• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_84

    148 Maar dit was volgens de betrokken ambtenaar niet het geval: de secretaris-generaal was bevoegd om een dergelijke regeling te treffen.284 Nadat   het   college   van   procureurs-generaal   op   15   april   1997   akkoord   was   gegaan   met   de onderzoeksvoorstellen  schreef  Noordhoek  –  mede  op  verzoek  van  Docters  van  Leeuwen  –  een  brief aan   de   landsadvocaat   waarin   om   opheldering   werd   gevraagd   over   twee   kwesties:   ten   eerste   de mogelijkheden van de Wet en het Besluit politieregisters om gegevens af te schermen en ten tweede over  de  strafprocesrechtelijke  gevolgen  van  het  gebruik  van  verklaringen  die  onder  voorwaarden  zijn afgelegd.285  Tezelfdertijd  werd  door  een  lid  van  het  team  nagegaan  door  wie  in  het  Fort-onderzoek welke   voorwaarden   waren   gesteld   respectievelijk   welke   voorbehouden   waren   gemaakt   voor   het gebruik    van    verklaringen    en/of    rapporten    en/of    gegevens.    Het    bleek    te    gaan    om    zo’n    dertig verklaringen/gegevens en een tiental documenten.286  Het  belang  van  dit  overleg  werd  enkele  dagen later  overigens  aangescherpt  door  vragen  van  de  Kamerleden  Koekkoek  en  Hillen  d.d.  2  mei  1997 naar aanleiding van een bericht in het Haarlems Dagblad van 29 april 1997 dat de minister van Justitie de  Kamer  in  oktober  1996  verkeerd  zou  hebben  voorgelicht  over  het  staatsgeheim  karakter  van  de documenten   waarop   het   deel   van   het   Fort-rapport   over   de   CID   van   de   Haarlemse   politie   was gebaseerd:  een  deel  van  deze  documenten  droeg  volgens  de  betrokken  journalisten  namelijk  al  lang niet meer het stempel staatsgeheim.287  In  het  bijzonder  vroegen  zij  of  het  staatsgeheim  ten  aanzien van  de  betrokken  documenten  geheel  of  gedeeltelijk  was  opgeheven  en,  zo  ja,  door  wie,  voor  welk doel,   via   welke   procedure   en   voor   hoe   lang,   en   waarom   de   minister   dit   desgevallend   niet   had meegenomen in haar antwoord op de eerdere vragen uit oktober 1996?288 In  brieven  d.d.  14  en  15  mei  1997  bracht  de  landsadvocaat  –  in  concept  –  advies  uit  over  de gestelde vragen. Wat de beschermende werking van de Wet en het Besluit politieregisters betreft was zijn  oordeel  in  de  brief  van  14  mei  dat  deze  wetgeving  ook  van  toepassing  is  op  registers  waarin informatie  is  opgenomen  die  het  stempel  van  staatsgeheim  draagt  en  dat  verzoeken  om  inzage  in deze   informatie   dus   steeds   moeten   worden   bezien   in   het   licht   van   de   toepasselijke   bepalingen. Handhaving  van  de  rubricering  “stg.-geheim”  bood  in  de  ogen  van  de  landsadvocaat  dus  geen  extra bescherming   en   in   die   zin   was   er   dan   ook   geen   bezwaar   tegen   de   beëindiging   ervan.289   Met betrekking    tot    de    andere    kwestie    –    de    strafprocessuele    consequenties    van    toezeggingen    – concludeerde de landsadvocaat dat zodanige schending reële complicaties voor de bewijsvoering kon meebrengen en dat voorzichtigheid was geboden.290 Het  advies  van  14  mei  betreffende  de  beëindiging  van  de  rubricering  van  het  Fort-archief  als staatsgeheim  leidde  nog  op  diezelfde  dag  tot  een  brief  van  Holthuis  aan  Gonsalves  waarin  hij  deze niet  alleen  een  kopie  van  dit  advies  deed  toekomen  maar  hem  ook  het  concept  toestuurde  van  een verzoek  –  dat  zou  moeten  uitgaan  van  Docters  van  Leeuwen  –  aan  de  secretaris-generaal  van  het ministerie  van  Justitie  om  deze  rubricering  op  te  heffen.291  Het  college  besliste  in  de  vergadering  van 28  mei  1997  de  secretaris-generaal  te  verzoeken  om  derubricering  van  het  Fort-archief  en  zond  hem                                                 284 Dit laatste is ontleend aan een niet gedateerd memo tussen leden van het team betreffende de rubricering van het Fort- dossier (C4). 285 Brief E. Noordhoek d.d. 18 april 1997 aan de landsadvocaat (C4). 286 Zie de rapporten dienaangaande d.d. 18 april en 23 april 1997 aan E. Noordhoek (C4). 287 De kop boven het stuk in de betrokken aflevering van het Haarlems Dagblad luidde: “Sorgdrager lichtte Kamer foutief in over IRT” (C4). 288 Tweede Kamer, 1996-1997, Aanhangsel Handelingen, nr. 184. De eerdere reeks vragen was gesteld op 11 september 1996. Op 30 juni stelde A. Koekkoek overigens nog ettelijke nadere vragen over het staatsgeheim. In een brief van 2 mei 1997 vroeg ook een advocaat het ministerie van Justitie om nadere informatie over de toepassing van de regeling betreffende het staatsgeheim binnen het departement (C4). 289 Brief landsadvocaat d.d. 14 mei 1997 (C4). 290 Brief landsadvocaat d.d. 15 mei 1997 (C4). In de betreffende map zit ook het definitieve advies d.d. 14 juli 1997. De conclusie   is   evenwel   eensluidend   aan   die   in   het   concept.   Uit   de   brief   van   14   juli   blijkt   dat   de   landsadvocaat ondertussen al contact had gehad met E. Noordhoek betreffende de toepassing van zijn conclusie op de verklaringen in het Fort-archief. In C4 bevindt zich een niet-gedateerde lijst met bespreekpunten/vraagpunten voor de landsadvocaat. 291 Brief H. Holthuis d.d. 14 mei 1997 aan R. Gonsalves (B7)..