• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_7

    71 bijeenkomsten    van    de    Regiegroep    Kennemerland.41    Het    werd    bovendien    met    zoveel    woorden herhaald in de brief waarbij het college op 29 maart 1996 het rapport van het Fort-team aanbood aan de minister van Justitie. Tevens werd hierin opgemerkt dat het wantrouwen tussen een aantal politie- en   OM-functionarissen   in   het   ressort   Amsterdam   het   college   ernstig   zorgen   baarde   en   dat   het  – wanneer  de  regering  zich  had  uitgesproken  over  het  rapport  van  de  Commissie-Van  Traa  –  zonodig voorstellen zou doen om te bewerkstelligen dat iedereen zich zou voegen naar het standpunt van de regering   over   wat   wel   en   niet   toelaatbaar   is   in   de   opsporing.   Want   de   verschillen   van   opvatting hierover vormden volgens het college een van de oorzaken van dat wantrouwen.42 Op 22 april 1996 vond nader overleg plaats tussen Gonsalves en Zwerwer over de “nazorg Fort- team”. In dit overleg kwam ook het strafrechtelijk vervolgonderzoek ter sprake. In zijn nota hieromtrent tekende Zwerwer aan dat43: “(…) op ons verzoek een medewerker van de CRI bezig (is) een analyse te maken van alle materiaal  dat  ter  zake  aanwezig  is.  Afgesproken  is  dat  Holthuis  het  vervolg  zal  coördineren in   overleg   met   PG-Den   Bosch.   Dit   betekent   voorlopig   dat   onder   leiding   van   Holthuis   zal worden gezorgd dat een advies aan het college ter zake wordt voorbereid.” De  CRI-medewerker  die  deze  analyse  maakte  was  Schouten;  hij  deed  dit  samen  met  De  Wit.  Bijna gelijktijdig,   namelijk   op   23   april   1996,   vond   er   evenwel   ook   overleg   plaats   tussen   Gonsalves   en Holthuis enerzijds en Entken anderzijds over “hoe te handelen naar aanleiding van Fort en de roep om onderzoek”.  Wat  er  door  hen  precies  werd  besproken  valt  op  papier  niet  na  te  gaan.  Het  feit  dat  dit overleg  heeft  plaatsgegrepen  betekent  –  gelet  op  de  positie  van  Holthuis  als  hoofd  van  het  landelijk parket  en  die  van  Entken  als  voorman  van  het  LRT  –  evenwel  dat  reeds  in  dit  stadium  onder  ogen werd   gezien   dat   mogelijk   (ook)   het   LRT   zou   worden   belast   met   (een   deel   van)   het   strafrechtelijk vervolgonderzoek.44  De  vaststelling  in  de  vergadering  van  het  college  van  procureurs-generaal  op  24 april  1996,  dat  er  voorbereidingen  werden  getroffen  voor  een  in  te  stellen  strafrechtelijk  onderzoek naar   vermoedelijk   gepleegde   strafbare   feiten,   was   dus   terecht.   Op   1   mei   1996   zou   een   voorstel hiertoe worden geagendeerd.45 In   de   vergadering   van   het   college   op   7   mei   1996   werden   de   hoofdlijnen   besproken   van   de aanpak   met   betrekking   tot   enkele   onderzoeken   naar   meineed   en   van   wat   er   dienaangaande   was besproken met Holthuis. Bovendien werd meegedeeld dat er door de CRI een analyse werd gemaakt van  alle  feiten  die  bekend  waren  geworden  en  die  de  grondslag  moesten  vormen  voor  de  beslissing om  al  dan  niet  vervolging  in  te  stellen.  Welke  die  hoofdlijnen  en  die  feiten  waren,  en  waarom  de  CRI met de analyse werd belast, blijkt niet uit de notulen.46 In   de   vergadering   van   het   college   op   15   mei   1996   werd   aangestipt   dat   er   uitvoerig   was beraadslaagd  met  Holthuis  over  de  aanpak  van  het  strafrechtelijk  onderzoek  naar  aanleiding  van  de                                                                                                                                                         burgemeester van Haarlem, J. Pop, onmiddellijk bracht tot de stelling dat hij – als korpsbeheerder – betrokken diende te worden   bij   het   beraad   over   zulk   onderzoek.   A.   Docters   van   Leeuwen   was   het   hier   vanuit   de   eigen   volle verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie voor de vervolging niet (onverkort) mee eens. Met behoud van ieders verantwoordelijkheid  wilde  hij  de  korpsbeheerder  eigenlijk  alleen  betrekken  bij  kwesties  die  hem  als  werkgever  van mogelijke verdachten zouden aangaan. Nadien – in een brief van 10 mei 1996 aan Pop – wees hij er bovendien op dat het  hier  niet  ging  om  een  eenvoudige  bestudering  van  het  rapport  van  de  rijksrecherche,  maar  (om)  een  diepgaande analyse  van  het  onderzoeksmateriaal  dat  de  grondslag  voor  het  rapport  heeft  gevormd.  Zie  de  correspondentie  over deze kwestie in B7. 41 Besluitenlijst   zestiende   bijeenkomst   Regiegroep   Kennemerland   d.d.   25   maart   1996   en   Besluitenlijst   zeventiende bijeenkomst Regiegroep Kennemerland d.d. 27 maart 1996 (B6). 42 Brief college van procureurs-generaal d.d. 29 maart 1996 aan de minister van Justitie (A4). 43 Nota Zwerwer d.d. 25 april 1996: “Bespreking met R. Gonsalves d.d. 22 april 1996” (B6). 44 Het vorenstaande is gebaseerd op het persoonlijk journaal van P. Entken (F24). Op datum van 23 april 1996 tekende hij aan: “Gesprek PG-HOVJ”. Dat hier R. Gonsalves en H. Holthuis zijn bedoeld, is een interpretatie. 45 Uittreksel collegevergadering d.d. 24 april 1996 (B7). 46 Uittreksel collegevergadering d.d. 7 mei 1996 (B7).