• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort2_9

    73 “Het  zijn  interessante  analyses  vanuit  het  oog  punt  van  inlichtingenwerk,  maar  een  proces- verbaal   als   dusdanig,   dat   al   die   analyses   onderbouwt,   is   er   volgens   mij   niet.   Komt   hier natuurlijk  wel  bij  dat  er  een  grote  kloof  is  tussen  analyses  gebaseerd  op  inlichtingen  en  het strafrechtelijk bewijs tegen misdadigers. Die inlichtingen, die analyses, zijn zo niet bruikbaar. Het zijn wel aardige hypotheses, maar dat is het dan ook wel.” Maar de boodschap in deze presentatie was duidelijk: de informant van de Nederlandse politie werkte voor    een    Colombiaans    kartel    en    heeft    vanaf    het    begin    dubbelspel    gespeeld;    de    betrokken politiemensen   zouden   “plat”   zijn.   Waarbij   De   Wit   in   zijn   interview   aantekende   dat   het,   gegeven bepaalde verklaringen en gegevens, duidelijk was 53: “(…) dat de ellende niet begonnen is bij de RCID-Kennemerland, maar al veel eerder bij de Fiscale Inlichtingen- en Opsporingsdienst (FIOD) in de jaren tachtig.” Met  het  oog  op  de  concretisering  van  de  plannen  hadden  Zwerwer,  Cremers  en  Pijl  op  13  juni  1996 een  onderhoud  met  Docters  van  Leeuwen.  Op  de  vraag  naar  wat  er  moest  gebeuren  kwamen  zij volgens Zwerwer tot de volgende conclusie54: “Wij vonden het verstandig dat er een onderzoek kwam los van het strafrechtelijk onderzoek. Overigens   zagen   wij   voor   ons   geen   rol   weggelegd   in   dit   onderzoek.   Het   onderzoek   zou moeten  gaan  om  integriteit.  Integriteitkwesties  rond  overheidsambtenaren.  Wij  vonden  het nodig dat de dingen nog verder op een rij werden gezet.” Dit  was  dus  een  ander  advies  dan  hetwelk  zij  gaven  in  hun  brief  van  13  maart  1996:  hierin  is  geen sprake   van   een   niet-strafrechtelijk   onderzoek.   Gelet   op   de   lijn   van   het   nieuwe   advies   is   het   niet verwonderlijk dat er tijdens dat onderhoud ook werd gesproken over de vraag of (het) gezien de aard van  het  te  verrichten  onderzoek  niet  zinvol  zou  zijn  dat  er  op  enigerlei  wijze  een  samenwerking  zou ontstaan met de BVD. Deze vraag werd positief beantwoord en kort daarop had Docters van Leeuwen een onderhoud met het hoofd van de BVD, zijn opvolger op die plaats. Het resultaat van hun overleg was volgens Zwerwer55: “(…) dat wij over en weer via een liaison bij elkaar in de keuken mochten kijken doch dat wij – en dat gold ook voor de BVD – in operationele zin niets met de informatie mochten doen. Indien   en   voorzover   er   informatie   kon   worden   gegenereerd   welke   tactisch   of   anderszins bruikbaar     was     zou     dat     via     de     gebruikelijke     weg     worden     geoperationaliseerd.     Ter concretisering van deze afspraak heb ik op 28 juni 1996 in Utrecht een gesprek gevoerd met (…), een vertegenwoordiger van de BVD.” Ondertussen werd er door Zwerwer samen met Holthuis gewerkt aan de formulering van het plan van aanpak.  Op  19  juni  1996  faxten  zij  de  eerste  versie  hiervan  aan  Docters  van  Leeuwen  en  (in  kopie) aan Gonsalves. Twee dagen later kregen dezen langs dezelfde weg “een enigszins aangepaste tekst van  het  scenario”  toegefaxt.  Het  betreft  hier  geen  omvangrijk  plan.  Al  bij  al  beslaat  het  twee  kantjes. Het  draagt  de  titel:  “Scenario  van  een  strafrechtelijk  onderzoek  naar  aanleiding  van  de  bevindingen van het Fort-team”. Alvorens  in  te  gaan  op  dit  scenario  en  de  bespreking  hiervan  in  de  loop  van  juni-juli  door  het college  van  procureurs-generaal  en  de  minister  van  Justitie,  past  het  om  erop  te  wijzen  dat  Docters                                                 53 Interview J. de Wit d.d. 30 januari 2001. 54 Interview S. Zwerwer d.d. 16 januari 2001. 55 Nota S. Zwerwer aan het college van procureurs-generaal d.d. 3 september 1999 (gevoegd bij interview).