• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_83

    147 de  landsadvocaat.  Tot  slot  maakte  Holthuis  kenbaar  dat  hij  kon  leven  met  de  positionering  van  de leden van de rijksrecherche zoals die door Pijl was geclausuleerd.280 Dat het college van procureurs-generaal in april 1997 niet alleen achter het onderzoek van spoor 1 stond maar toen ook het onderzoek van spoor 2 nog steunde blijkt het beste uit de brief die Docters van Leeuwen op 23 april 1997 stuurde naar alle hoofdofficieren van justitie.281 In deze brief herinnerde hij aan het besluit van het college van procureurs-generaal d.d. 6 februari 1997 om een voorbereidend opsporingsonderzoek   te   laten   instellen   naar   “de   bredere   achtergronden   met   betrekking   tot   het criminele handelen dat tijdens het rijksrecherche-onderzoek (Fort-team) naar het functioneren van de RCID Kennemerland is gebleken”. Ook de vraagstelling die aan dit onderzoek ten grondslag lag werd in   deze   brief   geciteerd.   Hierbij   werd   het   beoogde   resultaat   uitdrukkelijk   vermeld:   “het   vinden   van concrete   aanknopingspunten   die   kunnen   leiden   tot   een   of   meer   tactische   vervolgonderzoeken”. Verder  gaf  hij  aan  dat  tot  de  activiteiten  van  het  team  onder  meer  zouden  behoren:  interviews  met deskundigen    en    betrokkenen,    verzameling    van    gegevens    uit    zowel    lopende    als    afgesloten opsporingsonderzoeken,  en  raadpleging  van  CID-registers.  Tenslotte  verzocht  hij  de  hoofdofficieren met  klem  hun  medewerking  aan  het  onderzoeksteam  te  verlenen  en  om  de  gevraagde/beschikbare informatie te verstrekken. Terwijl   de   raadpleging   van   de   landsadvocaat   en   het   departement   van   Justitie   omtrent   de perikelen met de toegang tot respectievelijk het gebruik van de betrokken archieven aan de gang was, zaten  de  beide  teams  vanzelfsprekend  niet  stil.  Toch  zal  hier  eerst  worden  ingegaan  op  de  uitkomst van dat overleg omdat die in belangrijke mate de aard hun onderzoeksactiviteiten heeft bepaald. 6.3 De uitkomst van het beraad over het gebruik van de Fort- en PEC-archieven Uit  het  voorafgaande  kan  worden  afgeleid  dat  het  er  niet  langer  om  ging  om  in  het  kader  van  een bepaalde  strafzaak  een  of  meer  stukken  uit  het  Fort-archief  te  raadplegen  en  eventueel  te  voegen  in het dossier, maar om de opheffing van de rubricering “staatsgeheim” als zodanig. Met het oog hierop werd  door  enkele  leden  van  het  team  van  spoor  1  op  20  maart  1997  een  nota  over  deze  rubricering geschreven.282  In  deze  nota  die  in  overleg  met  de  plaatsvervangend  beveiligingsambtenaar  van  het ministerie  van  Justitie  was  vervaardigd,  werd  enerzijds  de  regeling  uiteengezet  die  in  de  rijksdienst geldt  om  documenten  als  staatsgeheim  te  kunnen  betitelen.  Anderzijds  werd  beschreven  welke  de relevantie van deze regeling was voor het Fort-archief. De conclusie was dat in dit geval de secretaris- generaal   van   het   ministerie   van   Justitie   de   ambtenaar   was   die   de   rubricering   kon   herzien   of beëindigen.  Aanbevolen  werd  verder  om  het  advies  van  de  directeur  van  de  rijksrecherche  in  te winnen,  zijnde  de  voormalige  registerbeheerder.  Met  name  om  te  achterhalen  welke  afspraken  er waren gemaakt en welke voorwaarden er waren gesteld ten overstaan van de gehoorde personen. Na beëindiging van de procedure zouden de beschermende bepalingen van de Wet op de politieregisters en het daarbij behorende besluit van toepassing (kunnen) zijn. Dit advies werd onderschreven in een intern   memo   van   het   team,   zij   het   met   de   toevoeging   dat   het   ter   vermijding   van   problemen aangewezen was om ook de landsadvocaat te raadplegen omtrent een en ander.283 In zekere zin leek de  genoemde  conclusie  overigens  in  strijd  te  zijn  met  het  standpunt  dat  de  secretaris-generaal  in  de eerder  geciteerde  brief  van  18  maart  1997  aan  de  officier  van  justitie  Slits  in  de  meineedzaak  tegen Van V. en L. verwoordde, namelijk dat een beslissing tot derubricering ten behoeve van een strafzaak ook namens hem zou kunnen worden genomen door een lid van het college van procureurs-generaal.                                                 280 Conceptnotulen vergadering college van procureurs-generaal d.d. 15 april 1997 (B1). 281 Brief A. Docters van Leeuwen d.d. 23 april 1997 aan de hoofdofficieren van justitie (F1). 282 Deze nota is getiteld “Toelichting op het stg.staatsgeheim F-dossier” d.d. 20 maart 1997 (C4). 283 Dit memo, dat niet is gedateerd, werd geschreven door een lid van het team (C3).