• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort3_10

    198 9.4.3 Discussie omtrent inzage in de veiligheidsanalyse Ondanks   het   hierboven   geschetste   verschil   van   inzicht   bereikten   Snijders   en   Noordhoek   reeds spoedig  overeenstemming  over  het  horen  van  de  getuige  door  een  rechter-commissaris  in  het  kader van een gerechtelijk vooronderzoek. Maar er deed zich al spoedig een tweede conflict voor. Men was het   erover   eens   dat   de   beide   getuigen   als   bedreigde   getuigen   anoniem   zouden   moeten   worden gehoord.   Noordhoek   en   Snijders   verschilden   echter   van   mening   over      de   betrokkenheid   van eerstgenoemde bij het getuigenverhoor en bij het informeren van de rechter-commissaris over de aard en   achtergronden   van   de   bedreigingen.   Noordhoek   stelde   zich   op   het   standpunt   dat   hij   als zaaksofficier  op  de  hoogte  moest  worden  gesteld  van  de  meest  relevante  achtergronden  van  de dreigingen,   op   basis   waarvan   de   getuige   als   bedreigde   getuige   kon   worden   aangemerkt.   In   het interview verwoordde hij dat aldus421: “Ik  ging  er  op  zichzelf  wel  mee  akkoord  dat  hij  werd  verhoord  door  de  rechter-commissaris. Ook met het feit dat het verhoor zou plaatsvinden op een geheime plek, zonder dat ik daarbij aanwezig zou zijn, in het kader van een gerechtelijk vooronderzoek tegen J., was ik akkoord. Op de laatste voorwaarde die Snijders stelde, liep het uiteindelijk toch stuk. Uit oogpunt van bronbeveiliging   wilde   Snijders   als   CID-officier   alleen   de   besprekingen   met   de   rechter- commissaris    voeren.    Ook    de    zogeheten    veiligheidsanalyse    zou    alleen    de    rechter- commissaris mogen inzien. Ik kon daar niet mee instemmen. Ik vond dat ik als zaaksofficier inhoudelijk  op  de  hoogte  moest  zijn  van  de  informatie  waarop  de  rechter-commissaris  het verhoor  zou  baseren.  Ik  heb  nooit  gesteld  dat  ik  van  alle  achtergronden  van  de  getuige  op de hoogte moest zijn. Ik ben nadrukkelijk akkoord gegaan met het feit dat ik de identiteit van de getuige niet zou vernemen.” Snijders wilde met de eis van Noordhoek om inzage te verkrijgen in de veiligheidsanalyse niet akkoord gaan.  Hij  was  van  mening  dat  hij  uitsluitend  de  rechter-commissaris,  en  dus  niet  de  zaaksofficier, mondeling en schriftelijk behoorde in te lichten over dergelijke omstandigheden. In een memo aan zijn hoofdofficier  lichtte  hij  zijn  standpunt  toe  door  er  op  te  wijzen  dat  een  veiligheidsanalyse  slechts bedoeld  is  ter  voorlichting  van  de  rechter-commissaris  en  dat  een  zaaksofficier  op  voorsprong  wordt geplaatst ten opzichte van de verdediging als ook hij wordt geïnformeerd over de inhoud ervan.422 Teeven plaatste de hierboven genoemde controverse in een breder perspectief door te wijzen op de uiteenlopende opvattingen die er in het land bestaan over de verhouding tussen de CID-officier en de zaaksofficier423: “Er  bestaan  op  dit  punt  twee  doctrines.  Aan  de  ene  kant  de  Haarlem-doctrine  zogezegd, waarbij   men   vindt   dat   de   CID-officier   en   de   zaaksofficier   helemaal   gescheiden   moeten worden  en  aan  de  andere  kant  de  Amsterdam-doctrine,  waarin  men  juist  het  tegendeel aanhangt.   De   zaaksofficier   moet   in   mijn   ogen   eigenlijk   alles   weten   over   de   CID.   De consequentie daarvan is natuurlijk wel dat hij in grote zaken constant in hoger beroepszaken als getuige moet optreden, maar dat vind ik op zichzelf geen enkel probleem. Als je natuurlijk de  beide  rollen  vervult,  staat  daar  tegenover  dat  je  in  de  rechtbank  op  het  scherpst  van  de snede  moet  opereren  om  het  afbreukrisico  zo  veel  mogelijk  te  beperken,  door  bepaalde vragen van advocaten bijvoorbeeld tegen te houden of door heel goed op te letten wanneer politiemensen verklaringen afleggen. Dat betekent wel een beetje onmin in de rechtszaal, in                                                 421 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001. 422 Memo van J. Snijders d.d. 12 juni 1999 aan H. van Brummen (B2). 423 Interview F. Teeven d.d. 7 februari 2001.