• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202/06-34339533, info@burojansen.nl.
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort3_37

    225 11 De ontwikkeling van andere onderzoeken 11.1 Inleiding In   de   periferie   van   het   060-onderzoek   speelden   ook   de   parketten   Amsterdam   en   Haarlem   een belangrijke   rol.   Zoals   uit   het   voorgaande   duidelijk   is   geworden,   was   in   het   bijzonder   het   parket Haarlem nadrukkelijk bij een aantal post-Fort-activiteiten betrokken. Zo is in deel I gewezen op de rol van  Snijders  bij  de  afbouw  van  informanten  uit  het  IRT-tijdperk,  op  het  rapport  dat  hij  samen  met Teeven schreef naar aanleiding van de bedreiging van een officier van justitie en – in hoofdstuk 9 – op het dossier “Rollaag”. Het laatstgenoemde dossier bevat de aanwijzingen – onder meer gebaseerd op de  twee  besproken  NN-verklaringen  en  het  parallel-proces-verbaal  –  omtrent  het  bestaan  van  de parallel-importen. Snijders   c.s.   hadden   in   het   najaar   van   1997   ook   een   begin   gemaakt   met   het   zogenaamde “Schilderstraject”. Aan het einde van het eerste deel van dit rapport (hoofdstuk 8) is reeds vastgesteld dat het college van procureurs-generaal en de secretaris-generaal van het ministerie van Justitie eind 1997 hun toestemming verleenden om de oriëntatiefase van dit traject – dat kort gezegd neerkwam op het voeren van gesprekken met een aantal buitenlandse ingewijden in de cocaïnehandel – in te gaan. De  activiteiten  van  Snijders  c.s.  beperkten  zich  echter  niet  tot  cocaïnetransporten  in  relatie  tot Zuid-Amerika. Naast het dossier “Rollaag” en het “Schilderstraject” vormde het zogenaamde XTC/Van T.-dossier een andere belangrijke hoofdactiviteit. Ook inventariseerde het “team-Snijders” aanwijzingen over allerhande vormen van corruptie en/of compromitterende kwesties. Een deel van dit materiaal was afkomstig uit het “besmette” IRT-dossier. Het   parket   Amsterdam   was   op   een   andere   wijze   bij   de   post-Fort-activiteiten   betrokken.   In hoofdstuk  9  is  reeds  vermeld  dat  Teeven  medio  1998  een  proces-verbaal  met  operationeel  bruikbare informatie  over  J.  aan  het  LRT  ter  beschikking  stelde.  Aan  het  parket  Amsterdam  was  evenwel  ook een zelfstandige rol toebedeeld in het kader van het post-Fort-traject. Eind 1997 was immers besloten –  zie  paragraaf  7.4  –  dat  Teeven  als  zaaksofficier  leiding  zou  geven  aan  een  nader  onderzoek  in  de XTC-zaak en aan het onderzoek naar de liquidatie van Van der Heiden. De laatste activiteit die in het kader   van   dit   rapport   van   belang   is,   betreft   de   pre-deal   die   door   het   Amsterdamse   parket   werd gesloten met K. In dit hoofdstuk wordt het verloop van de hierboven aangestipte onderzoeken nader beschreven. Paragraaf   11.2   staat   in   het   teken   van   het   verloop   van   het   “Schilderstraject”.   Paragraaf   11.3   is gereserveerd  voor  het  onder  gezag  van  Snijders  samengestelde  XTC/Van  T.-dossier.  De  relatie  met het   063-onderzoek   van   het   LRT   komt   in   deze   paragraaf   ook   aan   bod.   In   paragraaf   11.4   wordt aandacht   besteed   aan   de   activiteiten   die   onder   auspiciën   van   het   parket   Amsterdam   werden geïnitieerd. 11.2 Het “Schilderstraject” In hoofdstuk 8 is vastgesteld dat eind 1997 zowel het college van procureurs-generaal als secretaris- generaal     Borghouts     toestemming     gaven     voor     de     oriënterende     fase     van     het     zogenaamde “Schilderstraject”.  Langs  informele  weg  was  vanuit  het  college  het  licht  reeds  eerder  op  groen  gezet, getuige  het  feit  dat  een  delegatie  van  Nederlandse  opsporingsambtenaren  en  officieren  van  justitie reeds    naar    Zuid-Amerika    was    afgereisd    om    dit    traject    nader    vorm    te    geven    voordat    het