• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_85

    149 op 11 juni een brief van deze strekking.292 Namens de minister antwoordde de plaatsvervangend secretaris-generaal op 23 september 1997 dat zij zich kon verenigen met het verzoek. Wel tekende zij hierbij  aan  dat  zij  er  vanuit  ging  dat  de  informatie  onder  de  werking  van  de  Wet  politieregisters  werd gebracht. Bovendien zouden de afspraken die met de betrokkenen waren gemaakt met betrekking tot de   veiligheid   van   de   informanten   moeten   worden   gerespecteerd.   Verder   werd   opgemerkt   dat   de omschrijving  van  het  doel  van  het  onderhavige  register  zou  moeten  worden  beperkt  tot  de  opsporing van  strafbare  feiten  die  verband  hielden  met  de  uitkomsten  van  het  Fort-onderzoek.  De  rubricering “stg.-geheim”   van   het   Fort-dossier   zou   worden   beëindigd   “met   ingang   van   dagtekening   van   dit schrijven”, dus op 23 september 1997.293 Het advies van 15 mei 1997 omtrent het gebruik van verklaringen en stukken uit het Fort-archief bracht   met   zich   mee   dat   tussen   16   en   21   mei   1997   de   (voorbehouden   en/of   voorwaarden   en/of toezeggingen  bij)  verklaringen  van  een  aantal  personen  die  door  het  Fort-team  waren  gehoord,  door leden  van  het  team  gedetailleerd  werden  onderzocht  op  hun  bruikbaarheid  in  het  licht  van  de  criteria die door de landsadvocaat waren geformuleerd. Uit het verslag van de bespreking die op 16 mei 1997 plaatsgreep valt op te maken dat op dat moment de verklaringen van acht personen leken te kunnen worden “gehaald” (daarom nog niet “gebruikt”) door diverse leden van het team (bij politiemensen door politiemensen, bij de douane en de FIOD door iemand van deze diensten, bij CID’ers door iemand van de  CID,  bij  leden  van  het  openbaar  ministerie  door  Noordhoek).  De  verklaringen  van  twee  personen konden  onder  bepaalde  voorwaarden  wellicht  worden  gebruikt.  En  de  verklaringen  van  de  resterende acht personen konden ofwel niet worden gebruikt ofwel moesten opnieuw worden bekeken.294 Wat     tenslotte     de     toegang     tot     en     het     gebruik     van     het     archief     van     de     parlementaire enquêtecommissie  opsporingsmethoden  betreft  verzocht  Docters  van  Leeuwen  op  24  april  1997  aan het  presidium  van  de  Tweede  Kamer  om  leden  van  onderzoeksteams  inzage  te  verlenen  in  het  niet openbare deel van haar dossiers. Met het oog op de concretisering van een formele positieve reactie vond  er  op  22  mei  1997  overleg  plaats  tussen  Noordhoek  en  enkele  ambtenaren  van  de  Kamer.  Zij kwamen tot de slotsom dat (gescreende) leden van het team onder bepaalde voorwaarden eventueel kennis konden nemen van bepaalde informatie mits deze voorlopig alleen als sturingsinformatie werd gebruikt.295  Op  12  juni  1997  werd  deze  afspraak  door  een  van  de  Kamerambtenaren  vastgelegd  in een brief aan A. Docters van Leeuwen.296 6.4 De onderzoeksactiviteiten van de beide teams 6.4.1 Het verdere onderzoek van spoor 1 Eind april 1997 werd concreet geformuleerd hoe het nadere onderzoek zou kunnen worden ingericht. Het  uitgangspunt  in  een  document  van  28  april  dienaangaande  luidde  dat  het,  gezien  het  feit  dat  het nog   onduidelijk   was   “of   de   eerdergenoemde   subjecten   vandaag   de   dag   nog   actief   zijn   op   het                                                 292 Dit blijkt uit de brief van C. Ficq d.d. 13 juni aan de minister van Justitie betreffende de beantwoording van de vragen van het Kamerlid Koekkoek (F18). 293 Brief minister van Justitie d.d. 23 september 1997 aan de voorzitter van het college van procureurs-generaal (C4). Uit een brief van A. Docters van Leeuwen d.d. 21 oktober 1997 aan de minister van Justitie over de vraag van nog weer een   andere   raadsman   omtrent   opheffing   van   het   staatsgeheim   blijkt   overigens   dat   de   minister   reeds   bij   de beantwoording d.d. 25 augustus 1997 van de vragen van het Kamerlid Koekkoek had aangekondigd dat de rubricering “stg.-geheim” zou worden beëindigd (C4). 294 Het betrokken verslag betreffende de bespreking van 16 mei 1997 en de daarbij behorende notities bevinden zich in C4. 295 Het verslag van dit overleg is opgenomen in C4. Blijkens een ander verslag in C4 werd op 29 mei 1997 ook nog eens telefonisch overlegd gepleegd tussen de betrokkenen omtrent het standpunt van het presidium. 296 Brief d.d. 12 juni 1997 aan de voorzitter van het college van procureurs-generaal (F18).