• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort3_40

    228 lijnen  uiteen  wat  zijn  betrokkenheid  was  geweest  bij  de  XTC-transporten  uit  het  begin  van  de  jaren negentig.504 Na  deze  eerste  ontmoeting  volgde  in  de  loop  van  de  daaropvolgende  maanden  nog  een  aantal gesprekken  met  Van  T.  en  met  enkele  personen  uit  zijn  directe  omgeving.  Deze  gesprekken  hadden de  status  van  getuigenverhoren.  Tijdens  één  van  deze  verhoren  –  op  3  augustus  1998  –  deed  Van  T. overigens aangifte van bedreiging door de informant P. De activiteiten die Snijders c.s. aan de dag legden werden ingegeven door compassie,  alsmede door  motieven  van  strafrechtelijke  aard.  Het  humanitaire  motief  zat  in  de  groeiende  overtuiging  dat Van T. ten onrechte al jarenlang in het zwaarst denkbare gevangenisregiem werd vastgehouden. Het vermoeden  rees  dat  de  categorisering  tot  gevangene  met  de  A-status  gebaseerd  was  op  onjuiste informatie van een Engelse beambte.505 Daarenboven     wees     toetsing     van     de     verklaringen     van     Van     T.     aan     het     beschikbare dossiermateriaal   uit   dat   Van   T.   in   het   criminele   netwerk   waarin   hij   verkeerde   geen   initiërende   of leidende  rol  had  gespeeld,  maar  slechts  als  ondergeschikte  betrokken  was  geweest  bij  de  directe uitvoering   van   transporten.   Zijn   rol   in   het   XTC-traject   maakte   de   zware   detentie   die   hij   moest ondergaan kwestieus.506 De  dossiers  waaruit  in  dit  verband  geput  werd,  betroffen  behalve  het  Engelse  strafdossier  ook Nederlandse bronnen, zoals het IRT-materiaal en het Fort-dossier. Tot het IRT-dossier hadden op dat moment  uitsluitend  Snijders  en  Schouten  toegang.  De  twee  leden  van  het  inmiddels  binnen  het  LRT gevormde   tactische   team   063   –   bestaande   op   uit   een   politiefunctionaris   van   het   LRT   en   een rijksrechercheur – bekommerden zich om het Engelse strafdossier en het verhoor van de getuigen. In hun voortgangsrapportage d.d. 5 oktober 1998 schetsten zij enkele kritische succesfactoren die in de overweging   om   al   dan   niet   een   nader   tactisch   onderzoek   te   laten   verrichten   moesten   worden meegenomen.  De  bruikbaarheid  van  het  materiaal  uit  het  IRT-bestand  vormde  daarbij  één  van  de hoofdvragen.  Een  andere  belangrijke  vraag  had  betrekking  op  de  kennisgevingen  van  niet  verdere vervolging  die  medio  negentiger  jaren  aan  een  aantal  verdachten,  die  subject  van  onderzoek  waren geweest  van  het  ontbonden  IRT,  waren  uitgereikt.  Als  gevolg  van  de  destijds  bestaande  overtuiging dat  met  het  wegvallen  van  het  “besmette”  IRT-materiaal  onvoldoende  bewijs  resteerde,  waren  in augustus   1995   de   gerechtelijke   vooronderzoeken   tegen   een   aantal   hoofdverdachten   gesloten   en waren kennisgevingen van niet verdere vervolging naar hen uitgegaan.507 Ondanks  de  hierboven  genoemde  reserves  was  men  ook  binnen  het  063-team  geporteerd  voor  een vervolgonderzoek.  De  vergelijking  van  de  diverse  gegevensbronnen  had  namelijk  een  aantal  nieuwe vragen opgeworpen over de werkelijke gang van zaken in het XTC-traject aan het begin van de jaren negentig.   De   eerder   gememoreerde   motieven   van   strafrechtelijke   aard   komen   op   dit   punt   tot uitdrukking.   In   het   bijzonder   de   verklaringen   van   Van   T.   wierpen   naar   het   oordeel   van   de   direct betrokkenen  nieuw  licht  op  de  zaak  en  rechtvaardigden  een  tactisch  onderzoek.  Zoals  Snijders  het uitdrukte508: “Behalve   humanitaire   gronden   waren   er   ook   redenen   van   strafrechtelijke   aard   om   de gesprekken  met  Van  T.  door  te  zetten.  Zij  wierpen  namelijk  nieuw  licht  op  de  XTC-trajecten aan  het  begin  van  de  jaren  negentig  en  op  de  rol  die  een  politie-informant  en  wellicht  ook een  officier  van  justitie  in  dat  geheel  hadden  gespeeld.  Tijdens  de  presentatie  op  6  oktober 1998 ten overstaan van het college van procureurs-generaal hebben we er ook op gewezen                                                 504 Voortgangsrapportage XTC-traject/Van T., J. Snijders, d.d. 15 mei 1999 (D14). 505 Rapport Thunderbird I, J. Snijders en P. Schouten d.d. 14 april 2000 (A6). 506 Brief van H. van Brummen d.d. 17 september 1998 aan C. Korvinus (D15). 507 Notitie over kennisgeving van niet verdere vervolging na opblazen IRT d.d. 5 augustus 1999 (B4). In deze notitie wordt overigens ook opgemerkt dat de gerechtelijke vooronderzoeken jegens de hoofdverdachten in de zaak van de moord op Van der Heiden reeds in mei 1994 werden gesloten. 508 Interview J. Snijders d.d. 12 februari 2001.