegeven omtrent de resultaten; gegeven de aard  van  de  te  onderzoeken  materie,  de  gevoeligheid  hiervan  en  de  daarvoor  noodzakelijke werkwijze   was   het   niet   mogelijk   om   die   “expliciet   helder”   te   maken;   maar   het   college   kon “maximaal”   verwachten   dat   er   meer   helderheid   kwam   over   de   achtergronden   van   de   delta- methode, dat er mogelijk strafrechtelijk bruikbare informatie beschikbaar zou komen ten aanzien van personen die faciliterend optraden met betrekking tot zware georganiseerde criminaliteit, dat min  of  meer  incidentele  integriteitzaken  het  daglicht  zouden  zien,  en  dat  al  bestaande  beelden aangaande de mate van non-integriteit verder zouden worden verhelderd; — bij  het  punt  “functies  en  verantwoordelijkheden”  werd  nu  gesteld  dat  er  gezien  het  afbreukrisico door  de  onderzoeksleiding  maandelijks  mondeling  zou  worden  gerapporteerd  aan  het  hoofd  van het   LBOM,   dat   deze   de   procureur-generaal   zou   informeren   en   dat   deze   een   en   ander   zou bespreken  tijdens  het  maandelijks  overleg  tussen  het  college  van  procureurs-generaal  en  de minister  van  Justitie;  het  team  zou  beheersmatig  worden  ondergebracht  bij  het  KLPD;  hierbij werd  aangetekend  dat  veel  van  de  benodigde  informatie  niet  ter  beschikking  zou  komen  van  het team,   enerzijds   vanwege   “het   spanningsveld   dat   nu   eenmaal   door   integriteitvragen   wordt opgeroepen  en  anderzijds  (vanwege)  de  vertrouwensvraag”:  “wij  hebben  daarmee  rechtstreeks toegang  nodig  tot  onder  meer  CID-informatie”;  autorisatie  door  de  minister  van  Justitie  op  basis van  artikel  18,  lid  5  Wet  op  de  politieregisters  was  hierom  “een  essentieel  deel  van  het  door  het team benodigde instrumentarium”; — in   verband   met   het   tijdpad   werd   opgemerkt   dat   de   uitvoering   van   een   intelligence-achtige benadering  en  meer  bepaald  het  kweken  van  “zodanige  vertrouwensrelaties  met  collegae  bij politie  en  justitie  en  derden  dat  bereidheid  ontstaat  om  vertrouwelijke  en  gevoelige  informatie  uit te wisselen” meer tijd vergde dan werd gedacht omdat met dezelfde persoon niet een keer maar drie  keren  moest  worden  gesproken;  eind  maart  zou  een  eerste  schriftelijke  rapportage  gereed zijn;  in  juni  1997  een  tweede  rapportage  waarin  een  beeld  kon  worden  geschetst  van  wat  er  nu werkelijk  aan  de  hand  was;  en  een  eindrapportage  eind  november;  met  andere  woorden:  men vond dat het hele jaar 1997 moest worden uitgetrokken voor het verkennend onderzoek; — in  een  “slotwoord”  werd  niet  uitgesloten  geacht  dat  gaande  het  traject  zodanige  informatie  werd vergaard “dat tussentijdse strategiewijziging noodzakelijk kan blijken te zijn”. Verder was een bijlage (A) toegevoegd over de samenstelling van het team waaruit onder meer blijkt dat   de   BVD   bij   het   onderzoek   was   betrokken   vanwege   de   bij   die   dienst   beschikbare   kennis   en informatie  inzake  corruptie(praktijken).  In  een  bijlage  B  werd  alvast  een  voorproef  gegeven  van  de resultaten  van  de  eerste  interviews  en  de  literatuurverkenning.  Op  een  aantal  punten  loog  die  er  niet om.   Er   werd   gesproken   van   een   aantal   advocaten   dat   “overduidelijk   de   waarheidsvinding   en   de rechtsgang  (saboteert)”.  Ook  mocht  niet  worden  uitgesloten  “dat  er  in  ons  land  hoofdrolspelers  zijn waarvan  op  dit  moment  in  de  verste  verte  niet  vermoed  wordt  dat  zij  via  schimmige  netwerken  bij georganiseerde misdaad betrokken zijn”. 5.3.3 De inperking van de onderzoek sopdracht door het college en de minister van Justitie Dit  nieuwe  plan  van  aanpak  werd  op  28  januari  uitgereikt  in  de  vergadering  van  het  college  van procureurs-generaal  en  hier  toegelicht  door  Holthuis.  Blijkens  de  notulen  van  deze  vergadering  werd