• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort3_16

    204 die  informatie  zou  gieten  in  een  proces-verbaal,  dat  vervolgens  voor  operationele  doeleinden  kon worden   aangewend.   Analoog   aan   hetgeen   Van   Straelen   hierover   zei   –   zie   de   interviewpassage hierboven – was Snijders zich zeer wel bewust van de verregaande strekking van het opheffen van de 00-status  van  een  informant  ten  aanzien  van  diens  eigen  criminele  handelen.  Een  dergelijke  keuze brak  immers  met  de  code  om  informanten  onder  alle  omstandigheden  af  te  schermen.  Niettemin achtte  Snijders  het  in  het  geval  van  een  aantal  informanten  gerechtvaardigd  om  te  breken  met  die code.  Zijns  inziens  hadden  de  betrokken  informanten  de  afspraken  met  de  overheid  geschonden, waardoor  de  overheid  niet  langer  gebonden  was  aan  de  verplichting  hen  volledig  af  te  schermen. Snijders was er van overtuigd dat het exploitabel maken van 00-informatie van “dubbelinformanten”, te wier  aanzien  was  vastgesteld  dat  zij  op  geen  enkele  wijze  bedreigd  werden  of  gevaar  liepen,  een belangrijke  opening  zou  forceren  voor  onderzoeken  die  er  op  gericht  waren  helderheid  te  scheppen over de rol van overheidsdienaren in het IRT-tijdperk.445 Snijders   noemde   in   zijn   schrijven   van   januari   1998   twee   randvoorwaarden   voor   het   tactisch bruikbaar  maken  van  bedoelde  CID-informatie.  De  eerste  was  dat  maximale  openheid  moest  worden betracht  in  de  richting  van  de  strafrechter.  De  tweede  randvoorwaarde  was  dat  de  dubbelrol  van  de informanten   ondubbelzinnig   moest   worden   aangetoond.   Hoe   de   laatste   randvoorwaarde   concreet moest worden ingevuld, valt uit het memo niet af te leiden. Als  gevolg  van  de  directe  koppeling  die  Snijders  en  Van  Straelen  later  dat  jaar  aanbrachten tussen  het  verstrekken  van  CID-informatie  en  het  gebruik  van  de  NN-verklaringen  voelde  Noordhoek zich  in  de  klankbordgroep  door  de  Haarlemse  delegatie  zwaar  onder  druk  gezet.  In  augustus  1998 zwichtte  hij  voor  deze  druk  en  deed  hij  in  de  klankbordgroep  de  toezegging  om  de  verklaringen  te gaan gebruiken. Hij verklaarde hierover het volgende446: “Van  Straelen  zei  dat  hij  informatie  voor  mijn  onderzoek  had  waarbij  ik  mijn  vingers  zou aflikken.  Die  kreeg  ik  natuurlijk  niet  als  ik  niet  met  de  door  hen  voorgestelde  werkwijze akkoord   zou   gaan.   Ik   heb   gezegd   dat   ik   mij   niet   liet   chanteren.   (…)   Een   belangrijk pressiemiddel   van   hun   kant   was   dat   ik   geen   toegang   kreeg   tot   het   CID-bestand   van Kennemerland zonder gebruik te maken van de verklaringen. Ik dacht: “die gebruik ik nooit, anders  dan  om  onder  de  “koppelverkoop”  uit  te  komen”.  Mij  stond  dus  een  ander  gebruik voor ogen dan zij gewild zouden hebben. Het was voor mij een breekijzer om de rest van de informatie te kunnen krijgen.” De  toezegging  van  Noordhoek  ten  aanzien  van  het  gebruik  van  de  verklaringen  was  derhalve  gratuit. Daar kwam bij dat Van Straelen niet alleen aandrong op het gebruik van de NN-verklaringen, maar op overname van het NN-GVO als geheel. In de woorden van Van Straelen447: “Noordhoek   wilde   wel   de   getuigenverklaringen   hebben,   maar   wilde   niet   dat   het   gehele gerechtelijk  vooronderzoek  werd  overgenomen.  En  dat  wilde  ik  weer  niet.  Ik  wilde  wel  de gegevens ter beschikking stellen ten behoeve van het LRT-onderzoek, maar dan moest wel het gehele gerechtelijk vooronderzoek worden overgenomen. De reden waarom ik vond dat alleen  het  gehele  gerechtelijk  vooronderzoek  zou  moeten  worden  overgenomen  was  dat  ik niet  wilde  dat  de  verklaringen  los  kwamen  te  staan  van  het  gerechtelijk  vooronderzoek.  De bescherming van de rechten van de verdachte, met name de betwisting van het opnemen en het gebruik van een NN-verklaring op grond van art 226a Sv., is mijns inziens op die manier het beste te waarborgen. Ik vond dat het gerechtelijk vooronderzoek door het LRT op naam zou moeten worden gesteld. De manier waarop gebruik zou moeten worden gemaakt van de                                                 445 Memo J. Snijders d.d. 12 januari 1998 aan H. van Brummen (D21). 446 Interview E. Noordhoek d.d. 31 januari 2001. 447 Interview F. van Straelen d.d. 15-1-2001.