• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_73

    137 Slits  vond  dit  niet  nodig  omdat  hij  naar  zijn  mening  voldoende  kon  aantonen  hoe  er  in  dezen  was gehandeld. Hij had niet alleen de correspondentie met Gonsalves uit september 1996 overlegd maar ook  een  brief  van  de  secretaris-generaal  van  het  ministerie  van  Justitie  Borghouts.248  Deze  brief  – waarnaar  hiervoor  reeds  werd  verwezen  –  dateerde  van  18  maart  1997  en  was  gericht  aan  Slits. Borghouts stelde hierin dat de rubricering van het Fort-archief tot staatsgeheim begin 1996 mondeling was   afgesproken   met   de   BVD   en   dat   bij   die   gelegenheid   tevens   was   overeengekomen   dat   een beslissing   tot   derubricering   ten   behoeve   van   een   strafzaak   namens   de   secretaris-generaal   zou kunnen worden genomen door een lid van het college van procureurs-generaal. En, zo vervolgde hij, Gonsalves  was  op  de  hoogte  van  deze  afspraak  en  had  dientengevolge  geheel  bevoegd  behandeld toen hij delen van het archief ter beschikking had gesteld.249 De   rechtbank   was   het   met   de   argumenten   van   Slits   volmondig   eens   en   stelde   dat   niet aannemelijk  was  gemaakt  welk  verdedigingsbelang  met  het  horen  van  de  desbetreffende  getuigen gediend zou kunnen zijn.250 Niettemin wees de rechtbank de zaak terug naar de rechter-commissaris om een hele reeks andere getuigen te horen.251 Verder    is    het    hier    van    belang    om    erop    te    wijzen    dat    Noordhoek    naar    aanleiding    van    de coördinatievergadering die op 2 december 1996 op het LBOM had plaatsgevonden op 9 januari 1997 met  het  oog  op  de  voorbereiding  van  het  060-onderzoek  aan  Slits  verzocht  om  een  afschrift  van  de processen-verbaal,   inclusief   de   onderliggende   stukken,   betreffende   de   verdenking   van   meineed jegens  L.  en  Van  V.252  Slits  legde  deze  vraag  dezelfde  dag  nog  schriftelijk  voor  aan  Gonsalves.253 Gonsalves leidde deze brief enkele dagen later door aan Holthuis met het verzoek om hem van advies te dienen of en zo ja, onder welke voorwaarden, aan dit verzoek kon worden voldaan.254  Kennelijk  viel dit  advies  positief  uit  want  op  4  maart  1997  maakte  Slits  de  gevraagde  stukken  over  aan  Holthuis (onder het voorbehoud dat Gonsalves er nog zijn goedkeuring aan zou hechten).255 Een maand later stuurde    hij    Noordhoek    rechtstreeks    nog    andere    stukken    toe    die    betrekking    hadden    op    deze strafzaak.256 Dit  onderzoek  laat  dus  niet  alleen  goed  zien  dat  er  onder  voorwaarden  stukken  uit  het  Fort- archief   konden   en   kunnen   gebruikt   in   strafzaken   maar   ook   dat   er   ook   de   nodige   samenwerking bestond tussen de meineedonderzoekers en de onderzoekers van het LRT-team. 5.6.2 Het verdere verloop van de affaire met “Haagse Kees” Hiervoor  werd  reeds  aangegeven  dat  de  minister  van  Justitie  bij  brief  van  11  november  1996  aan Docters  van  Leeuwen  had  verzocht  om  een  aantal  vragen  die  in  het  kader  van  deze  affaire  waren gerezen  mee  te  nemen  in  het  verdere  onderzoek  naar  het  functioneren  van  de  RCID  Kennemerland. Zij  had  hem  evenwel  ook  gevraagd  om  de  rijksrecherche  een  onderzoek  te  laten  instellen  naar  de vraag  of  “Haagse  Kees”  zich  na  de  ontvangst  van  de  twee  miljoen  gulden  ook  metterdaad  in  het buitenland  had  gevestigd  en  haar  medio  december  1996  te  berichten  over  de  resultaten  van  dit onderzoek. Parallel hieraan werd omstreeks die tijd contact gezocht met het ministerie van Financiën                                                 248 Nota F. Slits d.d. 28 maart 1997 met zijn beoordeling van de getuigenlijsten in de onderhavige strafzaak (C2). 249 Brief H. Borghouts d.d. 18 maart 1997 aan F. Slits (C2). 250 Conceptuittreksel   uit   proces-verbaal   van   de   zitting   d.d.   28   maart   1997   van   de   meervoudige   strafkamer   van   de arrondissementsstrafkamer te ‘s-Gravenhage inzake de verdachte L. en de verdachte Van V. (C2). 251 Deze  strafzaak  moet  worden  onderscheiden  van  de  strafzaak  tegen  L.  en  VdP.  terzake  van  hun  onware/meinedige verklaringen  in  de  zaak-Hooghiemstra  over  de  werkwijze  die  in  de  pro-actieve  respectievelijk  opsporingsfase  werd toegepast.  Ook  in  deze  strafzaak  speelde  evenwel  het  probleem  van  het  gebruik  van  als  staatsgeheim  aangemerkte stukken  uit  het  Fort-archief.  Zie  de  brief  van  J.  Blok  d.d.  19  februari  1997  aan  de  voorzitter  van  het  college  van procureurs-generaal (D21). 252 Brief E. Noordhoek d.d. 9 januari 1997 aan F. Slits (C2). 253 Brief F. Slits d.d. 9 januari 1997 aan R. Gonsalves (C2). 254 Brief R. Gonsalves d.d. 14 januari 1997 aan H. Holthuis (C2). 255 Brief F. Slits d.d. 4 maart 1997 aan H. Holthuis (C2). 256 Brief F. Slits d.d. 2 april 1997 aan E. Noordhoek (C2).