• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort3_12

    200 “Teneinde   de   indruk   te   vermijden   dat   met   NN   in   feite   werd   gedoeld   op   J.   werd   in   de vordering   de   specificatie   “overheidsdienaar”   opgenomen.   Door   deze   specificatie   werd derhalve expliciet afstand genomen van het gerechtelijk vooronderzoek tegen J.” Uiteindelijk  besloot  ‘Haarlem’  om  zelf  een  gerechtelijk  vooronderzoek  NN  te  vorderen  bij  de  rechter- commissaris. Noordhoek trok zijn handen ervan af en zou ook later geen gebruik willen maken van de resultaten van dit NN-GVO. 9.4.5 NN-getuigen contra een NN-verdachte Het NN-GVO werd op 20 januari 1998 door Van Straelen gevorderd bij een rechter-commissaris in het arrondissement Haarlem.429  NN  werd  in  deze  vordering  omschreven  als  een  overheidsdienaar  die  in de periode 1987 tot en met 1994 deelnam aan een organisatie van douane- en/of politieambtenaren, welke organisatie het doel had het plegen van corruptie ter facilitering van de invoer in Nederland van verdovende middelen.430  Het  feit  dat  het  gerechtelijk  vooronderzoek  in  Haarlem  werd  geopend,  had volgens de betrokken Haarlemse officieren te maken met het feit dat Snijders in Haarlem werkte en de getuigen via hem waren binnengekomen.431 In  het  voorjaar  van  1998  werd  NN1  door  de  rechter-commissaris  gehoord,  het  verhoor  van  NN2  vond plaats in het najaar van 1998. Met de keuze om de beide personen als bedreigde getuigen anoniem te horen ontstond de niet alledaagse figuur van NN-getuigen contra een NN-verdachte. Het  is  op  zichzelf  mogelijk  om  bedreigde  getuigen  in  een  NN-GVO  te  horen.  Bij  het  horen  van bedreigde  getuigen  tegen  een  bij  naam  bekende  verdachte  dient  de  rechter-commissaris  eerst  te bepalen of de getuige terecht een beroep doet op de status van bedreigde getuige. Op basis van door de  officier  overlegde  gegevens  over  de  ernst  van  de  bedreiging  neemt  de  rechter-commissaris  een besluit  waartegen  de  verdachte  in  beroep  kan  gaan  (art  226a,  eerste  lid  Sv.).  De  normale  gang  van zaken   is   dat   eerst   na   het   verstrijken   van   de   beroepstermijn,   dan   wel   na   het   doorlopen   van   de appèlprocedure,  het  verhoor  van  de  getuige  plaatsvindt.  In  spoedeisende  gevallen  hoort  de  rechter- commissaris  de  bedreigde  getuige  eerst,  en  houdt  het  proces-verbaal  van  verhoor  onder  zich  totdat over het hoger beroep is beslist. Pas nadat het hoger beroep is afgewezen wordt het proces-verbaal bij het dossier gevoegd; bij toekenning van het hoger beroep wordt het proces-verbaal vernietigd. In  het  geval  van  een  NN-GVO  is  er  geen  verdachte  die  hoger  beroep  kan  instellen.  Het  proces- verbaal  van  verhoor  wordt  derhalve  na  het  verstrijken  van  de  beroepstermijn  bij  het  dossier  gevoegd. Bij  de  totstandkoming  van  de  Wet  Getuigenbescherming  is  niet  over  de  mogelijkheid  gesproken  voor de later geïdentificeerde verdachte om alsnog hoger beroep in te stellen tegen de beschikking van de rechter-commissaris waarin de getuige als bedreigde getuige wordt aangemerkt. Het is derhalve zeer onzeker of dit appèlrecht toekomt aan de later geïdentificeerde verdachte. Van  Straelen  realiseerde  zich  de  problemen  van  de  gekozen  constructie,  maar  had  blijkens  het door  hem  opgestelde  memo  aan  Van  Brummen  weinig  keus.432   Hij   wees   er   op   dat   het   lopende onderzoek  met  zich  bracht  dat  niet  kon  worden  gewacht  met  het  horen  van  de  anonieme  getuigen totdat de verdachte bekend zou zijn. In de eerste plaats waren beide NN-getuigen niet bij voortduring beschikbaar en zou het wachten met het afleggen van een verklaring totdat een verdachte met naam                                                                                                                                                         427 Ambtsbericht van H. van Brummen d.d. 14 juni aan de voorzitter van het college van procureurs-generaal 1999 (B2). 428 Interview H. van Brummen d.d. 2 februari 2001. 429 Dezelfde  rechter-commissaris  had  op  1  december  1997  op  vordering  van  officier  van  justitie  Noordhoek  reeds  een gerechtelijk vooronderzoek tegen J. geopend. Twee maanden na deze opening van het NN-GVO zou op vordering van Noordhoek nog een derde gerechtelijk vooronderzoek worden geopend, namelijk tegen De J. 430 Memo van F. van Straelen d.d. 14 juni 1999 aan H. van Brummen (B2). 431 Interview F. van Straelen d.d. 15 januari 2001. 432 Memo van F. van Straelen d.d. 14 juni 1999 aan H. van Brummen (B2).