• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_65

    129 achtergronden moesten dan ook zelfstandig op hun strafrechtelijke merites worden bekeken. Gelet op deze  concretisering  en  beperking  van  het  onderzoek  kon  de  minister  instemmen  met  de  opdracht zoals die door het LBOM was geconcipieerd. De secretaris-generaal zou als gemandateerd beheerder in  overleg  met  de  korpschef  van  het  KLPD  toezien  op  de  inpassing  van  het  onderzoeksteam  in  het geheel van het korps. De voorkeur ging evenwel uit naar aansluiting bij het LRT. 5.3.4 De negatieve reacties bij de beide teams op de besluitvorming Deze  beslissingen  vielen  bij  (de  leiding  van)  spoor  2  niet  in  goede  aarde.  Dit  zou  men  niet  opmaken uit  de  “uitgebreide  versie”  van  het  plan  van  aanpak  die  op  17  of  18  februari  1997  werd  uitgebracht. Hierin werden de besluiten onder het kopje “Goedkeuring” zonder commentaar weergegeven.217 Een brief  van  Zwerwer  d.d.  21  februari  1997  aan  Docters  van  Leeuwen  (met  afschrift  aan  Holthuis)  sprak echter al duidelijker taal. Onder verwijzing naar de achtergronden van de totstandkoming van het team en zijn opdracht schreef hij dat hij moest vaststellen dat hen niet de vrijheid werd geboden om verder te  gaan  dan  te  zoeken  naar  de  achtergronden  van  diegenen  die  door  het  team  van  het  LRT  als onderzoekstarget binnenkort aan het college zouden worden gepresenteerd. 218 Het  kwam  hem  voor dat  tegen  die  achtergrond  de  vraag  onder  ogen  moest  worden  gezien  of  een  apart  van  het  LRT opererend  team  wel  verstandig  was.  Het  onderzoek  zou  naar  zijn  overtuiging  zoveel  raakvlakken vertonen,  dat  kon  worden  overwogen  om  beide  onderzoeken  in  elkaar  te  schuiven.  Het  LRT  zou immers niet kunnen volstaan met een strafrechtelijk onderzoek sec, maar zou ook de achtergronden, zeker  in  financiële  zin,  moeten  “meenemen”  om  tot  resultaten  te  kunnen  komen.  Als  gevolg  van  de verenging  van  de  opdracht  zag  Zwerwer  het  onderzoek  van  spoor  2  met  andere  woorden  niet  meer zitten.219 Docters  van  Leeuwen  probeerde  hem  evenwel  van  het  tegendeel  te  overtuigen.  Dit  blijkt  uit  een nota van Zwerwer aan alle leden van het team d.d. 27 februari 1997.220  Naar  aanleiding  van  zijn  brief had   hij   samen   met   Godlieb   op   26   februari   1997   een   onderhoud   met   deze   gehad.   Tijdens   dit onderhoud  had  Docters  van  Leeuwen  zich  weliswaar  zeer  ontvankelijk  voor  hun  bekommernissen getoond,  maar  vond  hij  dat  zij  toch  akkoord  moesten  gaan  met  de  gekozen  opzet.  Het  belangrijkste argument was dat het politiek-juridisch niet te verdedigen zou zijn om een opdracht te verstrekken die verder  reikte  dan  de  formulering  van  een  voorbereidend  strafrechtelijk  onderzoek,  zoals  verwoord  in het wetsontwerp op de bijzondere opsporingsbevoegdheden.221 Dit  nam  evenwel  niet  weg,  zo  vervolgde  Zwerwer,  dat  het  team  de  vrijheid  had  het  onderzoek breder  in  te  steken.  Mochten  daaruit  gegevens  naar  voren  komen  die  het  noodzakelijk  maakten  de opdracht  te  verbreden  dan  zou  dat  geen  problemen  geven  omdat  dit  immers  de  bredere  basis  zou opleveren  in  de  zin  van  vorenbedoeld  wetsontwerp.  Praktisch  gesproken  mocht  er  volgens  hem  dus van worden uitgegaan dat de interne formulering van het onderzoek haar geldigheid niet had verloren                                                 217 Korps    Landelijke    Politiediensten;    onderzoek    KL    2601,    Onderzoeksopdracht    m.b.t.    faciliterende    structuren georganiseerde criminaliteit, d.d. 18 februari 1997, ondertekend door S. Zwerwer, A. Welschen en A. Godlieb (F1). 218 Brief S. Zwerwer d.d. 21 februari 1997 aan A. Docters van Leeuwen (F1). 219 En hij was niet de enige! In een nota van 24 februari 1997 aan H. Holthuis schreef A. Welschen dat er enige verwarring was ontstaan: aan de ene kant was het plan van aanpak goedgekeurd, aan de andere kant werd het belangrijk ingeperkt zodat spoor 2 heel dicht tegen spoor 1 aan kwam te liggen. Voor hen bleven er een paar opties open: (1) spoor 1 iets uitbreiden en spoor 2 stopzetten, (2) spoor 1 iets uitbreiden het intelligencewerk van spoor 2 onderbrengen bij de BVD, (3)   spoor   2   voortzetten   waarbij   “achtergronden   van   Kennemerland”   wordt   opgerekt   tot   Amsterdam,   Gooi-   en Vechtstreek, Rotterdam en Dordrecht”, en (4) spoor 2 “voortzetten met een brede blik en aldus onderzoek doen naar facilitators in het algemeen”. De derde optie leek hem voor de hand te liggen maar “feitenmateriaal op dat gebied is er m.i. niet, wel vermoedens, geruchten en suggesties”. Zou men dit toch willen dan zou er een “concreet activiteitenplan” moeten worden opgesteld. Zou dit niet lukken dan was het in zijn ogen beter de zaak bij de BVD onder de aandacht te brengen (C7). 220 Nota S. Zwerwer aan “alle collegae van spoor 2” d.d. 27 februari 1997 (F1). 221 Dit wetsontwerp heeft inmiddels kracht van wet. De  Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden (BOB) is op 1 februari 2000 in werking getreden.