• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_74

    138 om  na  te  gaan  of  deze  voormalige  informant  eventueel  ook  fiscaal  kon  worden  aangepakt.257 Om dit uit  te  kunnen  zoeken  werd  kort  na  21  november  1996  een  kopie  van  het  departementale  dossier betreffende  “Haagse  Kees”  verstrekt  aan  de  belastingdienst.258  Een  week  eerder  –  op  13  november 1996 – had de leiding van het departement overigens al ingestemd met de verstrekking van een kopie hiervan aan Noordhoek.259 Op  8  januari  1997  schreef  een  beleidsambtenaar  op  het  departement  van  Justitie  een  brief  aan de  minister  van  Justitie  over  de  manier  waarop  het  openbaar  ministerie  en  in  het  bijzonder  Docters van  Leeuwen  was  omgegaan  met  haar  verzoek  van  11  november  1996. 260  Al  voor  de  Kerstdagen was hem uit contacten met het parket-generaal gebleken dat dit verzoek was blijven liggen. Eerst was aangevoerd  dat  dit  een  gevolg  van  “drukte”  was  geweest.  Later  was  gebleken  dat  er  meer  aan  de hand was, namelijk dat de rijksrecherche geen opdracht was gegeven om het gevraagde onderzoek te doen omdat het openbaar ministerie van mening was dat er – zonder het bestaan van een verdenking in strafrechtelijke zin – geen titel was om een nader onderzoek in te stellen naar de verblijfplaats van de  ex-informant  en  voorts  dat  tijdens  het  overleg  op  24  september  1996  was  afgesproken  dat  geen nader  onderzoek  noodzakelijk  was  naar  de  rol  van  de  betrokken  leden  van  het  openbaar  ministerie. Na  overleg  op  het  departement  –  eveneens  op  8  januari  –  was  de  betrokken  medewerker  van  het parket-generaal   overstag   gegaan   en   had   hij   opeens   toch   mogelijkheden   gezien   voor   een   nader onderzoek  naar  de  verblijfplaats  van  “Haagse  Kees”.  Zodoende  werd  geconcludeerd  dat  wederom moest  worden  vastgesteld  dat  het  parket-generaal  niet  adequaat  had  gehandeld  met  betrekking  tot een  verzoek  dat  schriftelijk  aan  de  voorzitter  van  het  college  van  procureurs-generaal  was  gericht.  Er werd geadviseerd om het openbaar ministerie nog enkele dagen de tijd te geven en af te wachten of er alsnog uitvoering zou worden gegeven aan het verzoek. Zou dit niet het geval zijn, dan zou Docters van  Leeuwen  mondeling  over  deze  kwestie  om  opheldering  moeten  worden  gevraagd  en  zou  in  elk geval   moeten   worden   bewerkstelligd   dat   de   rijksrecherche   het   gevraagde   onderzoek   alsnog   zou instellen. In  aansluiting  op  deze  nota  schreef  de  minister  van  Justitie  op  21  januari  1997  een  brief  aan Docters  van  Leeuwen  waarin  zij  haar  verbazing  uitsprak  over  het  feit  dat  het  gevraagde  onderzoek zelfs nog niet aan de rijksrecherche was opgedragen. Verder verzocht zij hem er onverwijld zorg voor te dragen dat aan haar verzoek alsnog uitvoering werd gegeven. Bovendien vernam zij graag waarom tot op heden de rijksrecherche geen opdracht tot bedoeld onderzoek had gehad.261 De dag daarop – op 22 januari 1997 – schreef Docters van Leeuwen terug dat hij naar aanleiding van  de  brief  van  11  november  1996  de  dossiers  over  “Haagse  Kees”  nader  had  laten  bestuderen  om te  bezien  op  welke  wijze  en  door  wie  dat  onderzoek  zou  moeten  worden  verricht,  alsmede  wat  de reikwijdte   van   dat   onderzoek   zou   moeten   zijn.   Hij   vervolgde   met   te   zeggen   dat   er   inmiddels   een aanvang  was  gemaakt  met  dit  onderzoek  en  dat  het  college  over  de  zaak  eindverantwoording  zou afleggen   tegenover   haar.   Hij   zou   de   rijksrecherche   bij   dit   onderzoek   betrekken   zodra   feiten   en omstandigheden   naar   voren   kwamen   die   inschakeling   van   de   rijksrecherche   rechtvaardigden.   De verwachting was dat er in de eerste helft van februari nader bericht zou kunnen worden gegeven.262 Het onderzoek nam echter meer tijd in beslag dan verwacht. Pas op 19 maart 1997 kon Docters van  Leeuwen  de  uitslag  van  het  onderzoek  mededelen.263  Die  kwam  erop  neer  dat  er  op  een  enkel                                                 257 Nota d.d. 13 november 1996 aan de minister van Justitie (A5). 258 Nota d.d. 21 november 1996 aan de secretaris-generaal (A5). Aan de discussie over de fiscale afwikkeling van de zaak gaan we hier voorbij. 259 Nota d.d. 13 november 1996 aan de minister van Justitie (A5). 260 Nota d.d. 8 januari 1997 aan de minister van Justitie (A5). 261 Brief minister van Justitie d.d. 21 januari 1997 aan A. Docters van Leeuwen (A5). 262 Brief A. Docters van Leeuwen d.d. 22 januari 1997 aan minister van Justitie (A5). 263 Brief A. Docters van Leeuwen d.d. 19 maart 1997 aan minister van Justitie (A5). Hierbij moet worden aangetekend dat er tussentijds wel contacten zijn geweest tussen het parket-generaal en het departement over het onderzoek en eveneens over  het  ontwerp  van  deze  brief  aan  de  minister  van  Justitie.  Zie  onder  meer  een  nota  d.d.  17  maart  1997  van  een beleidsambtenaar van het parket-generaal (A5).