• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_8

    72 analyse  van  de  CRI  van  de  uitkomsten  van  het  Fort-onderzoek.  Er  zou,  zo  werd  medegedeeld,  een startverbaal  worden  opgemaakt  en  een  plan  van  aanpak  worden  opgesteld.  Het  college  besliste  dit onderwerp  voor  zijn  vergadering  op  29  mei  opnieuw  te  agenderen.  Welke  analyse  door  de  CRI  was vervaardigd  kan  overigens  niet  uit  de  notulen  worden  opgemaakt.  Er  is  in  elk  geval  ook  geen  stuk bijgevoegd  dat  de  neerslag  van  deze  analyse  zou  bevatten.47  Van  belang  is  verder  dat  Ficq  in  deze vergadering te berde bracht dat hem in de loop van zijn doorlichting van het openbaar ministerie in het bijzonder   was   opgevallen   dat   de   interregionale   samenwerking   vaak   (was)   misgegaan   doordat   er onduidelijkheid  bestond  over  de  verantwoordelijkheidsverdeling.  In  de  notulen  werd  hier  wat  laconiek aan toegevoegd dat het college het gewenst (achtte) dat er snel duidelijkheid kwam over dit punt. Het koppelde hieraan wel de beslissing dat waar het ging om de overdracht van informanten of infiltranten nog  in  juni  1996  zou  worden  gesproken  over  de  handleiding  die  dienaangaande  door  het  Landelijk Bureau van het Openbaar Ministerie (LBOM) was vervaardigd.48 In februari 1999 maakte de CRI een zogenaamde “tijdlijn” met betrekking tot de activiteiten die zij vanaf    het    begin    had    geleverd    aan    de    post-Fort-vervolgonderzoeken,    ten    behoeve    van    een bijeenkomst met Steenhuis op de 17e  van  die  maand.  In  deze  nota  beantwoordden  de  (onbekende) auteurs  eerst  de  vraag  waarom  juist  hun  dienst  zo  nauw  was  betrokken  bij  deze  onderzoeken.  Hun beknopte  antwoord  was:  “de  vanaf  het  begin  opgedane  kennis  en  het  geconfronteerd  worden  vanuit de functie NCID (de nationale component van de criminele inlichtingen diensten die is ondergebracht bij   de   CRI,   rapporteurs)   met   gegevens   uit   landelijke   registraties”.   Verder   werd   er   in   de   tijdlijn aangestipt  dat  de  dienst  –  concreet  De  Wit  en  Schouten  –  op  16  mei  1996  een  presentatie  had gegeven voor Gonsalves en Holthuis.49 Hierin waren volgens dit document de volgende onderwerpen aan de orde gekomen: — “Mot-meldingen J.; — Rol J./Van V./L.; — Transporten cocaïne met marihuana (parallel); — Verdiensten info’s/regie minimaal 100.000.000,- voor alleen al containertraject (marihuana)”. Blijkens  deze  zelfde  tijdlijn  werd  een  soortgelijke  presentatie  op  29  mei  1996  gehouden  voor  de procureurs-generaal.  Wie  van  hen  hier  daadwerkelijk  bij  aanwezig  was  vermeldt  dit  document  niet.50 Uit andere stukken kan evenwel worden opgemaakt dat deze presentatie – in het bijzijn van Holthuis – is  gehouden  in  de  vergadering  van  het  college  van  procureurs-generaal  op  die  dag.  Op  de  agenda stond toen onder meer de stand van zaken betreffende het plan van aanpak inzake de strafrechtelijke onderzoeken  naar  aanleiding  van  de  Commissie-Van  Traa  en  het  rijksrecherche-onderzoek  naar  de CID Kennemerland. Deze  presentatie  was  kennelijk  vooral  gebaseerd  op  CID-berichten  en  op  transportdocumenten en   verklaringen   over   vervoers-   en   reisbewegingen.   Zij   werd   gegeven   aan   de   hand   van   enkele summiere  schriftelijke  analyses  van  de  beschikbare  informatie  en  van  een  aantal  analyseschema’s. Een   samenhangende   en   indringende   rapportage   over   de   mogelijke   toedracht   van   de   betrokken drugshandel is er – in die tijd – dus niet gemaakt.51 Holthuis bekeek deze presentaties/analyses zo52:                                                 47 Een   dergelijk   stuk   is   overigens   in   het   geheel   niet   aangetroffen   in   de   dossiers   die   door   ons   zijn   geraadpleegd. P. Schouten heeft ons achteraf evenwel de stukken overhandigd die werden gebruikt bij de presentaties die later in mei door hem en J. de Wit werden verzorgd voor (het college van) procureurs-generaal en H. Holthuis. 48 Uittreksel collegevergadering d.d. 15 mei 1996 (B7). 49 In andere bronnen is sprake van 14 mei 1996 in plaats van 16 mei 1996. 50 Tijdlijn  van  de  Divisie  Centrale  Recherche  Informatie  (februari  1999;  precieze  datum  onbekend)  (B1).  Hier  zij  bij vermeld   dat   F.   Teeven   en   J.   Valente   in   een   nota   van   4   juli   1995   aan   J.   Vrakking   over   de   voortgang   van   het rijksrechercheonderzoek  (bedoeld  is  het  Fort-onderzoek,  want  de  nota  werd  geschreven  naar  aanleiding  van  overleg met  Zwerwer  en  Pijl)  en  de  lopende  onderzoeken  te  Amsterdam,  schreven  dat  het  noodzakelijk  was  om  onder  meer onderzoek te doen naar de “bankrekening(en) van de familie J.” (E1). 51 De onderhavige stukken zijn ons door P. Schouten ter inzage gegeven. 52 Interview H. Holthuis d.d. 17 januari 2001.