• Buro Jansen & Janssen is een onderzoeksburo dat politie, justitie, inlichtingendiensten, de overheid in Nederland en Europa kritisch volgt. Een grond-rechten kollektief dat al 30 jaar publiceert over uitbreiding van repressieve wetgeving, publiek-private samenwerking, bevoegdheden, overheids-optreden en andere staatsaangelegenheden.
    Buro Jansen & Janssen Postbus 10591, 1001EN Amsterdam, 020-6123202, 06-34339533, signal +31684065516, info@burojansen.nl (pgp)
    Steun Buro Jansen & Janssen. Word donateur, NL43 ASNB 0856 9868 52 of NL56 INGB 0000 6039 04 ten name van Stichting Res Publica, Postbus 11556, 1001 GN Amsterdam.
  • Publicaties

  • Europa

  • Politieklachten

  • fort3_52

    240 onderlinge relaties tussen de officieren van justitie. In de beleving van Holthuis hadden de gesprekken een reinigende werking gehad en was de kou zo goed als uit de lucht.534 Holthuis  gaf  verder  in  zijn  brief  te  kennen  dat  er  door  hem  en  Van  Brummen  een  afspraak  was gemaakt met Vrakking. In september 1998 zouden de drie hoofdofficieren de onderlinge relatie tussen de   betrokken   officieren   van   justitie   nog   eens   onder   de   loep   nemen.   Op   die   bijeenkomst   zouden afspraken  worden  gemaakt  die  moesten  voorkomen  dat  de  drie  officieren  van  justitie  rollend  over straat zouden gaan.535 Gesproken   werd   er   dus   wel   door   de   drie   hoofdofficieren   over   de   slechte   relaties   tussen   de officieren van justitie. De ene hoofdofficier gaf de andere daarbij wel eens de suggestie om resoluut in te   grijpen,   maar   noch   uit   de   stukken   noch   uit   de   interviews   kan   worden   opgemaakt   dat   de   drie hoofofficieren ooit serieus overwogen hebben om ‘hun’ officier van justitie te vervangen. De   door   Ficq   geraadpleegde   ambtenaar   van   het   parket-generaal   schatte   de   situatie   minder rooskleurig  in  dan  Holthuis.  In  zijn  optiek  moest  het  college  in  termen  van  regie  en  verantwoording heel  dicht  op  het  post-Fort-onderzoek  gaan  zitten,  vergelijkbaar  met  de  aanpak  in  de  Bouterse-zaak. Aan   het   college   zou   de   concrete   onderzoeksstrategie   van   het   060-onderzoek   moeten   worden voorgelegd. Deze strategie zou indringend moeten worden besproken met Holthuis als verantwoordelijk  hoofdofficier,  met  Van  Brummen  er  bij  als  betrokken  hoofdofficier.  De  betreffende ambtenaar  was  er  van  overtuigd  dat  de  beide  hoofdofficieren  zo’n  sterke  regierol  van  het  college zonder meer zouden toejuichen.536 De ambtenaar in kwestie keek al verder vooruit en wel naar het moment dat de verdachten in de diverse  onderzoeken  zouden  worden  aangehouden.  Hij  pleitte  voor  het  tijdig  in  gang  zetten  van  een discussie  binnen  het  college  wie  vanaf  dat  moment  de  regierol  op  de  schouders  zou  nemen.  De  rol van  waarnemend  voorzitter  van  het  college  was  naar  zijn  gevoel  niet  te  combineren  met  de  in  tijd, plaats en intensiteit onvoorspelbare besognes van zo’n rol. 12.3 De door het college genomen maatregelen in de zomer van 1998 Ficq was door de correspondentie die hem eind juli 1998 bereikte overtuigd geraakt van de ernst van de situatie. Hij stelde zich in verbinding met Van Brummen en Holthuis en drong, conform het voorstel van  de  ambtenaar  van  het  parket-generaal,  bij  beiden  aan  op  een  presentatie  waarin  de  gemaakte vorderingen  en  de  geplande  strategie  konden  worden  toegelicht.  Deze  presentatie  vond  plaats  op  6 oktober 1998 (zie paragraaf 12.4). Direct overleg met het parket Amsterdam op dit punt lijkt, afgaande op de stukken, overigens niet te hebben plaatsgevonden. De opvatting dat het college de regie sterker naar zich toe zou moeten trekken, werd slechts ten dele  door  Ficq  gedeeld.  Hij  achtte  weliswaar  een  belangrijke  rol  weggelegd  voor  het  college  bij  het nemen  van  –  en  toezicht  houden  op  de  naleving  van  –  cruciale  beslissingen  van  strategische  aard, maar zijns inziens dienden de procureurs-generaal zich verre te houden van personele problemen. Hij verwoordde deze visie in het met hem gehouden interview als volgt537: “De  rol  van  het  college  is  die  van  toezichthouder.  Een  procureur-generaal  moet  zich  in  mijn optiek niet rechtstreeks bemoeien met individuele onderzoeken en personele aangelegenheden in een arrondissementsparket. De hoofdofficier is integraal manager en dit soort  zaken  behoort  tot  zijn  competentie.  Het  is  niet  aan  mij  als  procureur-generaal  om  te                                                 534 Brief van H. Holthuis d.d. 30 juli 1998 aan C. Ficq (B2). 535 Brief van H. Holthuis d.d. 30 juli 1998 aan C. Ficq (B2). 536 Vertrouwelijke nota vanuit het parket-generaal d.d. 30 juli 1998 aan C. Ficq (B2). 537 Interview C. Ficq d.d. 29 januari 2001.