• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort3_39

    227 in  het  zwaarste  in  Engeland  bestaande  regiem.  Vanaf  25  augustus  1999  is  hij  ingedeeld  in  een  iets minder zwaar regiem. De   activiteiten   die   door   Snijders   c.s.   met   betrekking   tot   Van   T.   zijn   ontplooid,   vinden   hun oorsprong   in   twee   andere   ontwikkelingen.   Allereerst   bracht   de   onder   het   gezag   van   Snijders plaatshebbende  analyse  van  het  IRT-materiaal  Schouten  en  hemzelf  tot  de  overtuiging  dat  het  XTC- traject   gekenmerkt   werd   door   een   reeks   van   opsporingshandelingen   waarbij   niet   moest   worden uitgesloten dat runners en eventueel toezichthoudenden, respectievelijk leidinggevenden de gang van zaken   bewust   op   zijn   beloop   hadden   gelaten.499    De    tweede    belangrijke    aanleiding    vormde    de briefwisseling    tussen    de    advocaat    van    Van    T.,    Korvinus,    en    het    openbaar    ministerie    en    het departement van Justitie. Deze uit 1996 daterende briefwisseling met betrekking tot het in gang zetten van  een  procedure  in  het  kader  van  de  Wet  Overdracht  Tenuitvoerlegging  Strafvonnissen  (WOTS)  is reeds beschreven in respectievelijk de paragrafen 4.4.4 en 7.4.4. In  maart  1998  werd  Snijders  tijdens  een  bezoek  aan  het  parket-generaal  geattendeerd  op  een herinnering  die  advocaat  Korvinus  op  26  februari  1998  aan  het  college  van  procureurs-generaal  had gezonden.  Het  college  werd  door  Korvinus  herinnerd  aan  een  brief  d.d.  1  augustus  1997,  waarin  hij (nogmaals)  om  medewerking  had  gevraagd  bij  een  WOTS-verzoek.  In  de  beleving  van  Korvinus  had de   overheid   een   morele   plicht   om   zich   voor   zijn   cliënt   in   te   spannen,   aangezien   hij   indirect   het slachtoffer zou zijn van ongeoorloofde opsporingsmethoden in het XTC-traject.500 Vanuit  het  parket-generaal  werd  Snijders  vanwege  zijn  bekendheid  met  de  materie  –  op  grond van de analyse van het IRT-materiaal – verzocht een bijdrage te leveren aan de beantwoording van de vragen   die   Korvinus   in   zijn   brief   had   opgeworpen.   Aanvankelijk   voelde   hij   hier   weinig   voor.   Bij aangelegenheden    in    de    sfeer    van    de    WOTS    diende    in    zijn    optiek    het    Bureau    Internationale Rechtshulp in Strafzaken (BIRS) van het ministerie van Justitie een voortrekkersrol te vervullen.501 Kort  hierna  vernam  Snijders  van  advocaat-generaal  Zwerwer  dat  die  het  standpunt  huldigde  dat Van  T.  onterecht  in  Engelse  detentie  terecht  was  gekomen.  Hij  bleek  dit  standpunt  ook  te  hebben overgebracht aan Korvinus.502 Snijders  kaartte  de  zaak  vervolgens  op  14  april  1998  aan  bij  Van  Brummen.  Afgesproken  werd dat Van Brummen de kwestie zou bespreken met Ficq. Van Brummen meldde aan Ficq dat Snijders, ondanks zijn reeds genoemde reserves, bereid was een adviesrol te vervullen op voorwaarde dat Ficq zou  instemmen  met  het  voornemen  van  Snijders  om  een  gesprek  met  Van  T.  aan  te  gaan.  Bij  dit gesprek  zou  behalve  Snijders  ook  Korvinus  aanwezig  moeten  zijn.  Ficq  verklaarde  zich  akkoord  met deze  voorwaarde,  waarna  Snijders  contact  zocht  met  de  raadsman  om  de  te  volgen  werkwijze  nader te bespreken. Tijdens het gesprek met Korvinus werd door Snijders benadrukt dat van de kant van het openbaar ministerie te Haarlem geen enkele garantie of toezegging kon worden gedaan.503 11.3.2 Het verloop van het onderzoek Op   18   mei   1998   brachten   Snijders   en   Schouten,   in   aanwezigheid   van   Korvinus,   een   eerste, verkennend   bezoek   aan   de   penitentiaire   inrichting   in   Engeland   waarin   Van   T.   verbleef.   Snijders benadrukte   het   informele   karakter   van   het   bezoek   en   gaf   aan   dat   het   belangrijkste   doel   van   de bijeenkomst  was  om  vast  te  stellen  of  Van  T.  de  waarheid  sprak.  Verder  werd  Van  T.  te  verstaan gegeven   dat   alleen   volledige   openheid   van   zijn   kant   aan   Snijders   de   mogelijkheid   bood   om   zijn verklaringen  te  toetsen  aan  de  dossiers  die  hij  tot  zijn  beschikking  had.  Van  T.  zette  hierop  in  grote                                                 499 Voortgangsrapportage XTC-traject/Van T., J. Snijders, d.d. 15 mei 1999 (D14). 500 Voortgangsrapportage onderzoek 98063 d.d. 5 oktober 1998 (D15). 501 Voortgangsrapportage XTC-traject/Van T., J. Snijders, d.d. 15 mei 1999 (D14). 502 Voortgangsrapportage XTC-traject/Van T., J. Snijders, d.d. 15 mei 1999 (D14). 503 Voortgangsrapportage XTC-traject/Van T., J. Snijders, d.d. 15 mei 1999 (D14).